Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:3279

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
26-06-2017
Datum publicatie
27-07-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 260
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De Wet op het kindgebonden budget (Wkb) is een voorliggende voorziening, maar niet passend en toereikend. Eiseres heeft bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van de aanschaf van leermiddelen en een laptop voor de mbo-studie van haar minderjarige zoon. Deze aanvraag is door verweerder afgewezen omdat de Wet op het kindgebonden budget (Wkb) volgens verweerder een toereikende en passende voorliggende voorziening is. Met de inwerkingtreding van de Wet hervorming kindregelingen (Wet van 25 juni 2014, Stbl. 2014, 227) is de WTOS voor ouders van minderjarige kinderen vanaf het schooljaar 2015-2016 komen te vervallen. Uit de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel blijkt dat de wetgever met de afschaffing van de WTOS en de gelijktijdige verhoging van het kindgebonden budget een nieuw wettelijk stelsel heeft gecreëerd dat wordt geacht te voorzien in een compensatie van de schoolkosten voor minder draagkrachtige gezinnen met minderjarige schoolgaande kinderen. Volgens de rechtbank is de Wkb dan ook aan te merken als een voorliggende voorziening. De voorziening is volgens de rechtbank echter niet passend en toereikend, omdat uit de wetsgeschiedenis bij de Wet hervorming kindregelingen valt af te leiden dat de wetgever met het nieuwe stelsel niet heeft beoogd een aan de bijstand voorliggende voorziening te treffen die geacht kan worden om toereikend en passend te zijn voor de schoolkosten waarvoor door eiseres bijzondere bijstand is aangevraagd. Ook uit artikel 2 van de Tijdelijke regeling voorziening leermiddelen voor deelnemers uit minimagezinnen (Staatscourant 2016, 52904) blijkt volgens de rechtbank dat de wetgever heeft geconcludeerd dat de Wkb geen toereikende en passende voorziening is aangezien daarmee niet in alle gevallen het recht op onderwijs is gegarandeerd. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op om een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: 16/260

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2017

in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M.A. Wellen),

en

[verweerder] te [plaats] , verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 24 augustus 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres voor bijzondere bijstand afgewezen.

Bij besluit van 7 december 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 september 2016. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. N.A. van Wingerden. Na de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Bij beslissing van 27 december 2016 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de zaak ter verdere behandeling doorverwezen naar de meervoudige kamer. Na toestemming van partijen om uitspraak te doen zonder nadere zitting, is het onderzoek op 24 februari 2017 gesloten.

Overwegingen

1. Eiseres ontvangt sinds 1 augustus 2015 gezinsbijstand. Eiseres heeft bijzondere bijstand aangevraagd voor onder meer studieboeken en voor de aanschaf van een laptop voor haar minderjarige zoon die een MBO-opleiding volgt.

2. In beroep heeft eiseres de kosten gespecificeerd. De rechtbank is van oordeel dat een deel van die kosten buiten de omvang van het geding valt nu eiseres daarvoor geen aanvraag heeft ingediend, te weten de kosten voor het Ardennenkamp, de medische keuring en de praktijkkleding. De rechtbank betrekt deze kosten dus niet bij de beoordeling van het beroep. De kosten voor het pakket techniek en het pakket VeVa vallen als kosten voor leermiddelen, wel binnen de aanvraag voor bijzondere bijstand voor de kosten van (online) leerboeken.

3. Verweerder heeft de aanvraag voor bijzondere bijstand voor de kosten van de aanschaf van de leermiddelen en een laptop afgewezen omdat de Wet op het kindgebonden budget (Wkb) een toereikende en passende voorliggende voorziening is. Bovendien is geen sprake van noodzakelijke kosten die voortvloeien uit bijzondere omstandigheden, maar van algemene kosten van bestaan voor welke kosten eiseres geacht kan worden te reserveren. Eiseres komt volgens verweerder voorts niet aanmerking voor toekenning van bijzondere bijstand voor de kosten van de aanschaf van de laptop omdat eiseres al in 2013 bijzondere bijstand heeft ontvangen voor de aanschaf van een computer en verweerder het beleid hanteert dat slechts eenmaal per vijf jaren bijzondere bijstand voor een computer wordt verstrekt.

