Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:2600

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
10-05-2017
Datum publicatie
15-05-2017
Zaaknummer
5822307
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

vernietiging opzegging arbeidsovereenkomst wegens het ontbreken van een dringende reden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/2497
AR-Updates.nl 2017-0627
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaakgegevens 5822307 \ HA VERZ 17-58 \ 474 \ 450

uitspraak van 10 mei 2017

beschikking

in de zaak van

[verzoekende partij]

wonende te [woonplaats]

verzoekende partij

gemachtigde mr. O.J. Ingwersen

en

de besloten vennootschap [verwerende partij] B.V.

gevestigd te [vestigingsplaats]

verwerende partij

gemachtigde mr. K.L.M. Kaldenbach

Partijen worden hierna [verzoekende partij] en [verwerende partij] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift ingekomen op 16 maart 2017

- het verweerschrift ingekomen op 23 april 2017

- de brief met producties 8 tot en met 11 d.d. 28 april 2017 van de gemachtigde van [verwerende partij] .

- de mondelinge behandeling van 3 mei 2017 en de pleitnotities van de gemachtigde van [verwerende partij] en de gemachtigde van [verzoekende partij] , waaraan gehecht zijn de producties 13 en 14.

1.2.

Het verzoekschrift was aanvankelijk gericht tegen [rechtspersoon 1] B.V. Bij verweerschrift heeft [verwerende partij] B.V. aangevoerd dat zij en niet [rechtspersoon 1] B.V. werkgever van [verzoekende partij] is en (om proceseconomische redenen) verweer gevoerd als ware het verzoek tegen haar gericht. Ter zitting heeft [verwerende partij] B.V. aangevoerd dat het verzoekschrift aldus moet worden ingelezen dat [verwerende partij] B.V. verwerende partij in deze is, waarmee [verzoekende partij] heeft ingestemd.

1.3.

Beschikking is (vervroegd) bepaald op heden.

2 Het verzoek, het verweer en de beoordeling daarvan

2.1.

Uitgegaan wordt van de volgende vaststaande feiten:

  1. [verzoekende partij] is op 15 juli 2016 bij [verwerende partij] in dienst getreden als servicemedewerker op basis van een arbeidsovereenkomst voor zeven maanden. De arbeidsovereenkomst eindigt van rechtswege op 14 februari 2017.

  2. Bij brief van 12 januari 2017 heeft [verwerende partij] [verzoekende partij] meegedeeld dat de arbeidsovereenkomst niet zou worden verlengd. Tijdens een gesprek op 13 januari 2017 heeft [verwerende partij] de redenen daarvoor toegelicht.

  3. Op 13 januari 2017 heeft [verzoekende partij] zich ziek gemeld.

  4. Op 13 januari 2017 heeft [verzoekende partij] een WhatsApp bericht gestuurd naar zijn collega [persoon x] waarin hij schrijft:

‘Vriend ik hoop voor jou dat je niet je mond voorbij hebt gepraat, want als ik daar achter kom sta ik binnenkort voor je neus vriend.’

Bij brief van 13 januari 2017 heeft [verwerende partij] [verzoekende partij] meegedeeld:

‘Naar aanleiding van het gesprek dat u heden d.d. 13 januari heeft gevoerd met de heer [persoon Y] (Casinomanager) inzake het niet verlengen van uw arbeidsovereenkomst, bevestigen wij u dat u per heden niet meer wordt ingepland voor werkzaamheden. U neemt vakantie-uren op tot het einde van uw dienstverband. De uren die u hiervoor tekort komt zullen wij verrekenen met uw eindafrekening.’

Op 16 januari 2017 heeft de HR Officer van [verwerende partij] [verzoekende partij] telefonisch verzocht om geen contact meer op te nemen met zijn collega’s.

Op 16 januari 2017 heeft [verzoekende partij] (wederom) een WhatsApp bericht gestuurd aan zijn collega [persoon x] waarin hij schrijft:

‘Luister even goed [voornaam persoon X] ! ik ben net gebeld door HR en hun hebben gezegd dat jij mij heb zien drugs gebruiken en dat jij mij gewaarschuwd heb het niet te doen. vergeet niet met wie wij waren die avond en dat ik mensen achter me heb staan die het tegendeel bewijzen. echter waren ze wel benieuwd wat jij die avond allemaal gedaan hebt. ik ben daar niet op in gegaan maar dat kan ik nog altijd en ik heb iemand die mijn verhaal bevestigd. stuur dit bericht even door naar hoofdkantoor of waar dan ook. de school waar jij opzit heb ik gebouwd vergeet dat niet.’

