Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:2090

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
28-03-2017
Datum publicatie
13-04-2017
Zaaknummer
05/880883-16 + 05/820428-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank Gelderland veroordeelt een 34-jarige man uit Arnhem voor een poging tot doodslag, bedreiging en mishandeling tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar. Ook moet de man een schadevergoeding betalen aan het slachtoffer van de poging tot doodslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0389
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/880883-16 + 05/820428-14 (tul)

Datum uitspraak : 28 maart 2017

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats] , wonende te [adres]

thans gedetineerd te P.I. HvB Grave (Unit A + B) te Grave

raadsman: mr. S. Ben Tarraf, advocaat te Amsterdam.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 11 oktober 2016, 3 januari 2017 en 14 maart 2017.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de rechtbank toegewezen vordering nadere omschrijving tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 18 mei 2016 te Arnhem [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend die [slachtoffer 1] een mes, althans een daarop gelijkend, scherp en/of puntig en/of snijdend voorwerp getoond/voorgehouden;

2.

hij op of omstreeks 18 mei 2016 te Arnhem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, van het leven te beroven,

-9 (negen) maal, in ieder geval meermalen, met een vuurwapen, (gericht) heeft geschoten (op een afstand van ongeveer 1,5 (anderhalve) meter, althans op (zeer) korte afstand) op die [slachtoffer 1] , terwijl deze in zijn auto was gezeten en/of waarbij die [slachtoffer 1] 4 (vier) maal, althans meedere malen, werd geraakt in zijn bovenlichaam en/of in zijn arm(en) en/of in zijn bovenbe(e)n(en)), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op of omstreeks 13 juni 2016 te Arnhem [slachtoffer 2] (te weten zijn moeder) en/of [slachtoffer 3] (te weten zijn zus) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware

mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] dreigend de woorden toegevoegd :"ik ga wapens halen en ik schiet jullie allemaal dood" en/of "ik wil euro 300.000,-(driehonderdduizend) hebben anders vermoord ik jullie" en/of (tegen die [slachtoffer 3] ) "Ik ga je dood maken en ik ga jou als eerste vermoorden" , althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

4.

hij op of omstreeks 13 juni 2016 te Arnhem [slachtoffer 3] (te weten zijn zus) en/of [slachtoffer 2] (te weten zijn moeder)heeft mishandeld door

ten aanzien van [slachtoffer 3]

-die [slachtoffer 3] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) op de (rechter) schouder te stompen/slaan en/of

ten anzien van die [slachtoffer 2]

-die [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) in/tegen de buik heeft geschopt/getrapt(waardoor die [slachtoffer 2] ten val is gekomen).

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Feit 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat op grond van de bewijsmiddelen in het procesdossier wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging. De officier van justitie acht de verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting ongeloofwaardig.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde bepleit. De in de tenlastelegging opgenomen feitelijke gedraging is niet van dien aard dat zij onder omstandigheden een bedreiging met enig misdrijf gericht tegen het leven dan wel zware mishandeling kan opleveren. Uit de bewijsmiddelen volgt voorts niet dat het tonen/voorhouden van het mes onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij het slachtoffer de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou verliezen, dan wel zwaar mishandeld zou kunnen worden. Het enkel tonen van een wapen is bovendien niet direct strafbaar. Subsidiair heeft de verdediging vrijspraak bepleit vanwege te weinig wettig en overtuigend bewijs. De verdediging heeft naar voren gebracht dat de getuigenverklaringen niet consistent zijn, innerlijk tegenstrijdig en tegenstrijdig ten opzichte van de andere getuigenverklaringen.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat verdachte op 18 mei 2016 aanwezig is geweest in coffeeshop [naam 1] in Arnhem. Verdachte droeg op dat moment een beige jas en had een pet op.2

