Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:308

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
17-01-2017
Datum publicatie
19-01-2017
Zaaknummer
05/880995-15 vonnis
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

verduistering van geldbedragen toebehorende aan een oudere vrouw

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/880995-15

Datum uitspraak : 17 januari 2017

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1967 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,

raadsman: mr. A.J.M. van Roy, advocaat te Amsterdam.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen

van 5 juli 2016, 20 december 2016 en 3 januari 2017.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een op 20 december 2016 toegewezen vordering wijziging tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 31 oktober 2012 tot en met 12 mei 2015 te Kekerdom en/of Berghem en/of Millingen aan de Rijn en/of Nijmegen en/of Oss en/of 's-Hertogenbosch en/of Groesbeek en/of Kleve en/of andere plaatsen in Nederland of Duitsland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen verschillende geldbedragen tot een totaalbedrag van € 73.624,-, althans in elk geval verschillende grote geldbedragen, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 31 oktober 2012 tot en met 12 mei 2015 te Kekerdom en/of Berghem en/of Dreumel en/of Millingen aan de Rijn en/of Oss en/of Den Bosch en/of Groesbeek en/of andere plaatsen in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk een of meerdere geldbedrag(en), tot een totaal bedrag van € 73.624,-, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk(e) goed(eren) verdachte (telkens) anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als gevolmachtigde of financieel adviseur en/of uit hoofde van een beleggingsafspraak of leenovereenkomst wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

en/of

hij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 31 oktober 2012 tot en met 12 mei 2015 te Kekerdom en/of Berghem en/of Millingen aan de Rijn en/of Nijmegen en/of Oss en/of 's-Hertogenbosch en/of Groesbeek en/of Kleve en/of andere plaatsen in Nederland of Duitsland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk verschillende geldbedragen tot een totaalbedrag van € 81.170,-, althans in elk geval verschillende grote geldbedragen, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e) geldbedrag(en) verdachte anders dan door misdrijf, te weten als gevolmachtigde en/of financieel adviseur van [slachtoffer 2] ,

onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

althans, indien het vorenstaande onder 1 (onder en/of) niet tot een veroordeling leidt:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 31 oktober 2012 tot en met heden te Kekerdom en/of Berghem en/of Dreumel en/of Millingen aan de Rijn en/of Oss en/of Den Bosch en/of Groesbeek en/of Kleve (Duitsland) en/of andere plaatsen in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen verschillende geldbedragen tot een totaalbedrag van € 51.170,-, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

2.

hij in of omstreeks medio juni 2014 te Nijmegen, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een bedrag ter hoogte van 3.000,- euro, in elk geval enig bedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1]

, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en daarbij een overschrijvingsformulier bij de Rabobank Rijk van Nijmegen heeft ingeleverd teneinde een geldbedrag van 3.000 euro van een rekening van [slachtoffer 1] met IBAN [rekeningnummer 1] naar een rekening van verdachte met IBAN [rekeningnummer 2] over te (laten) maken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling leidt:

hij in of omstreeks medio juni 2014 te Nijmegen, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een bedrag ter hoogte van 3.000,- euro, in elk geval enig bedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geldbedrag verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als gevolmachtigde en/of financieel adviseur en daarbij een overschrijvingsformulier bij de Rabobank Rijk van Nijmegen heeft ingeleverd teneinde een geldbedrag van 3.000 euro van een rekening van [slachtoffer 1] met IBAN [rekeningnummer 1] naar een rekening van verdachte met IBAN [rekeningnummer 2] over te (laten) maken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling leidt:

hij, in of omstreeks de maand juni 2014 te Nijmegen, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, Rabobank Rijk van Nijmegen te bewegen tot de afgifte van 3.000,- euro, in elk geval van enig goed, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk

en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid zich naar voornoemde bank heeft begeven en een overschrijvingsformulier overhandigd en zich daarbij heeft voorgedaan gevolmachtigd te zijn voor [slachtoffer 1] om voornoemd bedrag naar zijn rekening over te (laten) maken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Ten aanzien van feit 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Verdachte kent mevrouw [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) uit de periode dat hij bij de Rabobank werkzaam was als financieel adviseur. [slachtoffer 2] was klant bij de Rabobank. Op 29 augustus 2012 heeft [slachtoffer 2] verdachte gevolmachtigd om haar financiën te beheren. Na verdachtes uitdiensttreding bij de Rabobank in 2013 behield hij deze volmacht. Verdachte kon bankrekeningen voor [slachtoffer 2] openen en opheffen. Ook kon verdachte geldbedragen van de bankrekeningen van [slachtoffer 2] overmaken en geld opnemen van bankrekeningen. [slachtoffer 2] had in de periode van 2011 tot en met 2015 diverse rekeningen bij de Rabobank, de ING-bank en de SNS-bank. Verdachte heeft op 26 maart 2011 een beleggersrekening geopend bij de Binckbank op zijn eigen naam met rekeningnummer [rekeningnummer 3] . [slachtoffer 2] had geen toegang tot deze rekening.