Eveneens op 16 januari 2017 heeft [verzoekende partij] een WhatsApp bericht gestuurd aan zijn leidinggevende [persoon Y] waarin hij schrijft:

‘Even een update [voornaam persoon Y] dan weet jij ook hoe het zit, blijkbaar worden er allemaal leugens over mij vertelt waardoor ze mij zo zeggen ze opstaande voet konden ontslaan, ik weet heel zeker wat er gezegd word niet waar is. wat wel waar is dat weet ik wel en dat ziet er niet zo goed voor jou Floormanager uit aangezien ik wel getuige heb. HR had heel veel interesse wat er bij het stap avondje gebeurt is, maar ik hou dat nog even voor me, hoe er gehandeld wordt vind ik laag bij de grond. en wat iemand in zn privéleven doet gaat niemand wat aan toch? maar mocht het allemaal uitkomen zal ik ook jou niet sparen, want als je iets oprakelt moet je alles op tafel gooien en niet iets achter houden. ik ben in ieder geval voorbereid. jij ook.’

  1. Op 17 januari 2017 heeft [verwerende partij] [verzoekende partij] telefonisch meegedeeld dat hij op staande voet was ontslagen.

  2. Bij brief van eveneens 17 januari 2017 heeft [verwerende partij] [verzoekende partij] onder meer meegedeeld:

(…)

‘Helaas heeft u geen gehoor gegeven aan ons redelijke verzoek om geen contact meer op te nemen met u collega’s en stuurt u op 16 januari jl. tot onze grote spijt wederom WhatsApp berichten naar de heer [persoon Y] en naar dezelfde collega, aan wie u eerder een intimiderend en bedreigend WhatsApp bericht heeft gestuurd. Deze berichten zijn opnieuw als zeer intimiderend en bedreigend door uw collega’s ervaren en dit rekenen wij u in ernstige mate aan, te meer omdat wij u reeds gewaarschuwd hadden. Van [verwerende partij] kan daarom in redelijkheid niet worden verlangd het dienstverband met u nog langer voort te zetten.

Het intimideren en het bedreigen van uw leidinggevende de heer [persoon Y] en uw collega uit de vestiging [vestigingsnaam] zijn en volstrekt onacceptabel en in strijd met de Algemene bedrijfsbepalingen. Deze gedragingen vormen ieder voor zich reden om u op staande voet te ontslaan. Daarnaast leggen wij aan het ontslag op staande voet ten grondslag het feit dat u uw collega op 13 januari jl. een WhatsApp bericht heeft gestuurd dat door uw collega als intimiderend en bedreigend is ervaren. Voorts leggen wij aan het ontslag op staande voet ten grondslag het feit dat u tijdens de New Years Party op 11 januari jl. ten overstaande van meerdere collega’s en bezoekers de zanger ( [naam zanger] ) met een vlaggetje tussen zijn benen heeft betast en dat u meerdere vrouwelijke collega’s heeft lastiggevallen, door ze te betasten en door ze op te tillen. Ten slotte leggen wij aan het ontslag op staande voet ten grondslag dat u tijdens de New Years Party onder invloed van verdovende middelen was. Deze redenen zijn ieder voor zich en in onderlinge samenhang bezien een reden om u op staande voet te ontslaan. (…)

Doordat u ons een dringende reden heeft gegeven tot ontslag op staande voet bent u schadeplichtig. Op grond daarvan vorderen wij van u de gefixeerde schadevergoeding. Wij zullen de gefixeerde schadevergoeding verrekenen met de eindafrekening (resterend salaris, resterende vakantiedagen en vakantiegeld) en voor zover de eindafrekening niet toereikend is, zullen wij u separaat een factuur sturen.’ (…)

Bij brief van 21 februari 2017 heeft de gemachtigde van [verzoekende partij] [verwerende partij] de redenen die door [verwerende partij] aan het ontslag op staande voet ten grondslag zijn gelegd betwist. Volgens [verzoekende partij] is er geen sprake van publiekelijk cocaïnegebruik, is er weliswaar sprake van een door hem verstuurd app-bericht naar de bewuste collega maar daarbij is van belang hetgeen zich daarvoor had voorgedaan en bestrijdt hij dat hij zich op de nieuwjaarspartij zou hebben misdragen op de wijze als in de ontslagbrief is verwoord. Volgens [verzoekende partij] is er daarom geen sprake van een dringende reden in de zin der wet.