Aangever heeft verklaard dat hij de betreffende avond de zoon van de eigenaar van coffeeshop [naam 1] , [getuige] , heeft horen schreeuwen tegen een Marokkaan en dat [getuige] deze man uit de coffeeshop heeft gezet. Aangever wilde [getuige] helpen, heeft de Marokkaanse man op straat geduwd en heeft tegen de man geroepen: "Opkankeren, ga je kankermoeder lastigvallen". Aangever heeft verklaard dat de man toen meteen een mes trok.3 Aangever heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat de persoon die het mes trok verdachte was. Verdachte stapte, nadat hij het mes had getrokken, op aangever af en zei dat hij Marokkaan was en dat aangever niet over zijn moeder moest beginnen.4

[getuige] heeft op 19 mei 2016 verklaard dat hij een man heeft gevraagd weg te gaan uit de coffeeshop. Deze man is vermoedelijk Marokkaans en had een petje op. [getuige] zag buiten dat een andere man zich er mee begon te bemoeien, hij denkt dat deze man voor hem wilde opkomen. [getuige] heeft verklaard dat de man die hij had weggestuurd opeens een mes pakte en naar de andere man toe liep.5 [getuige] heeft op 22 mei 2016 -aanvullend- verklaard dat toen aangever wat zei verdachte kwaad werd en begon te schreeuwen. Hij heeft verklaard dat het leek alsof verdachte wilde wegrennen maar dat hij zich ineens omdraaide, dat hij toen een mes in zijn hand hield en hiermee op aangever afstormde. De man met de beige jas en de donkere pet, die te zien is op de camerabeelden, is de man die het mes heeft getrokken.6

Getuige [getuige 1] heeft op 18 mei 2016 tegenover de politie verklaard dat hij heeft gezien dat een jongen met een lichte jas aan naar buiten werd geduwd. Hij zag dat een latino Mexicaanse jongen zich ermee bemoeide en zag dat de man die naar buiten was geduwd een mes trok.7

Getuige [getuige 2] heeft op 26 mei 2016 tegenover de politie verklaard dat [getuige] de Marokkaanse man naar buiten heeft gestuurd en dat aangever op dat moment al buiten stond. [getuige 2] hoorde die Marokkaanse jongen iets roepen van "niet over mijn moeder". Aangever zei toen hij de shop in kwam iets van: "die gek trekt gewoon een mes".8 [getuige 2] heeft op 23 februari 2017 bij de rechter-commissaris verklaard dat aangever en verdachte tegen elkaar schreeuwden en dat hij aangever naar achteren heeft zien springen. Hij heeft gehoord dat er iets werd gezegd in de trant van: “Hé he he”.9

Betrouwbaarheid getuigenverklaringen

De rechtbank is van oordeel dat de afgelegde getuigenverklaringen in de kern helder, consistent en eenduidig zijn en ook op hoofdlijnen op elkaar aansluiten. Op detailniveau zijn er verschillen te ontdekken tussen de verklaringen, maar deze nemen niet weg dat de verklaringen in grote lijnen met elkaar overeenkomen. De rechtbank overweegt daarbij dat zowel aangever als de getuigen [getuige] en [getuige 1] vlak na het incident door de politie zijn gehoord. Zij verklaren allen op dat moment over het trekken van een mes door verdachte. De rechtbank merkt op dat aangever en getuige [getuige] hun bij de politie afgelegde verklaringen ten overstaan van de rechter-commissaris volledig hebben bevestigd. Getuige [getuige 2] is enkele dagen na het incident gehoord en heeft op dat moment verklaard dat aangever de coffeeshop in kwam lopen en zei dat verdachte een mes had getrokken. De rechtbank acht op grond van voorgaande, anders dan door de raadsman is betoogd, de verklaringen van aangever en de getuigen geloofwaardig en betrouwbaar en zal deze verklaringen voor het bewijs gebruiken. Dat door de getuigen op bepaalde onderdelen over het verloop van de avond voorafgaand aan het incident wisselend is verklaard, doet aan de geloofwaardigheid van de verklaringen over het incident niet af. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Mes

De rechtbank acht op grond van bovenstaande bewezen dat verdachte door getuige [getuige] uit de coffeeshop is gezet, waarna aangever en verdachte buiten de coffeeshop een conflict met elkaar hebben gekregen. De verklaring van aangever dat hij daarbij heeft gescholden met ‘kankermoeder’ wordt ondersteund door de verklaring van getuige [getuige 1] . Getuige [getuige 1] en getuige [getuige 2] hebben voorts verklaard dat hierop door verdachte is gereageerd door te zeggen dat aangever niet over zijn moeder moest praten. De rechtbank acht bewezen dat verdachte bij dit conflict een mes heeft getrokken. Zowel aangever, als getuige [getuige] , als getuige [getuige 1] hebben dezelfde dag respectievelijk de dag na het incident tegenover de politie verklaard te hebben gezien dat verdachte een mes trok.

