Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:3389

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
28-06-2017
Datum publicatie
30-06-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 2221
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verweerder is niet de in artikel 2.3.2, vierde lid van de Wmo 2015 neergelegde dwingendrechtelijke onderzoeksverplichtingen en procedure (in de praktijk via een zogenoemd stappenplan) nagekomen. Daarnaast heeft verweerder niet voldaan aan de verplichting vermeld in artikel 2.3.2, achtste lid van de Wmo 2015 om verzoekster een schriftelijk verslag van het in artikel 2.3.2. vierde lid bedoelde onderzoek te verstrekken.

In gevallen van een gedeeltelijke inwilliging, herziening of intrekking van een (maatwerk)voorziening dient verweerder te allen tijde zijn besluitvormingsproces op schrift te stellen en het resultaat daarvan aan de cliënt uit te reiken (zie artikel 2.3.2, achtste lid van de Wmo 2015).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/2221

uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 juni 2017

op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster] , te [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. K.M.J. Schrijver),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem te Arnhem, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 17 maart 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de ondersteuning in de vorm van een persoonsgebonden budget (PGB) omgezet in zorg in natura, en aan verzoekster toegekend 5 uur en 30 minuten huishoudelijke hulp per week en in aanvulling op de reeds toegekende 4 uur per week specialistische begeleiding, 1 uur per week. In totaal dus 5 uur per week specialistische begeleiding.

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juni 2017. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en de huishoudelijke hulp mevrouw [naam] Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. M.A. de Ronde, mevrouw E. Kersten en mevrouw M. van Woerkum.

Overwegingen


Inleiding

1.1

Verzoekster is een alleenwonende 64-jarige vrouw. Zij bewoont de benedenverdieping van de eigen woning op de [adres] in [plaats] . Zij is op zoek naar een andere woonruimte en wordt hierin door het wijkteam ondersteund.

1.2

Verzoekster is bekend met belemmeringen in het voeren van haar huishouden en haar participatie door een diversiteit aan beperkingen, zoals hernia’s, oorontstekingen, luchtwegproblemen, sclerodermie, neuropathie, Lupus, de ziekte van Sjögren, osteoporose, fibromyalgie, dystrofie in been en hand, dystonie, hypermobiliteitssysdroom, chronische pijnsyndroom, een verbrijzelde voet, burn out. Daarnaast kampt zij met psychische problematiek, die haar belemmert bij het naar buiten gaan, om te gaan met mensen en haar post te openen. Verzoekster maakt binnenshuis gebruik van een trippelstoel. Zij beschikt voor het vervoer buitenshuis over een brommobiel.

1.3

In verband met haar klachten ontving verzoekster zorg op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) in de vorm van een pgb ten behoeve van persoonlijke begeleiding gedurende vier uur per week. Verder ontving zij op grond van het besluit van
5 april 2012 maatschappelijke ondersteuning op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) in de vorm van een pgb voor huishoudelijke hulp gedurende 7 uur en 45 minuten per week voor zwaar huishoudelijk werk, licht huishoudelijk werk, wasverzorging, boodschappen en maaltijdbereiding. Deze liep tot en met 11 januari 2016.

1.4

Na de inwerkingtreding van de Wmo 2015 op 1 januari 2015 heeft verweerder de beoordeling van de huishoudelijke hulp ondergebracht in de wijkteams. Het wijkteam besloot in eerste instantie om de indicatie ongewijzigd te laten doorlopen tot en met
28 februari 2017. In de tussentijd zou een nader onderzoek de benodigde inzet moeten uitwijzen. Met verzoekster zijn een groot aantal gesprekken gevoerd. Tussentijds speelden zaken als ziekenhuisopname, de zoektocht naar een eigen geschikte huurwoning en inmenging van de politie een rol. Dat laatste was nodig omdat verzoekster zich fysiek bedreigd voelde. Er waren perioden waarin verzoekster geen onderzoek kon verdragen en perioden waarin verzoekster zich expliciet tegen het wijkteam keerde.

