Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:3038

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
08-06-2017
Datum publicatie
15-06-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 5946
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verkeersbesluit, landbouwverkeer, beroep gegrond, verweerder dient nieuwe beslissing op bezwaren te nemen, primair besluit geschorst

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 16/5946, 16/5968, 16/5371 en 16/5986

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaken tussen

  1. [naam 1] te [plaats 1] (eiser 1),

  2. [naam 2] te [plaats 2] , (eiseres 2)

  3. [naam 3] . te [plaats 3] , (eiseres 3)

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

(dossier 16/5946)

4. [naam 4] te [plaats 4] , (eiser 4)

(dossier 16/5968)

5. [naam 5] (eiseres 5)

(dossier 16/5986)

6. [naam 6] en [naam 7], te [plaats 4] (eiseres 6 en eiser 7)

(dossier 16/5371)

(verder ook: eisers)

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Montferland te Didam, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 24 april 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder door middel van plaatsing borden C8 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met daarop vermeld “zone” en de tekst “met uitzondering van bestemmingsverkeer”, een gedeelte van Zeddam gesloten verklaard voor landbouwverkeer.

Bij besluit van 23 augustus 2016 heeft verweerder een nieuw verkeersbesluit betreffende deze zone genomen.

Bij besluit van 30 augustus 2016 heeft verweerder het bezwaar van eisers 1, 3, 4 en 5 gegrond verklaard en daarbij het besluit van 24 april 2013 herroepen.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 31 januari 2017 heeft verweerder het besluit van 30 augustus 2016 gewijzigd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2017. De beroepen zijn aldaar gevoegd behandeld. Eisers 4, 5 en 6 zijn verschenen. Eisers 1, 2 en 3 zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigde [gemachtigde] . Eiseres 5 heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 8] . Namens verweerder zijn verschenen drs. C. Poels en K. Fijnaut.

Overwegingen

1. Naar het oordeel van de rechtbank vormen de besluiten van 23 augustus 2016 en 30 augustus 2016 tezamen het besluit op bezwaar. Hangende beroep is het besluit van 31 januari 2017 genomen, waarbij het besluit op bezwaar is gewijzigd. De beroepen zijn ingevolge artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede tegen dit besluit gericht. De besluiten tezamen worden hier verder ook aangehaald als: het bestreden besluit.

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder besloten tot het instellen van een zonaal inrijdverbod voor doorgaand landbouwverkeer in de kern van Zeddam, met uitzondering van bestemmingsverkeer, omdat dit te allen tijde wel in Zeddam moet kunnen komen. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat na de herinrichting van de ‘s-Heerenbergseweg en Kilderseweg (verder ook: de traverse) het niet wenselijk is dat het landbouwverkeer over de traverse zal blijven rijden en dat op de beide wegen na de herinrichting het verblijven de belangrijkste functie van de weg is. Het inrijdverbod zal van kracht zijn voor de gehele kern van Zeddam. Bij alle invalswegen van Zeddam wordt, meestal ter hoogte van de komgrens, het zonebord CO8zb geplaatst. Voor de noord-zuid verbinding acht verweerder een goede alternatieve route beschikbaar via de rondweg N316. De oost-west route bestaat hoofdzakelijk uit de Terborgseweg (N335) en Beekseweg (N335). Deze route blijft ongewijzigd met het instellen van de verbodszone voor doorgaand landbouwverkeer.

Tegen dit besluit hebben eisers 1, 3, 4 en 5 bezwaar gemaakt.