Bedreiging

De rechtbank moet vervolgens de vraag beantwoorden of aangever zich objectief gezien bedreigd kon voelen. Ten aanzien hiervan overweegt de rechtbank dat er sprake was van een woordenwisseling tussen aangever en verdachte. In deze situatie heeft verdachte een mes getoond en is hij op aangever afgestapt. De rechtbank is van oordeel dat in deze context, waarin er sprake was van een ruzie tussen verdachte en aangever, aangever zich door het handelen van verdachte, objectief bezien, bedreigd kon voelen. De rechtbank acht op grond van vorenstaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 ten laste gelegde bedreiging van aangever. De rechtbank is van oordeel dat in de gegeven omstandigheden het tonen van een mes dient te worden opgevat als een bedreiging met zware mishandeling.

Feit 2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat op grond van de bewijsmiddelen in het procesdossier wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot moord. De verklaring van [getuige 3] is betrouwbaar en kan gebruikt worden voor het bewijs. Gelet op de aard, omvang en ernst van het vuurwapengeweld heeft verdachte opzet gehad op het doden van aangever. Verdachte heeft meermalen van korte afstand en gericht op de auto geschoten waarin aangever zat. Verdachte is gericht en berekenend te werk gegaan; hij heeft een andere jas en een vuurwapen opgehaald en is terug gegaan naar de stad. Verdachte is achter de auto van aangever gaan lopen/rennen en heeft aangever geroepen. Hij heeft voldoende tijd gehad om na te denken, zich te beraden, anders te besluiten of anders te handelen. Bij de beoordeling dient uitgegaan te worden van de uiterlijke verschijningsvorm. Er is sprake van voorbedachte raad. De officier van justitie acht de verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting ongeloofwaardig.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit wegens een gebrek aan wettig en overtuigend bewijs dat verdachte de schutter is geweest. De verklaringen van de aangever vormen onvoldoende basis voor de stelling dat de persoon uit de coffeeshop aangemerkt kan worden als de schutter. De door de getuigen opgegeven signalementen van de schutter zijn contra-indicaties voor de stelling dat verdachte de schutter zou zijn. De op de kleding aangetroffen schotresten kunnen niet in verband worden gebracht met het onderhavige schietincident. De door [getuige 3] afgelegde verklaringen dienen te worden uitgesloten van het bewijs dan wel dient de bewijswaarde van de verklaringen als zeer gering te worden beschouwd. De verhoorders zijn suggestief te werk gegaan en de door [getuige 3] afgelegde verklaringen zijn onbetrouwbaar nu zij inconsistent, innerlijk tegenstrijdig en tegenstrijdig met de verklaring van verdachte en andere elementen zijn. Voorts kan [getuige 3] zich simpelweg vergist hebben. Subsidiair heeft de verdediging naar voren gebracht dat geen sprake is van voorbedachte raad. Op grond van de bewijsmiddelen is niet komen vast te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. De conclusies van het Pieter Baan Centrum vormen een contra-indicatie voor de voorbedachte raad.

Beoordeling door de rechtbank

Op 19 mei 2016 heeft aangever aangifte gedaan van een poging moord/doodslag.

Uit de aangifte komt naar voren dat aangever op 18 mei 2016 rond 23:05 uur de coffeeshop heeft verlaten en in zijn auto -een [merk 1] - is gestapt om naar huis te gaan. Aangever heeft verklaard op dat moment verdachte te hebben zien lopen. Hij heeft verklaard dat hij verdachte ging pesten door gas te geven en te remmen. Hij liet verdachte dichterbij de auto komen en verdachte riep: "kom nu dan, kom nu dan!". Aangever zag vervolgens dat verdachte zijn arm strekte en begon te schieten. Aangever is gebukt en is weggereden.

