Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:3109

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
13-06-2017
Datum publicatie
13-06-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 5177
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 3.4 Wet IB 2001 en artikel 27e AWR. Eiseres is terecht aangemerkt als ondernemer omdat aannemelijk is geworden dat onderneming voor haar rekening wordt gedreven en zij ook rechtstreeks wordt verbonden voor verbintenissen betreffende die onderneming. Bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard omdat de vereiste aangifte niet is gedaan. Schatting van de winst door verweerder is redelijk. Dat ondernemingswinst (deels) moet worden toegerekend aan de echtgenoot is niet gebleken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/1405
V-N 2017/42.23.2
FutD 2017-1476
NTFR 2017/1894 met annotatie van
NLF 2017/1503 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 16/5177

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 13 juni 2017

in de zaak tussen

[X] , te [Z] , eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Arnhem, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2013 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 122.300. Tevens is bij beschikking € 3.467 aan belastingrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 18 juli 2016 de aanslag en de beschikking belastingrente gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen op 26 augustus 2016 elektronisch beroep ingesteld bij rechtbank Noord-Nederland, die het beroepschrift heeft doorgezonden naar deze rechtbank, alwaar het op 30 augustus 2016 is ontvangen.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2017.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot die optreedt als haar gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen mr. [gemachtigde] , [A] en [B] .

Verweerder heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij. Tegen overlegging van de daarbij gevoegde bijlagen heeft eiseres geen bezwaren geuit.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres is gehuwd met [gemachtigde] (hierna: de echtgenoot).

2. De echtgenoot is jarenlang in loondienst werkzaam geweest bij [C] BV, waar hij de functie van commercieel directeur bekleedde. In die functie hield hij zich bezig met de handel in melkproducten. In zijn arbeidsovereenkomst was een concurrentiebeding opgenomen. De dienstbetrekking is in de loop van 2012 beëindigd.

3. Per [2012] is de eenmanszaak [D] (hierna: [D] ) ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Blijkens de inschrijving bestaan de activiteiten van [D] uit de groothandel in zuivelproducten. Eiseres is vermeld als eigenaar. Op [2016] is [D] uitgeschreven uit het handelsregister. Per april 2016 is de onderneming op naam van de echtgenoot ingeschreven in het handelsregister.

4. Ten behoeve van de activiteiten van [D] heeft verweerder aan eiseres een omzetbelastingnummer toegekend. Betreffende de periode 1 juli 2013 tot en met 31 december 2013 beschikt verweerder over meldingen van intracommunautaire leveringen op dit omzetbelastingnummer. Het gaat om leveringen van melkproducten vanuit het Verenigd Koninkrijk en Ierland. In verband hiermee zijn aan eiseres naheffingsaanslagen omzetbelasting en vergrijpboeten opgelegd. Het daartegen gemaakte bezwaar is afgewezen. Eiseres heeft hiertegen geen beroep ingesteld.

5. De tenaamstelling van de ondernemersrekening van [D] bij ABN AMRO luidt: “Mevrouw [X] h/o [D] ”. Daarnaast beschikte [D] over een bankrekening bij TRIODOS. Ook die rekening stond op naam van eiseres.

6. Eiseres is bij brief van 28 februari 2014 uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV over het jaar 2013. Op 2 juni 2014 en op 8 juli 2014 is aan haar een herinnering respectievelijk een aanmaning tot het doen van aangifte gezonden.

7. Op 15 juni 2015 heeft eiseres haar aangifte IB/PVV over het jaar 2013 ingediend. De aangifte vermeldt een loon uit dienstbetrekking van € 32.738, een eigenwoningforfait van € 2.160 en een bedrag van € 32.598 aan aftrekposten eigen woning (hypotheekrenteaftrek), waardoor het aangegeven verzamelinkomen € 2.300 bedraagt.

8. Op 15 september 2015 heeft verweerder naar aanleiding van de aangifte vragen gesteld, onder meer omdat het resultaat uit [D] niet is aangegeven. Opgevraagd zijn de balansen per 31 december 2012 en 31 december 2013, alsmede de winst- en verliesrekening over 2013. Verweerder heeft aangegeven voornemens te zijn het resultaat uit [D] ambtshalve vast te stellen indien die stukken niet worden overgelegd.

9. Eiseres heeft in reactie hierop aangegeven dat er vanwege een computercrash nog geen balansen van de onderneming zijn opgemaakt.

10. Eiseres is vervolgens in de gelegenheid gesteld om de stukken alsnog aan te leveren met de afspraak dat indien deze op 3 november 2015 niet zijn aangeleverd, de aanslag ambtshalve zal worden vastgesteld.

11. Met dagtekening 23 december 2015 is de definitieve aanslag IB/PVV 2013 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 122.300, waarin is begrepen een belastbare winst uit onderneming van € 120.000 in verband met de ondernemingsactiviteiten van [D] .