De volgende transacties hebben plaatsgevonden van een rekening ten name van [slachtoffer 2] naar een rekening ten name van verdachte, totaal ten bedrage van € 145.124,-:

  • -

    Op 31 oktober 2012 werd een bedrag van € 2.500,- overgeboekt vanaf de Rabobank betaalrekening [rekeningnummer 4] ) naar de Binckbank beleggersrekening ( [rekeningnummer 3] ) onder vermelding “conform afspraak”.

  • -

    Op 26 januari 2013, 28 januari 2013 en 29 januari 2013 werd telkens een bedrag van € 25.000,- overgeboekt vanaf de SNS betaalrekening ( [rekeningnummer 5] ) naar de Binckbank beleggersrekening ( [rekeningnummer 3] ) zonder vermelding.

  • -

    Op 1 augustus 2013 werd een bedrag van € 25.000,- vanaf de SNS betaalrekening ( [rekeningnummer 5] ) naar de Binckbank beleggersrekening ( [rekeningnummer 3] ) onder vermelding van “vermogensbeheer”.

  • -

    Op 25 februari 2015 werd een bedrag van € 500,- overgeboekt vanaf de ING betaalrekening ( [rekeningnummer 6] ) naar de ING betaalrekening ( [rekeningnummer 7] ) onder vermelding van “kruispost”.

  • -

    Op 10 maart 2015 werd een bedrag van € 41.000,- vanaf de SNS betaalrekening ( [rekeningnummer 5] ) overgeboekt naar de Binckbank beleggersrekening ( [rekeningnummer 3] ) zonder vermelding.

  • -

    Op 21 april 2015 werd een bedrag van € 249,- overgeboekt vanaf de ING betaalrekening ( [rekeningnummer 6] ) naar SNS betaalrekening ( [rekeningnummer 8] ) ten name van JKS Beheer BV onder vermelding “conform afspraak”. JKS Beheer B.V. is de Stamrecht B.V. ten behoeve van verdachte.

  • -

    Op 12 mei 2015 werd een bedrag van € 875,- vanaf de ING betaalrekening ( [rekeningnummer 6] ) naar de ING betaalrekening ( [rekeningnummer 7] ) overgeboekt onder vermelding van “Administratiekosten 2013”.2

Van de Binckbank beleggersrekening ( [rekeningnummer 3] ) ten name van verdachte is in de periode van 27 december 2012 tot en met 20 maart 2015 in totaal € 150.482,50 overgemaakt naar betaalrekeningen op naam van verdachte: een bedrag groot € 2.500,- naar de Rabobank betaalrekening ( [rekeningnummer 9] ) en € 147.982,50 naar de ING betaalrekening ( [rekeningnummer 7] ). Het saldo van de beleggersrekening is voor € 7.500,- afkomstig van verdachte en voor de overige € 143.500,- afkomstig van rekeningen van [slachtoffer 2] .3

De volgende transacties hebben plaatsgevonden van een rekening ten name van verdachte naar een rekening ten name van [slachtoffer 2] , totaal ten bedrage van € 71.500,-:

  • -

    Op 4 maart 2015 werd een bedrag van € 500,- overgeboekt vanaf de ING betaalrekening ( [rekeningnummer 7] ) naar de ING betaalrekening ( [rekeningnummer 6] ) onder vermelding van “kruispost”.

  • -

    Op 19 maart 2015 werd een bedrag van € 41.000,- vanaf de ING betaalrekening ( [rekeningnummer 7] ) overgeboekt naar de ING betaalrekening ( [rekeningnummer 6] ) onder vermelding “afkomst vd SNS. Bedrag verkeerd overgeboekt'.

