Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:3006

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
06-06-2017
Datum publicatie
06-06-2017
Zaaknummer
05/840904-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, heeft een 29-jarige man uit Borculo veroordeeld voor het bedreigen van verbalisanten. Hij bedreigde hen met brandstichting, waarbij hij spiritus over zich heen had gegoten, en hij dreigde hen met een mes neer te steken. De rechtbank acht, net als de officier van justitie en de verdediging, niet bewezen dat verdachte ook heeft gepoogd brand te stichting in de woning en heeft hem daarvan vrijgesproken. Niet is gebleken dat verdachte heeft geprobeerd de spiritus ook daadwerkelijk in brand te steken. Verder bevat het dossier onvoldoende informatie over de kans dat er brand zou ontstaan doordat de man een sigaret heeft opgestoken terwijl hij zich met spiritus had overgoten.

De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden, met aftrek van de periode van voorarrest, passend. De rechtbank komt niet tot een TBS met voorwaarden, zoals de officier van justitie had geëist. Dit gelet op de ernst van de feiten, het strafblad van verdachte en omdat er geen plan van aanpak is overgelegd. Onduidelijk was wanneer er plek zou zijn voor verdachte in een kliniek. Daarnaast is er negatief over het opleggen van een TBS-maatregel geadviseerd door de deskundigen.

De rechtbank heeft opgemerkt zich er terdege van bewust te zijn dat de man overlast kan veroorzaken, psychische hulp nodig heeft en dat een klinische opname waarschijnlijk ook in het belang van de man is. De rechtbank heeft echter de grenzen van het strafrecht te respecteren. Het opleggen van een dergelijke zware maatregel zou deze grenzen in dit geval overschrijden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/840904-16

Datum uitspraak : 6 juni 2017

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats] , wonende te [adres 1] , [woonplaats] ,

raadsvrouw: mr. R.P.M. Kocken, advocaat te Haarlem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen

van 21 december 2016, 28 februari 2017 en 23 mei 2017.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 11 september 2016, in de gemeente Berkelland, een of meerdere politieambtenaren, genaamd [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] en/of [verbalisant 3] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, en/of met brandstichting, immers heeft verdachte - terwijl hij zich bevond achter/nabij een raam op de bovenverdieping van een woning aan de [adres 1] te Borculo - opzettelijk dreigend (één of meer van) voornoemde politieambtenaren toegevoegd - zakelijk weergegeven -, dat hij (verdachte) iedereen aan het mes zou steken en/of af zou maken, die binnen durfde te komen, en/of dat hij (verdachte) zich in brand zou steken als de politie niet weg zou gaan, althans woorden van

gelijke dreigende aard of strekking, en/of heeft verdachte (daarbij of vervolgens) opzettelijk dreigend een mes ter hand genomen en/of getoond aan (één of meer van) voornoemde politieambtenaren (die zich buiten die woning aan de [adres 1] te Borculo bevond(en)), en/of heeft verdachte (daarbij of vervolgens) opzettelijk dreigend een hoeveelheid spiritus, althans brandbare stof, uitgegoten over zijn (verdachte's) hoofd en/of lichaam;

2. hij op of omstreeks 11 september 2016, in de gemeente Berkelland, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten in een woning aan de [adres 1] te Borculo, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de in die woning aanwezige goederen en/of de aangrenzende woningen, in elk gemeen gevaar voor goederen, en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een of meer in die woning en/of de aangrenzende woningen aanwezige perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te duchten was, met dat opzet - terwijl hij zich in (een kamer van) die woning bevond - een hoeveelheid spiritus, althans brandbare stof, heeft uitgegoten over zijn verdachte's hoofd en/of lichaam, en/of over een matras, althans enig goed, in een kamer van die woning, en/of (vervolgens) een sigaret heeft aangestoken

en/of een aansteker ter hand heeft genomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3. hij op of omstreeks 11 september 2016, in de gemeente Berkelland, een of meerdere politieambtenaren, genaamd [verbalisant 3] en/of [verbalisant 4] en/of [verbalisant 5] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte - terwijl hij zich bevond op of nabij het [adres 2] te Geesteren - opzettelijk dreigend (één of meer van) voornoemde politieambtenaren de woorden toegevoegd: "Ik steek jullie neer" en/of "Ik laat het mes niet vallen, ik steek jullie allemaal neer", althans woorden van

gelijke dreigende aard of strekking, en/of heeft verdachte (daarbij of vervolgens) opzettelijk dreigend een mes ter hand genomen en/of getoond aan (één of meer van) voornoemde politieambtenaren (die hem achtervolgde(n)).

