Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:342

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
20-01-2017
Datum publicatie
20-01-2017
Zaaknummer
5608412 VV EXPL 16-99
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rechter verplicht Monuta en OR om aan de vakbonden informatie te verstrekken over een reorganisatie

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 305
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 611
Wet op de ondernemingsraden
Wet op de ondernemingsraden 36
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2017/285
AR 2017/354
TRA 2017/32 met annotatie van R.H. van het Kaar
AR 2017/1276
JAR 2017/42
AR-Updates.nl 2017-0053 met annotatie van L.C.J. Sprengers
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zaaknummer: 5608412 VV EXPL 16-99

Zittingsplaats Apeldoorn

Grosse aan: mrs. Wybenga en Boele

Afschrift aan: mrs. Van Wijk en De Brouwer
verzonden d.d.

vonnis (ex art. 254 RV) van de kantonrechter d.d. 20 januari 2017 (bij vervroeging)

inzake

1 de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid
Federatie Nederlandse Vakbeweging,

2. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid
CNV Vakmensen.nl,

beide gevestigd te Utrecht,

eiseressen in conventie,
verweersters in reconventie,
gemachtigden: mr. R.J. Wybenga en mr. K. Boele,

tegen:

1 de naamloze vennootschap Monuta Holding N.V.,

2. de naamloze vennootschap Monuta Uitvaartverzorging N.V.,
beide gevestigd te Apeldoorn,
gedaagden,
gemachtigde: mr. F.J. van Wijk,

3. de ondernemingsraad Ondernemingsraad van Monuta Holding N.V.,
gevestigd te Apeldoorn,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
gemachtigde: mr. I.A. de Brouwer.

Eiseressen zullen hierna samen worden aangeduid met de vakbonden, en ieder voor zich als FNV en CNV Vakmensen. Gedaagden onder 1 en 2 worden samen aangeduid met Monuta en waar nodig afzonderlijk met Monuta Holding en Monuta Uitvaartverzorging. Gedaagde onder 3 wordt aangeduid met de OR.

1 Procesverloop

1.1.

Dit verloop blijkt uit:

- de dagvaarding in het kort geding d.d. 2 januari 2017,

- de brieven van 5 en 6 januari 2017 van de zijde van Monuta, met de bijlagen 1 tot en
met 13,

- de conclusie van antwoord, tevens van eis in reconventie, van de zijde van de OR,

- de brieven van 6 en 9 januari 2017 van de zijde van de vakbonden, met een akte wijziging van eis en overlegging producties, en de producties XI, XII en XIII,
- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van 9 januari 2017.

1.2.

Hierna is vonnis bepaald.

2 Feiten

2.1.

Monuta is een organisatie werkzaam in de uitvaartverzekering en -verzorging. Bij haar zijn (onder meer) uitvaartverzorgers in dienst. Ook worden werkzaamheden ten behoeve van Monuta verricht door franchisenemers. Monuta Uitvaartverzorging is een werkmaatschappij van Monuta Holding. De OR is de ondernemingsraad van Monuta Holding, die haar werkzaamheden tevens uitvoert ten behoeve van de werknemers van de werkmaatschappijen.

2.2.

Tussen Monuta en de vakbonden is een Sociaal Plan overeengekomen met een looptijd van 1 april 2015 tot 1 april 2018. In het Sociaal Plan is onder meer te lezen:
(…) Het sociaal plan is van toepassing op alle werknemers met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd van wie de functie is betrokken bij organisatieveranderingen. In de regel is er hiervoor bij de Ondernemingsraad, conform de WOR, een adviesaanvraag ingediend dan wel, bij zeer kleine reorganisaties, overlegd met de Ondernemingsraad. (…)”.

In het Sociaal Plan zijn afspraken neergelegd die (onder meer) betrekking hebben op boventalligverklaring, uitwisselbare en passende functies en gevolgen van organisatie-veranderingen voor individuele werknemers.

2.3.

