Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:2427

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
28-02-2017
Datum publicatie
01-05-2017
Zaaknummer
C/05/316360/KG ZA 17-106
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Burenrecht, persoonlijk gebruiksrecht, noodweg. Mondeling vonnis ter zitting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/316360 / KG ZA 17-106 / 17 / 823fh

Vonnis in kort geding van 28 februari 2017

in de zaak van

[eiser sub 1]

en

[eiser sub 2] ,

beiden wonende te Huissen, gemeente Lingewaard,

eisers,

advocaat mr. S.G. Blasweiler te Ede Gld,

tegen

[gedaagde sub 1]

en

[gedaagde sub 2] ,

beiden wonende te Huissen,

gedaagden,

advocaat mr. G.J.G. Olijslager te Nijmegen.

Partijen zullen hierna, ieder in mannelijk enkelvoud, worden aangeduid als [eisende partij 1] respectievelijk [gedaagde partij].

1 Procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 27 februari 2017 met producties;

  • -

    de mondelinge behandeling van 28 februari 2017;

  • -

    producties, door mr. Olijslager voornoemd ingezonden bij faxbericht van 28 februari 2017;

  • -

    de pleitnota kort geding van mr. Blasweiler voornoemd;

  • -

    de pleitaantekeningen van mr. Olijslager voornoemd met producties.

1.2.

De voorzieningenrechter heeft ter zitting van 28 februari 2017 bij mondeling vonnis de vordering van [eisende partij 1] toegewezen. Hieronder volgen de motivering en de schriftelijke vastlegging van de beslissing.

2 Feiten

2.1.

Partijen zijn buren van elkaar:

2.2.

[eisende partij 1] is eigenaar van een woning met tuin, erf en verdere aanbehoren, [kadastraal adres 1].

2.3.

[gedaagde partij] is eigenaar van een woning met tuin, erf en verdere aanbehoren, [kadastraal adres 2]. Zijn perceel grenst aan dat van [eisende partij 1].

2.4.

Vanouds maakten de eigenaren van het perceel [adres 1] om per kar of auto de achterkant van hun perceel te bereiken, gebruik van de oprit die vanaf de openbare weg [adres 2] toegang geeft tot het perceel nummer [kadastraal adres 3]. Onduidelijk is of dat gebruik krachtens een erfdienstbaarheid was. Bij de ruilverkaveling in 2013 is een dergelijke erfdienstbaarheid in ieder geval niet opnieuw gevestigd.

2.5.

[gedaagde partij] is ook eigenaar van een perceel, [kadastraal adres 4], verder te noemen: de strook. De strook is met puin verhard en vormt een weg die vanaf de [adres 2] langs het perceel van [gedaagde partij] (nummer [kadastraal adres 3]) loopt en toegang geeft tot de achterzijde van het perceel van [eisende partij 1].

2.6.

[gedaagde partij] heeft [eisende partij 1] gedagvaard voor deze rechtbank en gevorderd, voor zover hier van belang, dat [eisende partij 1] zou worden bevolen iedere vorm van gebruik van de strook te staken en gestaakt te houden op straffe van een dwangsom.

2.7.

[eisende partij 1] heeft in reconventie gevorderd dat [gedaagde partij] zou worden veroordeeld om het ongestoorde recht van overpad over de strook te verlenen aan ieder die zijn ([eisende partij 1]) perceel wil bereiken op straffe van een dwangsom.

2.8.

De rechtbank heeft bij vonnis van 13 juli 2016 onder zaak-/rolnummer C/05/296223 / HA ZA 16-34 overwogen, voor zover nu van belang, dat uit de feitelijke situatie ter plaatse valt af te leiden dat [gedaagde partij] een gebruiksrecht heeft verleend aan [eisende partij 1] om over de strook te komen van en te gaan naar de achterzijde van diens perceel ([kadastraal adres 1]), dat de voorzijde van het perceel van [eisende partij 1] slechts bereikbaar is via een smal, slecht verlicht voet/fietspad (het Zandsevoetpad), dat bij toewijzing van het door [gedaagde partij] gevorderde bevel het perceel van [eisende partij 1] niet meer per auto bereikbaar zou zijn en dat dit voor [eisende partij 1] zodanig bezwarend is dat het [gedaagde partij] niet zonder meer vrijstaat [eisende partij 1] en zijn bezoek het gebruik van het pad geheel te ontzeggen. Verder heeft de rechtbank overwogen dat het gebruiksrecht van het pad door [eisende partij 1] en diens bezoek echter niet onbeperkt is, dat [eisende partij 1] gebruik van het pad dient te maken op de minst bezwarende wijze en dat partijen daarover afspraken moeten maken, waarbij ieder het redelijk belang van de ander zoveel mogelijk respecteert. Een en ander heeft de rechtbank gebracht tot afwijzing van de vorderingen over en weer.

