Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:3251

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
22-06-2017
Datum publicatie
22-06-2017
Zaaknummer
05/840723-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging doodslag, slaan met een kapmes richting het hoofd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/840723-16

Datum uitspraak : 22 juni 2017

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1973 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,

raadsman: mr. J.A. Schadd, advocaat te Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 8 juni 2017.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

Primair

hij op of omstreeks 9 juli 2016, in de gemeente Arnhem, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] meermalen, in elk geval eenmaal met kracht met een kapmes, althans met een lang en/of

scherp en/of puntig voorwerp op/tegen het hoofd en/of de hals- en/of keelstreek heeft geslagen en/of gestoken en/of gesneden en/of/althans met dat, kapmes, althans met dat lange en/of scherpe en/of puntige voorwerp heeft geslagen naar en/of in de richting van het hoofd en/of de hals- en/of keelstreek van die [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

Subsidiair

hij op of omstreeks 9 juli 2016, in de gemeente Arnhem, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken en/of gescheurde vinger, heeft toegebracht door die [slachtoffer] , meermalen, in elk geval eenmaal met een kapmes, in elk geval met een lang en/of scherp en/of puntig voorwerp op/tegen/in de hand(en) en/of vinger(s) (waarmee die

[slachtoffer] zijn hoofd trachtte te beschermen) te slaan en/of te steken en/of te snijden;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

Meer Subsidiair

hij op of omstreeks 09 juli 2016, in de gemeente Arnhem, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer] meermalen, in elk geval eenmaal met kracht met een kapmes, althans met een lang en/of scherp en/of puntig voorwerp op/tegen het hoofd en/of de hals- en/of keelstreek heeft geslagen en/of gestoken en/of gesneden en/of/althans met dat kapmes, althans met dat lange en/of scherpe en/of puntige voorwerp heeft geslagen naar en/of in de richting van het hoofd en/of de hals- en/of keelstreek van die [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

Meest Subsidiair

hij op of omstreeks 9 juli 2016, in de gemeente Arnhem, [slachtoffer] heeft mishandeld door deze met een kapmes, althans met een lang en/of scherp en/of puntig voorwerp op/tegen het hoofd en/of de hand(en) en/of de vinger(s) en/althans het lichaam te slaan en/of te steken en/of te snijden.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 9 juli 2016, in de gemeente Arnhem, heeft verdachte een groot kapmes, ongeveer 75 centimeter lang, gepakt en vervolgens heeft hij met dit kapmes in de richting van aangever [slachtoffer] een zwaaiende beweging gemaakt.2 Aangever heeft op 9 juli 2016 letsel opgelopen, namelijk een snijwond van 3 centimeter en een botbreuk aan zijn linker ringvinger en een snijwond van 1 centimeter aan zijn linker pink.3

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag. Hiertoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte, door met het kapmes naar het hoofd van aangever uit te halen, de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangever zou overlijden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak van het primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde bepleit. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat verdachte opzet op doodslag of zware mishandeling had, ook niet in de voorwaardelijke vorm. De raadsman heeft gesteld dat er geen bewijs is dat verdachte, toen hij de zwaaiende beweging met het kapmes maakte, zo dicht bij aangever stond dat hij vitale lichaamsdelen van aangever had kunnen raken met dit kapmes. Derhalve kon het handelen van verdachte niet de dood of zwaar lichamelijk letsel tot gevolg hebben.

Tevens heeft de raadsman aangevoerd dat er geen onderzoek naar is gedaan of aangever het letsel heeft opgelopen door het kapmes. Niet uit te sluiten is dat dit letsel bijvoorbeeld door de zegelring van verdachte is veroorzaakt en verdachte heeft ontkend aangever met het kapmes te hebben geraakt.

De raadsman heeft gesteld dat, nu enig letsel is veroorzaakt door verdachte, slechts wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte aangever heeft mishandeld.

Beoordeling door de rechtbank

Aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat hij door verdachte is geslagen in de richting van zijn hoofd met een lang voorwerp. Aangever denkt dat verdachte hem ongeveer vier keer geslagen heeft met dit voorwerp. Met zijn handen en armen heeft aangever zijn gezicht afgeschermd.4

Verdachte heeft verklaard dat hij kwaad was en aangever op zijn hoofd wilde slaan.5

De verklaring van verdachte dat hij aangever niet heeft geraakt, acht de rechtbank ongeloofwaardig omdat aangever kennelijk letsel heeft opgelopen. De rechtbank is van oordeel dat de lange en diepe snijwonden passend zijn bij letsel dat veroorzaakt wordt door een lang kapmes. Hieruit blijkt dat verdachte aangever met het kapmes heeft geraakt. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de verdediging, dat verdachte toen hij een zwaaiende beweging met het kapmes heeft gemaakt zo ver van aangever af stond dat het niet mogelijk was vitale lichaamsdelen van aangever te raken.