In de CAO Uitvaartbranche, versie 1 januari 2016 tot 1 januari 2018, (hierna: de CAO) is in bijlage VII Sociaal Beleid Uitvaartbranche opgenomen:
4. Werkgelegenheidsoverleg op ondernemingsniveau
De werkgever die plannen voorbereidt, welke een belangrijke nadelige invloed op de werkgelegenheid in kwantitatieve en/of kwalitatieve zin kunnen hebben, informeert daarover zo spoedig mogelijk de vakverenigingen met inachtneming van de wettelijke kaders (WOR). De werkgever zal daarbij tevens inzicht geven in de overwegingen, die aan de voorgenomen plannen ten grondslag liggen.”.

2.4.

Monuta is sinds september 2016 bezig met de ‘uitrol’ van een strategieplan met de naam “Groter groeien”. Op 6 september 2016 is een presentatie over dit plan gegeven in Utrecht, voor alle medewerkers in de uitvaartzorg. Daarbij is aangegeven dat het in de verwachting lag dat begin december 2016 meer duidelijkheid gegeven zou kunnen worden over de positie van de uitvaartverzorgers.

2.5.

Monuta heeft op 27 oktober 2016 een adviesaanvraag aan de OR gezonden, waarin onder meer advies is gevraagd over de functie van uitvaartverzorger ‘nieuwe stijl’. De OR heeft op 30 november 2016 een deeladvies gegeven, waarbij positief is geadviseerd omtrent deze functie van uitvaartverzorger.

2.6.

Monuta heeft op 1 december 2016 aan de werknemers een reorganisatie bekend gemaakt, waarbij de functie van uitvaartverzorger komt te vervallen en alle medewerkers met die functie boventallig worden per 1 februari 2017. De boventallige medewerkers mogen uiterlijk op 4 december 2016 solliciteren voor de functie van uitvaartverzorger ‘nieuwe stijl’, waarbij aansluitend de sollicitatieprocedure is begonnen.

3. De vorderingen en verweren

3.1.

De vakbonden vorderen na wijziging van eis (samengevat) dat de voorzieningen-rechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

Monuta en de OR zal veroordelen binnen een etmaal nadat te dezen uitspraak zal zijn gedaan, aan de vakbonden kopie te verstrekken van:

a. de recente adviesaanvraag aan de OR;

b. het door de OR op 30 november jl. verstrekte advies;

c. de adviesaanvraag aan de OR en het daarop door de OR verstrekte advies betrekking hebbende op de recente reorganisatie van management/bedrijfsbureau;

d. de adviesaanvraag en het daarop door de OR verstrekte advies betrekking hebbende op de introductie van franchisenemers A in de Monuta-organisatie;

e. de adviesaanvraag en het daarop door de OR verstrekte advies betrekking hebbende op de introductie van franchisenemers B in de Monuta-organisatie;

f. (voor het geval met betrekking tot de introductie van franchisenemers A en/of B geen

adviesaanvraag mocht zijn ingediend) berichtgeving/toelichting van Monuta bij de introductie van deze franchisenemers;

g. het OR-reglement;

h. alle OR-verslagen van de vergaderingen die zijn gehouden in 2014, 2015 en 2016;

i. de (concept) jaarverslagen van de OR over de jaren 2014, 2015 en 2016,

zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 15.000 voor iedere dag na het verstrijken van een etmaal nadat te dezen uitspraak zal zijn gedaan zolang de informatie niet volledig aan de vakbonden zal zijn verstrekt, zulks tot een maximum van € 345.000, met veroordeling van Monuta en de OR in de kosten van het geding.

3.2.

