Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:2413

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
05-04-2017
Datum publicatie
01-05-2017
Zaaknummer
C/05/307574 HA ZA 16-433
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Art. 18 WvK

Vennoot van een vof is hoofdelijk aansprakelijk voor schulden van de vof die ten tijde van zijn toetreding reeds bestonden (onder verwijzing naar Hoekzema-arrest).

Uitgetreden vennoot blijft aansprakelijk voor schuld van inmiddels failliete vof.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Koophandel
Wetboek van Koophandel 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2017/658
NJF 2017/279
AR 2017/2248
JIN 2017/98 met annotatie van E.E.G. Gepken-Jager
OR-Updates.nl 2017-0152
INS-Updates.nl 2017-0200
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/307574 / HA ZA 16-433

Vonnis van 5 april 2017

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser] B.V.,

gevestigd te Poeldijk, gemeente Westland,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DELICE B.V.,

gevestigd te Poeldijk, gemeente Westland,

eiseressen,

advocaat mr. F.J. Hordijk te Naaldwijk,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CVV BEHEER B.V.,

gevestigd te Eck en Wiel, gemeente Buren,

gedaagde,

advocaat mr. A.J.A.M. Veen-Brom BSc. te Culemborg.

Partijen zullen hierna [eiser] c.s. en CvV genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 9 november 2016

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 8 februari 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

In 2014 en 2015 heeft [eiser] c.s. zakelijke betrekkingen onderhouden en geld geïnvesteerd in verschillende vennootschappen van de heer [naam 1] , die alleen of samen met derden (middellijk) bestuurder dan wel vennoot was van deze vennootschappen.

2.2.

Een van deze vennootschappen was de vennootschap onder firma [naam 1] Poolse winkel vof (hierna: de Vof). Sinds haar oprichting per 23 september 2010 waren [naam 1] en zijn echtgenote vennoten van de Vof en vanaf 6 december 2010 trad ook de heer [naam 2] als vennoot toe.

2.3.

Per 1 maart 2016 is [naam 2] uitgetreden als vennoot en op 2 maart 2016 zijn vervolgens [naam 1] en zijn echtgenote ieder als vennoot uitgetreden en op diezelfde datum zijn N&B Holding BV (waarvan [naam 1] en zijn echtgenote bestuurders zijn) en CvV toegetreden als vennoten. Blijkens het uittreksel van de Kamer van Koophandel zijn beide vennoten onbeperkt bevoegd de Vof te vertegenwoordigen. De heer [naam 3] is enig aandeelhouder en bestuurder van CvV.

2.4.

Op 4 april 2016 is CvV vervolgens weer uitgetreden als vennoot waarvan opgave is gedaan bij de Kamer van Koophandel. Daarbij is als uittredingsdatum 3 maart 2016 vermeld.

2.5.

Op grond van een schriftelijke geldleningsovereenkomst van 30 december 2015 gesloten tussen [eiser] c.s. en de heer [naam 1] en vier van zijn vennootschappen (waaronder niet de Vof) heeft [eiser] c.s. een bedrag van € 435.465,- te vermeerderen met rente van hen te vorderen.

2.6.

Bij geregistreerde stampandakte van 19 februari 2015 hebben [naam 1] en een zevental vennootschappen, waaronder de Vof, gezamenlijk in de akte aangeduid als “pandgever” verschillende pandrechten verstrekt aan [eiser] c.s. als pandhouder ter meerdere zekerheid voor de vordering als bedoeld in 2.5 en voor alle vorderingen die op dat moment bestaan en nog zullen worden verkregen voortkomend uit de rechtsverhoudingen die tussen de partijen bij de akte bestaan.

2.7.

Op enig moment heeft [eiser] c.s. naast de onder 2.5 bedoelde geldlening nog een bedrag van € 270.000,- in hoofdsom van pandgever te vorderen gekregen.

2.8.

Bij brief van 22 februari 2016 van de raadsman van [eiser] c.s. is aan de pandgever (op grond van artikel 4.9 van de geldleningsovereenkomst en artikel 9 van de pandakte) verzocht aanvullende zekerheid te stellen vóór 25 februari 2016. De aanvullende zekerheid is niet verleend voor het verstrijken van deze termijn.

2.9.

Bij brief van 29 februari 2016 is namens [eiser] c.s. aanspraak gemaakt op onmiddellijke betaling van het bedrag van € 435.465,- te vermeerderen met rente.