  • -

    Op 15 mei 2015 werd een bedrag van € 30.000,- overgeboekt vanaf de ING betaalrekening ( [rekeningnummer 7] ) naar de ING betaalrekening ( [rekeningnummer 6] ) “conform vaststellingsovk 6 mei 2015. Finale Kwijting”.4

Het resterende saldo tussen de rekeningen van [slachtoffer 2] en verdachte is € 73.624,-.5

In de periode van 2 december 2013 tot en met 17 april 2015 werd in Millingen, Nijmegen en Oss in totaal € 17.500,- gepind van de ING betaalrekening ( [rekeningnummer 6] ) van [slachtoffer 2] . In de periode van 31 maart 2013 tot en met 4 maart 2015 werd in Nijmegen, Groesbeek, Oss, Den Bosch en Kleve (Duitsland) in totaal € 33.370,- gepind van de SNS betaalrekening ( [rekeningnummer 5] ) van [slachtoffer 2] .6

In de periode van 15 november 2013 tot en met 17 februari 2015 werden regelmatig contante stortingen gedaan door verdachte op zijn ING betaalrekening ( [rekeningnummer 7] ). In deze periode is in totaal € 10.680,- contant gestort. Deze contante stortingen volgden meermaals op pinopnames van rekeningen van [slachtoffer 2] waarbij de gestorte geldbedragen telkens iets lager zijn dan de opgenomen geldbedragen van de rekeningen van [slachtoffer 2] .7

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van geldbedragen ten bedrage van € 73.624,- en diefstal van contante geldbedragen ten bedrage van € 49.920,-. Hiertoe voert de officier van justitie aan dat de overgeschreven bedragen van [slachtoffer 2] naar de betaalrekening van verdachte werden gebruikt voor eigen doeleinden. De vaststellingsovereenkomst is volgens de officier van justitie valselijk opgemaakt en heeft verdachte [slachtoffer 2] zonder enige bijstand laten tekenen, terwijl ze niet wist wat ze tekende.

De officier van justitie stelt dat verdachte een bedrag € 49.920,- van [slachtoffer 2] heeft gestolen door middel van diverse pintransacties. Alleen de pintransacties welke verdachte heeft gedaan ten tijde van haar ziekenhuisopname in de lente van 2013 kunnen worden beschouwd als pintransacties in opdracht van [slachtoffer 2] . De officier van justitie vermindert daarom het door de politie berekende bedrag van € 51.170,- met € 1.250,-, zijnde de pintransacties in Oss van voor de zomer van 2013. De overige gepinde bedragen van de SNS en ING rekeningen passen niet in het uitgavepatroon van [slachtoffer 2] en worden ook niet op andere wijze verklaard. Het door verdachte geschetste alternatieve scenario, dat de contante opnames nodig waren voor aannemers, is niet onderbouwd. Tevens heeft verdachte in totaal een bedrag van € 10.680,- contant gestort, vrijwel onmiddellijk nadat er contante opnames van de rekening van [slachtoffer 2] zijn gedaan.

De leenovereenkomst, die is gesloten met betrekking tot de pintransacties, is volgens de officier van justitie valselijk opgemaakt, evenals de vaststellingsovereenkomst. Bovendien zou volgens de vaststellingsovereenkomst reeds een finale kwijting zijn afgesproken, dit verhoudt zich niet met de leenovereenkomst. Deze overeenkomsten zijn onsuccesvolle pogingen om de dubieuze geldstromen te maskeren of legaliseren.

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat de toestemming van [slachtoffer 2] aan verdachte voor het overboeken van bedragen vanaf de Binckbeleggersrekening en het vele pinnen, niet wordt ondersteund door rechtsgeldige stukken. Wel kan worden vastgesteld dat geld dat volgens verdachte bestemd zou zijn voor beleggingen, naar de betaalrekening van verdachte is overgemaakt, in de woonomgeving van verdachte veelvuldig gepind werd, met terugwerkende kracht een fee-berekening tot stand komt die in geen verhouding staat tot de werkzaamheden en twee overeenkomsten met terugwerkende kracht zijn opgesteld die zich niet met elkaar verhouden.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit. De raadsman heeft samengevat weergegeven het volgende aangevoerd. Verdachte heeft alle (pin)transacties gedaan met medeweten en toestemming van [slachtoffer 2] . De aangifte van [naam] kan niet voor het bewijs gebruikt worden, aangezien hij niet bevoegd was tot het doen van aangifte. Daarnaast is de aangifte voortgekomen uit de angst om niet langer erfgenaam te zijn van [slachtoffer 2] . Ook de verklaring van [slachtoffer 2] zelf kan niet gebruikt worden als bewijs. [slachtoffer 2] heeft tijdens het verhoor niet in alle vrijheid en zonder beperkingen kunnen verklaren, vanwege haar gezondheidstoestand en de aanwezigheid van de familie uit Maurik. Bovendien heeft de verdediging door de toestand van [slachtoffer 2] het ondervragingsrecht niet effectief kunnen uitoefenen, waardoor art. 6 EVRM in de weg staat aan het gebruik van haar verklaring voor het bewijs.