Aangever heeft verklaard dat verdachte op dat moment een andere jas droeg dan eerder op de avond, namelijk een zwarte, en dat verdachte een capuchon op had. Verdachte droeg eerder op de avond een beige jas. Aangever heeft verklaard 100 procent zeker te weten dat degene die op hem heeft geschoten, dezelfde persoon is als de persoon die hij die avond bij de coffeeshop een duw heeft gegeven. Aangever herkende hem toen hij hem de tweede keer weer zag. Verdachte stond op zo'n anderhalf à twee meter afstand van de auto.10 In een aanvullend verhoor heeft aangever verklaard dat hij verdachte herkende van het incident bij de coffeeshop toen hij het gezicht van verdachte zag en verdachte schreeuwde: "kom dan, kom dan".11 Bij de rechter-commissaris heeft aangever verklaard dat verdachte iets in de trant van "Kom dan kankerlijer" tegen aangever zei en dat verdachte praatte met een Marokkaans accent. Aangever heeft verklaard dat dat in de coffeeshop hetzelfde was toen hij op een normale toon sprak.12

Sporenonderzoek

Uit onderzoek komt naar voren dat met een vuurwapen op de auto van aangever, vanaf een positie achter de auto, is geschoten.13Op het wegdek zijn negen hulzen aangetroffen.14 In het plaatwerk van de buitenzijde van de achterklep van de auto en de horizontale dakstijl daarboven, zijn op meerdere plaatsen beschadigingen aangetroffen. Deze droegen allen het kenmerk van een inschotopening. In de auto zijn vijf munitiedelen aangetroffen. Er is sprake van acht schotkanalen in de auto, waarbij drie schotkanalen door de rugleuning van de bestuurdersstoel gaan.15

Letsel

Aangever heeft verwondingen aan de voorzijde van zijn rechterbovenbeen, de rechter flankzijde ribbenkas en de rechterbovenarm opgelopen. Het betreffen vier inschot verwondingen, twee uitschot verwondingen en twee zwellingen ten gevolge van twee in het lichaam achtergebleven kogels. Aangever is vier keer geraakt door vier afzonderlijke kogels.16

Eerdere ontmoeting die avond tussen aangever en verdachte

Onder feit 1 is bewezenverklaard dat eerder op de avond bij de coffeeshop een conflict heeft plaatsgevonden tussen aangever en verdachte. Aangever heeft over dit incident verklaard dat verdachte, toen hij weg liep, iets zei in de trant van "wacht maar, ik kom nog wel terug".17 Deze verklaring wordt ondersteund door de verklaring van getuige [getuige 1] . Hij heeft verklaard dat de man die bij de coffeeshop het mes trok tegen aangever riep: “Ik kom nog terug”.18

Verdachte droeg op dat moment een lichtkleurige gewatteerde (winter)jas met daaronder een donkerkleurige broek en zwart/witte [merk 2] sportschoenen, een donkerkleurige baseballpet, vermoedelijk voorzien van een zilverkleurig [merk 3] logo op de linker voorzijde/klep.19

Camerabeelden

Uit camerabeelden van 18 mei 2016 tussen 22:39 uur en 23:09 uur komt naar voren dat verdachte naar de coffeeshop loopt en dat hij daarbij een lichtkleurige/beige jas draagt. Verdachte verlaat na een verblijf van ongeveer vijf minuten de coffeeshop. Op dat moment komt een donkerkleurige [merk auto] bus aanrijden. De [merk auto] stopt en verdachte stapt in als bijrijder. De [merk auto] rijdt weg en keert ongeveer tien minuten later terug. De bijrijder stapt uit de [merk auto] en de [merk auto] rijdt weg. De verdachte houdt zich op in de omgeving van de hydraulische verkeerspaal van de kruising Kleine Oord met de Kortestraat. Nog geen minuut later komt aangever aanrijden in zijn auto, een [merk 1] . Bij het zien van de [merk 1] rent de verdachte vanaf de Oude Oeverstraat de kruising met de Kleine Oord op. Na het passeren van de [merk 1] rent de verdachte achter de auto aan. De verdachte schiet in de richting van de auto, draait hierna om en rent weg.

