Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:3283

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
14-06-2017
Datum publicatie
26-06-2017
Zaaknummer
C/05/311155 HA ZA 16/577
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verzekering. Bewijsopdracht. Diefstal geparkeerde auto. Enkele aangifte onvoldoende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3317
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

Zaaknummer: C/05/311155 HA ZA 16/577

Vonnis van 14 juni 2017

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. E.G. Gosselink te Almere

tegen

naamloze vennootschap

N.V. SCHADEVERZEKERING-MAATSCHAPPIJ BOVEMIJ,

gevestigd te Nijmegen,

advocaat mr. P.E. Bloemendal te Arnhem.

Partijen worden hierna [eiser] en Bovemij genoemd.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verkort proces-verbaal, alsmede de aantekeningen van de griffier van de comparitie van partijen d.d. 17 maart 2017.

2 De feiten

2.1.

Op 9 november 2012 heeft [eiser] een Mercedes-Benz C- klasse 180 CGI Avantgarde, met kenteken [00-XXX-0] (hierna: de auto) gekocht bij [autobedrijf X] in [woonplaats] voor een totaalbedrag van € 30.500,-.

2.2.

[eiser] heeft de auto - onder andere tegen diefstal - verzekerd bij Bovemij.

Op de verzekering zijn de ‘Voorwaarden autoverzekering model s&d 0110’ (verder: de polisvoorwaarden) van toepassing.

2.3.

In de polisvoorwaarden is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

“Artikel 4.1

Wat is verzekerd

Met de dekking diefstal bent u verzekerd tegen verlies of beschadiging van de auto, voor zover dit direct is ontstaan door:

  1. diefstal;

  2. verduistering en joyriding;

  3. beschadiging van de auto die is ontstaan tijdens de periode dat de auto aan u of een andere verzekerde om bovenstaande redenen was ontnomen;

  4. (…)

Artikel 6.4

Vergoeding van de dagwaarde bij totaal verlies

  1. (…)

  2. [Bij] totaal verlies vergoeden wij de vastgestelde dagwaarde onder aftrek van de waarde van de restanten;

  3. Bij schadevergoeding in geval van totaal verlies van de auto behouden wij ons het recht voor de schadevergoeding pas uit te keren nadat de verzekerde de auto of het restant aan ons of een door ons aan te wijze derde is overgedragen. Daarnaast moeten alle delen van het bij de auto behorende kentekenbewijs en/of de sleutels op ons verzoek aan ons of een door ons aan te wijzen derde worden overgedragen.

Artikel 6.6

Schadevaststelling

  1. Voorzover de omvang van de schade en de hoogte van de kosten van herstel niet in onderling overleg worden geregeld, zullen deze door een door ons aan te wijzen deskundige worden vastgesteld. Dit gebeurt mede op basis van de door u verstrekte gegevens en inlichtingen;

  2. Bij verschil van mening omtrent het door een door ons benoemde schade-expert vastgestelde schadebedrag heeft u het recht op eigen kosten eveneens een schade-expert te benoemen. (…)

  3. (…)”

2.4.

Op 9 december 2013 heeft er met de auto een aanrijding plaatsgevonden in Hamburg, Duitsland.

2.5.

Uit het proces-verbaal van de Duitse politie d.d. 15 december 2013 blijkt dat de aanrijding is veroorzaakt door [mevrouw Y] , een inwoonster van Hamburg.

2.6.

Bij brief van 24 december 2013 deelt Bovemij aan [eiser] , voor zover hier van belang, het volgende mede:

“(…)

Wij hebben bericht ontvangen van een tegenpartij dat u betrokken bent geweest bij een aanrijding. Naar aanleiding van deze schade berichten wij u het volgende.

(…)

De tegenpartij stelt u aansprakelijk voor de gevolgen van de aanrijding. Voor zover wij kunnen nagaan heeft u deze schade nog niet bij ons gemeld.

(…)”

2.7.

Bovemij heeft de uit eerder genoemde aanrijding voortvloeiende schade van

€ 4.752,81, op grond van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen, vergoed aan de bij de aanrijding betrokken wederpartij.

2.8.