3. De commissie voor bezwaarschriften gemeente Montferland heeft bezwaarmakers gehoord en verweerder geadviseerd. De commissie concludeert in het advies dat de rondweg N316 feitelijk niet beschikbaar is als alternatieve route voor het landbouwverkeer, aangezien de wegbeheerder van deze weg, gedeputeerde staten van de provincie Gelderland, de rondweg N316 gesloten heeft verklaard voor landbouwverkeer. Verder concludeert de commissie dat verweerder het standpunt dat goede alternatieve routes voor doorgaand landbouwverkeer voorhanden zijn, heeft ingenomen zonder deugdelijk onderzoek en motivering. Het onderzoek en onderbouwing dienen neergelegd te zijn in een verkeerskundig deskundigenrapport, maar in de kern van Zeddam zijn recentelijk geen verkeerstellingen verricht. Volgens de commissie is niet gesteld of anderszins gebleken dat het gebruik door landbouwverkeer van de traverse tot onoverkomelijke bezwaren heeft geleid. De alternatieven betekenen feitelijk dat vele kilometers omgereden moeten worden, waarmee omzetschade voor de landbouwers en hun toeleveranciers is gemoeid.

De commissie heeft geadviseerd het primaire besluit te herroepen.

4. Verweerder heeft het primaire besluit bij het besluit van 30 augustus 2016 herroepen. Daaraan voorafgaande heeft hij, op 23 augustus 2016, een nieuw verkeersbesluit genomen. Daarbij is de zone waarin geen landbouwverkeer mag komen in stand gebleven, maar is de Oude Doetinchemseweg daarvan uitgezonderd, behalve laatstelijk tussen 07.00 tot 09.00 uur (hierna: de venstertijden) omdat dit een route betreft voor fietsende schoolgaande jeugd vanuit onder meer Zeddam naar Doetinchem. Het belang van de veiligheid op de weg prevaleert boven de vrijheid van het verkeer, aldus verweerder. Hij acht de hinder en onveiligheid als gevolg van het aanwezige landbouwverkeer dermate zwaar wegen dat het beperken van de route-alternatieven en de tijdsbeperking voor doorgaand landbouwverkeer acceptabel zijn.

5. Eisers hebben zich in beroep alle, gemotiveerd, op het standpunt gesteld dat de Oude Doetinchemseweg niet geschikt is om het doorgaand landbouwverkeer af te wikkelen. Subsidiair hebben eisers 1 tot en met 5 gesteld dat de venstertijden voor hen niet werkbaar zijn.

Ontvankelijkheid beroepen.

6. Ingevolge artikel 6:13 van de Awb kan geen beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 van de Awb naar voren heeft gebracht, geen bezwaar heeft gemaakt of geen administratief beroep heeft ingesteld.

Eiseres 6 en eiser 7 hebben geen bezwaar gemaakt. Dit kan hen evenwel niet worden verweten, nu eerst bij het besluit van 23/30 augustus 2016 voor hen een verslechtering intrad. Zij kunnen in hun beroep worden ontvangen.

Dat ligt anders bij eiseres 2, die ook geen bezwaar heeft gemaakt. Gesteld noch gebleken is dat zij eerst door het besluit op bezwaar van 23/30 augustus 2016 in een slechtere positie is geraakt. Haar beroep is niet-ontvankelijk.

Inhoudelijk.

7. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels strekken tot:

a. het verzekeren van de veiligheid op de weg;

b. het beschermen van weggebruikers en passagiers;

c. het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;

d. het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer.

Ingevolge het tweede lid kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels voorts strekken tot:

a. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer;

b. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie van objecten of gebieden.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, geschiedt de plaatsing of verwijdering van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verkeerstekens, en onderborden voor zover daardoor een gebod of verbod ontstaat of wordt gewijzigd, krachtens een verkeersbesluit.

Ingevolge artikel 21 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer vermeldt de motivering van het verkeersbesluit in ieder geval welke doelstelling of doelstellingen met het verkeersbesluit worden beoogd. Daarbij wordt aangegeven welke van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen ten grondslag liggen aan het verkeersbesluit. Indien tevens andere van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen in het geding zijn, wordt voorts aangegeven op welke wijze de belangen tegen elkaar zijn afgewogen.