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 11 september 2016 zijn verbalisanten (onder anderen [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] ) naar aanleiding van een melding van de moeder van verdachte naar de woning van verdachte gereden. Ter plaatse zagen verbalisanten verdachte in de woning. Verdachte hield een mes in zijn handen en riep, van achter een raam aan de bovenverdieping van de woning, dat hij iedereen die binnen zou komen, af zou maken. Vervolgens pakte verdachte een fles spiritus, goot de inhoud van die fles over zich heen en zei dat als de politie niet weg zou gaan, hij zich in brand zou steken.2

Na enige momenten heeft verdachte de woning verlaten, waarop verbalisanten verdachte hebben achtervolgd. Toen verbalisant [verbalisant 5] verdachte zag, kwam verdachte in zijn richting rennen. Daarbij had verdachte een mes met een lemmet van circa 30 centimeter groot in zijn hand, welke hand hij omhoog bewoog, zodat de punt van het mes in de richting van verbalisant wees. Verdachte rende op een afstand van ongeveer 3 meter langs verbalisant [verbalisant 5] heen. Deze achtervolgde hem daarna. Terwijl verdachte werd gesommeerd te stoppen, riep hij “schiet dan, schiet dan”.3

Nadat verdachte een stuk verder was gerend, stopte hij met rennen. Op dat moment waren verbalisanten [verbalisant 3] , [verbalisant 4] en [verbalisant 5] bij verdachte (op het [adres 2] ) en sommeerden zij hem het mes te laten vallen. Verdachte riep, terwijl hij het mes nog vast hield: “ik laat het mes niet vallen, ik steek jullie allemaal neer”.4

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van verbalisanten (feit 1 gedeeltelijk en feit 3) door met een mes in zijn handen hen bedreigende woorden toe te voegen. De ten laste gelegde bedreiging met brandstichting kan niet bewezen worden verklaard, nu deze bedreiging niet gericht was naar de verbalisanten. Verdachte dreigde zichzelf in brand te steken. Het onder feit 2 ten laste gelegde kan ook niet bewezen worden verklaard. Dit nu er onvoldoende blijkt van een begin van uitvoering.

Het standpunt van de verdediging

Voor de feiten 1 en 2 heeft de verdediging voor vrijspraak gepleit. De bedreigingen onder feit 1 ten laste gelegd waren slechts in voorwaardelijke zin geuit. Slechts indien de verbalisanten binnen zouden komen, zou verdachte iets doen. Daardoor kon geen sprake zijn van een redelijke vrees bij de verbalisanten. Een bedreiging met brandstichting was een bedreiging gericht tegen verdachte zelf. Hij dreigde immers zichzelf in brand te steken.

Met betrekking tot de onder feit 2 ten laste gelegde poging tot brandstichting heeft de verdediging naar voren gebracht dat er geen (voldoende) sprake was van een begin van uitvoering. Daarnaast blijkt onvoldoende dat het opzet van verdachte was gericht op de brandstichting. Verder heeft de verdediging gepleit voor uitsluiting van het bewijs van de bij de politie afgelegde verklaringen van verdachte. Nu voor het overige te veel vragen over dit feit resteren, kan dit feit niet wettig en overtuigend worden bewezen verklaard, aldus de verdediging.

Ten aanzien van feit 3 heeft de verdediging zich gerefereerd.

Beoordeling door de rechtbank

Ten aanzien van de feiten 1 en 2

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (7 juli 2015: ECLI:NL:HR:2015:1790) is voor een veroordeling ter zake van (in casu) bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de betrokkene in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat deze het leven zou kunnen verliezen. Niet is vereist dat het misdrijf waarmee wordt gedreigd, is gericht tegen de bedreigde persoon zelf.

