Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:2536

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
19-01-2017
Datum publicatie
09-05-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 1318
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep gegrond t.a.v. boetebesluit, ongegrond t.a.v. herziening en terugvordering – Boete op nihil gesteld wegens dringende reden. Verweerder deelt eiser het besluit telefonisch mee, waarop eiser een beroerte krijgt. Wijze van bejegening in strijd met wat van een behoorlijk handelen bestuursorgaan mag worden verwacht. Nog steeds ervaart eiser de negatieve gevolgen, psychisch en lichamelijk, had voor verweerder reden moeten zijn om af te zien van boete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: 16/1318

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 januari 2017

in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. A.L. Looijenga),

en

[verweerder] te [plaats] , verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 23 juni 2015 (primair besluit 1) heeft verweerder de uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) van eiser herzien en het onverschuldigd betaalde over de periode van 1 november 2013 tot en met 31 mei 2015 (de te beoordelen periode) ter hoogte van € 14.060,29 van eiser teruggevorderd.

Bij besluit van 23 juni 2015 (primair besluit 2) heeft verweerder aan eiser een boete opgelegd van € 600,-.

Bij besluit van 20 januari 2016 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiser gericht tegen primair besluit 1 gegrond verklaard in die zin dat het terug te vorderen bedrag over de te beoordelen periode wordt vastgesteld op € 13.206,75. Het bezwaar van eiser gericht tegen primair besluit 2 wordt ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Bij besluit van 11 november 2016 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het bestreden besluit I met betrekking tot de herziening en terugvordering gewijzigd in die zin dat het terug te vorderen bedrag over de te beoordelen periode wordt vastgesteld op € 10.670,58.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 december 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. L. Smid.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser ontvangt sinds 1987 een WAO-uitkering, berekend naar verschillende percentages van arbeidsongeschiktheid. Eiser heeft in de periode van augustus 2011 tot en met juli 2015 wisselende inkomsten ontvangen van verschillende werkgevers.

2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser vanwege zijn wisselende inkomsten uit arbeid over de te beoordelen periode teveel aan WAO-uitkering heeft ontvangen. De inkomsten hebben gevolgen voor eisers recht op WAO-uitkering en als gevolg daarvan wijzigt eisers arbeidsongeschiktheidsklasse over de genoemde periode. De teveel ontvangen uitkering wordt na een herberekening in bestreden besluit II uiteindelijk vastgesteld op en teruggevorderd voor een bedrag van € 10.670,58 bruto. Verweerder acht geen dringende reden aanwezig om van terugvordering af te zien. Daarnaast heeft eiser zijn gewijzigde inkomsten over de te beoordelen periode niet aan eiser gemeld. Hierdoor heeft hij zijn inlichtingenplicht geschonden. Verweerder heeft voor deze schending aan eiser een boete opgelegd ter hoogte van 50% van het benadelingsbedrag dat aan eiser toe te rekenen is, voor normale verwijtbaarheid.

3. Eiser voert aan dat een deel van de terugvordering in strijd is met door verweerder opgewekt vertrouwen. Eiser stelt dat hij op 5 juni 2013 een e-mail bericht heeft ontvangen van A. Prusak, medewerkster van het Uwv, waaruit blijkt dat hij geen wijzigingen hoefde door te geven zolang zijn inkomsten niet meer dan € 700,- per maand zouden bedragen. De beslissing tot terugvordering is volgens eiser dan ook onterecht genomen met betrekking tot de perioden waarin het inkomen van eiser onder het bedrag van € 700,- is gebleven.

4. Eiser voert aan dat in het kader van het boetebesluit sprake is van het ontbreken van subjectieve verwijtbaarheid, gelet op de mededeling van Prusak. De boete had daarom op nihil moeten worden vastgesteld. Indien dit niet wordt gevolgd, is er volgens eiser in ieder geval sprake van verminderde verwijtbaarheid, waardoor de boete op 25% van het benadelingsbedrag had moeten worden vastgesteld.

5. De rechtbank stelt vast dat verweerder met het bestreden besluit II opnieuw op het bezwaar heeft beslist, waarbij het primaire besluit I (gedeeltelijk) is herroepen. Het bestreden besluit II – dat aldus een partiële intrekking behelst van het bestreden besluit I – is derhalve een besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Aangezien het bestreden besluit II niet geheel tegemoet komt aan de bezwaren van eiser, is het beroep tevens gericht tegen dit besluit.

6. Nu eiser niet heeft gesteld ten gevolge van verweerders besluitvorming schade te hebben geleden, heeft hij geen belang meer bij een vernietiging van het bestreden besluit I, op het punt van het primaire besluit II, als bedoeld in artikel 6:19, zesde lid, van de Awb. Daarom zal de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit I voor zover dat betrekking heeft op de herziening en terugvordering niet-ontvankelijk verklaren.

7. Bij de beoordeling is het volgende wettelijke kader van belang.

8. Artikel 80, eerste lid, van de WAO bepaalt, voor zover hier van belang, dat degene die aanspraak maakt op of in het genot is van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, verplicht is aan het Uwv op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten of omstandigheden waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk is dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op of de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering of het bedrag dat daarvan wordt uitbetaald.

9. Artikel 36a, eerste lid, aanhef en onder b, van de WAO bepaalt dat, onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering en terzake van weigering van een zodanige uitkering, het Uwv een dergelijk besluit herziet of intrekt, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 80 heeft geleid tot het verlenen van een te hoog bedrag aan uitkering.