De verbalisanten waren bij aanvang van het onderzoek al overtuigd dat verdachte gelden zou hebben verduisterd. Geldbedragen waarvoor niet direct een verklaring is, zijn dus verduisterd volgens de conclusies van de verbalisant [verbalisant 3] . Verdachte heeft echter voldoende inkomsten. Zijn vrouw krijgt jaarlijks dividend uitgekeerd en beschikte regelmatig over contante gelden uit de verkoop van goederen uit de erfenis van haar vader.

De politie heeft nagelaten gedegen onderzoek te doen naar de lezing van verdachte. Wat wel werd onderzocht bleek te kloppen, namelijk het inschakelen van een jurist voor het opstellen van de vaststellingsovereenkomst. Geen van de getuigen die zijn gehoord op verzoek van de verdediging verklaren dat er sprake is van verduistering, oplichting of diefstal. Alleen de verbalisanten en de officier van justitie zeggen dat hiervan sprake is. Getuige [getuige 2] heeft ontlastend over verdachte verklaard. Getuige [getuige 3] , die zelf ook slachtoffer van de familie [slachtoffer 2] uit Maurik is geworden, verklaart eveneens ontlastend over verdachte. Hij is op de hoogte van de vaststellingsovereenkomst en de afspraken hierin en hij wist dat verdachte voor [slachtoffer 2] pinde. Getuige [getuige 3] is inmiddels enig erfgenaam van [slachtoffer 2] .

De bankafschriften van de SNS bank zijn door verdachte met [slachtoffer 2] besproken en zij heeft de afschriften ter akkoord ondertekend. [slachtoffer 2] kon later niet meer elke transactie plaatsen en omdat het voor verdachte ook te ingewikkeld was om elke transactie te verklaren, heeft hij haar gerustgesteld door haar te beloven € 25.000,- te zullen betalen. Dit is vervolgens opgenomen in de leenovereenkomst.

Verdachte heeft juridisch advies ingewonnen voorafgaand aan de vaststellingsovereenkomst. Tevens is de vaststellingsovereenkomst op voorhand aan de advocaat van [slachtoffer 2] verstuurd en getuige [getuige 3] heeft vooraf inzage gehad. Dit getuigt van de goede trouw en juiste intenties bij verdachte. De beloning die is overeengekomen is marktconform. Reeds op 14 oktober 2014 is een document getekend waaruit duidelijk wordt dat op enig moment zou moeten worden afgerekend.

Verdachte had een volmacht van [slachtoffer 2] om namens haar te beleggen. Uit de verkoop van de beleggingen is een verlies geleden van € 16.400,-, conform de berekeningen van verdachte. Deze berekening is gebruikt voor de eindafrekening die in de vaststellingsovereenkomst is verwerkt. Indien deze berekening onjuist blijkt, is verdachte bereid dat alsnog recht te zetten.

Het is onterecht dat alle pintransacties aan verdachte worden toegerekend. Anderen hebben ook voor [slachtoffer 2] met één van haar passen gepind. Wie met welke pas welk bedrag gepind heeft is moeilijk na te gaan na zoveel jaar. Een concrete onderbouwing voor het toerekenen van de pintransacties aan verdachte ontbreekt, terwijl er wel verklaringen zijn dat [slachtoffer 2] veel geld uitgaf aan aannemers, timmerbedrijven, de schoonmaakster, de eierenman, de paardenman en de tuinman. De contante stortingen die verdachte deed, zijn afkomstig van de verkoopopbrengsten van de goederen uit de erfenis van de vader van de vrouw van verdachte.

Verdachte heeft erkend dat hij onvoldoende heeft vastgelegd wat hij exact deed op welk moment, daar voelt hij zich ook verantwoordelijk voor. Hij heeft niet alles vastgelegd, omdat zijn relatie met [slachtoffer 2] was gebaseerd op wederzijds vertrouwen. De overboekingen naar zijn eigen rekening vonden plaats in overleg en met goedkeuring. De gelden die bij verdachte bleven kwamen hem toe op grond van de vaststellingsovereenkomst of een voorschot op een latere betaling. De getuigenverklaringen bevestigen het standpunt van verdachte, namelijk dat hij gerechtigd en bevoegd was over de gelden te beschikken en dat de transacties verband houden met een overeengekomen en schriftelijke vastgelegde beloning van de door cliënt verrichte werkzaamheden.

Beoordeling door de rechtbank

Ten aanzien van overgemaakte geldbedragen naar rekeningen op naam van verdachte.

Uit de vaststaande feiten volgt dat verdachte geld heeft overgemaakt van bankrekeningen van [slachtoffer 2] naar rekeningen op naam van verdachte, waartoe [slachtoffer 2] geen toegang had.

Vast staat dat er een verschil ten voordele van verdachte bestaat van € 73.624,- Het betreft het ‘saldo’ tussen de overgemaakte bedragen van de rekening van [slachtoffer 2] naar de rekening van verdachte.8 De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verdachte zich dit geldbedrag van € 73.624,- wederrechtelijk heeft toegeëigend.