Uit voorgaande leidt de rechtbank af dat verdachte in elk geval eenmaal met een kapmes in de richting van het hoofd, de hals of de keelstreek van aangever heeft geslagen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte met kracht heeft geslagen, nu aangever tevens een botbreuk heeft opgelopen.

Voor een bewezenverklaring voor een poging doodslag moet volgens vaste jurisprudentie sprake zijn van (voorwaardelijk) opzet, gericht op het overlijden van het slachtoffer.

De rechtbank overweegt dat het kapmes waarmee verdachte sloeg, naar eigen zeggen, groot en zwaar was.6 Het slaan met dit kapmes kan dus zeer ernstige verwondingen veroorzaken. Verdachte heeft in de richting van het hoofd, de hals en/of de keelstreek geslagen. Het is een feit van algemene bekendheid dat dit vitale lichaamsdelen zijn en ernstige verwondingen van vitale lichaamsdelen de dood tot gevolg kunnen hebben.

De rechtbank overweegt voorts dat uit het feitelijk handelen van verdachte, naar uiterlijke verschijningsvormen, blijkt dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de kans op dit gevolg bewust heeft aanvaard. Dat deze kans zich niet heeft verwezenlijkt komt doordat aangever het kapmes heeft afgeweerd met zijn handen, armen en een pak met rollen toiletpapier7. De rechtbank acht niet aannemelijk dat, zoals verdachte ter terechtzitting heeft verklaard, het kapmes tijdens het zwaaien uit de handen van verdachte is gevlogen. Verdachte heeft bij de politie in eerste instantie verklaard dat aangever op het moment dat hij uithaalde een pak toiletrollen voor zijn gezicht hield en dat hij hem daarom niet kon raken.8 Bovendien heeft aangever niets verklaard over een mes of een ander voorwerp dat op de grond viel.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf aangever opzettelijk van het leven te beroven, in elk geval eenmaal met kracht met een kapmes heeft geslagen in de richting van het hoofd en/of de hals en/of keelstreek van aangever, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 9 juli 2016, in de gemeente Arnhem, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] meermalen, in elk geval eenmaal met kracht met een kapmes, althans met een lang en/of

scherp en/of puntig voorwerp op/tegen het hoofd en/of de hals- en/of keelstreek heeft geslagen en/of gestoken en/of gesneden en/of/althans met dat, kapmes, althans met dat lange en/of scherpe en/of puntige voorwerp heeft geslagen naar en/of in de richting van het hoofd en/of de hals- en/of keelstreek van die [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het primair tenlastegelegde:

Poging doodslag.

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarde een meldplicht en een behandelverplichting, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

De officier van justitie heeft verzocht om het kapmes te onttrekken aan het verkeer. Ten aanzien van de overige inbeslaggenomen goederen heeft de officier van justitie verzocht om deze terug te geven aan verdachte.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman verzoekt een gevangenisstraf voor de duur van de reeds in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd op te leggen. Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat een voorwaardelijke straf geboden is, verzoekt de raadsman geen bijzondere voorwaarden op te leggen.

De raadsman sluit zich aan bij de officier van justitie met betrekking tot de inbeslaggenomen goederen.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 2 mei 2017;

- het trajectconsult van [psychiater 1] , psychiater, gedateerd 15 augustus 2016;

- voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 2 juni 2017;

- een rapportage van [psycholoog] , psycholoog, gedateerd 14 januari 2017 en

- een rapportage van [psychiater 2] , psychiater, gedateerd 27 januari 2017.

Verdachte heeft, zonder concrete aanleiding, aangever (zijn buurman) met een groot en zwaar kapmes aangevallen. Hij heeft met het mes gezwaaid en aangever geraakt. Dit is een zeer ernstig feit en had ook heel anders kunnen aflopen. Er mag van geluk worden gesproken dat het letsel van aangever ‘beperkt’ is gebleven tot snijwonden aan zijn vingers en een gebroken vinger. Als aangever zich niet adequaat had verweerd en als er geen pak toiletrollen was geweest, had de aanval de dood van aangever tot gevolg kunnen hebben. Ook heeft verdachte zijn buurman veel schrik aangejaagd. Die angst is zo groot dat aangever, ondanks dat hij wel de wens daartoe had, niet op de zitting aanwezig is geweest en daardoor ook geen slachtofferverklaring kon afleggen. Aangever heeft aangegeven dat hij zelfs geen vordering benadeelde partij durfde in te dienen. Verdachte toont weinig berouw, maar is van mening dat het deels aan aangever zelf te wijten is dat hij door verdachte is aangevallen. De rechtbank rekent hem dit zwaar aan.

