Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:2818

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
07-02-2017
Datum publicatie
23-05-2017
Zaaknummer
313905
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

De aangevoerde wrakingsgronden, afzonderlijk maar ook opgeteld, zijn onvoldoende om tot het oordeel te komen dat de rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert of dat een bij verzoeker bestaande vrees daarvan objectief gerechtvaardigd is. Afwijzing verzoek

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Wrakingskamer

zaaknummer: C/05/313905/ KG RK 17/27

Beschikking van 7 februari 2017

van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van

[verzoeker]

wonende te [woonplaats]

hierna te noemen: verzoeker,

strekkende tot de wraking van

Mr. F.M.T. Quaadvliet

rechter in deze rechtbank,

hierna te noemen: de rechter.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het schriftelijke wrakingsverzoek van 3 januari 2017 en de daarbij gevoegde brief van 16 december 2016;

  • -

    de brief van verzoeker van 22 december 2016;

  • -

    het schriftelijke verweer van de rechter van 13 januari 2017;

  • -

    de brief van AnderZorg N.V. van 17 januari 2017 waarin zij aangeeft niet ter zitting te verschijnen. De inhoudelijke opmerkingen van AnderZorg N.V. in die brief zijn niet bij de beoordeling betrokken;

  • -

    de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling op 24 januari 2017.

Bij de mondelinge behandeling is verzoeker verschenen. De rechter heeft laten weten niet te zullen verschijnen.

2 Het wrakingsverzoek

2.1.

Het verzoek tot strekt tot wraking van de rechter als kantonrechter in de zaak met nummer 5484759 CV EXPL 16-5986 tussen verzoeker en AnderZorg N.V. (verder: de wederpartij).

2.2.

Verzoeker heeft blijkens het schriftelijke verzoek/proces-verbaal van het mondelinge verzoek, zoals toegelicht bij de mondelinge behandeling, het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd (zakelijk weergegeven):

a. de rechter is niet op de hoogte/ingelezen, is cijfermatig nauwelijks geschoold en begrijpt nauwelijks wat er speelt;

b. de rechter heeft ter zitting in de hoofdzaak op 15 december 2016 (verder: de zitting) stukken van de wederpartij aangenomen terwijl in de uitnodigingsbrief voor de zitting staat dat stukken waarop partijen zich tijdens de zitting willen beroepen uiterlijk 8 dagen vóór de zitting aan de rechter en de wederpartij moeten worden opgestuurd;

c. de rechter blijft tijdens de zitting aan de wederpartij vragen wat de vordering is;

d. de vordering wordt in de zitting in een één-tweetje tussen de rechter en de wederpartij uiteindelijk gereconstrueerd van de vordering uit de dagvaarding over de maanden april (acceptgiro € 4,50), mei (premie € 69,00) en juni (premie € 69,00) tot een vordering over de maand november (acceptgiro € 4,50 en premie € 69,00);

e. uit de lichaamstaal van de rechter tijdens de zitting en het na afloop niet groeten door de rechter blijkt dat verzoeker voor de rechter lucht is.

2.3.

De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft verweer gevoerd. Dat verweer wordt hierna zover nodig besproken.

3 De beoordeling

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

3.1.

De rechter heeft aangevoerd dat het verzoek van verzoeker niet tijdig is gedaan, namelijk niet zodra de feiten en omstandigheden waarop het verzoek rust aan verzoeker bekend zijn geworden. Zij is van mening dat het verzoek daarom niet-ontvankelijk is.

3.2.

De rechtbank overweegt dat volgens artikel 37 lid 1 Rv het wrakingsverzoek moet worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden. Dit voorschrift strekt ertoe te verzekeren dat de procedure direct nadat zich feiten of omstandigheden hebben voorgedaan waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, wordt geschorst door de indiening van een wrakingsverzoek en niet pas op een later tijdstip nadat er mogelijk al verdere proceshandelingen zijn verricht.

De rechtbank constateert dat de door verzoeker aangevoerde feiten en omstandigheden voor de wraking bij hem op de zitting van 15 december 2016 bekend zijn geworden. De rechtbank acht aannemelijk dat verzoeker reeds op 16 december 2016 een brief aan de rechtbank heeft verzonden met het verzoek de rechter van de zaak “af te halen”, waarbij ook reeds de onder 2.2 aangehaalde gronden zijn aangevoerd.

De rechtbank is van oordeel dat dit verzoek redelijkerwijs als een wrakingsverzoek had dienen te worden aangemerkt. De omstandigheid dat dit niet is gebeurd en dat de brief, kennelijk omdat de brief gericht was aan “Rechtbank Arnhem tav Klachtencommissie”, (slechts) is aangemerkt als een klacht, kan verzoeker niet worden tegengeworpen. Verzoeker heeft de brief met het voormelde verzoek op 3 januari 2017 opnieuw aan de rechtbank verzonden, ditmaal ter attentie van de wrakingskamer. De rechtbank zal echter gelet op het vorenstaande als datum van indiening van het wrakingsverzoek de verzenddatum van de brief van 16 december 2016 aanmerken. Het tijdsverloop tussen de zitting waarop de gestelde feiten bij verzoeker bekend zijn geworden en het indienen van het wrakingsverzoek is daarmee niet zo groot dat niet aan de eis van 37 lid 1 Rv is voldaan. Verzoeker kan daarom in zijn wrakingsverzoek worden ontvangen.