Verdachte heeft verklaard alle transacties in overleg en met goedkeuring van [slachtoffer 2] te hebben verricht. Het bedrag van € 73.624,- bestaat volgens verdachte uit een negatief beleggingsresultaat van € 16.400,- en een fee van € 55.800,-, toegekend aan verdachte in de vaststellingsovereenkomst en afgesproken in de beloningsovereenkomst van 14 oktober 2014.

De rechtbank hecht om de volgende redenen geen waarde aan de inhoud van de beloningsovereenkomst en de vaststellingsovereenkomst.

Op 14 oktober 2014 is een beloningsovereenkomst getekend. In deze beloningsovereenkomst staat onder andere dat [slachtoffer 2] en verdachte afspreken dat verdachte een beloning zal krijgen voor zijn werkzaamheden die per jaar gelijk is aan 2% van het totale persoonlijke vermogen van [slachtoffer 2] . [slachtoffer 2] geeft goedkeuring om de fee te verrekenen met de beleggingen op de Binckbank beleggersrekening. De rechtbank stelt vast dat reeds voor 14 oktober 2014 bedragen zijn overgemaakt van de beleggersrekening op naam van verdachte naar de betaalrekening van verdachte, totaal ten bedrage van € 34.000,-.9 De rechtbank acht de verklaring van verdachte ter terechtzitting dat hij, ondanks dat er geen definitieve fee was overeengekomen, toestemming had om alvast geldbedragen op te nemen die hij op dat moment nodig had, ongeloofwaardig. Het is niet aannemelijk dat verdachte dusdanig grote bedragen (ongeveer één derde van het totale beleggingskapitaal) voor zichzelf mocht gebruiken, zonder een voorafgaand overeengekomen fee. Daarbij komt dat verdachte niet voldoende heeft kunnen onderbouwen welke werkzaamheden hij heeft verricht die een fee van 2% van het totale vermogen van [slachtoffer 2] per jaar rechtvaardigen. Ook acht de rechtbank het opmerkelijk dat [slachtoffer 2] nog een versie van de beloningsovereenkomst heeft getekend op 30 april 2015, dus na de volgens verdachte tot stand gekomen overeenkomst van 14 oktober 2014.10

De vaststellingsovereenkomst is opgesteld en getekend in de periode dat wantrouwen is ontstaan over het financiële beheer van de gelden van [slachtoffer 2] door verdachte. Dit wantrouwen blijkt onder andere uit de aangifte van [naam] op 18 mei 2015.11 De rechtbank stelt vast dat de inhoud van de diverse conceptvaststellingsovereenkomsten sterk wisselt. Zo is het totale vermogen van [slachtoffer 2] in één van de concepten € 70.000,- lager dan in het getekende exemplaar. De wijze waarop het vermogen van [slachtoffer 2] is vastgesteld, of welke vermogensbestanddelen in de berekening zijn meegenomen, is in het geheel niet vastgelegd. De fee zou zijn berekend over een periode van 4,5 jaar. Teruggerekend zou verdachte dan fee toekomen vanaf 2011, terwijl verdachte toen nog financieel adviseur van [slachtoffer 2] was in dienst van de Rabobank en verdachte pas vanaf 2012 een volmacht heeft gekregen voor het beheer van de gelden van [slachtoffer 2] .12 De periode is in één concept expliciet vastgelegd, terwijl in het getekende exemplaar deze periode in het geheel niet wordt genoemd. De periode moet blijken uit de hoogte van de totale vergoeding.13

Verdachte heeft verklaard dat de vaststellingsovereenkomst voor ondertekening is afgestemd met de jurist van [slachtoffer 2] . De rechtbank acht dit niet aannemelijk. Ten eerste blijkt uit de mailwisseling tussen verdachte en zijn eigen juridisch adviseur van Wet en Recht dat het tijdsbestek tussen de ontvangst van de definitieve versie van de vaststellingsovereenkomst door verdachte en de ondertekening zeer kort is (definitieve versie ontvangen op 4 mei 2015 om 21.13 uur en ondertekening op 6 mei 2015).14 Een (grondige) juridische toetsing en overleg met [slachtoffer 2] en haar jurist acht de rechtbank gezien dit korte tijdsbestek echter niet aannemelijk gemaakt. Ten tweede blijkt uit het dossier op geen enkele wijze dat verdachte de tekst van de vaststellingsovereenkomst ook daadwerkelijk heeft voorgelegd aan [slachtoffer 2] of een juridisch adviseur van [slachtoffer 2] . Ook blijkt niet uit het dossier dat verdachte een mondeling akkoord heeft gekregen van de juridisch adviseur van [slachtoffer 2] , zoals verdachte heeft gesteld. Ten derde blijkt de bedoeling van verdachte glashelder uit de mailwisseling tussen verdachte en de jurist van Wet en Recht, namelijk het voorkomen van strafrechtelijke vervolging.15 Ten vierde blijkt uit deze mailwisseling dat verdachte geen openheid van zaken geeft aan zijn jurist, immers mailt hij op enig moment dat er geen vaststellingsovereenkomst meer nodig is, omdat is afgesproken met de familieleden dat mevrouw haar € 100.000,- teruggestort krijgt met aftrek van de vergoedingen aan verdachte, welke vergoedingen berekend zullen worden door een derde.16 Van berekening van de fee door een derde geeft het dossier echter geen blijk.