2.10.

Bij verzoekschrift van 8 maart 2016 heeft [eiser] c.s. een verzoek ex artikel 492 en 496 lid 2 Rv ingediend bij de voorzieningenrechter tot het verkrijgen van verlof tot afgifte aan de pandhouder.

2.11.

Op 10 maart 2016 heeft de voorzieningenrechter voorlopig verlof verleend tot het leggen van beslag tot het verkrijgen van afgifte ex artikel 492 Rv. Op 16 maart 2016 heeft de mondelinge behandeling daarover bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam plaatsgevonden. Blijkens het proces-verbaal van 16 maart 2016 is daar ten overstaan van de voorzieningenrechter tussen de partijen een vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen. Bij die zitting werd [eiser] c.s. als pandhouder bijgestaan door haar advocaat en werden de acht pandgevers waaronder de Vof (gezamenlijk in het proces-verbaal aangeduid als “pandgever”), vertegenwoordigd door [naam 1], eveneens bijgestaan door een advocaat.

2.12.

De vaststellingsovereenkomst behelst onder meer de volgende artikelen:

1) Partijen zijn het er over eens dat de vordering van pandhouder op pandgever totaal € 740.738,25 bedraagt te vermeerderen met rente hierover van 5% per jaar.

2) Pandgever zal voor 17 maart 2016 ten aanzien van de geldlening van € 435.465 een bedrag van € 5.000,- overboeken op het rekeningnummer van [eiser] c.s.

3) Pandgever zal met ingang van 24 maart 2016 iedere donderdag ter zake van dezelfde lening € 500,- per week aflossen, waarbij na drie maanden een herziening zal plaatsvinden, met dien verstande dat het aflossingsbedrag niet minder zal worden.

4) Alle bepalingen uit de overeenkomst van geldlening ten bedrage van € 435.465,- en de pandakte blijven, met in achtneming van al het in deze schikking overeengekomene tussen partijen van kracht. (...)

6) Zonder schriftelijke instemming van pandhouder worden in pandgever geen activiteiten uitgebreid en/of gestaakt en/of overgedragen en/of wordt geen indeplaatsstelling bewerkstelligd.

(…)

9) Indien pandgever enige betaling niet tijdig en volledig doet zal terstond de gehele uitstaande vordering opeisbaar zijn.

2.13.

Met uitzondering van een betaling van € 5.000,- op 17 maart 2016 is pandgever de verplichtingen zoals vastgelegd in de vaststellingsovereenkomst niet (volledig) nagekomen.

2.14.

Op 30 maart 2016 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen [eiser] c.s., vertegenwoordigd door de heer [eiser] en bijgestaan door haar raadsman enerzijds en [naam 1], [naam 3] en een raadsman anderzijds. In deze bijeenkomst stelde [naam 3] voor zich als schuldenaar hoofdelijk te verbinden voor de schuld van € 270.000,- in hoofdsom, waarbij een bedrag van € 15.000,- ineens zou worden voldaan en vervolgens maandelijks steeds € 10.000,-. Over dit voorstel hebben partijen geen overeenstemming kunnen bereiken.

2.15.

Bij brief van 28 april 2016 heeft de raadsman van [eiser] c.s. CvV als vennoot van de Vof gesommeerd tot betaling van het bedrag van de vaststellingsovereenkomst. Betaling is uitgebleven.

2.16.

Op 27 mei 2016 is de Vof failliet verklaard, met benoeming van mr. P.C. Nieuwenhuizen als curator.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] c.s. vordert samengevat - veroordeling van CvV tot betaling van € 735.738,25 te vermeerderen met de contractuele rente daarover van 5% per jaar vanaf 17 maart 2016 en de buitengerechtelijke kosten van € 500,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum dagvaarding tot aan de dag de algehele voldoening, met veroordeling in de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen.

3.2.

CvV voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiser] c.s. heeft aanspraak gemaakt op betaling van het bedrag van € 735.738,25 waarover [eiser] c.s. als pandhouder en (onder meer) de Vof als pandgever een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten (zie 2.12).

4.2.

