Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:3007

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
06-06-2017
Datum publicatie
06-06-2017
Zaaknummer
05/881876-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Gelderland heeft vandaag een 42-jarige man bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 jaren voor doodslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/881876-15

Datum uitspraak : 6 juni 2017

Verstek

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1975 te [geboorteplaats] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.

Raadsman: mr. J.A. Schadd

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

22 november 2016 en 23 mei 2017. Verdachte is bij beide zittingen niet verschenen. De raadsman van verdachte mr. J.A. Schadd en bij de tweede zitting mr. B.F. Schadd namens mr. J.A. Schadd is niet bepaaldelijk gevolmachtigd.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 04 november 2015 te Hoevelaken, gemeente Nijkerk, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer]

meermalen, althans eenmaal, met één of meer mes(sen), althans met één of meer

vlakke en/of harde en/of scherpe en/of puntige voorwerp(en) in de borst en/of

de rug (daardoor) in de longen en/of het hart en/of de longslagader(s) en/of

longader(s), althans het (boven)lichaam te steken en/of te snijden en/of te

prikken, (waardoor verbloeding is opgetreden).

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte [slachtoffer] van het leven heeft beroofd.

Beoordeling door de rechtbank

Op 4 november 2015 is te Hoevelaken, gemeente Nijkerk, het slachtoffer [slachtoffer] opzettelijk van het leven beroofd door haar meermalen met een vlak, hard, puntig en deels eenzijdig snijdend voorwerp, bijvoorbeeld één of meer messen, in de rug en borst te steken.2

Plaats delict

Naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van het slachtoffer in de schuur van haar woning aan de [adres 1] te Hoevelaken is een sporenonderzoek gestart.

In de woning – onder meer in de bijkeuken – worden diverse bloedsporen aangetroffen.3 Deze sporen zijn veiliggesteld. Veel van het aangetroffen bloed leek verdund. De bijkeuken wekte sterk de indruk alsof er vluchtig was schoongemaakt.3

Achter de geopende deur naar de bijkeuken lag een mes, voorzien van een zwart heft, op de vloer. Het mes is veiliggesteld.4 Het op dit mes aangetroffen bloed is onderzocht door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). Het NFI heeft naar aanleiding van dit onderzoek geconcludeerd dat het extreem veel waarschijnlijker is (meer dan 1 miljoen maal) dat het bloed celmateriaal bevat van het slachtoffer en onbekende man A dan van het slachtoffer en een willekeurige onbekende persoon.5

Gelet op het feit dat het DNA van de onbekende man A is verkregen door een DNA-test te doen op een tandenborstel en een scheermes in de woning van verdachte,6 gaat de rechtbank er van uit dat het DNA van de onbekende man A het DNA van verdachte betreft.

Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat op voornoemd mes bloed is aangetroffen van zowel het slachtoffer als van verdachte.

Aanwezigheid verdachte plaats delict

Bij de meldkamer van 112 komt rond 19.00 uur een telefoontje binnen van [getuige 1] die meldt: “Mijn moeder was alleen, mijn moeder was alleen met mijn vader beneden in de keuken en toen, toen hoorde ik niks meer”. En op een vraag van de meldkamer waar haar vader is: “Hij is weg. Ze zijn gescheiden. Volgens mij hadden ze ruzie en nu is mijn moeder dood”.7

De buurman van nummer [nummer] heeft verklaard dat hij om half zes thuiskwam en toen de auto van verdachte voor het huis zag staan. Hij heeft tijdens het koken, tussen 17.45 en 18.00 uur een ruzie, harde stemmen gehoord bij de buren.8

Auto verdachte

De auto van verdachte, een rode Renault Megane, is op 4 november 2015 om 21.13 uur door verbalisanten aangetroffen in een parkeervak van het Stationsplein te Amersfoort voor de ingang van het NS-Station.9 De auto is vervolgens in beslag genomen.10

In de auto van verdachte is een sporenonderzoek gedaan naar onder andere bloedsporen. In de auto is aan de onderzijde van het stuur zichtbaar bloed aangetroffen en veiliggesteld.11

Het op het stuur aangetroffen bloed is onderzocht door het NFI. Het NFI heeft naar aanleiding van dit onderzoek geconcludeerd dat het aangetroffen bloed matcht met het DNA-profiel van [slachtoffer] . De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met dit DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard.12

De rechtbank trekt hieruit de conclusie dat het op het stuur van de auto van verdachte aangetroffen bloed afkomstig is van het slachtoffer.