De vakbonden voeren hiertoe aan dat Monuta in strijd met de toepasselijke CAO, de WOR en de eisen van goed werkgeverschap handelt door de vakbonden niet te voorzien van informatie over de reorganisatie die Monuta wil doorvoeren. Ook zijn er twijfels over de onafhankelijkheid van de OR, nu ook deze niet aan informatieverzoeken wil voldoen.
Monuta voert in een hoog tempo een reorganisatie door, maar gaat voorbij aan hetgeen in de CAO (bijlage VII, onderdeel 4) is afgesproken. Er is geen werkgelegenheidsoverleg gevoerd. Alleen al vanwege de eisen van goed werkgeverschap dienen redelijke verzoeken van en namens de werknemers om informatie te worden ingewilligd, maar Monuta doet dat niet. De vakbonden moeten kunnen beoordelen of de reorganisatie binnen de wettelijke kaders blijft. Ook de OR gaat voorbij aan de verzoeken die de vakbonden namens hun bij Monuta werkzame leden aan de OR richten. Artikel 36 WOR heeft een reflexwerking naar de vakbonden. Het is onaanvaardbaar dat cruciale informatie aan belanghebbende werknemers en de vakbonden wordt onthouden. De informatie is nodig om de positie voor de werknemers te kunnen beoordelen met het oog op een te voeren kort geding waarbij de ongeoorloofdheid van de reorganisatie en de boventalligverklaring van 130 werknemers aan de orde zal moeten komen. Nu de werknemers per 1 februari a.s. boventallig worden verklaard hebben de vakbonden een spoedeisend belang bij het verkrijgen van meer informatie. Indien het zou blijken te gaan om stukken waarvan geheimhouding noodzakelijk is, dan zijn de vakbonden bereid akkoord te gaan met een geheimhoudingsbeding en een eventueel daaraan te verbinden boetebeding.

3.3.

Monuta voert verweer tegen de vorderingen en concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring van de vakbonden, althans afwijzing van de vorderingen. Monuta voert aan dat zij aan haar informatieplicht heeft voldaan. Al in september 2016 zijn de vakbonden uitgenodigd voor een gesprek, dat door omstandigheden aan de zijde van de vakbonden eerst op 24 oktober 2016 heeft plaatsgevonden. Daarbij is de reorganisatie aan de orde geweest. Door CNV Vakmensen is vervolgens vertrouwelijke informatie gedeeld met haar achterban. De adviesaanvraag bij de OR is volgens de regels ingediend en het medezeggenschapstraject is normaal uitgevoerd. Monuta heeft meermalen getracht in gesprek te komen met de vakbonden, maar het bleek moeilijk een bespreking te agenderen. Uiteindelijk is dat op 23 november 2016 gebeurd. Daarbij bleek een weinig constructieve houding van de zijde van de vakbonden. Een vervolgoverleg is door de vakbonden afgeblazen. Alleen met vakbond De Unie is het overleg constructief gevoerd. Deze vakbond kan zich vinden in de aanpak van Monuta.
Ook eind november 2016 is door de FNV informatie openbaar gemaakt op een moment dat daarop nog niet door Monuta gereageerd was. Door deze gebeurtenissen is Monuta voorzichtig geworden met het delen van informatie met de vakbonden. De vakbonden kiezen steeds de aanval, ook in de pers.
Het is onduidelijk welke informatie de vakbonden nu eigenlijk willen ontvangen. De opgevraagde stukken hebben geen betrekking op de functiewijziging van de uitvaartverzorgers, waar het de vakbonden om te doen is. De vakbonden hebben dus geen belang bij de vorderingen.

De vakbonden zijn niet ontvankelijk, gelet op lid 2 van artikel 3:305a BW. In het goed werkgeverschap kan geen grondslag liggen voor een vordering van een ander dan een werknemer. Evenmin kan in de WOR een grondslag gevonden worden voor de vorderingen. Daarnaast betreft het een onomkeerbare vordering, waarvoor geen plaats is in een kort geding. Voor het geval de vorderingen toegewezen zouden worden is in elk geval meer tijd nodig dan één etmaal om daaraan te kunnen voldoen.

3.4.

De OR voert eveneens verweer en concludeert ook tot niet-ontvankelijk verklaring, althans afwijzing van de vorderingen. Daarbij voert zij aan dat de OR de gesprekspartner is van Monuta waar het gaat over adviserings- of instemmingsplichtige besluitvoornemens. De OR voert haar taak zorgvuldig en met een kritische houding uit. Er is geen reden voor de vakbonden om aan te nemen dat de OR niet in het belang van de werknemers en de onderneming handelt. De WOR heeft de informatievoorziening naar de werknemers gekanaliseerd en daarbij kan geheimhouding aan de orde zijn. Er is geen zelfstandig informatierecht voor de vakbonden. De OR heeft overigens ook geen verzoeken ontvangen van individuele werknemers met betrekking tot de nu door de vakbonden gevorderde informatie. De OR heeft feitelijk steeds aan het informatierecht uit artikel 36 WOR voldaan, via bijeenkomsten, het sharing point en mails, zij het dat inderdaad het jaarverslag niet aangeleverd is. Dat is door drukte nog niet vervaardigd.

