Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:2649

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
18-05-2017
Datum publicatie
18-05-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 6358
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2018:1138, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

Gemeente niet verplicht om het horen te combineren met een inpandige opname

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/1187
FutD 2017-1251
NTFR 2017/1480
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RechtbanK gelderland

Team belastingrecht

zaaknummer: AWB 16/6358

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

18 mei 2017 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiser
(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ),

en

de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Rivierenland, verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak op bezwaar van verweerder van 21 oktober 2016 betreffende de aan eiser opgelegde beschikking krachtens artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) voor het jaar 2016 en de daarmee samenhangende aanslag onroerende-zaakbelastingen (OZB).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 mei 2017. Namens eiser is de gemachtigde verschenen. Namens verweerder is verschenen [gemachtigde] .

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. De aanslag OZB heeft als dagtekening 29 februari 2016. Eiser heeft met dagtekening 8 april 2016 bezwaar gemaakt tegen de aanslag. Op 11 april 2016 is het bezwaar nader gemotiveerd waarbij eiser een WOZ-waarde van € 432.000 bepleit. Verder is in bezwaar een verzoek gedaan om te worden gehoord.

2. Vanwege het achterstallige onderhoud heeft de taxateur besloten tot een inpandige opname. Bij e-mail van 24 mei 2016 heeft de taxateur laten weten een afspraak te willen maken voor de inpandige opname. In reactie hierop heeft eiser laten weten dat tegelijkertijd met de inpandige opname een hoorzitting dient plaats te vinden.

3. De gemachtigde doet per e-mail meerdere malen bij verweerder een verzoek om de inpandige opname te combineren met het horen. Althans om de inpandige opname als een hoorzitting aan te merken. De e-mail correspondentie tussen partijen behoort tot de gedingstukken.

4. Bij e-mail van 13 juli schrijft verweerder het volgende:

“De discussie richt zich op het wel dan niet horen tijdens een inpandige opname.

De inpandige opname wordt verricht door de taxateur van de BSR. Of u bij deze inpandige opname aanwezig wilt zijn is aan u.

Mocht u het advies van de taxateur blijken dat de waarde niet overeenkomt met de door u voorgestelde waarde zoals genoemd in het bezwaarschrift vindt er alsnog een hoorzitting plaats. Plaats en tijdstip van het horen wordt bepaald door de heffingsambtenaar.”(…)

5. Op 23 september 2016 heeft de inpandige opname plaatsvonden in aanwezigheid van de gemachtigde en de echtgenote van eiser. Naar aanleiding van de inpandige opname is de WOZ-waarde van woning verlaagd van € 522.000 naar € 432.000. Dit is overeenkomstig de door eiser bepleite waarde.

6. Aangezien volledig is tegemoetgekomen aan het bezwaar van eiser, heeft verweerder op 21 oktober 2016 met inachtneming van artikel 7:3, aanhef en onder e, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak op bezwaar gedaan zonder te horen.

7. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de hoorplicht is geschonden. Eiser heeft in bezwaar om een hoorzitting verzocht en op grond van het redelijkheidsvereiste had het verzoek om het horen te combineren met de inpandige opname gehonoreerd moeten worden. Verweerder heeft daarom ten onrechte geen vergoeding voor de hoorzitting gegeven, aldus eiser.

8. Verweerder heeft ter zitting een toelichting gegeven op de door hem gehanteerde werkwijze bij het horen en daarbij aangegeven dat indien in een bezwaarschrift achterstallig onderhoud wordt genoemd, de taxateur in dat geval de woning inpandig zal opnemen. De taxateur is door de gemeente niet aangewezen als degene die de hoorzitting leidt. Als na de inpandige opname blijkt dat alsnog een hoorzitting moet plaatsvinden, zal verweerder hiervoor een afspraak inplannen. In dit geval heeft verweerder meerdere malen schriftelijk aan de gemachtigde medegedeeld dat de inpandige opname niet als een hoorzitting zal worden aangemerkt. Na de inpandige opname is de waarde als gevolg van het achterstallige onderhoud verlaagd naar de door eiser bepleite waarde. Verweerder stelt zich op het standpunt dat van het horen kon worden afgezien aangezien volledig aan het bezwaar tegemoet is gekomen.

9. In geschil is of een hoorzitting heeft plaatsgevonden, en of de hoorplicht is geschonden.

10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de hoorplicht niet heeft geschonden. Uit de hierboven genoemde feiten en omstandigheden leidt de rechtbank af dat de gemachtigde verweerder verschillende keren heeft benaderd met de vraag of de inpandige opname gecombineerd kan worden met een hoorzitting. Uit de e-mail correspondentie volgt echter een duidelijk standpunt van verweerder hieromtrent, namelijk dat de inpandige opname niet in combinatie met de hoorzitting zal plaatsvinden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft in dit geval geen hoorzitting plaatsgevonden en in het licht van de uitlatingen van verweerder mocht eiser evenmin begrijpen dat dit wel het geval was. Weliswaar is het combineren van een inpandige opname en een hoorzitting toegestaan, maar voor verweerder bestaat geen verplichting om dit te doen. Dat verweerder in dit geval de keuze heeft gemaakt om de inpandige opname en de hoorzitting niet te combineren leidt er niet toe dat onredelijk is gehandeld en dat sprake is van een schending van de hoorplicht. Nu verweerder volledig tegemoet is gekomen aan het bezwaar, kon op grond van artikel 7:3, aanhef en onder e, van de Awb van het horen worden afgezien.

11. Gelet op het voorgaande, komt de rechtbank tot het oordeel dat in de bezwaarfase geen hoorzitting in de zin van artikel 7:2, eerste lid, van de Awb heeft plaatsgevonden en dat derhalve geen sprake is van een proceshandeling waarvoor overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht een vergoeding dient te worden vastgesteld.

12. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep ongegrond verklaard.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Westerbaan, rechter, in aanwezigheid van mr. G. Schokker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.