Kleding en schoenen verdachte

In de woning van verdachte aan de [adres 2] te Nijkerkerveen vindt ook een sporenonderzoek plaats. In de slaapkamer liggen voor het bed twee schoenen. Op de zijkant van één van de schoenen is bloed te zien. De schoenen zijn in beslag genomen en veiliggesteld. Onder het bed ligt een spijkerbroek en een joggingbroek. Beide kledingstukken waren bebloed. In de badkamer staat de deur van de wasmachine open en in de wasmachine ligt een bebloed overhemd. Deze kledingstukken worden in beslag genomen en veiliggesteld.13

Op 4 november 2015 is verdachte in de middag met zijn dochter bij de Blokker in Hoevelaken geweest. Ook heeft hij diezelfde middag geld gepind bij onder andere de ABN-AMRO bank in Hoevelaken. Van de Blokker en de ABN-AMRO bank zijn camerabeelden opgevraagd. Prints van deze camerabeelden zijn naast foto’s van de in de woning van verdachte in beslag genomen, schoenen, spijkerbroek en overhemd gelegd. Er zijn grote overeenkomsten tussen de schoenen en de kleding die verdachte op de middag van 4 november 2015 droeg. De schoenen en kledingstukken die in beslag zijn genomen.14

De rechtbank trekt hieruit de conclusie dat de in de woning van verdachte in beslag genomen spijkerbroek, overhemd en schoenen op 4 november 2015 zijn gedragen door verdachte.

De schoenen en kledingstukken zijn door het NFI onderzocht op bloedsporen. Het NFI komt tot de conclusie dat op de schoenen en op de spijkerbroek bloedspatjes van variërende grootte zijn aangetroffen. Op het overhemd, de joggingbroek, de schoenen en de spijkerbroek zijn contactsporen en veegsporen van bloed aangetroffen die zijn ontstaan door (bewegend) contact met een bebloed object en/of een bebloed persoon. De bloedsporen op de buitenkant van de broekspijpen van de joggingbroek bevinden zich min of meer op dezelfde locaties als de bloedsporen aan de binnenkant van de spijkerbroek. Dit betekent dat de joggingbroek onder de spijkerbroek kan zijn gedragen ten tijde dat het bloed op de spijkerbroek terechtkwam.

Aan de onderzijde van de rechtermouw van het overhemd en verspreid over de schoenen zijn verdunde bloedsporen aangetroffen. Bovendien bestaat het vermoeden dat nagenoeg alle bloedsporen op het overhemd, de spijkerbroek en de joggingbroek zijn vermengd met een onbekende vloeistof/substantie. Het aangetroffen bloedsporenbeeld past, mede gezien de scherpe begrenzingen van de bloedsporen, bij bloed dat reeds met een onbekende vloeistof/substantie vermengd op de kleding en schoenen terecht is gekomen.15

De kledingstukken zijn onderzocht door het NFI op DNA. Het NFI heeft naar aanleiding van dit onderzoek geconcludeerd dat het op de spijkerbroek, joggingbroek en overhemd aangetroffen bloed matcht met het DNA-profiel van [slachtoffer] . De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met dit DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard.16

De rechtbank trekt hieruit de conclusie dat het op de spijkerbroek, joggingbroek en overhemd aangetroffen bloed afkomstig is van het slachtoffer.

Resumerend overweegt de rechtbank als volgt.

Verdachte is op 4 november 2015 in de woning van het slachtoffer. Nadat verdachte de woning heeft verlaten wordt het slachtoffer dood aangetroffen in de schuur van haar woning. In de bijkeuken is een mes aangetroffen met daarop zowel het bloed van het slachtoffer als het bloed van verdachte. Daarnaast is op de kleding die verdachte op 4 november 2015 droeg bloed aangetroffen afkomstig van het slachtoffer. Ook op het stuur van de auto van verdachte is bloed van het slachtoffer aangetroffen.