Op 30 december 2013 heeft [eiser] aangifte van diefstal van de auto gedaan. Van deze aangifte is proces-verbaal opgemaakt. In dit proces-verbaal staat, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

“Hierbij doe ik aangifte van diefstal van mijn auto, merk Mercedes-Benz, type C180, kleur wit, voorzien van kenteken [00-XXX-0]

Op donderdag 28 november 2013 omstreeks 10:00 uur, verliet ik mijn woning aan de [straat] te [woonplaats] .

Mijn auto voorzien van kenteken [00-XXX-0] liet ik in goede staat achter. Ik had hem voor mijn woning aan de [straat] te [woonplaats] geparkeerd. Ik werd vervolgens door mijn vriendin naar de luchthaven Schiphol gebracht, omdat ik op vakantie ging. Ik ben voor een maand naar [Afrika] geweest.

Op zondag 29 december 2013, omstreeks 20:00 uur, werd ik door mijn vriendin van de luchthaven Schiphol opgehaald. Ongeveer drie kwartier later, 20.45 uur arriveerde ik weer bij de woning aan de [straat] te [woonplaats] .

Het eerste wat mij opviel, toen ik uit de auto van mijn vriendin stapte, is dat ik mijn eigen auto niet zag staan waar ik hem op donderdag 28 november 2013 had achtergelaten.

(…)

Ik ben nog steeds in het bezit van twee (2) autosleutels. Een (1) autosleutel had ik met mij meegenomen toen ik op vakantie was, en een (1) autosleutel welke de reservesleutel is ligt nog steeds in de woning. (…)”

2.9.

[eiser] heeft bij Bovemij telefonisch melding gemaakt van diefstal van de auto. Hij heeft aan Bovemij het proces-verbaal van aangifte verstrekt en zijn vliegtickets. [eiser] heeft Bovemij verzocht om uitkering op grond van de verzekering.

2.10.

Bovemij heeft de verzekering met [eiser] op 30 december 2013 beëindigd.

2.11.

Bij brief van 18 maart 2014 deelt Bovemij aan [eiser] , voor zover hier van belang het volgende mede:

“Naar aanleiding van bovengenoemde schade berichten wij u het volgende:

Kunt u ons schriftelijk informeren of u bekend bent met de persoon die uw auto bestuurde: [mevrouw Y] . Bestuurder is woonachtig op [straat] / [nummer] [woonplaats] . Indien u dit kunt bevestigen, verzoeken wij u aan te geven in welke relatie deze persoon met u staat. Zodra wij uw reaktie hebben ontvangen, kunnen we de schade verder beoordelen. (…)”

2.12.

[eiser] heeft op 21 maart 2014 aan Bovemij het volgende laten weten:

“Naar aanleiding van uw brief van 18 maart 2014, wil ik u doorgeven dat ik die bestuurde met de naam [mevrouw Y] helemaal niet kent, dus geen relatie.

Verder wil ik nogmaals doorgeven dat ik op 9 december 2013 op vakantie was. (…)”

2.13.

Bij brief van 4 september 2014 verzoekt Bovemij aan [eiser] om de voertuigsleutels, groene kaart en het complete kentekenbewijs toe te sturen.

2.14.

Bij brief van 25 september 2014 deelt Bovemij aan [eiser] , onder andere, het volgende mede:

“(…) Uw sleutels en papieren ontvingen wij in goede orde. Wij zijn in afwachting van informatie van de Duitse politie. (…)”

2.15.

Vervolgens bericht Bovemij, bij brief van 2 december 2015, aan [eiser] als volgt:

“Betreft: schade van 09-12-2013

Geachte heer [eiser] ,

‘Naar aanleiding van bovengenoemde schade berichten wij u het volgende.