Verbalisanten werden geconfronteerd met verdachte, nadat zijn moeder de politie had ingeschakeld. Deze moeder was het huis uit gevlucht, waarna verdachte de deur had dicht gedaan. Verdachte draaide daarbij luide hardcore muziek. De moeder gaf de verbalisanten aan dat verdachte helemaal gek was en dat hij een mes had. Zij zei verder dat hij door het lint was en dat hij iedereen zou vermoorden die hem verraden had.5 Vervolgens hoorden verbalisanten dat verdachte dreigende taal uitte, terwijl hij een groot mes in zijn handen hield.

Naar het oordeel van de rechtbank kon bij de verbalisanten in deze situatie de redelijke vrees ontstaan dat zij het leven zouden kunnen verliezen bij een confrontatie met verdachte. Dit zelfde geldt voor de confrontatie met verdachte nadat hij de woning had verlaten (feit 3).

Doordat verdachte zich in het zicht van de verbalisanten had overgoten met spiritus, vervolgens een sigaret heeft aangestoken en gerookt en doordat hij heeft geroepen zich in brand te zullen steken6, kon bij de verbalisanten eveneens de vrees ontstaan dat verdachte brand zou stichten.

Naar het oordeel van de rechtbank staat aan een bewezenverklaring niet in de weg dat verdachte heeft gedreigd zichzelf in brand te steken. Allereerst is hiervoor van belang, zoals hiervoor weergegeven, dat niet is vereist dat het misdrijf waarmee wordt gedreigd, is gericht tegen de bedreigde persoon zelf. Slechts moet bewezen worden dat de bedreiging tegen die personen is gericht. Dat kan naar het oordeel van de rechtbank op grond van de bewijsmiddelen worden vastgesteld, verdachte uitte de dreiging met brandstichting immers tegen de betreffende verbalisanten. Daarnaast is in artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht (onder meer) strafbaar gesteld een bedreiging met brandstichting. Uit dat artikel volgt niet dat slechts strafbaar is brandstichting waarbij sprake is van levensgevaar voor (andere) personen, waar de officier van justitie en de verdediging kennelijk wel van uitgaan.

Dat verdachte zijn bedreigingen (deels) in voorwaardelijke zin heeft geuit, staat ook niet aan een bewezenverklaring in de weg. Dit reeds nu een naderende confrontatie tussen de politie en verdachte zeer reëel was. De moeder van verdachte kon immers haar huis niet meer in, verdachte was (geluids)overlast aan het veroorzaken en was door het lint aan het gaan, zodat ingrijpen door de politie aangewezen kon zijn.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van de feiten 1 en 3.

Nu de rechtbank geen gebruik heeft gemaakt van de politieverhoren van verdachte als bewijsmiddel, behoeft het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting van die politieverhoren geen bespreking.

Ten aanzien van feit 2

Met de verdediging en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het onder feit 2 ten laste gelegde niet bewezen kan worden verklaard.

Verdachte heeft zichzelf en een matras overgoten met spiritus. Daarna heeft hij op enig moment een sigaret met een aansteker aangestoken. Uit de processtukken blijkt niet dat verdachte heeft geprobeerd het open vuur van de aansteker of sigaret in aanraking met de spiritus te brengen. Dit wordt nog eens ondersteund door de verklaring van verdachte op p. 35 dat hij niet heeft geprobeerd om de spiritus in brand te steken, omdat hij dat niet nodig vond omdat iedereen buiten bleef staan. Uit de door verdachte verrichte handelingen blijkt daarom niet van een begin van uitvoering. Het enkele overgieten met spiritus en vervolgens aansteken van een sigaret is daarvoor onvoldoende. Daarmee is er geen sprake van strafbare poging tot brandstichting.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende informatie bevat om te kunnen vaststellen dat door het aansteken en roken van een sigaret, terwijl verdachte zichzelf en de matras met spiritus had overgoten, sprake was van een aanmerkelijke kans dat er brand zou ontstaan. De rechtbank merkt hierbij op dat in het betreffende perceel door de brandweer geen explosief mengsel is gemeten. Derhalve kan ook niet bewezen worden dat verdachte voorwaardelijk opzet op brandstichting had. Verdachte zal van dit feit vrijgesproken worden.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder de feiten 1 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1. hij op of omstreeks 11 september 2016, in de gemeente Berkelland, een of meerdere politieambtenaren, genaamd [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] en/of [verbalisant 3] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, en/of met brandstichting, immers heeft verdachte - terwijl hij zich bevond achter/nabij een raam op de bovenverdieping van een woning aan de [adres 1] te Borculo - opzettelijk dreigend (één of meer van) voornoemde politieambtenaren toegevoegd - zakelijk weergegeven -, dat hij (verdachte) iedereen aan het mes zou steken en/of af zou maken, die binnen durfde te komen, en/of dat hij (verdachte) zich in brand zou steken als de politie niet weg zou gaan, althans woorden van