1.5

Bij rapportage van 10 februari 2017 heeft verweerders medische adviseur T.C. Lebbink, arts Indicatie & Advies KNMG zijn bevindingen van een uitgevoerd medisch onderzoek weergegeven. Uit dit rapport blijkt dat gebruik is gemaakt van informatie vanuit de curatieve sector. In aanwezigheid van de ambulant begeleidster is op 8 februari 2017 een huisbezoek afgelegd. De vragen van verweerder zijn in dit rapport beantwoord.

1.6

Tijdens het onderzoek bleek volgens verweerder een aantal onregelmatigheden met betrekking tot de besteding van het pgb huishoudelijke hulp. Dit zou onder meer worden gebruikt voor tuinonderhoud. Voorts bleek dat verzoekster op een gegeven moment geen zicht meer had op wie zij allemaal had ingehuurd om hulp te verlenen. Tevens had zij geen inzicht in de besteding van het budget, zij betaalde de hulpen met eigen geld. Hieruit ontstond bij verweerder de indruk dat verzoekster niet in staat was om het toegekende pgb op een adequate wijze te beheren. Deze indruk wordt gesteund door de constatering dat verzoekster om psychische redenen sterk belemmerd is in het openen van haar post, zelfs onder begeleiding kan zij hiertoe niet volledig overgaan.

1.7

Tijdens het onderzoek kwam bij het wijkteam een fraudemelding binnen van een hulpverlener aan wie verzoekster had opgedragen om niet verleende uren zorg te declareren en de inkomsten uit de niet gewerkte uren contant aan verzoekster af te dragen. Ook een andere hulpverlener had met deze handelwijze te maken gekregen.

1.8

Op grond van het vorenstaande heeft verweerder geconcludeerd dat verzoekster de in de vorm van een pgb verleende voorzieningen niet op voldoende adequate wijze kon inzetten. Om die reden werd besloten alle benodigde voorzieningen aan verzoekster voortaan in natura te verlenen. Om verzoekster de tijd te geven om zich op deze wijziging in te stellen werd dit aan haar tijdens het keukentafelgesprek van 9 maart 2017 meegedeeld. Bij het bestreden besluit is de wijziging ingegaan per 4 mei 2017.

1.9

Tijdens het onderzoek is voorts vastgesteld dat verzoekster begeleidingstaken liet uitvoeren door dezelfde personen die ook de huishoudelijke hulp overnamen. Door verweerder is besloten om op professionele wijze hulp aan te bieden. Hiervoor werd een begeleider van Herzorg aangesteld ( [naam 2] ). Deze begeleiding in natura is bovenop de op dat moment reeds lopende pgb-begeleiding ingezet, dit om zowel Herzorg, als verzoekster de tijd te geven om de overgang van pgb naar zorg in natura (ZIN) op een goede manier vorm te geven. Vanaf 4 mei 2017 wordt 5 uur per week verleend als volgt:
- begeleiding bij afspraken met ziekenhuis en artsen: 1 uur per week
- begeleiding ten behoeve van stabilisering van verzoeksters situatie 4 uur per week.

1.10

De benodigde huishoudelijke hulp is eveneens door verweerder opnieuw beoordeeld. Uitgaande van de kennis en ervaring van de wijkcoach, in onderling collegiaal overleg, en aan de hand van het onderzoek naar de specifieke situatie bij verzoekster thuis is de totale benodigde hoeveelheid huishoudelijke hulp vastgesteld op 5 uur en 30 minuten per week.

Verzoekster is bij het bestreden besluit in kennis gesteld van de overgang naar ZIN, de vaststelling van het benodigde urenaantal begeleiding en huishoudelijke hulp.

Het standpunt van verzoekster

2.1

Verzoekster ontvangt naast de toegekende voorzieningen in de vorm van een pgb nog een pgb voor verpleging en verzorging van 11 uur per week op basis van de Zorgverzekeringswet. Verzoekster is het niet eens met verweerders besluitvorming en stelt dat het bestreden besluit apert onrechtmatig is genomen.

2.2

Verzoekster heeft baat bij een pgb. Zij wordt bijgestaan door personen die zij vertrouwt en die haar situatie kennen. Zij zijn flexibel en staan voor haar klaar. Naast de vertrouwensband weten deze personen hoe zij moeten handelen en zijn zij op urgentie beschikbaar. Bij ZIN wordt verzoekster afhankelijk van onbekende mensen die huishoudelijke hulp en begeleiding moeten gaan bieden.