De rechtbank is van oordeel dat het aantreffen van bloed afkomstig van verdachte en het slachtoffer op het mes en het aantreffen van bloed van het slachtoffer op het stuur van de auto van verdachte en op de kleding van verdachte alleen mogelijk is, indien er sprake was van letsel bij het slachtoffer voordat verdachte de woning verliet. Daarbij komt dat de in de bijkeuken aangetroffen bloedsporen verdund leken, waardoor sterk de indruk bestaat dat de bijkeuken vluchtig was schoongemaakt. Deze omstandigheid, gevoegd bij het op de kleding en schoenen van verdachte aangetroffen verdunde bloed, rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank de conclusie dat verdachte heeft gepoogd de bijkeuken schoon te maken, nadat het slachtoffer letsel was toegebracht. Gezien de locatie van de verwondingen (onder meer de rug) is het niet mogelijk dat het slachtoffer zichzelf het letsel heeft toegebracht. Van de aanwezigheid van een onbekende derde is op geen enkele wijze gebleken.

Verdachte heeft in een telefoongesprek met de politie aangegeven dat er een andere man in de woning was, er een gevecht ontstond en hij meteen daarna de woning heeft verlaten. Dit mogelijke alternatieve scenario wordt echter weerlegd door de bewijsmiddelen, waaronder alleen al het op het mes aangetroffen bloed van verdachte en het op de kleding van verdachte aangetroffen (verdunde) bloed van het slachtoffer.

Gelet op de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen is naar het oordeel van de rechtbank sprake van wettig en overtuigend bewijs dat verdachte op 4 november 2015 [slachtoffer] in haar woning aan de [adres 1] te Hoevelaken opzettelijk van het leven heeft beroofd.

3 Bewezenverklaring,

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 04 november 2015 te Hoevelaken, gemeente Nijkerk, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer]

meermalen, althans eenmaal, met één of meer mes(sen), althans met één of meer

vlakke en/of harde en/of scherpe en/of puntige voorwerp(en) in de borst en/of

de rug (daardoor) in de longen en/of het hart en/of de longslagader(s) en/of

longader(s), althans het (boven)lichaam te steken en/of te snijden en/of te

prikken, (waardoor verbloeding is opgetreden).

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Doodslag.

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren.

Ten aanzien van de inbeslaggenomen personenauto van het merk Renault, type Megane en voorzien van het kenteken [kenteken] , is de officier van justitie van mening dat deze dient te worden teruggegeven aan verdachte.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Hierbij is onder meer gelet op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 25 april 2017.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zijn ex-echtgenote van het leven beroofd. Zij was de moeder van zes kinderen, waarbij verdachte de vader is van de vijf jongste kinderen. Het slachtoffer is in haar eigen woning ten gevolge van meerdere steekletsels overleden. Het gebeurde vond plaats in de namiddag/vroege avond, waarbij de vijf jonge kinderen thuis waren en boven televisie aan het kijken waren. Zij hebben hun moeder dood aangetroffen in de schuur, hetgeen zeer traumatiserend voor hen is geweest. Juist in de eigen woning, waar eenieder zich veilig mag wanen, heeft de meest extreme vorm van huiselijk geweld plaatsgevonden.

Verdachte heeft niet alleen het slachtoffer, een vrouw van toen 39 jaar, het leven ontnomen, maar ook alle kinderen hun moeder ontnomen en de familie en vrienden hun dierbare. Hij heeft hen allen onherstelbaar leed en veel pijn en verdriet aangedaan. De kinderen hebben niet alleen geen moeder meer, hun vader is de persoon die dat op zijn geweten heeft en die geen enkele verantwoording aflegt voor zijn daad. Dit misdrijf heeft ook grote beroering veroorzaakt in de omgeving van het slachtoffer.

Na het plegen van het feit is verdachte naar het buitenland gevlucht, waar hij nu nog verblijft. Hij heeft geen uitleg gegeven over het motief en de precieze gang van zaken. Dit maakt hun onbegrip, en daarmee het verdriet, des te groter.

Doodslag behoort tot de meest ernstige misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent. Het is een misdrijf dat naar zijn aard oplegging van een gevangenisstraf van zeer lange duur rechtvaardigt. Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf houdt de rechtbank er rekening mee dat niet is gebleken dat het feit verdachte niet volledig kan worden toegerekend. De rechtbank houdt er daarnaast rekening mee dat verdachte in januari van dit jaar is veroordeeld door het gerechtshof tot een gevangenisstraf van een jaar. Gelet op alle omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren passend en geboden is.

Onder verdachte is een personenauto van het merk Renault, type Megane en voorzien van het kenteken [kenteken] , in beslag genomen. Nu zich geen strafvorderlijk belang daartegen verzet, zal de teruggave worden gelast van deze personenauto aan verdachte.