Bij het uitstappen van de [merk auto] draagt de verdachte, met uitzondering van de lichtkleurige gewatteerde (winter)jas, nagenoeg dezelfde kleding als verdachte ten tijde van zijn bezoek aan de coffeeshop droeg. De verdachte draagt een donkerkleurige, vermoedelijk gevoerde (winter)jas met capuchon. De capuchon droeg de verdachte over een baseballpet.20

Verdachte heeft bekend bij het verlaten van de coffeeshop in de [merk auto] bus te zijn gestapt.21

Bestuurder [merk auto]

De bestuurder van de [merk auto] , [getuige 3] , heeft verklaard dat verdachte de betreffende avond bij hem in de auto is gestapt, dat hij hem heeft afgezet, dat verdachte er vervolgens weer aan kwam rennen en dat hij verdachte heeft terug gebracht naar de plek waar hij hem had opgepikt.22 Na het tonen van een foto van verdachte verklaart [getuige 3] dat dat de persoon is die bij hem in de auto is gestapt en die hij ook weer heeft terug gebracht. [getuige 3] heeft verklaard de betreffende nacht maar één persoon weg te hebben gebracht.23

De rechtbank stelt vast dat [getuige 3] bij de politie heeft verklaard dat verdachte met hem is meegereden en hij hem vervolgens terug heeft gebracht, nadat hem de camerabeelden zijn getoond en door de verbalisant wordt gevraagd te reageren op deze camerabeelden. Niet is aannemelijk geworden dat de verhoorders suggestief te werk zijn gegaan, zodat het verweer van de verdediging op dit punt wordt verworpen.

Ten aanzien van het verweer van de verdediging dat de door [getuige 3] afgelegde verklaringen onbetrouwbaar zijn, overweegt de rechtbank dat [getuige 3] zijn verklaring over het verloop van de avond, zoals afgelegd bij de politie, in grote lijnen heeft bevestigd in zijn verhoor bij de rechter-commissaris. De rechtbank constateert dat [getuige 3] in zijn tweede verklaring heeft gesproken over een tweede persoon die de betreffende avond met hem zou zijn meegereden, maar verklaart later dat het maar één persoon betrof en bevestigt dit laatste bij de rechter-commissaris. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de verklaringen van [getuige 3] op het punt van het meerijden en terugbrengen duidelijk en consistent. De rechtbank heeft geen reden om de verklaringen op dit punt als onbetrouwbaar aan te merken, mede nu de inhoud van de verklaringen op dit punt steun vindt in de camerabeelden. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en gebruikt de verklaring van getuige [getuige 3] voor het bewijs.

DNA- en schotrestenonderzoek

Bij een doorzoeking van de woning van de moeder van verdachte op 6 juli 2016 zijn in de schuur van de woning een zwarte pet met wit [merk 3] teken en een zwarte winterjas aangetroffen en in beslag genomen. In de meterkast zijn zwarte [merk 2] schoenen aangetroffen en in beslag genomen.24

De zus van verdachte zegt op 6 juli 2016 in een getapt telefoongesprek dat de politie bewijs kwam zoeken, dat de politie niets heeft gevonden, maar dat de politie wel ‘zijn’ [merk 4] schoenen, pet, jas en oude telefoon heeft meegenomen.25 Uit een proces-verbaal van de politie met betrekking tot de tapgesprekken komt naar voren dat alleen twee [merk 2] schoenen in beslag zijn genomen en geen [merk 4] schoenen.26

Er is DNA-onderzoek verricht ten aanzien van de inbeslaggenomen jas en pet. Uit dit onderzoek komt naar voren dat bij bemonstering van de binnenzijde van de rechtermanchet van de jas een DNA-profiel van verdachte (matchkans kleiner dan 1 op 1 miljard) is aangetroffen en dat naast het profiel van verdachte geen andere matches zijn gevonden. Bij de bemonstering van de binnenrand aan de voorzijde van de pet is een DNA-mengprofiel van verdachte en minimaal 2 andere personen aangetroffen.27