2.3

Verzoekster verzoekt het aantal uren huishoudelijke hulp op basis van de eerdere indicatie van 7 uur en 45 minuten ongewijzigd voort te zetten, evenzo ten aanzien van de eerdere indicatie voor begeleiding van 4 uur in de vorm van een pgb in plaats van ZIN.

2.4

Verzoekster betwist de aannames van verweerder en stelt dat er geen onafhankelijk (medisch) onderzoek heeft plaatsgevonden. De inhoud van de rapportage van de medische adviseur is niet juist. De aangegeven beperkingen komen niet met verzoeksters feitelijke situatie overeen.

Verzoekster vult al jarenlang zelfstandig en zonder problemen de urenbrieven in. De verklaringen van haar ambulant begeleidster ( [naam 2] ) en haar twee hulpen in de huishouding ( [naam 3] en [naam 4] onderbouwen het standpunt van verzoekster. Verweerder stelt wel maar onderbouwt niet. Verweerder onderbouwt niet waarom het haalbaar is om in 5 uur en 30 minuten een schoon en leefbaar hus te kunnen krijgen.

2.5

De afname van het aantal uren huishoudelijke hulp zal tot vergaande consequenties leiden ten aanzien van verzoeksters gezondheid, gelet op haar longaandoening en allergieën. Het bed moet meerdere keren per week verschoond worden. Zo ook het toilet in verband met diarree. De omstandigheden ten aanzien van de eerdere indicatie van 1 mei 2016 tot en met 28 februari 2017 zijn niet veranderd.

2.6

Verzoekster betwist dat zij niet in staat is om haar eigen administratie en PGB te beheren. De door verweerder aangehaalde onregelmatigheden kan verzoekster verklaren waarbij zij opmerkt dat de huishoudelijke hulp weliswaar heeft geholpen met de tuin maar dit is niet betaald vanuit het pgb. Verzoekster betwist dat zij geen beeld zou hebben wie zij allemaal had ingehuurd om de hulp te verlenen. Verweerder heeft zijn standpunten niet onderbouwd. Overigens is verzoekster ook nimmer door het wijkteam aangesproken op haar handelen. Soms komt zij uren (voor de huishouding en begeleiding) te kort, maar dat heeft verzoekster met haar eigen geld betaald. Verzoekster betwist uitdrukkelijk dat er sprake zou zijn van fraude. Zij weet niet of hiervan ‘notities’ bestaan en kan dus niet adequaat reageren. Nimmer is verzoekster hierop aangesproken. Verweerder onderbouwt deze stelling niet met objectieve gegevens.

2.7

Ter zitting is aangevoerd dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is omdat dit besluit onzorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd.

Het standpunt van verweerder

3.1

Het gegeven dat verzoekster haar eigen urenbriefjes invult doet niet de constatering van het wijkteam teniet dat het pgb huishoudelijke hulp onder meer werd gebruikt voor tuinonderhoud en dat verzoekster geen beeld had van wie zij allemaal had ingehuurd. Evenmin bleek dat zij inzicht had in de besteding van het budget. Daarnaast brengt verweerder onder de aandacht dat er signalen binnen kwamen dat verzoekster de hulpen opdroeg om niet gewerkte uren te declareren en de hiermee gemoeide inkomsten aan verzoekster contant af te dragen.

3.2

Verweerder stelt dat een voorziening in de vorm van een pgb kan worden verstrekt indien aan de voorwaarden als gesteld in artikel 2.3.6, tweede lid van de WMO 2015 wordt voldaan. Verzoekster voldoet niet aan de onder a en c van deze bepaling gestelde criteria.

3.3

Er is geen sprake van spoedeisend belang. Verzoekster ontvangt 5½ uur per week huishoudelijke hulp. Deze hulp is in staat om de badkamer, slaapkamer, huiskamer en keuken schoon te houden en de was te doen. Voorts is de toegekende begeleiding uitgebreid met een ruime overgangsperiode. Uit de aantekeningen in het cliëntvolgsysteem (CVS) van 11 oktober 2016 blijkt dat verzoekster tevreden is met de begeleiding door Herzorg. Uit de aantekeningen in CVS van 23 december 2016 en 9 januari 2017 blijkt dat deze begeleiding daadwerkelijk functioneert, hier als brug tussen verzoekster en het wijkteam. Verweerder ziet niet in waarom verzoekster de uitkomst van de bezwaarprocedure niet kan afwachten.