gelijke dreigende aard of strekking, en/of heeft verdachte (daarbij of vervolgens) opzettelijk dreigend een mes ter hand genomen en/of getoond aan (één of meer van) voornoemde politieambtenaren (die zich buiten die woning aan de [adres 1] te Borculo bevond(en)), en/of heeft verdachte (daarbij of vervolgens) opzettelijk dreigend een hoeveelheid spiritus, althans brandbare stof, uitgegoten over zijn (verdachte's) hoofd en/of lichaam;

3. hij op of omstreeks 11 september 2016, in de gemeente Berkelland, een of meerdere politieambtenaren, genaamd [verbalisant 3] en/of [verbalisant 4] en/of [verbalisant 5] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte - terwijl hij zich bevond op of nabij het [adres 2] te Geesteren - opzettelijk dreigend (één of meer van) voornoemde politieambtenaren de woorden toegevoegd: "Ik steek jullie neer" en/of "Ik laat het mes niet vallen, ik steek jullie allemaal neer", althans woorden van

gelijke dreigende aard of strekking, en/of heeft verdachte (daarbij of vervolgens) opzettelijk dreigend een mes ter hand genomen en/of getoond aan (één of meer van) voornoemde politieambtenaren (die hem achtervolgde(n)).

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met brandstichting

Ten aanzien van feit 3:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder feit 1 (gedeeltelijk) en feit 3 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden met aftrek van de periode van voorarrest. Daarnaast vordert de officier van justitie de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden, welke maatregel dadelijk uitvoerbaar moet worden verklaard. Als bijzondere voorwaarden moeten worden opgenomen dat verdachte klinisch behandeld moet worden, gevolgd door een ambulante behandeling. Mocht de rechtbank niet tot de maatregel van terbeschikkingstelling komen, dan dient dezelfde behandelverplichting te worden opgelegd, maar dan in het kader van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat bij een veroordeling voor de feiten 1 (gedeeltelijk) en 3 verdachte al langer dan gerechtvaardigd heeft vastgezeten. Daarbij heeft de verdediging gewezen op de OM-richtlijnen voor bedreigingen en naar de omstandigheid dat de deskundigen verdachte verminderd toerekeningsvatbaar hebben geacht. Er resteert ook geen ruimte voor een aanvullende voorwaardelijke straf. Mogelijk zou een klinische opname voor verdachte goed zijn, maar gelet op de verwachte wachttijd én de slagingskans die de deskundigen daaraan geven, is het onverstandig dat op te leggen. De deskundigen hebben aangegeven dat de maatregel van terbeschikkingstelling ‘niet proportioneel’ is.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Daarnaast heeft de rechtbank gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 5 april 2017;

- reclasseringsrapporten, gedateerd 14 september 2016, 20 december 2016 26 april 2017;

- een multidisciplinair rapport van drs. J.P.M. van der Leeuw, psycholoog, gedateerd 29 november 2016 en 1 maart 2017 en van C.S. Sijbrandij, psychiater, gedateerd 28 februari 2017.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen - en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een vrijheidsstraf van na te melden duur leiden - dat verdachte meerdere malen en op indringende wijze verbalisanten heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met brandstichting. Bij deze bedreigingen heeft verdachte een mes getoond en heeft hij zichzelf overgoten met spiritus. Nadat hij zijn woning had verlaten, is verdachte gevlucht voor de politie en heeft hij hen aangespoord hem neer te schieten. Ook voor getrainde politieagenten moet de confrontatie met verdachte beangstigend en zeer stressvol zijn geweest.