Bijgaand treft u de politieberichten rond de aanrijding van 9 december 2013 in Hamburg, Duitsland. U heeft aangifte gedaan van diefstal van uw auto. De diefstal zou hebben plaatsgevonden tijdens uw vakantie, in welke periode ook de voornoemde aanrijding heeft plaatsgevonden. Uit de bijgaande politierapporten blijkt dat de voertuigen die bij de aanrijding betrokken waren door de politie zijn geïnspecteerd op eventuele schade, nota bene bij daglicht. De politie is niets opgevallen voor wat betreft braakschade aan de portieren of het contactslot van de Mercedes. Ook heeft de bestuurster zich kunnen en willen legitimeren en bovendien kon zij laten zien dat het uw auto betrof. Er zijn bij het identificeren van de bestuurster en de eigenaar van de auto - kennelijk aan de hand van de identiteitspapieren, groene kaart en kentekendocumenten - geen bijzonderheden gebleken aan de

Duitse politie. Wij verkeren daarom onder de indruk dat de bestuurster niet door middel van diefstal of heling in het bezit is gekomen van uw auto. Dit betekent ook dat wij niet overtuigd zijn geraakt van de door u gestelde diefstal. Als u het met onze beslissing niet eens bent verzoeken wij u ons daarover schriftelijk te berichten.

(…)”

3 De vordering en het verweer

3.1.

[eiser] vordert, na vermindering van eis ter zitting, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

I. de veroordeling van Bovemij om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 24.300,-, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 december 2013 tot de dag der algehele voldoening;

Subsidiair:

II. de veroordeling van Bovemij om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 19.550,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 december 2013 tot de dag der algehele voldoening;

Primair en subsidiair:

III. te bepalen dat dat verzekeringsovereenkomst tussen [eiser] en Bovemij nimmer is geëindigd en aldus zal worden voortgezet onder diezelfde voorwaarden.

IV. Bovemij te veroordelen om aan [eiser] te betalen de buitengerechtelijke kosten van € 1.018,- dan wel € 970,50 dan wel een door de rechtbank in goede jusiitie vast te stellen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 30 december 2013 tot de dag der algehele voldoening;

V. Bovemij te veroordelen in de proceskosten van de onderhavige procedure, inclusief de gebruikelijke nakosten.

3.2.

[eiser] heeft, zakelijk weergegeven, aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat zijn bij Bovemij tegen diefstal verzekerde auto tussen 28 november 2013 en 29 december 2013

- tijdens zijn vakantie in [Afrika] - is gestolen. [eiser] stelt dat Bovemij op grond van de wet, de verzekeringsovereenkomst en de polisvoorwaarden is gehouden de dagwaarde van de auto aan hem te vergoeden. Hij vordert, onder verwijzing naar koerslijsten van de ANWB primair een bedrag van € 24.300,- (volgens hem de dagwaarde in november/december 2013), dan wel subsidiair € 19.550,- (de dagwaarde op het moment van dagvaarden) van Bovemij. Omdat Bovemij, ook na aanmaning, in gebreke is gebleven de schade te vergoeden heeft [eiser] zich genoodzaakt gezien om de vordering uit handen te geven. Bovemij is dan ook de buitengerechtelijke kosten verschuldigd, aldus [eiser] . Omdat iedere betaling is uitgebleven heeft [eiser] zich genoodzaakt gezien om Bovemij in rechte te betrekken.

3.3.

Bovemij voert verweer. Zij betwist primair de gestelde diefstal en subsidiair de (hoogte van) de gevorderde schade.

4 De beoordeling

4.1.

[eiser] stelt zich op het standpunt dat zijn auto op enig moment in de periode tussen

28 november 2013 tot 29 december 2013 is gestolen en vordert op grond van artikel 4.1 en artikel 6.4 van de polisvoorwaarden, vergoeding van de dagwaarde van Bovemij.

4.2.

Volgens vaste jurisprudentie dient de verzekerde die onder een verzekering wegens diefstal aanspraak maakt op uitkering, conform de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering te stellen, en bij voldoende gemotiveerde betwisting door de verzekeraar ook te bewijzen, dat sprake is van diefstal die meebrengt dat de verzekeraar gehouden is tot het doen van een uitkering uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst

(HR 28 oktober 1994, NJ 1995/141).