4.1

Eiseres betoogt in de eerste plaats dat de Wkb geen toereikende voorliggende voorziening is. Eiseres ontving voor de schoolkosten van haar zoon de maximale forfaitaire tegemoetkoming van € 659,00 per jaar op basis van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS). Deze wet is echter met ingang van het schooljaar 2015-2016 onverwacht komen te vervallen. De wetgever heeft met de afschaffing van de WTOS weliswaar het kindgebonden budget verhoogd met € 116,- per jaar voor ouders met kinderen van 16 en 17 jaar, maar daarmee wordt eiseres slechts gedeeltelijk gecompenseerd. Zij gaat er jaarlijks € 543,00 op achteruit. De verhoging van het kindgebonden budget is ontoereikend voor de verplichte aanschaf van de leermiddelen en de laptop.

4.2

Ingevolge artikel 5, aanhef en onder e, van de PW wordt onder een voorliggende voorziening verstaan elke voorziening buiten deze wet waarop de belanghebbende of het gezin aanspraak kan maken, dan wel een beroep kan doen, ter verwerving van middelen ter bekostiging van specifieke uitgaven.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de PW bestaat geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Het recht op bijstand strekt zich evenmin uit tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt.

4.3.

Met de inwerkingtreding van de Wet hervorming kindregelingen (Wet van 25 juni 2014, Stbl. 2014, 227) is de WTOS voor ouders van minderjarige kinderen vanaf het schooljaar 2015-2016 komen te vervallen. Uit de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel blijkt dat de wetgever met de afschaffing van de WTOS en de gelijktijdige verhoging van het kindgebonden budget een nieuw wettelijk stelsel heeft gecreëerd dat wordt geacht te voorzien in een compensatie van de schoolkosten voor minder draagkrachtige gezinnen met minderjarige schoolgaande kinderen.1 Dat betekent dat de Wkb voor de schoolkosten van de zoon van eiseres, een voorliggende voorziening is.

4.4

De rechtbank is echter van oordeel dat de voorziening niet passend en toereikend is. Uit de wetsgeschiedenis bij de Wet hervorming kindregelingen leidt de rechtbank namelijk af dat de wetgever met het nieuwe stelsel niet heeft beoogd een aan de bijstand voorliggende voorziening te treffen die, voor de schoolkosten waarop de aanvraag van eiseres ziet, geacht kan worden toereikend en passend te zijn. In de Memorie van Toelichting heeft de wetgever immers overwogen dat de overheveling van de WTOS naar de Wkb moet worden gezien in aanvulling op het stelsel van regelingen dat bestaat om minder draagkrachtige gezinnen met minderjarige kinderen te ondersteunen in de schoolkosten van de kinderen, tot welk stelsel ook de bijzondere bijstand behoort.

4.5

Daar komt bij dat per 1 augustus 2016 de Tijdelijke regeling voorziening leermiddelen (de regeling) voor deelnemers uit minimagezinnen in werking is getreden (Staatscourant 2016, 52904). Met de regeling worden onderwijsinstellingen, met ingang van het studiejaar 2016-2017, gecompenseerd voor schoolkosten van minderjarige leerlingen die een mbo-opleiding volgen. In artikel 2 van de regeling is gesteld dat het doel van de regeling is om te voorkomen dat een minderjarige vanwege financiële redenen afziet van het volgen van de beroepsopleiding van zijn keuze. Uit de toelichting op de regeling volgt dat de wetgever tot het inzicht is gekomen dat de financiële gevolgen van de Wet hervorming kindregelingen een belemmering kunnen vormen voor de toegang tot het onderwijs zodat onderwijsinstellingen worden gecompenseerd voor schoolkosten van leerlingen uit minimagezinnen. Ook hieruit blijkt dat de wetgever heeft geconcludeerd dat de Wkb geen toereikende en passende voorziening is aangezien daarmee niet in alle gevallen het recht op onderwijs is gegarandeerd.

