Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:2435

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
27-03-2017
Datum publicatie
02-05-2017
Zaaknummer
C/05/316898/KG ZA 17-125
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort Geding. Geschil over de wijze van uitoefening van recht van uitweg. Een door de eigenaar van het dienend erf geplaatst hek bemoeilijkt het in-en uitrijden naar en van het heersend erf. Niet kan worden vastgesteld op welke wijze de erfdienstbaarheid gewoonlijk werd uitgeoefend. Belangenafweging leidt tot veroordeling tot verwijdering van het hek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/316898 / KG ZA 17-125

Vonnis in kort geding van 27 maart 2017

in de zaak van

[eiser sub 1]

en

[eiser sub 2] ,

beiden wonende te [adres 1] ,

eisers,

advocaat mr. J.Th. Waterman te Zwolle,

tegen

[gedaagde sub 1]

en

[gedaagde sub 2] ,

beiden wonende te [adres 1] ,

gedaagden,

advocaat mr. H.R. Flipse te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eisende partij] en [gedaagde partij] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 14 maart 2017 met producties;

  • -

    de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling op 22 maart 2017;

  • -

    de pleitnota van mr. Flipse voornoemd.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eisende partij] is eigenaar van percelen grond, [kadastrale aanduiding 1] , plaatselijk bekend [adres 2] te [adres 1] .

2.2.

[gedaagde partij] is eigenaar van percelen grond, [kadastrale aanduiding 2] (voorheen tezamen perceel nummer [kadastrale aanduiding 3] ), plaatselijk bekend [adres 3] te [adres 1] . Perceel nummer [kadastrale aanduiding 4] maakt deel uit van de [adres 4] .

2.3.

De [adres 4] te [adres 1] maakte voorheen kadastraal deel uit van de percelen van de aanwonenden op de even nummers. Op het perceel van [gedaagde partij] rust sinds 1941 een erfdienstbaarheid ten behoeve van het perceel van [eisende partij] , die in de vestigingsakte als volgt is omschreven (welke omschrijving in de akte van 5 maart 2007, waarbij laatstbedoeld perceel aan [eisende partij] is geleverd, is overgenomen):

“Het bij deze akte verkochte perceel krijgt recht van uitweg over de zoogenaamde [adres 4] , deel uitmakende van het gemelde kadastrale perceel [kadastrale aanduiding 3] (oud [kadastrale aanduiding 3] van en naar de [straat], wordende dit rechte gevestigd als erfdienstbaarheid ten laste van bedoelde [adres 4] en ten nutte en ten gebruike van het bij deze verkochte.

Verandering van de aard of de bestemming van het heerschende perceel of de stichting daarop van gebouwen zal aan de zijde van de eigenaar van het lijdende perceel tot generlei actie aanleiding geven.

De beide beukenboomen langs de [adres 4] welke onder het verkochte zijn begrepen mogen niet gekapt of gerooid worden, wordende dit bij deze gevestigd als erfdienstbaarheid ten laste van het verkochte en ten behoeve van de verdere eigendommen van verkoopster, onder [adres 1] .”

2.4.

De [adres 4] is een onverharde weg.

2.5.

[eisende partij] heeft op 19 mei 2016 het volgende aan [gedaagde partij] geschreven:

“Wij hebben last van overhangende takken/struiken die langs de [adres 4] staan waar wij langs moeten rijden om op ons erf te komen. De takken/struiken maken de weg steeds smaller, waardoor wij steeds moeilijker onze inrit kunnen bereiken en verlaten zonder dat wij beschadigingen aan onze auto’s krijgen. Ik ben reeds eerder bij u aan de deur geweest met dit verzoek, maar hieraan is geen gehoor gegeven ondanks dat dhr. [gedaagde partij] ons wel heeft toegezegd dit te doen.

Graag zouden wij zien dat jullie deze overhangende takken/struiken snoeien, zodat de weg weer een normale breedte krijgt waardoor wij weer op een normale manier ons erf kunnen bereiken en verlaten. Wij gaan ervan uit dat jullie dat binnen vier weken na heden doen. Als de takken/struiken na vier weken niet zijn gesnoeid, zullen wij dat zelf gaan of laten doen.

Wij gaan ervan uit dat jullie alsnog aan ons verzoek tot snoeien gehoor geven.”

2.6.

Bij brief van 30 mei 2016 heeft [gedaagde partij] geantwoord:

“In uw schrijven van 19 mei-2016 geeft u aan last te hebben van overhangende takken/struiken aan de [adres 4] .

Het lijkt ons nuttig om u de situatie aan de [adres 4] eens uit te leggen. De [adres 4] is een privé weg die in eigendom is van de percelen behorende tot de woningen nr 4, nr 6, nr 8 enzovoort. Kortom de eigenaren van de woningen ten zuiden en westen van de [adres 4] .