2.9.

De raadsman van [gedaagde partij] deelt bij aangetekende brief aan [eisende partij 1] van 29 augustus 2016 mee dat [gedaagde partij], voor zover inderdaad sprake is van een gebruiksrecht zoals door de rechtbank geoordeeld, dit recht opzegt tegen 1 maart 2017.

2.10.

[gedaagde partij] heeft van het hiervoor weergegeven vonnis van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bij exploot van dagvaarding van 30 augustus 2016 en gevorderd, voor zover hier van belang,

- het vonnis in conventie te vernietigen en voor recht te verklaren dat indien en voor zover [eisende partij 1] een gebruiksrecht hebben gehad om over de strook te komen van en te gaan naar de achterzijde van zijn perceel dit gebruiksrecht rechtsgeldig is geëindigd per 1 maart 2017;

- [eisende partij 1] te veroordelen uiterlijk per 1 maart 2017 het gebruik van de strook te staken en gestaakt te houden, zulks op straffe van een dwangsom;

- het vonnis in reconventie te bekrachtigen.

2.11.

[gedaagde partij] heeft bij brief van zijn raadsman van 23 februari 2017 [eisende partij 1] uitdrukkelijk verboden om vanaf 1 maart 2017 gebruik te maken van de strook en daarbij meegedeeld dat hij zal overgaan tot afsluiting daarvan.

3 Vordering en verweer

3.1.

[eisende partij 1] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

a. [gedaagde partij] met onmiddellijke ingang zal verbieden de strook voor hem en zijn bezoek af te sluiten, afgesloten te houden dan wel te doen afsluiten totdat het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, Afdeling Civiel, locatie Arnhem in de zaak met nummer 200.199.026/01 arrest heeft gewezen in het hoger beroep van het vonnis van deze rechtbank van 13 juli 2016 met zaak-/rolnummer C/05/296223/ HA ZA 16-34;

b. zulks op straffe, indien [gedaagde partij] zich niet houdt onder a. genoemde verbod, van een

dwangsom van € 250,- per dag of dagdeel dat de overtreding van het verbod plaatsvindt,

en

c. [gedaagde partij] zal veroordelen in de (proces)kosten van dit kort geding.

3.2.

De vordering is gegrond op de volgende stellingen. De rechtbank heeft bij haar meergenoemde vonnis vastgesteld dat [eisende partij 1] een recht tot gebruik van de strook heeft en dat er geen redelijk alternatief is. Afsluiting van de strook door [gedaagde partij] zal onrechtmatig zijn jegens [eisende partij 1]. Het gebruiksrecht kan slechts worden beëindigd door de rechter of door afstand ervan door [eisende partij 1]. Het gebruiksrecht is onderwerp van het hoger beroep, zodat de uitspraak van het hof moet worden afgewacht.

3.3.

[gedaagde partij] voert gemotiveerd verweer. Het verweer houdt in, kort gezegd, dat [eisende partij 1] noch een zakelijk recht noch een gebruiksrecht kan doen gelden op de strook, dat [eisende partij 1] en zijn bezoekers door de wijze waarop zij de strook gebruiken onrechtmatige hinder veroorzaken en dat zij de strook zelf nodig hebben voor de aanleg van parkeerplaatsen en de bouw van een aanleunwoning.

4 Beoordeling

4.1.

Het spoedeisend belang van [eisende partij 1] bij zijn vordering vloeit voort uit het door hem gestelde.

4.2.