CvV heeft betoogd dat [eiser] c.s. niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat de Vof inmiddels failliet is verklaard zodat [eiser] c.s. zich tot de curator moet wenden. Subsidiair heeft zij zich op het standpunt gesteld dat zij niet gebonden kan zijn aan de overeenkomsten die [naam 1] namens de Vof met [eiser] c.s. heeft gesloten omdat deze de bevoegdheden van [naam 1] als “bestuurder” blijkens de vof-akte te boven gaan. Weliswaar is die vof- akte niet ingeschreven bij de Kamer van Koophandel maar bij een dergelijk hoog bedrag mag van [eiser] c.s. worden verwacht dat zij controleert of haar contractspartij tekeningsbevoegd is. Voorts heeft zij betoogd dat CvV alleen aangesproken kan worden voor een schuld van de Vof en dat de vaststellingsovereenkomst waarin een betalingsregeling is vastgelegd niet een schuld betreft van de Vof. In het processtuk van CvV worden de vennoten van de Vof door CvV als “bestuurder” aangeduid. De rechtbank gaat er in het hiernavolgende vanuit dat vennoot zal zijn bedoeld.

4.3.

Het verweer van CvV dat het faillissement van de Vof tot de niet-ontvankelijkheid van [eiser] c.s. moet leiden wordt verworpen. Een personenvennootschap, zoals een vennootschap onder firma, is geen rechtspersoon met een volledig afgescheiden eigen vermogen dat schuldeisers verhaal kan bieden. Het vermogen van de vof is hetgeen de vennoten op grond van een vennootschapsovereenkomst in de personenvennootschap hebben ingebracht. Als dit vermogen onvoldoende is om de schulden van de vof te kunnen voldoen, zijn de vennoten naast de vof hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden van de vof. Het faillissement van de vof brengt daar voor een voormalig vennoot geen verandering in, zodat [eiser] c.s. zich niet exclusief tot de curator moet wenden, zoals CvV kennelijk betoogt.

4.4.

In het onderhavige geschil ligt de vraag voor of een nieuwe vennoot in een vennootschap onder firma (vof) is aan te spreken voor de schulden die de vennootschap reeds had op het moment van aantreden.

4.5.

In het zogenoemde Hoekzema-arrest (ECLI:NL:HR:2015:588) heeft de Hoge Raad artikel 18 Wetboek van Koophandel (WvK) als volgt uitgelegd. Artikel 18 WvK bepaalt voor de vennootschap onder firma dat elk der vennoten hoofdelijk verbonden is ‘wegens de verbindtenissen der vennootschap’. Daarin valt geen beperking te lezen tot verbintenissen van de vennootschap die zijn ontstaan nadat een vennoot is toegetreden. Voorts brengt de strekking van art. 18 WvK mee dat de hoofdelijke verbondenheid van de vennoten alle schulden betreft die ten tijde van hun toetreding tot de vennootschap bestaan, of nadien ontstaan. Deze bepalingen beogen immers de schuldeisers van een vennootschap onder firma te beschermen in een situatie waarin het (van dat van de vennoten) afgescheiden vennootschapsvermogen ontoereikend is om aan alle verbintenissen van de vennootschap te voldoen, door hun een verhaalsmogelijkheid te geven op het vermogen van de vennoten zelf.

4.6.

De omstandigheid dat bij deze wetsuitleg de bestaande schuldeisers van de vennootschap er met de toetreding van een nieuwe vennoot een verhaalsmogelijkheid bij krijgen, maakt dit niet anders. Daarvoor bestaat een deugdelijke grond, te weten dat deze schuldeisers een rechtsbetrekking zijn aangegaan met een vennootschap voor de verbintenissen waarvan de vennoten krachtens de wet persoonlijk instaan. Het aanvaarden van hoofdelijke aansprakelijkheid van vennoten van een vennootschap onder firma voor bij hun toetreden reeds bestaande verbintenissen van de vennootschap dient bovendien de rechtszekerheid. Een onderzoek naar het ontstaansmoment van verbintenissen van de vennootschap, met het oog op de vraag welke vennoot of vennoten daarvoor kan of kunnen worden aangesproken, kan dan immers achterwege blijven.

4.7.