De eigenaren ten noorden en Oosten van de [adres 4] hebben een recht van overpad.

Concreet betekend dit, dat de inrit van de [adres 4] aan de Bovenweg en het stuk voor [adres 4] 4 eigendom is van de familie [naam 1] en het stuk gelegen voor [adres 3] eigendom is van de familie [gedaagde partij] . Het stuk voor [adres 4] 8 is eigendom van mevrouw [naam 2].

De eigenaren van de twee eerst genoemde percelen moeten een recht van overpad geven aan de bewoners van de percelen [adres 4] 5, 7, 9.

In het geval waar het hier om gaat, betekent dat de familie [gedaagde partij] u een recht van overpad moet geven om via hun grond uw erf te kunnen bereiken.

Dit recht van overpad bestaat uit de mogelijkheid om over een stuk grond ter breedte van 3 meter, u

de gelegenheid te geven uw erf te bereiken.

Deze breedte zullen wij u ter beschikking stellen, uitsluitend als middel om uw eigen erf te kunnen bereiken. Dus niet om blad op of af te blazen, auto’s te parkeren of te laten parkeren, honden te laten poepen of wat voor andere doeleinden dan ook.

Binnen kort zullen wij een hek laten plaatsen op 3 meter afstand van onze perceel grens, zodat u verzekerd bent van voldoende ruimte om uw eigen erf te kunnen bereiken.

Mocht u na het aanbrengen van deze afscheiding als nog overgaan tot het aanbrengen van schade aan struiken of begroeiing, dan zullen we dat beschouwen als een zeer ernstige inbreuk op ons eigendom en op gepaste wijze reageren.”

3 Het geschil

3.1.

[eisende partij] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, bij wege van voorlopige voorziening [gedaagde partij] zal veroordelen:

I. om binnen twee dagen na het te wijzen vonnis het hekwerk en alle beplanting en begroeiing te verwijderen en verwijderd te houden, onder verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- per dag, een dagdeel daaronder begrepen, dat [gedaagde partij] dit gebod overtreedt;

II. om binnen twee dagen na het te wijzen vonnis de weg te herstellen door het op deugdelijke wijze opvullen van de kuilen en gaten op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per keer dat [gedaagde partij] dit gebod overtreedt;

III. in de kosten van dit geding.

3.2.

De vordering is gegrond op de volgende stellingen. De [adres 4] (verder ook te noemen: de weg) was in 2007, toen hij daar is komen wonen, vijf meter breed. Door het door [gedaagde partij] geplaatste hekwerk is de weg ter plaatse van de oprit van [eisende partij] nu nog maar drie meter breed, wat tot gevolg heeft dat hij met zijn auto’s, een BMW X5 en een Opel Combo, niet dan met grote moeite de draai naar zijn oprit kan maken. Ook de planten en struiken langs de weg op het perceel van [gedaagde partij] bemoeilijken het in- en uitrijden. Het achterwege laten van onderhoud aan de weg door [gedaagde partij] heeft tot gevolg dat bij slecht weer de weg bijna onbegaanbaar wordt. Bij de in de herfst in deze beboste omgeving overvloedige bladval wordt de weg spiegelglad en dus gevaarlijk.

3.3.

[gedaagde partij] voert gemotiveerd verweer. Allereerst betwist hij het gestelde spoedeisende belang. Hij voert verder aan dat in de akte waarbij de erfdienstbaarheid is gevestigd geen sprake is van een wegbreedte van vijf meter en dat de weg nooit zo breed geweest is. Ook als ervan uitgegaan wordt dat perceel nummer [kadastrale aanduiding 4] vijf meter breed is geeft dat [eisende partij] geen recht op een weg van die breedte. [eisende partij] heeft aan de weg op zijn perceel een groot toegangshek met stenen poeren geplaatst. De brede bocht die [eisende partij] met zijn auto’s moet maken om zijn erf op en af te rijden veroorzaakt schade aan de beplanting op het erf van [gedaagde partij] . [eisende partij] heeft bovendien de gewoonte om met een bladblazer de weg schoon te houden, waarbij de bladeren op het perceel van [gedaagde partij] terechtkomen. Een en ander is voor hem reden geweest om het hek te plaatsen. Voor zover [eisende partij] van mening is dat hij te weinig ruimte heeft om zijn erf op en af te rijden heeft dat vooral te maken met de situering van zijn toegangshek met de stenen poeren.

3.4.

Bij hevige regenval ontstaan plassen op de weg, ook doordat water van de aangelegen percelen naar de weg vloeit en een riolering ontbreekt. Het water zakt echter snel weg in zandige ondergrond en er ontstaan dan ook geen gevaarlijke situaties. Overigens heeft [gedaagde partij] zelf belang bij goed onderhoud van de weg. [eisende partij] kan zo nodig zelf kuilen opvullen met puin en overhangende takken snoeien (artikel 5:75 BW), aldus nog steeds het verweer.