3.5.

Het verweer van de OR mondt uit in een tegenvordering, waarbij de OR vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de vakbonden zal gebieden zich te onthouden van het doen van negatieve uitlatingen in woord dan wel geschrift omtrent het functioneren van de OR, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 15.000,- per overtreding, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag, met veroordeling van de vakbonden in de proceskosten.

4 Beoordeling


in conventie en in reconventie

4.1.

Het gestelde spoedeisend belang is niet betwist. In geschillen als het deze dient te worden getoetst of het met grote mate van waarschijnlijkheid valt te voorzien dat de beslissing in een bodemprocedure in het voordeel van de eisende partij zal uitvallen. De procedure leent zich, vanwege het spoedeisend karakter, niet voor uitvoerig onderzoek, getuigenverhoren of voorlichting door deskundigen.

4.2.

De vordering van de vakbonden betreft in wezen de vraag in hoeverre zij een (juridisch afdwingbaar) recht hebben op informatie van een werkgever en/of een ondernemingsraad over het voornemen tot en besluitvormingstraject over een door de werkgever voorgenomen reorganisatie. Zij stellen de gevorderde informatie nodig te hebben voor de bepaling van hun procedurele positie en die van hun leden met betrekking tot de door Monuta doorgevoerde reorganisatie en de nog komende procedure daarover.

4.3.

Een kort geding leent zich uit de aard van de procedure niet voor een uitputtende beoordeling van de opgeworpen vraag, maar dient zich te beperken tot de beantwoording van de vraag in het licht van de geformuleerde vordering, waarbij om afgifte van specifieke stukken is gevraagd. Het karakter van een informatieverstrekking staat niet in de weg aan de beoordeling van een daarop gerichte vordering in kort geding. Dat de gevolgen van toewijzing min of meer onherstelbaar zijn, kan een rol spelen in de beoordeling van de vordering en de verweren, waar het gaat om proportionaliteit en doelmatigheid van de vorderingen, maar de enkele omstandigheid dat een toewijzing een onherstelbaar gevolg heeft, stat niet aan de toewijzing in de weg. De vordering betreft thans een ordenende voorziening in verband met een nog te voeren procedure.

4.4.

Toewijzing van de gevraagde afgifte van stukken kan slechts plaatsvinden indien voldoende aannemelijk is dat de stukken bestaan, dat de vakbonden belang hebben bij afgifte daarvan en dat er een rechtsgrond voor toewijzing bestaat.
Tussen partijen staat vast dat (nog) geen OR-jaarverslagen over 2015 en 2016 zijn opgesteld. Afgifte daarvan is dan onmogelijk. Gelet op de door de vakbonden gestelde spoed, de door de vakbonden gevorderde afgiftetermijn van één dag en de door de OR (onbetwist) benoemde werkdruk, is onvoldoende aannemelijk dat het mogelijk is reële en inhoudelijk goede jaarverslagen te vervaardigen binnen een zodanige termijn dat de vakbonden de verslagen nog kunnen benutten voor de door hen gewenste standpuntbepaling. Dit deel van de vordering kan dan ook alleen al om die reden niet toegewezen worden.

4.5.

Het belang van de vakbonden bij afgifte van de in 3.1. onder c tot en met f genoemde stukken is onvoldoende onderbouwd. Daar komt bij dat ter zitting van de zijde van Monuta is verklaard dat de gevraagde stukken geen relevantie hebben voor de huidige reorganisatie en al van jaren terug dateren.