2.2.

Na wijziging van het verzoek ter zitting, verzoekt [verzoekende partij] de opzegging van de arbeidsovereenkomst te vernietigen en voor recht te verklaren dat er geen sprake is van een dringende reden, veroordeling van [verwerende partij] om binnen tien dagen na betekening van deze beschikking te betalen het hem toekomende salaris c.a. over de periode van 17 januari tot 14 februari 2017, de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW daarover, de hem toekomende openstaande verlof- en/of vakantiedagen en de door hem gemaakte reiskosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening en veroordeling van [verwerende partij] in de proceskosten. [verzoekende partij] heeft aan zijn verzoeken ten grondslag gelegd dat er geen sprake is van een dringende reden voor het ontslag op staande voet onder verwijzing naar de brief van zijn gemachtigde van 21 februari 2017.

2.3.

[verwerende partij] voert gemotiveerd verweer en concludeert tot afwijzing van de verzoeken met veroordeling van [verzoekende partij] in de proceskosten.

2.4.

Het verzoekschrift, ingekomen op 16 maart 2017, is gelet op de in artikel 7:686a BW genoemde vervaltermijn, tijdig ingediend, zodat [verzoekende partij] ontvankelijk is in zijn verzoek.

2.5.

De essentie van het onderhavige geschil is of de reden die [verwerende partij] aan het ontslag op staande voet ten grondslag heeft gelegd is te kwalificeren als een dringende reden. [verwerende partij] heeft aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegd dat [verzoekende partij] zijn leidinggevende ( [persoon Y] ) en een collega ( [persoon x] ) meerdere malen, ook na door [verwerende partij] te zijn gewaarschuwd, een intimiderend en bedreigend WhatsApp bericht heeft gestuurd, hij tijdens de New Years Party op 11 januari 2017 de zanger die daar optrad en meerdere vrouwelijke collega’s heeft betast en dat hij tijdens de New Years Party onder invloed van verdovende middelen was. Deze redenen zijn volgens [verwerende partij] ieder voor zich en in onderlinge samenhang bezien een dringende reden voor het ontslag op staande voet.

2.6.

De door [verwerende partij] aangevoerde, en door [verzoekende partij] betwiste, misdragingen en het onder invloed van verdovende middelen zijn op de New Years Party leveren naar het oordeel van de kantonrechter geen dringende reden op om de arbeidsovereenkomst met [verzoekende partij] op 17 januari 2017 onverwijld op te zeggen. Deze gebeurtenissen zijn door [verwerende partij] reeds aangevoerd om op 12 januari 2017 te besluiten de arbeidsovereenkomst met [verzoekende partij] niet te verlengen, zoals door [verwerende partij] is aangevoerd. In een gesprek op 13 januari 2017 tussen [persoon Y] ( [verwerende partij] ) en [verzoekende partij] is dit nader toegelicht. [verzoekende partij] heeft dat niet weersproken. Bij brief van dezelfde datum heeft [verwerende partij] [verzoekende partij] naar aanleiding van het gesprek meegedeeld dat hij tot dat zijn dienstverband van rechtswege eindigt (14 februari 2017) niet meer voor werkzaamheden zou worden ingepland (zie rechtsoverweging 2.1 onder e). Nu de gestelde misdragingen van [verzoekende partij] door [verwerende partij] zijn betrokken in haar besluiten de arbeidsovereenkomst niet te verlengen en [verzoekende partij] niet meer voor werkzaamheden in te plannen, kunnen deze niet nogmaals worden aangevoerd, dit maal als dringende reden voor het ontslag op staande voet. Ook niet in onderlinge samenhang bezien met de WhatsApp berichten waarop hierna zal worden ingegaan.

2.7.

[verwerende partij] heeft aan het ontslag op staande voet voorts ten grondslag gelegd dat [verzoekende partij] WhatsApp berichten naar een collega ( [persoon x] ) en naar zijn leidinggevende ( [persoon Y] ) heeft gestuurd die als intimiderend en bedreigend zijn ervaren. [verzoekende partij] heeft op 13 en 16 januari 2017 een WhatsApp bericht gestuurd aan [persoon x] en op 16 januari 2017 een WhatsApp bericht aan [persoon Y] (weergegeven in rechtsoverweging 2.1 onder d, g en h). Vast staat dat er daarna door hem geen WhatsApp berichten meer zijn verstuurd. [verzoekende partij] heeft gesteld dat hij op dat moment kwaad was dat zijn contract niet werd verlengd, dat hij psychisch de weg kwijt was en behandeling nodig had. Het gaat om drie WhatsApp berichten waarvan naar het oordeel van de kantonrechter de tekst weliswaar dreigend kan overkomen maar die niet als bedreigend en intimiderend zijn aan te merken in de zin dat zij een dringende reden opleveren om de arbeidsovereenkomst met [verzoekende partij] onverwijld op te zeggen. Dat [verzoekende partij] op 16 januari 2017 door [verwerende partij] is gewaarschuwd om geen contact meer met collega’s te zoeken maakt dat oordeel niet anders.