3.4

Ter zitting heeft verweerder – desgevraagd – aangegeven dat er in dit geval veel besluiten zijn genomen maar die worden niet op schrift gesteld. Evenmin kan een schriftelijk verslag van het zogenoemde ‘keukentafelgesprek’ tussen verweerders consulent en verzoekster worden overgelegd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit de aantekeningen CVS (gedingstuk 3) voldoende blijkt hoe verweerder tot zijn standpunt is gekomen. Daarnaast blijkt uit bijlage 6, de vraagstelling aan de medisch adviseur van Sciopeng en de beantwoording daarvan door de medisch adviseur/arts.

Ter zitting is door mevrouw E. Kersten opgemerkt dat zij geen nader onderzoek heeft kunnen uitvoeren omdat verzoekster haar niet toe laat voor een gesprek.

Het bezwaar en het verzoek om voorlopige voorziening

4.1

De voorzieningenrechter gaat na of er een voorlopige voorziening moet worden getroffen omdat de beslissing op bezwaar niet kan worden afgewacht. Daarbij moet een afweging worden gemaakt tussen aan de ene kant het belang van verzoekster dat zo snel mogelijk een voorziening wordt getroffen en aan de andere kant het belang van verweerder bij de onmiddellijke uitvoering van het besluit. Dit staat in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.

4.2

Bij de afweging van de belangen houdt de voorzieningenrechter onder andere rekening met de kans dat het bezwaar van verzoekster slaagt en of het besluit rechtmatig is genomen. De voorzieningenrechter zal een zogenoemd voorlopig rechtsmatigheidsoordeel geven. Als de kans van slagen klein is, is er voor de voorzieningenrechter weinig reden om in te grijpen en een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter zal daarom beoordelen of het bezwaar van verzoekster een redelijke kans van slagen heeft.

4.3

De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat het bestreden besluit ziet op een omzetting van het pgb in zorg in natura (ZIN) en vermindering van het aantal verstrekte uren huishoudelijke hulp. Met andere woorden: hier is sprake van een belastend besluit is, waarbij het aan verweerder is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat voldaan is aan de voorwaarden om tot omzetting en vermindering van het aantal uren huishoudelijke hulp over te gaan in beginsel op verweerder berust.

4.4

Verweerder heeft zijn besluitvorming, gebaseerd op de aantekeningen CVS, in samenhang met ‘MijnPlan/Ons Plan’ van 22 juni 2016, de rapportage van T.C. Lebbink, arts Indicatie & Advies van 10 februari 2017 en het keukentafelgesprek van 9 maart 2017 waarbij verweerder zijn voornemens mondeling heeft meegedeeld.

Uit verweerders onderzoeksbevindingen blijkt vooralsnog niet op basis van welke concrete feiten en omstandigheden verweerder zijn aannames baseert. Naar voorlopig oordeel is niet inzichtelijk gemaakt dat hier sprake zou (kunnen) zijn van een oneigenlijk gebruik van besteding van verzoeksters PGB. Dit klemt temeer nu verzoekster verweerders aannames gemotiveerd heeft betwist. Dat betekent naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dat er geen redenen zijn om af te wijken van de hoofdregel zoals neergelegd in artikel 2.3.6, eerste lid van de Wmo 2015 en dat verzoekster dus recht heeft op ondersteuning in de vorm van een pgb.