10. Artikel 57, eerste lid, van de WAO bepaalt dat de uitkering die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 36a van de WAO onverschuldigd is betaald, door het Uwv van de belanghebbende wordt teruggevorderd. Volgens het vierde lid van dit artikel kan het Uwv, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

11. De rechtbank volgt de stelling van eiser dat hij de inlichtingenplicht niet heeft geschonden omdat hij mocht vertrouwen op een e-mail van een medewerkster van het Uwv, niet. Op grond van vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) kan slechts sprake zijn van een door een bestuursorgaan opgewekt gerechtvaardigd vertrouwen dat moet worden gehonoreerd, wanneer dat vertrouwen is opgewekt door ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke uitlatingen of gedragingen namens dat orgaan. De rechtbank is van oordeel dat de desbetreffende email hiervoor geen aanknopingspunten biedt. De inhoud van het e-mail bericht van Prusak waar eiser naar verwijst wijst juist op het tegendeel. In de e-mail wordt namelijk het volgende gezegd: ‘als u onder de 700 euro op basis van 58 euro in de maand (een uurloon van ongeveer 12,00 euro) blijft heeft dit geen gevolgen voor uw uitkering. Het feit dat ik u dit doorgeef, wil niet zeggen dat u bij verdienste onder de 700 euro geen wijziging hoeft door te geven. U moet altijd de wijziging doorgegeven aan de afdeling Uitkeren.’ De rechtbank overweegt dat aan eiser in heldere bewoordingen duidelijk is gemaakt dat hij alle wijzigingen moet doorgeven, ongeacht de hoogte van het inkomen. Dat bij eiser naar eigen zeggen een andere indruk is ontstaan naar aanleiding van het e-mailbericht, doet hier niet aan af. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet.

12. Nu eiser zijn inkomsten niet bij verweerder heeft gemeld, heeft eiser de inlichtingenplicht geschonden. Verweerder was daarom verplicht de uitkering te herzien en de teveel verstrekte uitkering terug te vorderen. Eiser heeft niet gesteld of aannemelijk gemaakt dat sprake is van dringende redenen op grond waarvan verweerder geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder terecht de teveel ontvangen uitkering van eiser heeft teruggevorderd.

13. Uit vaste rechtspraak van de CRvB volgt dat schending van de inlichtingenplicht op zich niet voldoende is voor het opleggen van een boete. Bij het opleggen van een boete is van belang of eiser van de schending van de inlichtingenplicht een verwijt kan worden gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder overtuigend aangetoond dat eiser de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 80 van de WAO heeft geschonden. Eiser valt hiervan niet alleen objectief maar ook subjectief een verwijt te maken nu hij had moeten begrijpen dat hij de inkomsten aan verweerder had moeten melden. Van geen of verminderde verwijtbaarheid is dan ook geen sprake. De beroepsgrond slaagt niet.

14. De rechtbank ziet zich voorts voor de vraag geplaatst of de boete, gezien de omstandigheden waarin eiser verkeert passend en geboden is. Daartoe wordt als volgt overwogen. Ter zitting heeft eiser verklaard en is door verweerder niet bestreden dat hij door een medewerker van verweerder er rauwelijks telefonisch mee werd geconfronteerd dat hij wegens niet melden van inkomsten de inlichtingenplicht had geschonden. Hierbij werd te kennen gegeven dat eiser een bedrag van ruim € 10.000,- moest terugbetalen. Dit leidde er bij eiser toe dat hij terstond een beroerte kreeg en sindsdien ernstige medische klachten heeft, zowel fysiek als psychisch. Op grond van hetgeen eiser ter zitting naar voren heeft gebracht, acht de rechtbank aannemelijk dat deze klachten nog in ernst zijn toegenomen door de beslissing van verweerder om, naast de terugvordering, ook nog een boete op te leggen. De rechtbank acht deze wijze van bejegening van eiser door verweerder in strijd met wat van een behoorlijk handelend bestuursorgaan mag worden verwacht. Verweerders handelwijze getuigt van weinig empathie en de rechtbank overweegt dat vast is komen te staan dat eiser door deze manier van handelen fysieke en psychische schade heeft ondervonden. De rechtbank overweegt dat het gezien het voorgaande in de rede had gelegen dat verweerder had afgezien van het opleggen van een boete. Zeker nu eiser nog steeds de negatieve gevolgen ondervindt van verweerders handelwijze doordat zijn gezondheid nog steeds te wensen overlaat, acht de rechtbank de opgelegde boete niet passend en geboden. De rechtbank ziet dan ook aanleiding de boete op nihil vast te stellen.

15. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit I wordt vernietigd voor zover het ziet op de boeteoplegging en het primaire besluit wordt herroepen. De rechtbank is op grond van artikel 8:72a van de Algemene wet bestuursrecht gehouden zelf in de zaak te voorzien en zelf de hoogte van de boete vast te stellen. De rechtbank is van oordeel dat de boete, gelet op hetgeen in rechtsoverweging 14. is overwogen, op nihil dient te worden gesteld.

16. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt zij dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht dient te vergoeden.

17. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten, op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, vastgesteld op € 1.980,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift inzake de boete, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,- en wegingsfactor 1). Omdat de rechtbank een proceskostenveroordeling uitspreekt na 31 december 2016, ziet zij aanleiding het tarief van € 495,- per procespunt te hanteren.

Beslissing

- verklaart het beroep voor zover dat betrekking heeft op het bestreden besluit I ten aanzien van de herziening en de terugvordering niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep voor zover het ziet op het bestreden besluit I ten aanzien van de boeteoplegging gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit I voor zover daarin het bezwaar tegen de boeteoplegging bij het besluit van 23 juni 2015 ongegrond is verklaard;

- herroept het besluit van 23 juni 2015 wat betreft de boeteoplegging, stelt de boete op nihil en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit;

- verklaart het beroep voor zover dat betrekking heeft op het bestreden besluit II ongegrond;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 45,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.980,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Klein Egelink, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. S. Capitano, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 19 januari 2017

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.