2.8.

Gelet op het voorgaande is geen sprake van een dringende reden voor het door [verwerende partij] aan [verzoekende partij] gegeven ontslag op staande voet, zodat de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is opgezegd. Het verzoek de opzegging van de arbeidsovereenkomst te vernietigen zal dan ook worden toegewezen. [verzoekende partij] heeft, gelet op de toe te wijzen vernietiging van de opzegging, geen rechtens te respecteren belang bij de verzochte verklaring voor recht dat geen sprake is van een dringende reden, zodat dit verzoek dient te worden afgewezen.

2.9.

[verzoekende partij] heeft betaling verzocht van het salaris c.a. over de periode van 17 januari tot 14 februari 2017 (einde dienstverband van rechtswege). [verwerende partij] heeft bij wege van verweer aangevoerd dat het verzoek dient te worden afgewezen omdat [verzoekende partij] geen deskundigenoordeel van het UWV ex artikel 7:629a lid 1 BW heeft overgelegd.

De kantonrechter overweeg als volgt. [verzoekende partij] heeft zich op 13 januari 2017 ziek gemeld. De ziekmelding is door [verwerende partij] niet geaccepteerd omdat die volgens [verwerende partij] niet medisch van aard zou zijn. [verzoekende partij] is echter niet opgeroepen voor een (spoed)consult bij de bedrijfsarts. Ter zitting heeft de gemachtigde van [verzoekende partij] een verklaring van diens huisarts d.d. 18 januari 2017 overgelegd waaruit volgt dat [verzoekende partij] depressieve klachten heeft en wordt doorverwezen naar een psycholoog. [verwerende partij] heeft deze verklaring onvoldoende gemotiveerd weersproken. Gelet daarop en op het ontbreken van een advies van de bedrijfsarts, is naar het oordeel van de kantonrechter in voldoende mate vast komen te staan dat [verzoekende partij] vanaf 13 januari 2017 arbeidsongeschikt was. Ingevolge artikel 629a lid 2 BW geldt de eis om een deskundigenoordeel van het UWV te overleggen niet indien het overleggen daarvan in redelijkheid niet van de werknemer kan worden gevergd. Die situatie doet zich hier voor. Gelet op de korte periode (enkele dagen) tussen de ziekmelding, de mededeling dat hij niet meer werd ingepland voor werkzaamheden en het ontslag op staande voet waartegen [verzoekende partij] bezwaar heeft gemaakt, kan in redelijkheid niet van hem worden gevergd een deskundigenoordeel te overleggen. Het verzoek tot betaling van het salaris en de openstaande verlof- en/of vakantiedagen zal worden toegewezen als verzocht. De wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW en de wettelijke rente zullen eveneens worden toegewezen. Het verzoek tot betaling van de door [verzoekende partij] beweerdelijk gemaakte reiskosten zal, nu dit niet is onderbouwd, worden afgewezen.

2.10.

[verwerende partij] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

Het salaris van de gemachtigde van [verzoekende partij] zal conform het verzoek worden begroot op € 143,-.

3 De beslissing

De kantonrechter,

3.1.

vernietigt de opzegging van arbeidsovereenkomst d.d. 17 januari 2017;

3.2.

veroordeelt [verwerende partij] om binnen tien dagen na betekening van deze beschikking aan [verzoekende partij] te betalen het aan [verzoekende partij] toekomende salaris c.a. over de periode van 17 januari tot 14 februari 2017 en de hem toekomende openstaande verlof- en/of vakantiedagen, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50% ex artikel 7:625 BW en de wettelijke rente vanaf de respectievelijke tijdstippen van opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening;

3.3.

veroordeelt [verwerende partij] in de proceskosten tot aan deze uitspraak aan de zijde van [verzoekende partij] begroot op € 78,- griffierecht en € 143,- salaris gemachtigde;

3.4.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.5.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door de kantonrechter mr. W.H. van Empel en in het openbaar uitgesproken op 10 mei 2017.