De rechtbank heeft bij vonnis van 13 juli 2016 onder zaak-/rolnummer C/05/296223 / HA ZA 16-34 vastgesteld dat [eisende partij 1] een gebruiksrecht op de strook kan doen gelden. Daarvan behoort in dit kort geding te worden uitgegaan; dit vonnis moet in beginsel worden geëerbiedigd tot de uitspraak van het hof in hoger beroep. Dit gebruiksrecht is echter bij brief van 29 augustus 2016 opgezegd met ingang van 1 maart 2017. Dit leidt onder meer tot de vraag of los van een dergelijk persoonlijk recht een aanspraak van [eisende partij 1] bestaat op een behoorlijke uitweg over de strook.

4.3.

Uit het over en weer gestelde en het besprokene ter zitting blijkt genoegzaam dat opzegging van het gebruik gevolgd door afsluiting van de strook door [gedaagde partij] een noodsituatie voor [eisende partij 1] zal doen ontstaan, waarbij bepaald niet onaannemelijk is dat deze ingeslotenheid in rechte op enigerlei wijze (vergelijk artikel 5:57 BW) ten gunste van [eisende partij 1] verzilverd zou kunnen worden. Niet, althans onvoldoende betwist is immers dat onder de gegeven omstandigheden de voorzijde van de woning van [eisende partij 1] niet anders bereikbaar is dan te voet of per fiets, dat de dichtstbijzijnde parkeerplaats voor een auto op 150 meter afstand gelegen is en dat de gehandicapte zoon van [eisende partij 1] is aangewezen op taxivervoer. [eisende partij 1] heeft dan ook zijn belang bij toegankelijkheid van de strook voldoende concreet en feitelijk toegelicht. Los hiervan brengt een normaal gebruik van een woonperceel, zeker in een landelijke omgeving, mee dat dit in beginsel met een auto toegankelijk moet zijn.

4.4.

Een afweging van de wederzijdse belangen van partijen leidt niet tot een ander resultaat. Het belang van [gedaagde partij] bij afsluiting van de strook is onvoldoende specifiek. Hij heeft wel aangevoerd dat hij er wil bouwen, maar een concreet plan daarvoor heeft hij niet. Bovendien voert hij ook andere opties tot het gebruik van de strook aan waaruit hij op voorhand geen keus maakt. Zijn stellingen over hinder veroorzaakt door bezoekers van [eisende partij 1] zijn voorts weinig concreet. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat het belang van [gedaagde partij] bij afsluiting van de strook vooralsnog, dat wil zeggen totdat het hof daarover uitspraak heeft gedaan, moet wijken voor dat van [eisende partij 1] bij toegankelijkheid ervan.

4.5.

De voorzieningenrechter heeft ter zitting het verbod toegewezen als gevorderd. De dwangsom bij overtreding ervan zal worden gemaximeerd.

4.6.

[gedaagde partij] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit geding. De aan de zijde van [eisende partij 1] gevallen kosten worden begroot op € 97,31 voor de betekening van de dagvaarding, € 287,- voor griffierecht en € 816,- volgens het liquidatietarief voor salaris advocaat, in totaal € 1.200,31.

5 Beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

legt het heden mondeling gewezen vonnis vast waarbij:

- [gedaagde partij] met onmiddellijke ingang is verboden de strook voor [eisende partij 1] en diens bezoek af te sluiten, afgesloten te houden dan wel te doen afsluiten totdat het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, Afdeling Civiel, locatie Arnhem in de zaak met nummer 200.199.026/01 arrest heeft gewezen in het hoger beroep tegen het vonnis van deze rechtbank van 13 juli 2016 met zaak-/rolnummer C/05/296223/ HA ZA 16-34;

- is bepaald dat, indien [gedaagde partij] zich niet houdt onder 5.1 genoemde verbod, hij aan [eisende partij 1] een dwangsom verbeurt van € 250,- per dag of dagdeel dat de overtreding van het verbod plaatsvindt,

en maximeert de te verbeuren dwangsommen tot € 25.000,-;

5.2.

veroordeelt [gedaagde partij] in de kosten van dit kort geding, aan de zijde van [eisende partij 1] begroot op € 1.200,31;

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is mondeling gewezen door mr. R.J.J. van Acht en in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2017.