Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:3243

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
21-06-2017
Datum publicatie
22-06-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 6038
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

Eiser is op 1 januari 2016 gebruiker van de woning. De Staat is als gevolg van onteigening eigenaar. Verweerder betwist dat eiser belang heeft bij een beslissing over de WOZ-waarde. De rechtbank overweegt dat niet snel wordt aangenomen dat er geen belang is. Dat is slechts het geval als het bezwaar of beroep de indiener niet in een betere positie kan brengen. De rechtbank toetst aan artikel 28, eerste lid, laatste zin, van de Wet WOZ. Er is geen sprake van dat het waardegegeven op grond van een wettelijk voorschrift wordt gebruikt en eiser hierdoor in zijn individuele belang kan worden geraakt. Het bezwaar had daarom niet-ontvankelijk verklaard moeten worden. Verder is de hoorplicht geschonden, maar eiser is door het niet-horen niet benadeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2017/278 met annotatie van J.P. Kruimel
V-N Vandaag 2017/1506
FutD 2017-1647
NTFR 2017/1765
NLF 2017/1598 met annotatie van -
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RechtbanK gelderland

Team belastingrecht

zaaknummer: AWB 16/6038

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juni 2017

in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiser
(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ),

en

de heffingsambtenaar van het Gemeentelijk Belastingkantoor Twente, verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 16 september 2016, waarbij het bezwaar van eiser tegen de aan hem opgelegde beschikking krachtens artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) over het jaar 2016 gegrond is verklaard.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juni 2017. Namens eiser is de gemachtigde verschenen. Namens verweerder zijn mr. [gemachtigde] en ir. [A] verschenen.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk;

  • -

    veroordeelt verweerder in de door eiser in beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 990;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 aan eiser te vergoeden.

Overwegingen

1. Bij brief van 4 januari 2017 heeft de rechtbank de Staat der Nederlanden (hierna: de Staat) geïnformeerd over de beroepsprocedure. Zij heeft daarbij de Staat in de gelegenheid gesteld gebruik te maken van de mogelijkheid als partij aan de procedure deel te nemen. De Staat heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

2. Aan eiser is een WOZ-beschikking tevens gecombineerde aanslag 2016 toegestuurd met betrekking tot het object [A-straat 1] te [Z] (hierna: de woning). Op dit biljet is de WOZ-waarde van de woning vermeld. Deze bedraagt € 166.000. Daarnaast bevat dit biljet de aanslag afvalstoffenheffing. Deze is gebaseerd op het basispakket voor één container van 240 liter.

3. Eiser is eigenaar geweest van de woning. Deze lag tot 22 december 2015 op een perceel kadastraal bekend als [000] . De oppervlakte van het perceel was 3.365 m². De woning ligt in de nabijheid van de N18. In verband met de aanleg, uitbreiding en reconstructie van de N18 heeft de Staat via een civielrechtelijke procedure de onteigening gevorderd van een gedeelte van het perceel ter grootte van 1.428 m². Bij vonnis van deze rechtbank van 21 oktober 2015 is de onteigening uitgesproken. Deze is op 22 december 2015 geëffectueerd. Sindsdien is de Staat eigenaar van het gedeelte van het perceel dat is hernummerd tot sectie [001] (hierna: [001] ). Volgens de kadastrale gegevens is de oppervlakte van dit perceel 1.452 m². Eiser is eigenaar gebleven van het gedeelte van het perceel dat is hernummerd tot sectie [002] (hierna: [002] ). Volgens de kadastrale gegevens is de oppervlakte van dit perceel 1.913 m².

4. De woning bevindt zich op het perceel dat sinds 22 december 2015 eigendom van de Staat is. Tussen partijen is niet in geschil dat de WOZ-beschikking betrekking heeft op dat perceel. Op 1 januari 2016 woonde eiser feitelijk nog in de woning.

5. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de WOZ-beschikking en de daarbij opgelegde aanslag afvalstoffenheffing. Hij heeft erop gewezen dat hij op 1 januari 2016 geen eigenaar was van de woning. Er is uitgegaan van [001] , terwijl eiser slechts eigenaar is van [002] . Daarom heeft hij verzocht om vernietiging van de beschikking en de aanslag en oplegging van een nieuwe beschikking en aanslag ten aanzien van [002] .