7a. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde [naam 1] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van een schadevergoeding ter zake van het bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag aan materiële schade van in totaal € 6.531,80 (€ 6.331,80 kosten uitvaart en € 200,00 bijkomende kosten).

De benadeelde partij [naam 1] en de benadeelde partijen [naam 2] , [getuige 1] , [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] hebben zich voorts in het strafproces gevoegd ter verkrijging van een schadevergoeding van een bedrag van € 20.000,00 per kind aan immateriële schade, te weten affectieschade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij [naam 1] toe te wijzen voor zover het de gevorderde materiële schade betreft, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toewijzing van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

De officier van justitie komt voorts tot de conclusie dat de vordering van de benadeelde partij [naam 1] voor het overige, en de vorderingen van benadeelde partijen [naam 2] , [getuige 1] , [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] , niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard, nu het hier schadevergoeding ter zake van affectieschade betreft waarvoor de Nederlandse wet geen vergoedingsmogelijkheden kent.

Beoordeling door de rechtbank ten aanzien van de gevorderde materiële schade

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij [naam 1] als gevolg van het bewezenverklaarde handelen materiële schade van in totaal € 6.531,80 heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vordering is voor dit deel voor toewijzing vatbaar.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partij. De gevorderde wettelijk rente is toewijsbaar vanaf 24 november 2015 (datum nota uitvaart).

Beoordeling door de rechtbank ten aanzien van de gevorderde immateriële schade

De rechtbank stelt in lijn met het arrest van de Hoge Raad van 22 februari 2002 (ECLI:NL:HR:2002:AD5356), beter bekend als het Taxibus-arrest, het volgende voorop. In deze zaak is sprake van een tragische gebeurtenis die bij alle nabestaanden heeft geleid tot veel pijn en verdriet. De toewijzing van een vordering tot vergoeding van immateriële schade kan slechts in (zeer) beperkte mate hun leed verzachten, maar kan wel in zekere mate een erkenning van het ondervonden leed betekenen. Echter, enkel deze erkenning kan niet de grond voor toewijzing zijn. Daartoe dient een rechtsgrond te worden aangewezen die leidt tot aansprakelijkheid voor deze schade. Een rechter mag in dit kader slechts beoordelen welke vergoeding binnen het stelsel van de wet voor toewijzing in aanmerking komt. De rechtbank ziet daarom aanleiding om ook zonder inhoudelijke betwisting door de verdediging te beoordelen of de verzochte vergoeding binnen het stelsel van de wet voor toewijzing in aanmerking komt.

Aan de vorderingen is door de benadeelde partijen het verlies van hun moeder [slachtoffer] ten grondslag gelegd. De rechtbank begrijpt hieruit dat door de benadeelden genoegdoening wordt gevraagd voor de ernstige gevolgen die zij moeten ondervinden van het overlijden van een persoon tot wie zij in een affectieve relatie hebben gestaan, zogenoemde affectieschade.

De advocaat, mr. M.A.J. Kubatsch, heeft namens de benadeelde partijen twee gronden naar voren gebracht op basis waarvan hun vordering tot vergoeding van de geleden immateriële schade zou moeten worden toegewezen. In de eerste plaats is het wetsvoorstel Vergoeding van affectieschade (nr. 34.257) aangehaald. Hoewel het slechts een wetsvoorstel betreft, wordt namens de benadeelden gesteld dat nu al vergoeding van immateriële schade in het strafproces op grond hiervan toewijsbaar is. De tweede grond betreft de Europese Richtlijn van 12 oktober 2012 (EU-Richtlijn 2012/29/EU, hierna: de Richtlijn), op grond waarvan immateriële schade eveneens voor vergoeding in aanmerking zou komen. Nu de Richtlijn op uiterlijk 16 november 2015 geïmplementeerd had moeten zijn, kunnen de benadeelden sinds die datum een rechtstreeks beroep doen op deze Richtlijn, aldus mr. Kubatsch, ook al zijn de details van deze richtlijn nog niet (helemaal) uitgewerkt in de nationale wetgeving.