Aan het bewijs van de gestelde diefstal in een geval als het onderhavige, waarin het gaat om de diefstal van een geparkeerde auto, mogen echter geen al te zware eisen worden gesteld. In een dergelijk geval zal de verzekerde kunnen volstaan met het leveren van bewijs van feiten en/of omstandigheden die voldoende aannemelijk maken dat de gestelde diefstal heeft plaatsgevonden. Daarbij kan, afhankelijk van hetgeen door de verzekerde met betrekking tot de toedracht van de diefstal is gesteld en hetgeen de verzekeraar ter betwisting daarvan heeft aangevoerd, onder omstandigheden de enkele aangifte van de diefstal in een door de politie opgemaakt proces-verbaal als voldoende bewijs worden aanvaard (HR 11 april 2003, NJ 2004/568).

4.3.

Vast staat dat [eiser] aangifte heeft gedaan van de gestelde diefstal. In geschil is evenwel of de enkele aangifte van diefstal in het onderhavige geval als voldoende bewijs heeft te gelden. Bij de beoordeling is van belang hetgeen Bovemij ter onderbouwing van haar betwisting van de diefstal heeft aangevoerd.

Sleutels

4.4.

Bovemij heeft in de eerste plaats aangevoerd van [eiser] slechts één van de twee autosleutels te hebben ontvangen, hetgeen Bovemij doet twijfelen aan de verklaring van [eiser] dat zijn auto is gestolen.

4.5.

[eiser] heeft in reactie op hetgeen door Bovemij is aangevoerd betwist dat hij slechts één sleutel zou hebben ingeleverd. [eiser] heeft daarbij verwezen naar de brief van 25 september 2014 van Bovemij waarin staat dat de sleutels (meervoud) van [eiser] door haar zijn ontvangen (r.o. 2.14). Voornoemde brief betreft aldus Bovemij echter een standaardbrief waarin ten onrechte is opgenomen dat door Bovemij de sleutels (meervoud) zijn ontvangen. Ter (nadere) onderbouwing van haar stelling dat zij slechts één sleutel heeft ontvangen, heeft Bovemij foto’s van de ontvangen goederen en het gewicht daarvan in het geding gebracht. Boemij wijst erop dat het totaalgewicht van het door haar van [eiser] ontvangen pakket met daarin de sleutel (56 gram), het doosje (37 gram), het kentekenbewijs en de verpakking in totaal 142 gram is. Aangezien de sleutel en het doosje samen al 93 gram wegen, is er dus slechts 49 gram “over” voor het kentekenbewijs en de verpakking van het pakketje. Een extra sleutel (van 56 gram) kan het pakket dan ook niet hebben bevat, aldus Bovemij.

Voorts staat op de kopie van het pakket met de hand geschreven ‘sleutel’ en niet ‘sleutels’, hetgeen daar - zo is ter comparitie gebleken - naar alle waarschijnlijkheid door de medewerker van Bovemij die het pakket in ontvangst heeft genomen, is opgeschreven.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft Bovemij de verklaring van [eiser] dat hij twee sleutels heeft ingeleverd, gelet op bovenstaande, in voldoende mate betwist.

Aanrijding

4.6.

Naast het ontbreken van één sleutel pleit volgens Bovemij verder tegen de gestelde diefstal dat in het Duitse politierapport, opgemaakt naar aanleiding van de aanrijding op

9 december 2013, geen melding wordt gemaakt van braakschade. Noch aan de buitenzijde (portieren en portiersloten) noch aan de binnenzijde (dashbord en contactslot) van de auto wordt door de politie enige braakschade vermeld, aldus Bovemij. [eiser] heeft het ontbreken van braakschade niet weersproken, maar hij voert aan dat het ontbreken van braakschade niet alles zegt nu de politie daar niet naar zou hebben gezocht. Bovemij heeft daarvan echter opgemerkt dat dat niet juist is nu uit het opgemaakte proces-verbaal blijkt dat onder het kopje ‘Schade/sporen/technische gebreken’ staat opgenomen: ‘Krassen op lak achterbumper; oude schade aan de achterklep.’ Naar het oordeel van de rechtbank heeft Bovemij daarmee voldoende aangetoond dat de auto door de politie na de aanrijding op 9 december 2013 aan een serieuze inspectie is onderworpen en dat geen braakschade is geconstateerd. Aan [eiser] moet worden toegegeven dat de door hem ter zitting geopperde mogelijkheid bestaat dat braakschade wellicht ontbreekt omdat de auto gestolen zou kunnen zijn door het onderscheppen van de sleutelfrequentie of het op afstand kopiëren van de sleutelgegevens. Ondanks deze ter zitting opgekomen mogelijkheid, blijft evenwel sprake van een gemotiveerde betwisting door Bovemij op dit punt.