12. Eiseres heeft bij brief van 22 januari 2016 bezwaar gemaakt tegen de opgelegde aanslag. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de winst behaald met de ondernemingsactiviteiten van [D] aan de echtgenoot moeten worden toegerekend omdat alle activiteiten feitelijk en uitsluitend door de echtgenoot worden verricht. Voorts stelt eiseres zich op het standpunt dat het geschatte inkomen te hoog is vastgesteld. De aanslag IB/PVV 2013 van eiseres dient volgens haar conform de ingediende aangifte te worden vastgesteld.

13. Bij uitspraak op bezwaar van 18 juli 2016 is het bezwaar van eiseres door verweerder afgewezen. Daartegen heeft eiseres beroep ingesteld.

Geschil

14. In geschil is of verweerder de winst behaald met de ondernemingsactiviteiten van [D] terecht aan eiseres heeft toegerekend en zo ja, tot het juiste bedrag. Daarbij speelt in het kader van de bewijslastverdeling tevens de vraag of de vereiste aangifte is gedaan.

Beoordeling van het geschil

15. Ingevolge artikel 3.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) is belastbare winst uit onderneming het gezamenlijke bedrag van de winst die de belastingplichtige als ondernemer geniet uit een of meer ondernemingen verminderd met de ondernemersaftrek en de MKB-winstvrijstelling.

16. Op grond van artikel 3.4 van de Wet IB 2001 wordt onder het begrip ondernemer verstaan de belastingplichtige voor rekening van wie een onderneming wordt gedreven en die rechtstreeks wordt verbonden voor verbintenissen betreffende die onderneming.

17. Niet in geschil is dat de activiteiten die binnen [D] worden ontplooid voor de Wet IB 2001 een onderneming vormen. Er is sprake van een duurzame organisatie van arbeid en kapitaal, waarmee op een risicodragende wijze aan het economische verkeer wordt deelgenomen met het doel winst te behalen. De vraag is echter of eiseres als ondernemer moet worden aangemerkt ter zake van [D] . De rechtbank overweegt als volgt.

18. Vanaf de oprichting op [2012] tot de uitschrijving op [2016] heeft eiseres als eigenaar van [D] vermeld gestaan in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. [D] stond hierin te boek als eenmanszaak.

19. De Belastingdienst heeft aan eiseres in verband met de activiteiten van [D] een omzetbelastingnummer toegekend. Op dit omzetbelastingnummer hebben voor aanzienlijke bedragen intracommunautaire leveringen (van melkproducten) plaatsgevonden vanuit het Verenigd Koninkrijk en Ierland. In verband hiermee zijn aan eiseres naheffingsaanslagen omzetbelasting en vergrijpboetes opgelegd.

20. De zakelijke rekeningen van [D] bij ABN ARMO en TRIODOS staan op naam van eiseres. Uit de overgelegde bankafschriften van de rekening bij ABN AMRO komt naar voren dat in het jaar 2013 voor een bedrag van in totaal € 968.560 is ingekocht bij [E] ltd en [F] terwijl voor een bedrag van in totaal € 1.078.315,74 is verkocht aan [G] BV. Ook via de rekening bij TRIODOS zijn er verschillende transacties geweest, zowel inkoop als verkoop, met verschillende partijen en wederom voor aanzienlijke bedragen. Uit de bankafschriften komt verder naar voren dat eiseres ook niet-zakelijke uitgaven (privéuitgaven) en privéopnames deed van de zakelijke rekeningen.

21. Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigen de voormelde feiten en omstandigheden - in onderlinge samenhang bezien - de conclusie dat [D] voor rekening van eiseres werd gedreven en dat zij ook rechtstreeks werd verbonden voor verbintenissen betreffende de binnen [D] gedreven onderneming. Verweerder heeft eiseres derhalve terecht aangemerkt als ondernemer in de zin van artikel 3.4 van de Wet IB 2001.

22. Omtrent de ondernemingsactiviteiten van [D] heeft eiseres niets in haar aangifte IB/PVV over het jaar 2013 vermeld. Verweerder betoogt dat eiseres, gezien de aard en omvang van die activiteiten, de vereiste aangifte niet heeft gedaan en dat de bewijslast om die reden moet worden omgekeerd en verzwaard.

23. Op grond van artikel 27e, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) verklaart de rechtbank het beroep ongegrond indien - onder meer - de vereiste aangifte niet is gedaan, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is (de zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast).

24. Naar vaste jurisprudentie geldt dat bij inhoudelijke gebreken in een aangifte slechts dan kan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van deze gebreken niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is (Hoge Raad 9 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY2665). Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale bewijsregels van stelplicht en bewijslast (Hoge Raad 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083).