Op basis van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het niet aannemelijk is dat de inhoud en totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst het resultaat zijn van overleg tussen verdachte en (de jurist van) [slachtoffer 2] . Voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat de beloningsovereenkomst en de vaststellingsovereenkomst slechts zijn opgemaakt om de waarheid te verhullen, het handelen van verdachte te maskeren dan wel achteraf te rechtvaardigen. Tevens is het door verdachte gestelde negatieve beleggingsresultaat, niet komen vast te staan.

Wat kan worden vastgesteld, is dat een bedrag van € 145.124,- is gestort op de betaalrekeningen van verdachte, waarvan € 73.624,- niet is terugbetaald aan [slachtoffer 2] . Dit bedrag is overgeboekt naar de betaalrekening van verdachte en zijn vrouw, naar het doorlopend krediet bij Freo ten name van verdachte en zijn vrouw en naar de betaalrekening van JKS Beheer B.V. (de stamrecht B.V. van verdachte).17 Vervolgens is het geld gebruikt voor eigen uitgaven van verdachte en zijn gezin. Verdachte heeft hiervoor geen aannemelijke verklaring kunnen geven. De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich het bedrag van € 73.624,-, dat hij als gevolmachtigde onder zich had, wederrechtelijk heeft toegeëigend.

Ten aanzien van de pintransacties.

Uit de verklaring van getuige [getuige 1] blijkt dat zij of haar man altijd met [slachtoffer 2] boodschappen gingen doen en dat daarbij ook gepind werd. Tevens verklaart [getuige 1] dat haar man wel eens met [slachtoffer 2] mee ging om te pinnen.18 Uit de analyse van de uitgaven van [slachtoffer 2] blijkt dat de Rabobank betaalrekening werd gebruikt voor diverse huishoudelijke uitgaven zoals de supermarkt, kapper en contante opnames. De SNS betaalrekening werd niet gebruikt voor huishoudelijke kosten, met uitzondering van twee overboekingen naar de huishoudelijke hulp in de periode dat [slachtoffer 2] was opgenomen voor revalidatie. De ING betaalrekening werd niet gebruikt voor de dagelijkse huishoudelijke uitgaven. Van deze bankrekening werden de maandelijkse vaste lasten automatisch afgeschreven.19

Uit de analyse van de uitgaven van [slachtoffer 2] blijkt dat in de periode van juni 15 februari 2012 tot en met 19 mei 2015 vermoedelijk ongeveer € 24.000,- contant is betaald aan de huishoudelijke hulp en anderen.20 Van de Rabobank rekening werd in dezelfde periode

€ 36.100,- gepind.21 Deze opnames zijn voldoende om te voorzien in de contante uitgaven van [slachtoffer 2] .

Van de ING en SNS betaalrekeningen van [slachtoffer 2] zijn grote bedragen gepind, in totaal € 51.170,-. Verdachte heeft verklaard dat hij heeft gepind van de SNS en ING betaalrekeningen van [slachtoffer 2] .22 Van de SNS betaalrekening [rekeningnummer 5] is zowel de bankpas op naam van verdachte als de bankpas op naam van [slachtoffer 2] in de woning van verdachte aangetroffen.23

Het is het standpunt van de verdediging dat de pinopnames van de ING en SNS rekeningen ten bedrage van € 51.170,-, zijn gedaan met toestemming van [slachtoffer 2] ten behoeve van de schoonmaakster, de eierenman, de paardenman, de tuinman en diverse timmerbedrijfjes. Hiervan is geen administratie bijgehouden of concreet toegelicht wat door wie en wanneer is verbouwd. De rechtbank is van oordeel dat het alternatieve scenario van de verdediging niet aannemelijk is geworden, gelet op de opnames van de Rabobankrekening en de verklaring van getuige [getuige 1] hierover.