4 De beoordeling

4.1.

Het spoedeisend belang vloeit voort uit de stellingen van [eisende partij] .

4.2.

[gedaagde partij] heeft ter zitting toegelicht dat hij het hek heeft geplaatst nadat tussen partijen enig ongenoegen was ontstaan over de manier waarop [eisende partij] afgevallen bladeren verwijderde: hij gebruikte daarvoor een bladblazer, waardoor de bladeren op het terrein van [gedaagde partij] terechtkwamen, en over de schade aan beplanting die het gevolg was van het manoeuvreren van [eisende partij] met zijn auto’s.

4.3.

De omschrijving van de erfdienstbaarheid in de akte van vestiging (waaruit in de akte waarbij het perceel van [eisende partij] aan hem geleverd is wordt geciteerd), bevat behalve de vermelding van “(d)e beide beukenboomen langs de [adres 4] welke onder het verkochte zijn begrepen” geen concrete gegevens over de aard ervan. Bovendien ontbreken voldoende concrete gegevens over de breedte van de weg in de loop van de tijd sinds 2007; ook uit de foto’s valt in zoverre weinig af te leiden.

4.4.

Wel wijst de onderste van de door [gedaagde partij] als productie 2 overgelegde foto’s van vóór de plaatsing van het hek erop dat ter plaatse van de oprit van [eisende partij] de beplanting aan de andere kant van de weg enigszins terugwijkt, zodat er juist ruimte is voor [eisende partij] om met zijn auto’s zijn erf op en af te rijden. Het hek maakt dat inderdaad onnodig moeilijk.

4.5.

Nu uit het over en weer gestelde niet valt af te leiden op welke wijze de erfdienstbaarheid gewoonlijk is uitgeoefend, voldoende concrete gegevens over de breedte van de weg ontbreken en onvoldoende concreet is gesteld dat door het manoeuvreren met de auto’s van [eisende partij] schade is ontstaan aan de beplanting van [gedaagde partij] , is de voorzieningenrechter vooralsnog van oordeel dat, afgezet tegen het belang van [gedaagde partij] bij het door hem geplaatste hek, [eisende partij] door de aanwezigheid van het hek onevenredig zwaar in zijn belang wordt getroffen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat [eisende partij] zich bereid verklaard heeft de afgevallen bladeren voortaan met een bladhark bijeen te vegen en vervolgens af te voeren.

4.6.

Verder is ter zitting genoegzaam komen vast te staan dat [eisende partij] voor het op- en afrijden niet meer ruimte nodig heeft dan te zien is op de hiervoor onder 4.4 bedoelde foto. Ervan uitgaande dat [eisende partij] zich daartoe zal beperken acht de voorzieningenrechter het onder I gevorderde toewijsbaar voor wat het hek betreft. De daaraan te verbinden dwangsom zal worden beperkt tot € 500,- per dag en gemaximeerd tot € 25.000,-. Ter zitting heeft [gedaagde partij] laten weten binnenkort enige tijd in het buitenland te zullen verblijven. Naar aanleiding van het besprokene zal worden bepaald dat de verwijdering van het hek uiterlijk op 1 mei 2017 moet zijn voltooid.

4.7.

De vordering tot verwijdering van “alle beplanting en begroeiing” is niet toewijsbaar, omdat geen rechtsregel de eigenaar van het dienende erf verplicht maatregelen te treffen om de uitoefening van de erfdienstbaarheid mogelijk te maken en de kosten daarvan te dragen - daargelaten dat dit onderdeel van de vordering te onbepaald is om in aanmerking te komen voor toewijzing.

4.8.

Om dezelfde reden komt het onder II gevorderde niet in aanmerking voor toewijzing. [gedaagde partij] heeft terecht aandacht gevraagd voor artikel 5:75 BW, waarin is bepaald, voor zover hier van belang, dat de eigenaar van het heersende erf bevoegd is om op zijn kosten op het dienende erf alles te verrichten wat voor de uitoefening van de erfdienstbaarheid noodzakelijk is.

4.9.

Al het voorgaande leidt tot toewijzing van de vordering van [eisende partij] tot verwijdering van het hek op straffe van een dwangsom en tot afwijzing van het overige.

4.10.

Partijen zijn ieder op enkele punten in het ongelijk gesteld. De voorzieningenrechter zal daarom de proceskosten compenseren op de hierna te vermelden wijze.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde partij] om vóór 1 mei 2017 het hekwerk, aan partijen genoegzaam bekend, te verwijderen en verwijderd te houden, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag, een dagdeel daaronder begrepen, dat [gedaagde partij] dit gebod overtreedt, tot een maximum van € 25.000,-;

5.2.

wijst het meer of anders gevorderde af;

5.3.

compenseert de kosten dit geding aldus dat partijen ieder de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Veerman en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2017.