De vakbonden hebben niet aangegeven wat deze stukken, die kennelijk zien op de positie van franchisenemers en een management/bedrijfsbureau en betrekking hebben op reeds voltooide reorganisaties, te maken hebben met de reorganisatie waar het thans om gaat, namelijk die met betrekking tot de uitvaartverzorgers in dienst van Monuta die per
1 februari 2017 boventallig worden verklaard. Zij hebben slechts aangevoerd dat zij belang hebben bij een totaalbeeld van de grotere reorganisatie en dat de onderbouwing van het huidige besluit verwant kan zijn aan de besluitvorming bij de eerdere reorganisaties, maar dat dit meer is dan een speculatie blijkt niet. Het enkele gegeven dat er eerdere, kennelijk inmiddels afgeronde, reorganisaties zijn geweest is onvoldoende om voorshands aan te nemen dat die reorganisaties zodanig samenhangen met de thans aan de orde zijnde reorganisatie dat informatie daarover thans relevant is. Ook dit onderdeel van de vordering is daarom niet toewijsbaar.

4.6.

Afgifte van het OR-reglement, waarvan afgifte wordt gevorderd onder g, is voor de vakbonden kennelijk relevant om te kunnen beoordelen of het gegeven advies tot stand is gekomen op een met het reglement overeenstemmende wijze. De vakbonden hebben daarover hun twijfels. Van de zijde van Monuta en de OR is niet aangegeven waarom afgifte van het reglement op bezwaren stuit, zodat de vordering in zoverre toegewezen kan worden. Monuta en de OR betwisten wel dat zij tot afgifte gehouden te kunnen worden, waarop hierna zal worden ingegaan.

4.7.

Het belang bij de afgifte van de onder 3.1 sub h en i genoemde stukken is evenmin voor alle stukken voldoende duidelijk. Waar het gaat om informatie die de vakbonden hopen aan te treffen in de vergaderverslagen omtrent de reorganisatie die per 1 februari 2017 haar beslag krijgt, is door de vakbonden niet aannemelijk gemaakt dat daarover al in 2014 en 2015 door (Monuta met) de OR zou zijn gesproken. De vakbonden hebben dan ook onvoldoende gesteld omtrent hun belang bij afgifte van juist deze stukken, zodat dit deel van de vordering strandt.
Voor de vergaderverslagen van 2016 ligt dat belang anders, nu vast staat dat Monuta in elk geval in april 2016 een rapportage heeft laten opstellen door een extern bureau, AWVN, over de beoordeling van uitwisselbaarheid van functies en in september 2016 is begonnen met de uitrol van het strategieplan. Aannemelijk is dat ook met en binnen de OR over plannen gesproken zal, althans kan, zijn en dat daarover in de verslagen iets terug te vinden is. Van de zijde van de OR is aangevoerd dat wel genoteerd zal zijn dat er een aanvraag is binnengekomen en dat er is geadviseerd, maar dat de inhoud van de aanvraag en het advies niet in deze stukken zijn opgenomen. Dit neemt echter niet weg dat de vakbonden er belang bij hebben te bekijken of zij uit deze stukken informatie kunnen halen die voor hen thans relevant is.

4.8.

Eveneens voldoende aannemelijk is het belang van de vakbonden bij de informatie uit de adviesaanvraag en het verstrekte (deel)advies met betrekking tot de reorganisatie van de functie van de uitvaartverzorgers, zoals onder a en b gevorderd. Onbetwist is immers, dat de vakbonden (mede) ten doel hebben de belangen van de bij hen aangesloten werknemers van Monuta te behartigen, onder meer door hen te adviseren over en bij te staan bij te voeren procedures die op de huidige reorganisatie betrekking hebben. Voorshands is voldoende aannemelijk dat er werknemers van Monuta zijn die lid zijn van één van de vakbonden. De vakbonden hebben in elk geval 26 namen van bij Monuta werkzame leden genoemd in de overgelegde petitie. Gelet op artikel 3:305a BW zijn de vakbonden gerechtigd een procedure te overwegen, zelfs al zou geen van de leden individueel dat (willen) doen.

4.9.