Gelet op de uitgebrachte rapportages zal de rechtbank uitgaan van een verminderde mate van toerekenbaarheid.

Rekening houdend met al het voorgaande acht de rechtbank voor de feiten 1 en 3 een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden met aftrek van de periode van voorarrest passend en geboden. De rechtbank ziet in dat een klinische opname en een behandeling voor verdachte zeer wenselijk zou zijn. Echter in de strafafdoening resteert er geen ruimte meer voor een voorwaardelijk strafdeel.

Met betrekking tot de gevorderde maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden overweegt de rechtbank als volgt.

Deze maatregel is niet geadviseerd door de deskundigen. Zij stellen zelfs dat deze maatregel mogelijk contraproductief zou kunnen werken. De deskundigen hebben de kans dat verdachte zich niet aan de voorwaarden zou houden aanzienlijk ingeschat, zeker bij een dermate strak kader als dat van de TBS met voorwaarden. Daarnaast overweegt de rechtbank dat er geen maatregelenrapport met een concreet plan van aanpak is overgelegd en dat niet duidelijk is dat verdachte op korte termijn in een kliniek opgenomen kan worden. Er zijn zelfs aanwijzingen dat dit nog maanden zou kunnen duren. Dat zou betekenen dat verdachte daarvóór ofwel in detentie zou verblijven ofwel in een andere kliniek zou worden opgenomen. In beide gevallen kan nog niet met de behandeling van zijn problematiek gestart worden. Er heeft ook niet overleg met verdachte over voorwaarden in het kader van deze maatregel plaatsgevonden. Onder al deze omstandigheden is het niet ondenkbeeldig dat het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden gedoemd zou zijn te mislukken. In dat geval zou het opleggen van de maatregel terbeschikkingstelling met voorwaarden dan ook (in wezen) neerkomen op het geven van een bevel tot verpleging van overheidswege. Dit neemt de rechtbank dan ook mee in haar overweging.

Tot slot blijkt uit het strafblad van verdachte niet van veelvuldige veroordelingen voor misdrijven waarbij sprake was van groot gevaar voor anderen, terwijl zijn problematiek over meerdere jaren actueel moet zijn geweest.

De rechtbank concludeert dat, gelet op de ernst van de feiten, hetgeen hiervoor is overwogen over de inschatting van de deskundigen, het ontbreken van een plan van aanpak en het strafblad van verdachte, het opleggen van de maatregel van TBS met voorwaarden niet proportioneel is.

Opgemerkt wordt dat de rechtbank zich er terdege van bewust is dat verdachte overlast kan veroorzaken, psychische hulp nodig heeft en dat een klinische opname waarschijnlijk ook in het belang van verdachte is. De rechtbank heeft echter de grenzen van het strafrecht te respecteren. Het opleggen van een dergelijke zware maatregel zou deze grenzen overschrijden. Het staat de officier van justitie uiteraard vrij de mogelijkheden voor het aanvragen van een rechterlijke machtiging, al of niet met inbewaringstelling, te bezien.

Ten aanzien van het beslag

Het in beslag genomen en nog niet teruggegeven vleesmes (kleur zwart), met betrekking tot welk het onder de feiten 1 en 3 bewezenverklaarde is begaan, dient te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 36b, 36c, 57 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van het onder feit 2 ten laste gelegde feit;

 verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven vleesmes (kleur zwart).

Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Keijzer (voorzitter), mr. J.B.J. Driessen en mr. W.J. Koops, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C. Aalders, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 juni 2017.

Mr. Koops is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door een verbalisant van de politie Oost Nederland, team recherche NO Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 2016449851, gesloten op 15 september 2016 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Processen-verbaal van bevindingen, p. 45, 51 en 56 en verklaringen van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 21 december 2016.

3 Proces-verbaal van bevindingen, p. 46.

4 Proces-verbaal van bevindingen, p. 49 en 50

5 Proces-verbaal van bevindingen, p. 45 en 51.

6 Verklaringen van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 21 december 2016.