De jas, schoenen en pet zijn voorts bemonsterd op schotrestsporen. Het schotrestenonderzoek heeft een vrijwel zekere relatie aangetoond tussen de bemonsterde delen van de mouwen van de jas en een schietproces.28 Het aanvullend schotrestenonderzoek heeft een vrijwel zekere relatie aangetoond tussen de pet en een schietproces en tussen de schoenen en een schietproces.29

Tussenconclusie

De rechtbank acht gelet op vorenstaande bewijsmiddelen bewezen dat verdachte bij de coffeeshop tegen aangever heeft geroepen dat hij terug zou komen en dat hij, nadat hij de coffeeshop had verlaten, in de [merk auto] bus is gestapt en met diezelfde auto is teruggekeerd naar de plek waar hij was ingestapt, waarna hij uit de auto is gestapt. De verklaring van aangever dat de persoon waarmee aangever bij de coffeeshop in conflict is geraakt dezelfde persoon is als de schutter, wordt ondersteund door de camerabeelden en de verklaring van [getuige 3] . De verklaring van aangever vindt bovendien ondersteuning in de overige bewijsmiddelen, in het bijzonder het technisch bewijs. De rechtbank overweegt daarbij dat overigens niet is gebleken van enig (aannemelijk) alternatief scenario voor het aantreffen van de schotresten op de jas, schoenen en pet. De rechtbank acht gelet op vorenstaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte meermalen op de auto van aangever heeft geschoten.

Opzet

De rapportages van het NFI ondersteunen de verklaring van aangever dat verdachte met een wapen achter de auto stond en dat hij meermalen op de auto van aangever heeft geschoten. De forensisch arts heeft, gezien het gebeuren, waarbij de stoel waarop aangever zat veel kogelgaten vertoonde, geconcludeerd dat het dankzij het feit is geweest dat aangever tijdig opzij naar beneden is gedoken, dat er geen letsels met schottrajecten dwars door de borstkas heen zijn ontstaan.30 Het is een feit van algemene bekendheid dat de borstkas een aantal vitale organen omvat, zoals het hart en de longen. Indien het functioneren van deze organen wordt verstoord doordat zij door een kogel geraakt worden, is er een aanmerkelijke kans dat dit de dood tot gevolg zal hebben. Door op een korte afstand meermalen op een auto met inzittende te schieten, heeft verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat aangever door een kogel zou worden geraakt en dat hij daardoor het leven zou verliezen en heeft hij die kans ook aanvaard. De rechtbank is daarom van oordeel dat verdachte het (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op (poging tot) levensberoving.

Voorbedachte raad

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Verdachte heeft ontkend de schutter te zijn en daarmee geen inzicht gegeven in wat voor of ten tijde van het begaan van het feit in hem is omgegaan. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt sterk af van de beantwoording van de vraag of de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit is ontstaan en de overige feitelijke omstandigheden van het geval. De rechtbank stelt voorop dat uit de verklaring van getuige [getuige 3] niet kan worden afgeleid dat verdachte na het verlaten van de coffeeshop naar huis is gegaan om een pistool te halen. Gelet op waar de getuige heeft verklaard te zijn heengereden, is dit qua tijdsbestek niet mogelijk geweest. De rechtbank kan derhalve niet vaststellen wat verdachte in de tijd tussen het meerijden en zich weer laten afzetten door [getuige 3] heeft gedaan. De rechtbank is van oordeel dat uit de omstandigheden weliswaar een zeker tijdsverloop en een zeker plan kan worden afgeleid maar dat daarmee nog niet kan worden vastgesteld dat dit plan bestond uit het beschieten van de auto waarin aangever zich bevond noch wanneer bij verdachte het voornemen is ontstaan om op de auto c.q. aangever te gaan schieten. Niet kan worden uitgesloten dat dit pas op een later moment, wellicht zelfs zeer kort voor het lossen van de schoten, is opgekomen. De rechtbank overweegt daarbij dat aangever heeft verklaard dat hij verdachte heeft gepest door gas te geven en te remmen en verdachte dichter bij de auto te laten komen. Niet is uit te sluiten dat verdachte vervolgens, in een opwelling, heeft geschoten. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van de poging tot moord.