4.5

De voorzieningenrechter stelt voorts vast dat verweerder niet de in artikel 2.3.2, vierde lid van de Wmo 2015 neergelegde dwingendrechtelijke onderzoeksverplichtingen en procedure (in de praktijk via een zogenoemd stappenplan) is nagekomen. Daarnaast heeft verweerder niet voldaan aan de verplichting vermeld in artikel 2.3.2, achtste lid van de Wmo 2015 om verzoekster een schriftelijk verslag van het in artikel 2.3.2. vierde lid bedoelde onderzoek te verstrekken. Uit verweerders besluitvorming blijkt voorts onvoldoende kenbaar op welke manier de ondersteuningsbehoefte van verzoekster is vastgesteld en hoe deze is vertaald naar de geïndiceerde uren en de daaruit voortvloeiende ZIN. Met andere woorden: niet kenbaar is dat de zorgbehoefte van verzoekster eerst voldoende in kaart is gebracht en welke omstandigheden daarbij zijn meegewogen. Dit betekent dat verweerder zonder deugdelijk onderzoek heeft geconcludeerd tot een zorgbehoefte als verwoord in het bestreden besluit. Het bestreden besluit lijdt daarom naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter aan een onderzoeks- en motiveringsgebrek en is genomen in strijd met de wet. De stelling van verzoekster dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is genomen kan vooralsnog worden gevolgd.

4.6

De voorzieningenrechter verwacht dat verweerder bij het te nemen besluit op bezwaar zijn primaire besluit niet langer zal handhaven. Om die reden is er aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter schorst het primaire besluit voor zover dit ziet op de omzetting van de begeleiding naar ZIN vanaf de datum van indiening van het verzoek om voorlopige voorziening (2 mei 2017) tot zes weken na verzending van het te nemen besluit op bezwaar. Voorts zal worden bepaald dat aan verzoekster met ingang van 2 mei 2017 huishoudelijke hulp wordt toegekend in de vorm van een pgb voor 7 uur en 45 minuten tot en met zes weken na verzending van het te nemen besluit op bezwaar in de vorm van een PGB.

4.7

De voorzieningenrechter wijst verzoekster er op dat zij een nieuw onderzoek in het kader van de bezwaarprocedure of ook anderszins niet mag belemmeren. Op grond van artikel 2.3.8, derde lid van de Wmo 2015 is verzoekster verplicht aan verweerder desgevraagd alle denkbare vormen van medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet. Het niet meewerken kan voor verweerder aanleiding vormen een maatwerkvoorziening in te trekken. Het gaat hier om medewerking verlenen bij het onderzoek en daarna.

4.8

Tot slot wordt nog als volgt overwogen: ter zitting is gebleken dat verweerder om beleidsmatige redenen met betrekking tot maatwerkvoorzieningen zijn besluitvormingsproces niet op schrift stelt en/of verslagleggingen van contacten tussen zijn burgers en verweerders uitvoeringsorgaan achterwege laat uit het oogpunt van efficiëntie en ‘dejuridisering’. Wanneer een verzoek van een burger om een maatwerkvoorziening volledig wordt gehonoreerd zal deze werkwijze, hoewel strijdig met de wet, niet direct tot problemen hoeven te leiden. In gevallen van een gedeeltelijke inwilliging, herziening of intrekking van een (maatwerk)voorziening dient verweerder te allen tijde zijn besluitvormingsproces op schrift te stellen en het resultaat daarvan aan de cliënt uit te reiken (zie artikel 2.3.2, achtste lid van de Wmo 2015). Zodra het uitvoeringsproces tot rechtsgevolgen leidt dient verweerder procesmatig te handelen zoals dwingend is voorgeschreven in de hoofdstukken 2, 3 en 4 van de Algemene wet bestuursrecht.

Proceskosten

5.1

Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

5.2

De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990, - (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495, - en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter;

  • -

    schorst het primaire besluit tot zes weken na verzending van de beslissing op bezwaar met betrekking tot de herziening van het aantal uren huishoudelijke hulp en de omzetting van de ondersteuning van pgb naar ZIN;

  • -

    bepaalt dat aan verzoekster met ingang van 2 mei 2017 in de vorm van een PGB huishoudelijke hulp wordt toegekend voor 7 uur en 45 minuten in de vorm van een pgb tot en met zes weken na verzending van het te nemen besluit op bezwaar;

  • -

    gelast dat verweerder het door verzoekster betaalde griffierecht van € 46, - aan haar vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster ten bedrage van € 990, -.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Klein Egelink, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van H. de Groot, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2017.

griffier

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.