De psychiater heeft geconcludeerd dat ten tijde van het tenlastegelegde naar alle waarschijnlijkheid sprake was van een toename van wantrouwen en paranoïde vertekeningen van de werkelijkheid. De psycholoog ziet aanwijzingen voor een schizo-typische persoonlijkheidsproblematiek of -stoornis en is van mening dat het niet uitgesloten kan worden dat deze stoornis het gedrag van verdachte heeft beïnvloed ten tijde van het tenlastegelegde.

Beide deskundigen adviseren het tenlastegelegde in verminderde mate toe te rekenen aan verdachte. De rechtbank kan zich verenigen met de conclusies van de deskundigen en neemt deze over.

De rechtbank houdt in het voordeel van verdachte, meer dan de officier van justitie, rekening met de verminderde mate van toerekenbaarheid. Tevens houdt de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening met het feit dat verdachte geen relevante documentatie heeft en met de positieve ontwikkeling dat verdachte dagbesteding en nieuwe huisvesting heeft gevonden.

Gezien de ernst van het feit en de houding van verdachte is de rechtbank van oordeel dat alleen een gevangenisstraf van enige duur passend is. Vanwege verdachtes kwetsbaarheid in persoonlijkheid, zijn manier van omgaan met stress, zijn gebrekkige arbeidsverleden, het afwezige netwerk en zijn ondoorgrondelijke en weinig toegankelijke opstelling, zal de rechtbank een groot deel van deze gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen. Bovendien is de rechtbank, met de deskundigen en de officier van justitie, van oordeel dat ambulante behandeling geboden is om het recidiverisico te minimaliseren. Daarom zal de rechtbank als bijzondere voorwaarden een meldplicht en behandelverplichting opleggen. De rechtbank zal, alles overwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk, opleggen.

Ten aanzien van de inbeslaggenomen goederen

Het na te melden in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, met behulp waarvan het bewezenverklaarde is begaan, dient te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang:

- één mes (kap), goednummer PL0600-2016338779-1184103.

De na te melden in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, die bij gelegenheid van het onderzoek naar het door veroordeelde begane feit zijn aangetroffen en die kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten als bij dit vonnis bewezenverklaard, dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien zij van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet:

  • -

    munitie, goednummer PL0600-2016338779-1184119;

  • -

    granaat, goednummer PL0600-2016338779-1184601;

  • -

    munitie, goednummer PL0600-2016338779-1184603.

Nu zich geen strafvorderlijk belang daartegen verzet, zal de teruggave worden gelast van de na te melden voorwerpen aan de veroordeelde:

  • -

    44 stuks messen, goednummer PL0600-2016338779-1184098;

  • -

    honkbalartikel, goednummer PL0600-2016338779-1184099.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 36b, 36c, 36d, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden;

 bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf groot 9 (negen) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden voor het einde van de proeftijd die op twee jaren wordt bepaald;

 de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de Reclassering Nederland te houden toezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

 de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich uiterlijk binnen vijf werkdagen na het onherroepelijk worden van het vonnis, tussen 09:00 uur en 11:00 uur zal melden bij Reclassering Nederland, Nieuwe Oeverstraat 65 te Arnhem (088-8041404) en gedurende de proeftijd zich zal blijven melden bij deze instelling, zo frequent en zolang de instelling dat noodzakelijk acht;

- indien dit tijdens het toezicht noodzakelijk wordt geacht, zich zal laten onderzoeken en behandelen bij forensische polikliniek Kairos of soortgelijke ambulante (forensische) zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven, voor zover en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

 geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht);

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 gelast de teruggave van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen aan veroordeelde, te weten:

- 44 stuks messen, goednummer PL0600-2016338779-1184098;

- honkbalartikel, goednummer PL0600-2016338779-1184099;

 beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- één mes (kap), goednummer PL0600-2016338779-1184103;

- munitie, goednummer PL0600-2016338779-1184119;

- granaat, goednummer PL0600-2016338779-1184601;

- munitie, goednummer PL0600-2016338779-1184603.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Wasmann (voorzitter), mr. C. van Linschoten en mr. H.C. Leemreize, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Langstraat, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 juni 2017.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PLPL0600-2016338779, gesloten op 9 augustus 2016 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting; het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p. 38.

3 Geneeskundige verklaring, registratienummer PL0600-2016338779-1, d.d. 15 juli 2016.

4 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p. 38.

5 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting.

6 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting.

7 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 10.

8 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 47.