Ter comparitie heeft [eiser] c.s. nader toegelicht hoe de pandakte en de onderliggende vordering destijds tot stand zijn gekomen. Er was sprake van een zogenoemde paraplufinanciering van het aan [naam 1] gelieerde concern van vennootschappen waarin onder meer diverse supermarkten werden geëxploiteerd. In deze financieringsconstructie waren de vennootschappen onderling hoofdelijk verbonden. Uiteindelijk heeft het niet nakomen van de financieringsafspraken geleid tot de pandakte (2.6) en de vaststellingsovereenkomst (2.12). [eiser] c.s. heeft voorts het door CvV gevoerde verweer dat zij slechts als adviseur van [naam 1] optrad en niet kan worden gehouden een door [naam 1] aangegane schuld te betalen, omdat haar rol slechts zeer marginaal was ter zitting gemotiveerd tegen gesproken. Nu CvV hoewel behoorlijk opgeroepen niet ter zitting is verschenen zal bij gebreke van een nadere betwisting van de ter zitting door [eiser] c.s. gegeven toelichting worden uitgegaan.

4.8.

Bij het tekenen van de vaststellingsovereenkomst bij de voorzieningenrechter werden de verschillende vennootschappen bijgestaan door een advocaat die heeft ingestaan voor de tekeningsbevoegdheid van [naam 1], zoals ook achter de naam van [naam 1] op de vaststellingsovereenkomst tussen haakjes is vermeld, namelijk “bevoegd te tekenen namens pandhouder”. Bovendien is na het tekenen van die akte nog overleg geweest tussen [eiser] c.s. en onder meer de heer [naam 3] van CvV. Bij dat overleg heeft [naam 3] het betalingsvoorstel als bedoeld in rechtsoverweging 2.14 gedaan en hij heeft zich op dat moment voor een deel van de schuld hoofdelijk willen verbinden. Onder deze omstandigheden valt niet in te zien dat [eiser] c.s. erop bedacht moest zijn dat [naam 1] zijn tekeningsbevoegdheid had overschreden. Het feit dat de vof-akte, waarin een beperking van de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de vennoten was opgenomen, niet was ingeschreven in de Kamer van Koophandel dient voor rekening en risico van CvV te blijven. Uit artikel 1 van de vaststellingsovereenkomst volgt dat de vordering op (onder meer) de Vof op 16 maart 2016 € 740.738,25 bedroeg en dat daarover een contractuele rente van 5% per jaar was verschuldigd. Op dat moment was CvV vennoot van de Vof en uit hetgeen hiervoor onder 4.5 en 4.6 is overwogen volgt dat zij daarmee hoofdelijk aansprakelijk was voor deze schuld. Het feit dat CvV zich op 4 april 2016 met terugwerkende kracht bij de KvK heeft uitgeschreven tot 3 maart 2016, maakt niet dat daarmee tevens de hoofdelijke aansprakelijkheid over de periode van 3 april tot en met 4 april 2016 met terugwerkende kracht komt te vervallen.

4.9.

Nu er op 17 maart 2016 een bedrag van € 5.000,- op is afbetaald, bedraagt de openstaande hoofdsom nog € 735.738,25. Deze hoofdsom zal met de gevorderde contractuele rente daarover worden toegewezen. Nu er tegen de ingangsdatum van de contractuele rente geen verweer is gevoerd, zal deze op 17 maart 2016 worden gesteld.

4.10.

[eiser] c.s. heeft gesteld buitengerechtelijke kosten gemaakt te hebben en heeft vergoeding daarvan gevorderd. Voldaan dient te worden aan het vereiste dat alleen redelijke kosten die in redelijkheid zijn gemaakt kunnen worden toegewezen. In dit geval is niet gebleken dat niet aan dit vereiste is voldaan, zodat de rechtbank de gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal toewijzen.

4.11.

CvV zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] c.s. worden begroot op:

- dagvaarding € 80,40

- griffierecht 3.903,00

- salaris advocaat 5.160,00 (2,0 punten × tarief € 2.580,00)

Totaal € 9.143,40

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt CvV om aan [eiser] c.s. te betalen een bedrag van € 735.738,25 (zevenhonderdvijfendertig duizendzevenhonderdachtendertig euro en vijfentwintig eurocent), vermeerderd met de contractuele rente van 5% per jaar daarover met ingang van 17 maart 2016 tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt CvV om aan [eiser] c.s. te betalen een bedrag van € 500,00 (vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente over het toegewezen bedrag met ingang van 24 augustus 2016 met ingang van 24 augustus 2016 tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt CvV in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] c.s. tot op heden begroot op € 9.143,40, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.4.

veroordeelt CvV in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat CvV niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.M.I. de Waele en in het openbaar uitgesproken op 5 april 2017.