De rechtbank stelt vast dat het huidige wettelijke stelsel – in het bijzonder de artikelen 6:106 en 6:108 van het Burgerlijk Wetboek (BW) – niet, althans op dit moment nog niet, voorziet in de mogelijkheid om zogenoemde affectieschade te vergoeden. In dit kader verdient opmerking dat de Hoge Raad in voornoemd Taxibus-arrest al heeft bepaald dat artikel 8 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens evenmin ertoe noopt dat in de wetgeving wordt voorzien in een recht op immateriële schadevergoeding aan de ouder die een kind verliest als gevolg van onrechtmatig handelen of nalaten van een ander. Uit het arrest van de Hoge Raad volgt dat het de rechtsvormende taak van de rechter te buiten gaat in afwijking van het wettelijk stelsel zonder meer een dergelijke genoegdoening – vergoeding van affectieschade – te bieden. Dergelijke ruimte is er ook niet wanneer dergelijke schade het gevolg is van een opzettelijk begane normschending, zoals in dit geval. Zoals de Hoge Raad herhaalde malen heeft gesteld, heeft de rechter niet de vrijheid om, vooruitlopend op een eventueel door de wetgever door te voeren wijziging van de wet op dit punt, een zodanige vergoeding toe te kennen. De rechtbank past dan ook terughoudendheid en zal niet op het wetsvoorstel anticiperen.

Mr. Kubatsch heeft terecht aangegeven dat de implementatietermijn van de Richtlijn verstreken is. Dit heeft tot gevolg dat de Richtlijn in beginsel in verticale zin rechtstreekse werking heeft. Dit houdt in dat de Richtlijn alleen inroepbaar is tussen de burger en de overheid, indien de Richtlijn of de desbetreffende Richtlijnbepaling onvoorwaardelijk, voldoende duidelijk en nauwkeurig is.

Richtlijnen verkrijgen na het verstrijken van de implementatietermijn echter rechtens geen rechtstreekse horizontale werking, hetgeen inhoudt dat zij niet tegen een burger of particulier ingezet kunnen worden. Gelet hierop faalt het bepleite rechtstreekse beroep op de Richtlijn.

De rechtbank zal de benadeelde partijen [naam 1] , [naam 2] , [getuige 1] , [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] in hun vorderingen tot vergoeding van de immateriële schade dan ook niet-ontvankelijk dienen te verklaren.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 36f, 63 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf (12) jaren.

 gelast de teruggave van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven personenauto van het merk Renault, type Megane en voorzien van het kenteken [kenteken] , aan veroordeelde.

ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [naam 1]

 veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [naam 1], ten bedrage van € 6.531,80 (zegge: zesduizend vijfhonderd éénendertig euro en tachtig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf
24 november 2015 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [naam 1] , een bedrag te betalen van € 6.531,80 (zegge: zesduizend vijfhonderd éénendertig euro en tachtig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 november 2015 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 67 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [naam 2] , [getuige 1] , [naam 3] , [naam 4] en [naam 5]

 verklaart de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in de vordering.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Vierveijzer, voorzitter, mr. K.A.M. van Hoof en mr. M.C. Gerritsen, rechters, in tegenwoordigheid van M.H.J. Materman, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 juni 2017.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Oost- Nederland, divisie regionale recherche (TGO Bahrein), opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 20160307.1500, gesloten op 28 september 2016, en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 1403 en 1404, en het rapport Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood van het Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 30 december 2015, p. 2555, 2556, 2557 en 2558.

3 Het proces-verbaal sporenonderzoek, p. 2319.

4 Het proces-verbaal sporenonderzoek, p. 2319, 2321, en foto van het mes, p. 2355.

5 Rapport van het NFI d.d. 22 januari 2016, p. 2580.

6 Het proces-verbaal sporenonderzoek, p. 2469, en Rapport van het NFI d.d. 22 januari 2016, p. 2580.

7 Het proces-verbaal 112-gesprekken, p. 1401, en het getuigenverhoor van [getuige 1] , p. 1572.

8 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 1489 en 1491.

9 Het proces-verbaal van observatie, p. 1366.

10 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 510.

11 Het proces-verbaal sporenonderzoek, p. 2496 t/m 2498.

12 Het NFI-rapport, d.d. 22 januari 2016, p. 2580.

13 Het proces-verbaal sporenonderzoek, p. 2457 t/m 2459.

14 Het proces-verbaal van bevindingen kledingvergelijking, p. 128 t/m 132.

15 Het NFI-rapport, d.d. 22 april 2016, p. 2633.

16 Het NFI-rapport, d.d. 22 april 2016, p. 2637.