De rechtbank acht gelet op bovenstaande de onder 2 ten laste gelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen.

Feit 3 en 4

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat op grond van de bewijsmiddelen in het procesdossier wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 3 en 4 ten laste gelegde.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

Op 13 juni 2016 wordt door de moeder van verdachte, [slachtoffer 2] , aangifte gedaan. Aangeefster verklaart dat haar zoon en dochter op 13 juni 2016 bij haar woning waren en dat verdachte boos werd op de dochter. Aangeefster verklaart dat zij hoorde dat haar zoon meerdere keren zei dat hij 300.000 euro wilde hebben, anders zou hij hen vermoorden. Aangeefster hoort haar dochter tegen verdachte zeggen dat hij het niet kreeg. Verdachte werd boos en aangeefster ziet dat haar dochter door verdachte wordt geslagen op haar lichaam. Aangeefster heeft tegen verdachte gezegd dat hij weg moest gaan. Verdachte ging weg en keerde terug. Aangeefster heeft verklaard dat zij zag dat verdachte zijn rechterbeen optrok en een trappende beweging in haar richting maakte. Aangeefster zag en voelde dat verdachte haar raakte op haar buik. Hierdoor kwam aangeefster achterwaarts ten val. Ze viel een trap van vier treden af en viel op haar onderrug. Aangeefster heeft hierdoor pijn aan haar onderrug.31

De zus van verdachte, [slachtoffer 3] , heeft op 14 juni 2016 aangifte gedaan en heeft verklaard dat zij op 13 juni 2016 bij de woning van haar moeder was. Verdachte was aanwezig en riep iets in de trant van "Ik ga wapens halen en ik schiet jullie allemaal dood”. Verdachte kwam op aangeefster af en gaf haar een harde stomp op haar rechterschouder met zijn rechtervuist. Haar schouder voelt hierdoor beurs. Verdachte kwam vervolgens met een paraplu op aangeefster af en zei dat hij haar dood ging maken en dat hij haar als eerste ging vermoorden. Aangeefster heeft verklaard dat verdachte op haar moeder af kwam en dat zij zag dat verdachte de moeder met kracht een trap in haar buik gaf. De moeder viel hierdoor achterover.32

De rechtbank overweegt dat de aangiftes worden ondersteund door de inhoud van de volgende tapgesprekken:

- aangeefster [slachtoffer 3] zegt op 13 juni 2016 tegen [naam 3] (broer van verdachte) dat hij haar moeder in de tuin heeft geduwd en geschopt en dat hij tegen [slachtoffer 3] zei dat hij haar ging vermoorden en dat hij haar met een vuist heeft geslagen33;

- aangeefster [slachtoffer 2] zegt tegen dochter [naam 4] dat hij eerst [slachtoffer 3] sloeg. [slachtoffer 2] zegt dat hij [slachtoffer 3] ook met een paraplu wilde slaan. [slachtoffer 2] zegt dat zij de deur dicht had gedaan en dat hij de deur duwde en haar de slag gaf34;

- aangeefster [slachtoffer 3] zegt tegen haar moeder dat hij beweert dat hij de deur dicht deed en dat hij toen de moeder raakte. [slachtoffer 3] zegt dat het niet klopt wat hij zegt. [slachtoffer 3] zegt dat zij met haar eigen ogen heeft gezien hoe hij moeder schopte.35

Bedreiging (feit 3)

De rechtbank acht gelet op vorenstaande bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zijn moeder, [slachtoffer 2] , en zijn zus, [slachtoffer 3] , op 13 juni 2016 heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Mishandeling (feit 4)

De rechtbank acht gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden eveneens wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 13 juni 2016 zijn moeder en zijn zus heeft mishandeld door de moeder een trap in haar buik te geven en de zus een stomp op haar schouder, waardoor beiden pijn hebben opgelopen.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op of omstreeks 18 mei 2016 te Arnhem [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend die [slachtoffer 1] een mes, althans een daarop gelijkend, scherp en/of puntig en/of snijdend voorwerp getoond/voorgehouden;

2.