8. Verweerder komt bij het nemen van een verkeersbesluit beoordelingsruimte toe bij de uitleg van de begrippen 'veiligheid op de weg', 'bruikbaarheid (van de weg)' en 'vrijheid van het verkeer'. Voorts is het aan verweerder om de verschillende belangen die betrokken moeten worden bij het nemen van een verkeersbesluit tegen elkaar af te wegen en om te beoordelen wanneer de in artikel 2 van de Wvw 1994 vermelde belangen het nemen van een verkeersmaatregel vergen. De rechter dient te toetsen of de uitleg die verweerder aan voormelde begrippen heeft gegeven, de grenzen van redelijke wetsuitleg te buiten gaat, of het besluit niet anderszins in strijd is met wettelijke voorschriften en of de afweging van de betrokken belangen zodanig onevenwichtig is dat het college niet in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 26 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:59).

9. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat voor doorgaand landbouwverkeer door Zeddam 2 routes beschikbaar zijn: de traverse en de Oude Doetinchemseweg. De traverse valt echter af; deze heeft een aanzienlijk hogere verkeersintensiteit en meer zijwegen dan de Oude Doetinchemseweg. Daarnaast heeft de traverse in 2007 een ingrijpende herinrichting ondergaan en is deze route, gelet op de gebruikte materialen, ongeschikt voor doorgaand landbouwverkeer, aldus nog steeds verweerder.

Eisers weerspreken dit, stellende dat de traverse geschikter is omdat deze breder is en minder zijwegen heeft, en hebben er op gewezen dat de Oude Doetinchemseweg ook na 09.00 wordt gebruikt door scholieren die in Doetinchem naar school gaan of van school terugkomen.

10. Met betrekking tot de verkeersintensiteit op zowel de Oude Doetinchemseweg als de traverse heeft verweerder verkeerstellingen verricht, die op 29 maart 2017 aan de rechtbank zijn gezonden. Het betreft tellingen op de ’s-Heerenbergesweg in de periode 26 mei 2015 tot 7 juni 2015, tellingen op de Kilderseweg in de periode 14 mei 2014 tot 22 mei 2014 en tellingen op de Oude Doetinchemseweg in de periode 18 oktober 2016 tot 26 oktober 2016. Deze tellingen betreffen, zo is ter zitting gebleken, gemotoriseerd verkeer. Het gaat om “gemiddelde werkdag absolute aantallen” en “gemiddelde weekenddag absolute aantallen”. Deze zijn voor de ’s-Heerenbergseweg 4.223 respectievelijk 4.053, voor de Kilderseweg 4.154 respectievelijk 3.979 en voor de Oude Doetinchemseweg 1.053 respectievelijk 951, welke laatste telling wat betreft de totalen in grote lijnen overeenkomt met een telling uit 2014 (1053 respectievelijk 951). Hieruit trekt verweerder de conclusie dat er viermaal zo veel verkeer over de traverse gaat dan over de Oude Doetinchemseweg en dat meer verkeer meer ‘conflicten’ betekent. Ter zitting is echter gebleken dat de Zeddamseweg, die een aanrijroute is voor de traverse, is aangepast. Deze aanpassingen betreffen wegversmallingen en drempels. Verder geldt hier een snelheidslimiet van 60 km per uur. Het doel van deze aanpassingen is ook volgens verweerder geweest om het verkeer te bewegen gebruik te maken van de N316. Eisers hebben ter zitting gesteld dat in de door verweerder overgelegde cijfers het effect van deze aanpassingen ten onrechte niet is meegenomen waardoor de door verweerder gemaakte vergelijking mank gaat. Immers, tellingen op de traverse zijn van voor de aanpassingen aan de weg en het bestreden besluit van daarna. Verweerder heeft daarover ter zitting vervolgens geen duidelijkheid kunnen verschaffen. Bovendien heeft verweerder nagelaten om bij zijn vergelijking het fietsverkeer over de traverse enerzijds en Oude Doetinchemseweg anderzijds te betrekken, terwijl juist ‘conflicten’ tussen fietsers, kwetsbare weggebruikers, en landbouwverkeer negatieve gevolgen kan hebben voor de verkeersveiligheid. Er ontbreken verkeerstellingen waaruit blijkt hoeveel fietsers dagelijks van de traverse en van de Oude Doetinchemseweg gebruik maken.