Ten aanzien van de gronden van het verzoek

3.3.

Wraking van een rechter is slechts mogelijk op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan kan sprake zijn indien de rechter jegens een partij vooringenomen is of indien de vrees van een partij daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Bij de beoordeling daarvan moet voorop staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat bij die partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (HR 24 oktober 1995 NJ 1996,484). Uit de artikelen 36 en 37 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) en het vermoeden van onpartijdigheid volgt dat de verzoeker concrete feiten en omstandigheden moet aanvoeren waaruit objectief afgeleid moet kunnen worden dat de rechter jegens een partij vooringenomen is of de vrees van een partij dat dat zo is objectief gerechtvaardigd is. Met inachtneming hiervan overweegt de rechtbank het volgende.

3.4.

Ten aanzien van de eerste wrakingsgrond overweegt de rechtbank dat de omstandigheid dat de rechter in de visie van verzoeker nauwelijks zou weten wat er speelt, niet op de hoogte en niet ingelezen is en cijfermatig nauwelijks zou zijn geschoold, wat daar ook van zij, geen omstandigheid is die enige aanwijzing van partijdigheid oplevert.

3.5.

Ten aanzien de tweede wrakingsgrond overweegt de rechtbank dat vaststaat dat in het vonnis dat aan de zitting voorafging (verder: het comparitievonnis) staat dat een partij die zich tijdens de zitting wil beroepen op stukken die nog niet zijn overgelegd, die stukken uiterlijk acht dagen voor de zitting moet toesturen. Voorts staat vast dat de rechter desalniettemin ter zitting een niet eerder overgelegd stuk, te weten een specificatie van het procesverloop en de vordering, heeft aangenomen van de wederpartij.

De rechtbank overweegt dat dit een processuele beslissing is. De rechter heeft daarover aangevoerd dat zij het integraal bespreken van de specificatie zinvol achtte in het kader van een goede instructie van de zaak en dat de aard en inhoud van het stuk geen beletsel vormden om kennis te nemen van het stuk en daarop te kunnen reageren.

De juistheid van een dergelijke processuele beslissing kan op zichzelf niet door middel van een wrakingsverzoek aan de orde worden gesteld. Dat kan alleen door een rechtsmiddel (zoals verzet of hoger beroep) tegen de (eind)beslissing aan te wenden. Concrete feiten en omstandigheden waaruit volgt dat de rechter bij het geven van deze beslissing vooringenomen was tegen verzoeker of objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor bestond, heeft verzoeker verder niet aangevoerd. De enkele omstandigheid dat het aannemen en behandelen van het stuk niet overeenstemt met dat wat in het comparitievonnis staat is daartoe onvoldoende. Ook uit het enkele feit dat de rechter (mogelijk) in het nadeel van verzoeker heeft beslist kan de rechtbank dat niet afleiden.

3.6.

Ten aanzien van de derde en vierde wrakingsgrond heeft de rechter als verweer aangevoerd dat het haar taak als civiele rechter is de feitelijke grondslag van een vordering te onderzoeken, dat ze in dat kader de vertegenwoordiger van de wederpartij in de gelegenheid heeft gesteld zijn standpunt toe te lichten en dat ze hem concrete vragen heeft gesteld omtrent de vordering. Verzoekster is, aldus de rechter, in de gelegenheid gesteld op het standpunt van de wederpartij te reageren en heeft zijn argumenten ook voor het voetlicht gebracht.

De rechtbank overweegt dat in zijn algemeenheid niet geldt dat de schijn van partijdigheid wordt opgewekt indien de rechter een van de partijen al dan niet uitgebreid bevraagt over de inhoud en grondslag van de vordering, zolang de wederpartij de gelegenheid krijgt te reageren. Dat verzoeker die gelegenheid heeft gekregen is door hem niet concreet betwist. Hetgeen verzoeker heeft aangevoerd biedt voorts onvoldoende onderbouwing om aannemelijk te achten dat niet alleen sprake was van doorvragen over de inhoud, omvang en grondslag van de vordering, maar daadwerkelijk van een “een-tweetje”, in de zin van een bewuste samenwerking tussen de rechter en de wederpartij waarbij de vordering zou zijn gereconstrueerd.

3.7.

De laatste wrakingsgrond betreft in wezen een klacht over de manier waarop verzoeker door de rechter is bejegend. Voor dergelijke klachten is de wrakingsprocedure niet bedoeld. Verzoeker kan daarover desgewenst een klacht indienen, wat, zo begrijpt de rechtbank, verzoeker ook reeds heeft gedaan. Concrete feiten en omstandigheden waaruit volgt dat in deze bejegening partijdigheid van de rechter tegen verzoeker of objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor besloten ligt, zijn niet aangevoerd of gebleken.

3.8.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de klachten die verzoeker heeft aangevoerd, met in achtneming wat is overwogen onder 3.3., afzonderlijk maar ook opgeteld onvoldoende zijn om tot het oordeel te komen dat de rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert of dat een bij verzoeker bestaande vrees daarvan objectief gerechtvaardigd is. Daarom moet het verzoek worden afgewezen.

4 De beslissing

De rechtbank

wijst het verzoek tot wraking af.

Deze beschikking is gegeven door de mrs. T.P.E.E. van Groeningen, G. Noordraven en G.W.B. Heijmans in tegenwoordigheid van de griffier C.B.J.P. Leuverink en in openbaar uitgesproken op 7 februari 2017.

- de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.