De vakbonden hebben voor de van Monuta gevorderde afgifte drie rechtsgronden aangevoerd, namelijk artikel 4 van bijlage VII van de CAO, de eisen van goed werkgeverschap (waaronder begrepen een reflexwerking van artikel 36 WOR) en de redelijkheid en billijkheid. Aan de jegens de OR ingestelde vordering is artikel 36 WOR ten grondslag gelegd en daarnaast artikel 4 van bijlage VII van de CAO.

4.10.

Het OR-reglement moet, volgens artikel 14 WOR, voorschriften bevatten over het opstellen van de verslagen van de vergaderingen van de OR en over de bekendmaking daarvan aan alle in de onderneming werkzame personen. De verslagen bevatten uiteraard niet de onderdelen waarvoor (nog) een geheimhoudingsverplichting ex artikel 20 (https://www.navigator.nl/document/openCitation/%20idba7da7f151730cd354368570b0d2096c) WOR geldt. Deze bekendmaking dient onder meer om de werknemers inzicht te geven in de wijze waarop zijn medezeggenschapsrechten binnen de onderneming worden ingevuld, zodat dit transparant is, ook met het oog op de (her)verkiezing van OR-leden.

In artikel 36 WOR is bepaald dat de kantonrechter (op verzoek van een belanghebbende) de ondernemer of de OR kan opdragen gevolg te geven aan verplichtingen uit de WOR, zoals het opstellen en bekend maken van een reglement en het bekend maken van verslagen van vergaderingen. Ook kan de kantonrechter in zijn uitspraak aan de ondernemer of de ondernemingsraad de verplichting opleggen om bepaalde handelingen te verrichten of na te laten. Uit dit artikel volgt niet dat een belanghebbende een recht heeft op afgifte van die stukken, wel op bekendmaking daarvan. De vakbonden zijn, in elk geval wanneer zij leden hebben onder de werknemers in de onderneming, aan te merken als belanghebbende in de zin van artikel 36 WOR. Zij dienen de belangen van hun leden immers –gevraagd en ongevraagd – te kunnen behartigen, bijvoorbeeld door hen te adviseren over ontwikkelingen binnen de onderneming die aan de OR zijn of worden voorgelegd.

4.11.

Het voorgaande brengt mee, dat de vordering van de vakbonden in zoverre toegewezen kan worden dat de OR opgedragen zal worden het reglement en de verslagen van de OR-vergaderingen van 2016 in de onderneming bekend te maken (voor zover dat nog niet is gedaan) en kennisname van de bekendgemaakte stukken door de vakbonden mogelijk te maken. Dat kan geschieden door middel van het verstrekken van een (digitaal) afschrift, maar ook andere mogelijkheden kunnen toereikend zijn.

Ook de gevraagde dwangsom zal worden toegewezen als na te melden, nu de OR eerder niet de bereidheid heeft getoond vrijwillig aan de vordering te voldoen.
Jegens Monuta zal het gevorderde niet toegewezen worden, nu het geen stukken betreft van Monuta, maar van de OR en ook de OR en niet Monuta gehouden is tot bekendmaking daarvan.

4.12.

Voor de onder a en b genoemde stukken is geen plicht tot bekendmaking opgenomen in de WOR. De grondslag daarvoor zou volgens de vakbonden gevonden moeten worden in het onder 2.3 weergegeven artikel 4 van bijlage VII van de CAO. Monuta betwist dat deze bepaling haar tot méér verplicht dan het informeren van de vakbonden, wat in haar visie tijdig en volledig is geprobeerd, maar door de houding van de vakbonden en agendaproblemen aan die zijde pas laat tot stand gekomen is.

4.13.