6. Verweerder heeft het bezwaar gegrond verklaard en de WOZ-waarde van de woning verminderd tot € 155.000. Verweerder heeft eiser in bezwaar niet gehoord, met als motivering dat aan het bezwaar volledig is tegemoetgekomen en andere belanghebbenden niet in hun belangen kunnen worden geschaad.

7. In beroep heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard. Aan eiser is de WOZ-beschikking als gebruiker toegezonden op de voet van artikel 24, derde lid, aanhef en onder b, van de Wet WOZ. Hij had echter geen belang bij het maken van bezwaar en kon daardoor op geen enkele wijze in een betere positie komen, omdat het waardegegeven jegens eiser niet op grond van enig wettelijk voorschrift wordt gebruikt. Verweerder heeft verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:682, en de daaraan ten grondslag liggende uitspraak van Gerechtshof Den Haag van 1 juni 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:1637.

8. Eiser heeft aangevoerd dat hij wel degelijk een belang heeft en dat de afwezigheid daarvan terughoudend getoetst dient te worden. In beginsel wordt een belang aangenomen. Hiervoor heeft hij gewezen op een uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, naar de rechtbank begrijpt de uitspraak van 11 oktober 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:8122. Het belang is erin gelegen dat er nog onduidelijkheid is over de precieze perceelsafmetingen. Daarnaast is van belang dat eiser graag op zijn overgebleven deel een woning wil laten bouwen. Hiervoor loopt nog een bestuursrechtelijke procedure. Ook was de prijs die de Staat aan eiser dient te betalen voor het onteigende deel op 1 januari 2016 nog in geschil. Voorts stelt eiser dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van het horen.

9. De rechtbank volgt verweerder in zijn stelling dat aan eiser een zogeheten gebruikersbeschikking is verstrekt. Dit volgt uit het feit dat voor de woning geen aanslag onroerende-zaakbelasting aan eiser is opgelegd. Dat dit voor eiser niet meteen zonneklaar was, is overigens evenzeer aannemelijk, omdat voor het overige uit niets kan worden afgeleid dat de beschikking aan eiser als gebruiker is bekendgemaakt.

10. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de jurisprudentie van de gerechtshoven waarnaar partijen hebben verwezen en het arrest van de Hoge Raad van 12 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:844, ruimte laat om in een situatie als de onderhavige te toetsen of sprake is van een belang bij het bezwaar. Niet snel wordt aangenomen dat er geen belang is. Dat is slechts het geval wanneer het aanwenden van het rechtsmiddel, ongeacht de gronden waarop het steunt, de indiener niet in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit en eventuele bijkomende (rechterlijke) beslissingen zoals die met betrekking tot proceskosten en griffierecht.

11. In het geval dat heeft geleid tot de uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden was sprake van een eigenaar die een hogere waarde bepleitte. De omstandigheid dat iemand een hogere waarde bepleit kan sinds de wijziging van de Wet WOZ per 1 oktober 2015 niet meer leiden tot niet-ontvankelijkverklaring, zoals voordien gebruikelijk was, zelfs als dit zou meebrengen dat meer belasting verschuldigd wordt. Hiermee wordt de jurisprudentie van de Hoge Raad zoals hiervoor verwoord niet opzij gezet. Er zal in de individuele zaak enig (mogelijk) belang moeten zijn. Het enkele feit dat de beschikking op naam van eiser staat is daarvoor niet voldoende. Net als Gerechtshof Den Haag in de hiervoor genoemde uitspraak is de rechtbank van oordeel dat voor de beoordeling van het belang van eiser als gebruiker aansluiting dient te worden gezocht bij het bepaalde in artikel 28, eerste lid, laatste zin, van de Wet WOZ. Slechts wanneer het waardegegeven op grond van een wettelijk voorschrift wordt gebruikt en eiser hierdoor in zijn individuele belang kan worden geraakt, is er een belang in deze zin.