25. Verweerder heeft een (globale) vergelijking gemaakt van de bij de Belastingdienst bekende inkomsten en uitgaven van eiseres en de echtgenoot tezamen. Die vergelijking laat een tekort zien van € 21.907, terwijl het gezamenlijke vermogen onvoldoende was om van te kunnen leven. Verweerder heeft aannemelijk gemaakt dat dit tekort alleen kan worden verklaard uit de winst behaald met de handelsactiviteiten van [D] . Dat met de handelstransacties winst is behaald heeft verweerder voldoende onderbouwd aan de hand van op de rekeningafschriften voorkomende in- en verkooptransacties. Uit die afschriften volgt dat voor een bedrag van € 1.552.252,00 is ingekocht en voor een bedrag van € 1.794.595,38 is verkocht. Daarnaast is op de zakelijke rekening van [D] bij de ABN AMRO een onverklaard gebleven bedrag van € 35.210 ontvangen met omschrijving “ [H] ”, zonder dat daar direct aanwijsbare kosten tegenover staan. Aangenomen moet worden dat deze opbrengst is genoten in het kader van de onderneming van eiseres.

26. Uit de omschrijvingen die op de zakelijke rekeningafschriften voorkomen valt voorts op te maken dat eiseres voor substantiële bedragen privéopnames en – uitgaven heeft gedaan van die zakelijke rekeningen, zodat aannemelijk is dat de winst behaald met de handelsactiviteiten van [D] haar ook (al dan niet ten dele) ten goede is gekomen.

27. Gelet op het voorgaande - in onderlinge samenhang bezien - is aannemelijk geworden dat sprake is van één of meer gebreken in de aangifte IB/PVV die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting zowel in relatieve als in absolute zin aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Eiseres, die wist dat de onderneming op haar naam stond en kon beschikken over (een deel van) de daarmee behaalde winst, moet zich hiervan ten tijde van het doen van aangifte ook bewust zijn geweest. Dat de echtgenoot de aangifte voor eiseres zou hebben ingevuld, disculpeert haar niet. Zij is en blijft zelf verantwoordelijk voor de juistheid van de daarin vermelde gegevens. Bij (digitale) ondertekening van de aangifte had zij bovendien kunnen en ook moeten opmerken dat omtrent [D] in het geheel niets was verantwoord.

28. Gelet op het voorgaande heeft eiseres de vereiste aangifte niet gedaan, zodat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard.

29. Deze omkering en verzwaring van de bewijslast ontslaat verweerder niet van zijn verplichting om door hem aangebrachte correcties niet naar willekeur vast te stellen. De belastingaanslagen dienen te berusten op een redelijke schatting (zie onder meer Hoge Raad 29 september 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC5466). In dat kader rust op verweerder de taak zijn schatting van het belastbaar inkomen uit werk en woning, en in het bijzonder de daarin begrepen belastbare winst uit onderneming, zodanig met feitelijke stellingen te onderbouwen dat die schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan (vgl. Hoge Raad 27 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0401). Wanneer verweerder daarin slaagt, ligt het vervolgens op de weg van eiseres, wanneer zij de schatting betwist, daarvoor het verzwaarde (tegen)bewijs te leveren (vgl. Hoge Raad 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184).

30. Naar het oordeel van de rechtbank is de schatting van verweerder met betrekking tot het door eiseres niet aangegeven belastbare inkomen uit werk en woning niet onredelijk. Bij het opleggen van de aanslag is de belastbare winst uit onderneming geschat op € 120.000, zodat het belastbare inkomen uit werk en woning uitkomt op € 122.300. Als bijlage bij de pleitnota heeft verweerder ter nadere onderbouwing van de schatting van het met [D] behaalde resultaat een berekening overgelegd aan de hand van de inkoop- en verkooptransacties die volgen uit de zakelijke rekeningafschriften. Het positieve verschil tussen de inkopen (€ 1.552.252,00) en verkopen (€ 1.794.595,38) bedraagt afgerond € 242.000. Daarbij heeft verweerder opgeteld de opbrengst behaald met de verkoop van “ [H] ” ten bedrage van € 35.210, zodat het geschatte resultaat afgerond € 277.000 bedraagt. Na aftrek van de MKB-winstvrijstelling bedraagt de belastbare winst uit onderneming dan nog altijd ruim € 238.000. Dat is veel meer dan het bedrag waarmee rekening is gehouden bij het opleggen van de aanslag.

31. Eiseres heeft niet doen blijken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is. De enkele stellingen dat de echtgenoot feitelijk de handelsactiviteiten van [D] verrichtte en dat de onderneming op naam van eiseres is gezet vanwege een concurrentiebeding waaraan hij was gebonden, zijn daartoe onvoldoende. Het had op de weg van eiseres gelegen om die stellingen concreet te onderbouwen. Hoewel daartoe meermaals te zijn uitgenodigd, hebben eiseres noch haar echtgenoot hierin enig inzicht verschaft. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat ook de echtgenoot geen aangifte heeft gedaan van enig resultaat behaald met [D] .

32. Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

33. Nu eiseres geen afzonderlijke beroepsgronden heeft aangevoerd tegen de in rekening gebrachte belastingrente, dient ook het beroep inzake de beschikking belastingrente ongegrond te worden verklaard.

34. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. V.F.R. Woeltjes, rechter, in tegenwoordigheid van mr. T.J.P. Wientjens, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 13 juni 2017

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.