De beroepsgrond slaagt.

5.1

Eiseres betoogt in de tweede plaats dat de kosten niet behoren tot de algemene kosten van bestaan maar dat zij voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Eiseres wist niet dat de WTOS zou worden afgeschaft zodat zij voor die kosten niet heeft kunnen reserveren.

5.2

Niet in geschil is dat de mbo-instelling de leermiddelen en de aanschaf van een laptop verplicht heeft gesteld zodat de kosten noodzakelijk zijn. Daarvoor kan vervolgens alleen bijzondere bijstand worden verleend als sprake is van bijzondere omstandigheden en de kosten niet uit het inkomen en de aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan (zie onder meer een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 9 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1812). Of iemand voor kosten heeft kunnen reserveren of de kosten via gespreide betaling achteraf kan voldoen, is een aspect dat moet worden beoordeeld in het kader van de vraag of de zich voordoende, noodzakelijke kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.

5.3

Eiseres heeft niet geruime tijd van te voren kunnen voorzien welke opleiding haar zoon gezien zijn niveau zou kunnen gaan volgen en zou kiezen en welke schoolkosten zij zelf zou moeten dragen. De kosten van leermiddelen die ouders zelf moeten dragen verschillen immers aanzienlijk per (soort) opleiding en type onderwijs. In het bijzonder heeft eiseres niet kunnen voorzien dat de onderwijsinstelling de aanschaf van een laptop verplicht zou stellen. Vanaf het moment dat redelijkerwijs duidelijk was dat de zoon van eiseres een mbo-opleiding zou kunnen en gaan volgen heeft eiseres bovendien niet kunnen voorzien dat de maximale tegemoetkoming op grond van de WTOS zou komen te vervallen en dat zij slechts gedeeltelijk zou worden gecompenseerd door een verhoging van het kindgebonden budget. Hierom kan niet geoordeeld worden dat eiseres had kunnen reserveren voor deze kosten. Anders dan verweerder is de rechtbank dan ook van oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden.
De beroepsgrond slaagt.

6. Eiseres betoogt in de derde plaats dat haar computer, een desktop, niet geschikt is voor haar zoon omdat hij deze niet mee naar school kan nemen.

Dat aan eiseres in 2013 bijzondere bijstand is toegekend voor de aanschaf van een vaste computer, kan geen afwijzingsgrond opleveren, aangezien een laptop andere eigenschappen heeft dan een desktop. Bovendien heeft eiseres deze voor een ander doel aangeschaft.
Ook deze beroepsgrond slaagt.

7. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht.

8. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien of om de zaak af te doen door middel van een bestuurlijke lus. Eiseres heeft tijdens de zitting verklaard dat zij een bijdrage heeft ontvangen uit het ondersteuningsfonds van de onderwijsinstelling. Verweerder zal bij een nieuw te nemen besluit op bezwaar moeten onderzoeken of eiseres inmiddels voor (een deel van) de kosten een vergoeding heeft ontvangen. Voor bijzondere bijstand bestaat immers slechts aanspraak als de kosten daadwerkelijk worden gedragen. De rechtbank zal daarom het bestreden besluit vernietigen. Verweerder dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op om een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 990,-;

  • -

    bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiseres vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.J. Zippelius, voorzitter, mr. H.J. Klein Egelink en

mr. E.C.E. Marechal, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Looijschilder, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 26 juni 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Tweede Kamer, vergaderjaar 2012-2013, 33 716, nr. 3, bladzijde 11 e.v.