12. De omstandigheden die eiser heeft aangevoerd voldoen niet aan dit criterium. Het wel of niet kunnen bouwen op [002] hangt niet af van de waarde van [001] . De onduidelijkheid over de oppervlakte van de percelen leidt evenmin tot een belang, nu de beschikking van verweerder daarvoor niet doorslaggevend is en verweerder is uitgegaan van de gegevens in het kadaster. Ook de prijs die de Staat voor [001] moet betalen wordt niet beïnvloed door de WOZ-waarde, althans niet op grond van de wet. Artikel 40b van de Onteigeningswet bepaalt dat de werkelijke waarde van de onteigende zaak wordt vergoed. Daarbij wordt uitgegaan van de prijs, tot stand gekomen bij een onderstelde koop in het vrije commerciële verkeer tussen de onteigende als redelijk handelende verkoper en de onteigenaar als redelijk handelende koper. In bijzondere gevallen wordt de werkelijke waarde naar andere maatstaf bepaald. Hoewel die laatste zin de mogelijkheid opent dat de WOZ-waarde een rol speelt, blijkt uit het vonnis van 21 oktober 2015 dat daarvan in dit geval geen sprake is.

13. Volledigheidshalve voegt de rechtbank hier nog aan toe dat niet is gesteld of gebleken dat aan eiser gemeentelijke heffingen zijn opgelegd waarvan de hoogte afhankelijk is gesteld van de WOZ-waarde van de woning.

14. Gelet op het voorgaande kon het bezwaar tegen de WOZ-beschikking eiser niet in een betere positie brengen, zelfs als de beschikking zou zijn vernietigd. Voor eiser had dit immers geen enkel gevolg gehad. In zoverre heeft verweerder terecht opgemerkt dat het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard. Omdat dit niet is gebeurd, is het beroep gegrond.

15. De rechtbank is van oordeel dat eiser terecht heeft aangevoerd dat de hoorplicht is geschonden. Er is immers geen sprake van dat volledig aan het bezwaar tegemoetgekomen is. Weliswaar is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard had moeten worden, maar er is geen sprake van een kennelijk niet-ontvankelijk bezwaar. De ontvankelijkheid diende getoetst te worden aan de mogelijke belangen van eiser, waarvoor feiten van belang waren die deels pas in beroep helder zijn geworden.

16. De rechtbank ziet echter wel aanleiding om de schending van de hoorplicht te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Nu de feiten niet in geschil zijn en inmiddels ook allemaal helder zijn, en alleen nog een juridische discussie resteert, acht de rechtbank het aannemelijk dat eiser door het niet-horen niet is benadeeld. Er is geen enkel belang bij terugwijzing naar verweerder, zoals eiser heeft verzocht. Het beroep is dus niet om deze reden gegrond verklaard, maar alleen al de schending van de hoorplicht is voldoende voor vergoeding van het griffierecht.

17. Volledigheidshalve overweegt de rechtbank nog het volgende. Eiser heeft ook bezwaar gemaakt tegen de aanslag afvalstoffenheffing. Verweerder heeft verklaard dat dit niet is onderkend en heeft de stelling ingenomen dat op dit bezwaar niet is beslist. Nu eiser in beroep de desbetreffende aanslag niet uitdrukkelijk heeft bestreden, gaat de rechtbank ervan uit dat eiser dit ook aldus heeft begrepen. De rechtbank acht dit ook juist. De WOZ-beschikking en de aanslag afvalstoffenheffing zijn weliswaar op hetzelfde biljet vermeld, maar naar het oordeel van de rechtbank wel als afzonderlijke onderdelen te beschouwen waarop afzonderlijk kan worden beslist, desgewenst in afzonderlijke uitspraken op bezwaar. Aangezien eiser geen ingebrekestelling heeft gestuurd aan verweerder, kan het beroepschrift ook niet worden aangemerkt als een beroep tegen niet-tijdig beslissen.

18. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 990 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495 en een wegingsfactor 1). Hoewel uiteindelijk de reden waarom het beroep gegrond is van eenvoudige aard is, is sprake van zodanig veel onduidelijkheid dat de zaak toch niet als licht kan worden beschouwd. Dit komt mede doordat verweerder pas op zitting de juiste stellingen naar voren heeft gebracht.

19. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Eskes, rechter, in aanwezigheid van M.I.M. Geraerts, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 juni 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.