Ook het verweer van de verdediging dat de contante stortingen afkomstig zijn van de verkoop van goederen uit de erfenis, verwerpt de rechtbank. De rechtbank is van oordeel dat contante stortingen sterk overeenkomen met opnames van de rekeningen van [slachtoffer 2] en niet, in ieder geval in mindere mate, met de opbrengsten van de erfenis.24 Bovendien acht de rechtbank het ongeloofwaardig dat verdachte met [slachtoffer 2] zou hebben afgesproken om haar € 25.000,- te betalen, zoals door verdachte is verklaard, indien hij de contante opnames in overleg en met goedkeuring van [slachtoffer 2] had gedaan en niet aan zichzelf zou hebben besteed. Daarbij merkt de rechtbank op dat de leenovereenkomst van 18 juni 2015 in zoverre in strijd is met de overeenkomst van 6 mei 2015 waarbij finale kwijting zou zijn overeengekomen. Ook de leenovereenkomst is getekend nadat er een verdenking tegen verdachte was ontstaan en in de periode waarvan is geoordeeld dat [slachtoffer 2] ’s toestand niet stabiel was. De rechtbank is van oordeel dat de leenovereenkomst, net zoals de vaststellings- en beloningsovereenkomst slechts is opgemaakt om de waarheid te verhullen en het handelen van verdachte te maskeren.

Voorgaande maakt dat de rechtbank met de officier van justitie van oordeel is dat verdachte zich in Millingen, Nijmegen, Oss, Groesbeek, Den Bosch en Kleve (Duitsland) een totaal bedrag van

€ 49.920,- heeft toegeëigend, welk bedrag hij onder zich had als gevolmachtigde.

Ten aanzien van feit 2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot diefstal van € 3.000,- van [slachtoffer 1] .

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit. De raadsman voert hiertoe aan dat [slachtoffer 1] zelf nooit enige aanwijzing of bewijs heeft gezien van verduistering door verdachte. Bovendien is de aangifte van [slachtoffer 1] niet ondertekend en helpt verdachte haar momenteel nog steeds. Het bedrag van € 3.000,- wilde [slachtoffer 1] overmaken naar verdachte zodat hij dit bedrag voor haar kon pinnen. Verdachte had namelijk abusievelijk de verkeerde pincode ingetoetst, waardoor de bankpas blokkeerde. Na onderzoek van de verdediging is gebleken dat de bankpas inderdaad in die periode geblokkeerd was en dat [slachtoffer 1] hierover heeft gebeld met de bank. Bovendien staat art. 6 EVRM in de weg aan het gebruik van de verklaring van [slachtoffer 1] , nu de verdediging het ondervragingsrecht niet effectief heeft kunnen uitoefenen gezien haar toestand.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat het onder 2 tenlastegelegde onvoldoende ondersteund wordt door wettig en overtuigend bewijs en zal verdachte hiervan vrijspreken.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 31 oktober 2012 tot en met 12 mei 2015 te Kekerdom en/of Berghem en/of Millingen aan de Rijn en/of Nijmegen en/of Oss en/of 's-Hertogenbosch en/of Groesbeek en/of Kleve en/of andere plaatsen in Nederland of Duitsland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen verschillende geldbedragen tot een totaalbedrag van € 73.624,-, althans in elk geval verschillende grote geldbedragen, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 31 oktober 2012 tot en met 12 mei 2015 te Kekerdom en/of Berghem en/of Dreumel en/of Millingen aan de Rijn en/of Oss en/of Den Bosch en/of Groesbeek en/of andere plaatsen in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk een of meerdere geldbedrag(en), tot een totaal bedrag van € 73.624,-, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk(e) goed(eren) verdachte (telkens) anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als gevolmachtigde of financieel adviseur en/of uit hoofde van een beleggingsafspraak of leenovereenkomst wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

en/of

hij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 2 december 2013 tot en met 4 maart 2015 te Kekerdom en/of Berghem en/of Millingen aan de Rijn en/of Nijmegen en/of Oss en/of 's-Hertogenbosch en/of Groesbeek en/of Kleve en/of andere plaatsen in Nederland of Duitsland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk verschillende geldbedragen tot een totaalbedrag van € 49.920,-, althans in elk geval verschillende grote geldbedragen, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e) geldbedrag(en) verdachte anders dan door misdrijf, te weten als gevolmachtigde en/of financieel adviseur van [slachtoffer 2] ,

onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

althans, indien het vorenstaande onder 1 (onder en/of) niet tot een veroordeling leidt:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 31 oktober 2012 tot en met heden te Kekerdom en/of Berghem en/of Dreumel en/of Millingen aan de Rijn en/of Oss en/of Den Bosch en/of Groesbeek en/of Kleve (Duitsland) en/of andere plaatsen in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen verschillende geldbedragen tot een totaalbedrag van € 51.170,-, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Verduistering, meermalen gepleegd.