Bij de uitleg van cao-bepalingen komt het volgens vaste jurisprudentie aan op de tekst van de bepaling, gelezen in het licht van de gehele tekst van de overeenkomst en de eventuele toelichting daarbij, de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen en de kennelijke strekking van de regeling waartoe de bepaling behoort.
In dit geval spreekt de aanhef van genoemd artikel over werkgelegenheidsoverleg, waar de tekst van het artikel spreekt over een werkgever die de vakverenigingen informeert en inzicht geeft. De bijlage, waarin deze bepaling is opgenomen, heeft de titel ‘Sociaal Beleid Uitvaartbranche”. In de drie eerdere artikelen staat steeds de informatieverstrekking centraal. In artikel 3, met aanhef ‘werkgelegenheidsoverleg op brancheniveau’, is expliciet opgenomen ‘dit overleg heeft tot doel partijen bij de CAO informatie te verstrekken met een meer continu en systematisch karakter, teneinde de werkgelegenheidsontwikkeling nauwgezet te kunnen volgen’. In dat kader lijkt voorshands dat deze bepaling geen verdere verplichting voor de werkgever schept dan het tijdig verstrekken van informatie en het geven van inzicht, en niet een plicht tot een overleg vestigt. Wat onder ‘tijdig’ moet worden verstaan zal van diverse factoren afhangen, waarbij de mate van concreetheid van de ontwikkelingen en het moment waarop deze verwacht worden een rol spelen.

4.14.

De vakbonden betwisten dat zij tijdig geïnformeerd zijn. Monuta stelt dat zij wel tijdig de vakbonden heeft geïnformeerd, althans heeft getracht dat te doen, en dat de vertraging daarin voor rekening van de vakbonden komt. Zij heeft begin september 2016 contact gezocht met de vakbonden voor een gesprek. Daarbij zouden de vakbonden kennis kunnen maken met de nieuwe HR-manager en tevens zouden zij daarbij geïnformeerd worden over de komende reorganisatie. Het gesprek is uiteindelijk pas op 24 oktober 2016 tot stand gekomen, vanwege agendaproblemen bij de vakbonden. Een vervolggesprek heeft pas op 23 november plaatsgevonden omdat de vakbonden niet reageerden op een
e-mailbericht met een verzoek om data voor een vervolgbespreking door te geven, aldus steeds Monuta.

4.15.

Waar Monuta kennelijk in april 2016 al in een zodanig stadium van voorbereiding van de plannen was dat zij een rapportage kon laten opstellen door AWVN met betrekking tot de uitwisselbaarheid van de oude en nieuwe functie van uitvaarverzorger, komt het voorshands niet aannemelijk voor dat zij niet aanmerkelijk eerder dan begin september 2016 de vakbonden kon laten weten dat zij deze plannen in voorbereiding had. Monuta heeft zelf immers ook, ter zitting, aangegeven dat de reorganisatie al lang in voorbereiding was en niet ‘op een achternamiddag’ tot stand gekomen is. Wanneer Monuta er vervolgens voor kiest om de vakbonden in september 2016 te informeren, terwijl zij wist dat de uitvoering van deze reorganisatie per 1 december 2016 haar beslag zou moeten krijgen, had het op haar weg gelegen aan te geven dat en waarom de bijeenkomst geen uitstel kon vergen. In het e-mailbericht van 16 september 2016 van Monuta aan de FNV wordt slechts geschreven dat het gaat om een afspraak om kennis te maken en om ‘je bij te praten over het programma Groter Groeien”. De urgentie van het gespreksonderwerp is daar niet uit af te leiden. Nu de agendaproblemen te verwachten waren, gelet op de functies van degenen die bij de bespreking aanwezig zouden moeten zijn, had Monuta helder moeten aangeven dat de bespreking mede zou gaan over een op korte termijn op handen zijnde reorganisatie met gevolgen voor de werkgelegenheid.

4.16

De informatieachterstand van de vakbonden is door Monuta niet weggenomen. De vakbonden hebben, naar zij onbetwist gesteld hebben, pas op 23 november 2016 concreet gehoord dat boventalligverklaring van alle 130 uitvaartverzorgers zal plaatsvinden. Dat was bijna een maand nadat de adviesaanvraag aan de OR is gedaan, zodat niet valt in te zien dat Monuta de vakbonden niet eerder over dit voornemen kon informeren.
Monuta heeft de informatieverplichting uit art. 4 van bijlage VII van de CAO op deze wijze geschonden. Daardoor hebben de vakbonden thans niet de informatie waarover zij bij een juiste uitvoering wel beschikt zouden hebben en die zij thans nodig (kunnen) hebben voor een goede uitvoering van hun werkzaamheden, zoals de advisering van de leden-werknemers. De gevolgen van de schending kunnen mogelijk (deels) weggenomen worden door kennisname door de vakbonden van de adviesaanvraag en het gegeven deeladvies. De vordering met betrekking tot de onder a en b genoemde stukken zal daarom toegewezen worden op na te melden wijze. Ook aan deze toewijzing zal een dwangsom verbonden worden, nu ook Monuta niet bereid is gebleken vrijwillig over te gaan tot het delen van de stukken met de vakbonden.