De rechtbank komt tot de conclusie dat de cijfers betreffende de traverse uit 2014/2015 zijn verouderd en geen juist beeld geven van de situatie ten tijde van het nemen van het bestreden besluit. Dit geldt ook voor de lengterapporten, rapporten waarin staat wat de lengte van passerend gemotoriseerd verkeer is, waarop verweerder zich heeft gebaseerd.

11. Verweerder heeft gewezen op het belang van winkelend publiek en fietsende toeristen op de traverse, maar ter zitting is onweersproken gesteld dat er aldaar slechts twee winkels zijn. Voorts heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom het belang van fietsende middelbare scholieren buiten de venstertijden, ondergeschikt is aan het belang van fietsende toeristen.

12. Verder is ter zitting gebleken dat de traverse breder is dan de Oude Doetinchemseweg en dat van de traverse ook gebruik wordt gemaakt door bussen en touringcars. Wellicht zijn de gebruikte materialen in de traverse niet geschikt voor landbouwverkeer, maar verweerder heeft niet onderbouwd waarom de op de Oude Doetinchemseweg gebruikte materialen geschikter zijn dan die op de traverse. De rechtbank merkt daarbij op dat uit de stukken bovendien is gebleken dat ook de op de Oude Doetinchemseweg gebruikte materialen kapot worden gereden.

Over het aantal zijwegen die op de traverse uitkomen en die op de Oude Doetinchemseweg uitkomen, is ter zitting geen duidelijkheid verkregen.

13. Wat betreft de venstertijden overweegt de rechtbank dat verweerder tellingen van fietsverkeer op de Oude Doetinchemseweg tijdens deze uren heeft overgelegd, maar niet van aantallen fietsers/fietsende schoolkinderen buiten deze tijden. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de fietsende scholieren bij terugkeer van school gespreid over de dag naar huis fietsen, maar heeft dit standpunt niet met concrete gegevens onderbouwd.

14. De rechtbank is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat het besluit van verweerder niet voldoet aan het bepaalde in de artikel 3:2 en 7:12 van de Awb. De beroepen zijn gegrond en de rechtbank zal het bestreden besluit dan ook vernietigen. Als gevolg van de vernietiging herleeft het primaire besluit van 24 april 2013 en dient verweerder met inachtneming van de inhoud van deze uitspraak opnieuw op de bezwaren daartegen te beslissen.

15. Omdat ook verweerder de onjuistheid van het primaire besluit heeft onderschreven, ziet de rechtbank aanleiding om op de voet van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb een voorlopige voorziening te treffen. De rechtbank schorst het primaire besluit bij wijze van voorlopige voorziening, wat betekent dat de rechtsgevolgen van het primaire besluit niet langer werking hebben. Deze schorsing duurt tot zes weken nadat verweerder, met inachtneming van deze uitspraak, op de bezwaren daartegen heeft beslist.

16. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

17. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op de volgende bedragen:

-eisers 1 en 3: € 990, en

-eiseres 6 en eiser 7: € 31,08.

Van door eiser 4 en door eiseres 5 gemaakte proceskosten is niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep van eiseres 2 niet-ontvankelijk;

verklaart de overige beroepen gegrond;

vernietigt het betreden besluit;

draagt verweerder op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de bezwaren tegen het besluit van 24 april 2013;

schorst het besluit van 24 april 2013 tot zes weken nadat verweerder op de bezwaren daartegen heeft beslist;

gelast dat verweerder het door eisers 1 en 3 betaalde griffierecht groot € 334 aan hen vergoedt;

gelast dat verweerder het door eiser 4 betaalde griffierecht groot € 168 aan hem vergoedt;

gelast dat verweerder het door eiseres 5 betaalde griffierecht groot € 334 aan haar vergoedt;

gelast dat verweerder het door eiseres 6 en eiser 7 betaalde griffierecht groot € 168 aan hen vergoedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers 1 en 3 ten bedrage van € 990;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres 6 en eiser 7 ten bedrage van € 31,08;

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Raat, rechter, in tegenwoordigheid van R. van Diest, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.