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder feit 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit en geen strafmaatverweer gevoerd.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 4 november 2016;

- het reclasseringsadvies van Novadic Kentron , gedateerd 16 december 2016.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen dat

[slachtoffer 2] voor het beheer van haar financiële zaken in sterke mate afhankelijk was van verdachte en verdachte hiervan misbruik heeft gemaakt. De rechtbank neemt het verdachte in het bijzonder kwalijk dat hij een vertrouwenspersoon was voor [slachtoffer 2] en zij gezien haar leeftijd en gezondheidstoestand kwetsbaar was. Daarbij heeft verdachte zijn positie bij de Rabobank misbruikt om het vertrouwen van [slachtoffer 2] te winnen. Verdachte heeft stelselmatig gedurende meerdere jaren grote geldbedragen verduisterd en is hiermee pas gestopt nadat een strafrechtelijk onderzoek is gestart. Daarbij neemt verdachte geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn gedragingen. Dit alles maakt dat er naar het oordeel van de rechtbank sprake is van zeer ernstige feiten waarvoor een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is. De rechtbank acht al met al een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 1 jaar passend en geboden.

7a. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 124.744,-.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] tot betaling van het bedrag van € 124.744,- toe te wijzen, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 365 dagen hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk te verklaren.

Beoordeling door de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde handelen tot een bedrag van € 123.544,- schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vordering dient tot dit bedrag te worden toegewezen.

Wat betreft het meer of anders gevorderde zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard worden in haar vordering.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partij.

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 12 mei 2015.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 24c, 36f, 57 en 321 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van het onder 2 tenlastegelegde feit.

 verklaart bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) jaar;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] .

 Veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 2], van een bedrag van € 123.544,- (honderddrieëntwintigduizend vijfhonderdvierenveertig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 mei 2015 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 2] , een bedrag te betalen van € 123.544,- (honderddrieëntwintigduizend vijfhonderdvierenveertig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 mei 2015 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 365 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.H.M. Pastoors (voorzitter), mr. D.R. Sonneveldt en

mr. M.W. Stoet, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Langstraat, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 januari 2017.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van de politie Oost Nederland, Dienst Regionale Recherche, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 2015239375, gesloten op 28 oktober 2015 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Het proces-verbaal van bevindingen verduistering gelden door [verdachte] , p. 23-24.

3 Het proces-verbaal van bevindingen verduistering gelden door [verdachte] , p. 25; Binckbank transactieoverzicht, p. 660-662.

4 Het proces-verbaal van bevindingen verduistering gelden door [verdachte] , p. 23-24.

5 Het proces-verbaal van bevindingen verduistering gelden door [verdachte] , p. 27.

6 Het proces-verbaal van bevindingen pintransacties, p. 113-114.

7 Het proces-verbaal van bevindingen pintransacties, p. 115-116.

8 Het proces-verbaal van bevindingen verduistering gelden door [verdachte] , p. 23-25.

9 Het proces-verbaal van bevindingen verduistering gelden door [verdachte] , p. 25.

10 Het proces-verbaal in beslaggenomen goederen mbt [slachtoffer 2] , bijlage 18 en 19, p. 296-299.

11 Het proces-verbaal van aangifte [naam] , p. 7.

12 Het proces-verbaal in beslaggenomen goederen mbt [slachtoffer 2] , bijlage 5, p. 218-223.

13 Het proces-verbaal in beslaggenomen goederen mbt [slachtoffer 2] , p. 304-322.

14 Het proces-verbaal in beslaggenomen goederen mbt [slachtoffer 2] , p. 314-315; het proces-verbaal verstrekking gevorderde gegevens, p. 397.

15 Het proces-verbaal verstrekking gevorderde gegevens, p. 397-404.

16 Het proces-verbaal verstrekking gevorderde gegevens, p. 398.

17 Het proces-verbaal van bevindingen verduistering gelden door [verdachte] , p. 27-34.

18 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] , p. 532-535.

19 Het proces-verbaal van bevindingen uitgaven [slachtoffer 2] , p. 434-437.

20 Het proces-verbaal van bevindingen uitgaven [slachtoffer 2] , p. 437.

21 Het proces-verbaal van bevindingen pintransacties, p. 112.

22 De verklaring van verdachte tijdens de terechtzitting van 20 december 2016.

23 Het proces-verbaal in beslaggenomen goederen mbt [slachtoffer 2] , p. 197.

24 Het proces-verbaal van bevindingen stortingen eigen rekening [verdachte] , p. 185.