4.17.

Monuta en de OR hebben verklaard dat ten aanzien van de adviesaanvraag een geheimhoudingsplicht is opgelegd. Deze is nog niet opgeheven en heeft onder meer betrekking op in de adviesstukken aanwezige bedrijfsgegevens over aantallen uitvaarten per regio. Monuta is bevreesd dat afgifte van de adviesaanvraag er toe zal leiden dat deze gegevens via de vakbonden in de openbaarheid komen, nu de vakbonden in de afgelopen maanden tweemaal informatie openbaar gemaakt hebben die – naar zij wisten – nog niet openbaar gemaakt moest worden. De vakbonden hebben toegezegd de geheimhouding te zullen respecteren en zijn bereid een geheimhoudingsbeding te accepteren, ook met boetebepaling. Ter voorkoming van (executie)geschillen zal worden bepaald dat Monuta de passages die zij geheim wenst te houden onleesbaar zal mogen maken, waarbij zij in algemene bewoordingen dient aan te geven wat voor soort tekst of gegevens verwijderd zijn. Ook voor het door de OR gegeven advies zal, indien dat aan de orde is vanwege bijvoorbeeld verwijzingen naar onder de geheimhouding vallende gegevens, een dergelijke werkwijze gekozen kunnen worden.

in reconventie voorts
4.18. De OR stelt dat de wijze waarop de vakbonden zich uiten over de OR en haar functioneren haar in diskrediet brengt en lijdt tot reputatieschade. De uitlatingen die de OR daarbij in de conclusie van eis in reconventie benoemt zijn door de vakbonden opgenomen in de dagvaarding van deze procedure. Gesteld noch gebleken is, dat deze uitlatingen op andere wijze door de vakbonden (publiekelijk) zijn gedaan. Dat partijen zich in een procedure scherp en negatief over elkaar uitlaten is op zich niet onrechtmatig. De vakbonden hebben de gewraakte opmerkingen grotendeels in de vorm van veronderstellingen en suggesties verwoord en geven blijk van een andere visie op het (behoren te) functioneren van de OR in deze dan de visie van de OR zelf. Van een lezer van dergelijke stukken mag worden verwacht dat hij een en ander in het kader kan plaatsen waarin het is geschreven. De uitlatingen worden voorshands niet als onrechtmatig aangemerkt, zodat voor een verbod in de door de OR gevorderde zin thans geen aanleiding bestaat.

in conventie en reconventie tenslotte
4.19. Nu alle partijen op onderdelen in het ongelijk gesteld worden bestaat aanleiding de proceskosten te compenseren.

5 Beslissing

De kantonrechter:

in conventie en in reconventie

5.1.

veroordeelt de OR om vóór dinsdag 24 januari 2017 om 12.00 uur
het OR-reglement en de verslagen van de OR-vergaderingen van 2016 in de onderneming bekend te maken (voor zover dat nog niet is gedaan) en kennisname van die bekendgemaakte stukken door de vakbonden mogelijk te maken, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag dat de OR niet aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 50.000,00,

5.2.

veroordeelt Monuta om vóór dinsdag 24 januari 2017 om 12.00 uur de adviesaanvraag van 27 oktober 2016 en het van de OR ontvangen advies van 30 november 2017 te verstrekken aan de vakbonden, zoals onder 4.17 beschreven, op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 voor iedere dag dat Monuta niet aan deze veroordeling voldoet,
met een maximum van € 250.000,00,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

compenseert de proceskosten, zodanig dat iedere partij met de eigen kosten belast blijft,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Engelbert-Clarenbeek en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 januari 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.