4.7.

Tenslotte wijst Bovemij ter onderbouwing van haar betwisting van de diefstal op de gang van zaken rondom de aanrijding met de auto op 9 december 2013. Op het moment van de aanrijding, in de periode waarin de auto volgens [eiser] zou zijn gestolen, werd de auto bestuurd door [mevrouw Y] , een Duitse inwoonster uit Hamburg waar ook de aanrijding heeft plaatsgevonden. De aanrijding was echter voor haar geen reden om de plaats van het ongeval te verlaten. Zij heeft de komst van de politie rustig afgewacht en heeft zich gelegitimeerd, hetgeen volgens Bovemij atypisch gedrag is voor iemand die in een beweerdelijk gestolen auto rijdt. Bovendien is het zeer waarschijnlijk aldus Bovemij dat [mevrouw Y] de politie heeft kunnen laten zien dat de auto toebehoort aan [eiser] . Kennelijk heeft haar gedrag rondom de aanrijding geen argwaan gewekt en heeft zij de agenten ervan weten te overtuigen dat zij met toestemming in de auto van [eiser] reed, aldus Bovemij.

[eiser] heeft betoogt echter dat de gang van zaken rondom de aanrijding en meer in het bijzonder het gedrag van de bestuurder op dat moment geen reden is voor twijfel. [mevrouw Y] is na de aanrijding niet (direct) uit het zicht van de politie verdwenen omdat zij door de andere bij de aanrijding betrokken auto was klemgezet, aldus [eiser] . Dit laat volgens Bovemij echter onverlet dat opvallend aan deze gang van zaken is dat [eiser] geen aangifte heeft gedaan tegen [mevrouw Y] . Dit terwijl [eiser] al op 14 maart 2014 door Bovemij op de hoogte is gebracht dat zij op 9 december 2013 in zijn auto heeft gereden en haar naam en adres aan [eiser] zijn verstrekt. Niets wijst er volgens Bovemij op dat [mevrouw Y] door diefstal of heling in het bezit van de auto is gekomen. Dat zou volgens Bovemij ook verklaren waarom er door [eiser] maar één autosleutel bij haar is ingeleverd.

4.8.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft Bovemij, gezien het vorenoverwogene, de verklaringen van [eiser] zodanig betwist dat voldoende aanleiding bestaat van de gestelde diefstal meer bewijs te verlangen dan de enkele aangifte. Nu [eiser] nader bewijs heeft aangeboden, zal hij worden toegelaten dit bewijs te leveren.

4.9.

De rechtbank zal [eiser] in de gelegenheid stellen zich uit te laten over de wijze waarop zij dat bewijs wil bijbrengen.

4.10.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

stelt [eiser] in de gelegenheid te bewijzen dat de dat de auto in de periode gelegen tussen 28 november 2013 en 29 december 2013 is gestolen;

5.2.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 28 juni 2017 voor uitlating door [eiser] of hij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

5.3.

bepaalt dat [eiser] , indien hij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen,

5.4.

bepaalt dat [eiser] , indien hij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op de vrijdagen in de maanden juli tot en met december 2017 direct opgeven, waarna dag en uur van zullen worden bepaald,

5.5.

bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. J.M. Graat in het gerechtsgebouw te Nijmegen aan de Oranjesingel 56,

5.6.

Bij het oproepen van de getuigen moet er rekening mee worden gehouden dat het verhoor van een getuige gemiddeld 60 minuten duurt. De namen en woonplaatsen van de getuigen en de tijdstippen waartegen zij zijn opgeroepen, dienen ten minste een week voor het verhoor aan de wederpartij en aan de griffier van de rechtbank te worden opgegeven.

5.7.

bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.8.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Graat en in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2017.