hij op of omstreeks 18 mei 2016 te Arnhem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, van het leven te beroven, 9 (negen) maal, in ieder geval meermalen, met een vuurwapen, (gericht) heeft geschoten (op een afstand van ongeveer 1,5 (anderhalve) meter, althans op (zeer) korte afstand) op die [slachtoffer 1] , terwijl deze in zijn auto was gezeten en/of waarbij die [slachtoffer 1] 4 (vier) maal, althans meerdere malen, werd geraakt in zijn bovenlichaam en/of in zijn arm(en) en/of in zijn bovenbe(e)n(en)), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op of omstreeks 13 juni 2016 te Arnhem [slachtoffer 2] (te weten zijn moeder) en/of [slachtoffer 3] (te weten zijn zus) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware

mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] dreigend de woorden toegevoegd :"ik ga wapens halen en ik schiet jullie allemaal dood" en/of "ik wil euro 300.000,-(driehonderdduizend) hebben anders vermoord ik jullie" en/of (tegen die [slachtoffer 3] ) "Ik ga je dood maken en ik ga jou als eerste vermoorden" , althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

4.

hij op of omstreeks 13 juni 2016 te Arnhem [slachtoffer 3] (te weten zijn zus) en/of [slachtoffer 2] (te weten zijn moeder) heeft mishandeld door

ten aanzien van [slachtoffer 3]

-die [slachtoffer 3] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) op de (rechter)schouder te stompen/slaan en/of

ten aanzien van die [slachtoffer 2]

-die [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) in/tegen de buik heeft geschopt/ te trappen (waardoor die [slachtoffer 2] ten val is gekomen).

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Bedreiging met zware mishandeling

Ten aanzien van feit 2:

Poging tot doodslag

Ten aanzien van feit 3:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 4:

Mishandeling, meermalen gepleegd

5 De strafbaarheid van het feit

Ten aanzien van feit 1

Noodweer

De verdediging heeft bepleit dat sprake is van de rechtvaardigingsgrond noodweer. De verdediging heeft daartoe naar voren gebracht dat verdachte zich in een vijandelijke omgeving bevond, terwijl hij alleen was. Het trekken van een mes was een passend en geboden middel om een einde te maken aan een dreigende situatie.

De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat geen sprake is geweest van een noodweersituatie.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is naar het oordeel van de rechtbank, anders dan door de raadsman bepleit, een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachtes of een anders lijf of goed niet aannemelijk geworden,–noch van de dreiging hiertoe als bedoeld in artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank verwerpt dan ook het beroep op noodweer.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat feit 1 strafbaar is.

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Ten aanzien van feit 1

Psychische overmacht

De verdediging heeft bepleit dat sprake is van de schulduitsluitingsgrond psychische overmacht nu verdachte handelde onder een grote van buiten komende druk waar hij geen weerstand aan kon bieden. Gezien de feiten en omstandigheden kon dat redelijkerwijs niet van verdachte worden gevergd.

De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat het beroep op psychische overmacht niet is onderbouwd, zodat dit verweer moet worden verworpen.

De rechtbank verwerpt het beroep op psychische overmacht, nu niet aannemelijk is geworden dat verdachte het feit heeft begaan onder invloed van een van buiten komende drang, waaraan verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat verdachte de coffeeshop werd uitgezet en aangever zich met de situatie bemoeide, niet afdoet aan het welbewuste karakter van verdachtes handelen. Naar het oordeel van de rechtbank is verdachte niet in een zodanige situatie terechtgekomen dat hij geen wilsvrijheid meer had, maar heeft hij de keuze gehad om anders te handelen.

Niet is gebleken dat verdachte ten tijde van het plegen van de feiten ontoerekeningsvatbaar was. De rechtbank is derhalve van oordeel, dat het hiervoor bewezen verklaarde aan de verdachte kan worden toegerekend.

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. De officier van justitie heeft bij haar eis rekening gehouden met de aard en de ernst van de feiten en de impact op het slachtoffer van de feiten 1 en 2. De officier van justitie weegt de eerdere veroordeling voor doodslag zwaar in het nadeel van verdachte mee. De officier van justitie brengt naar voren dat verdachte haars inziens als volledig toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 26 januari 2017;

- een rapportage Pro Justitia van [naam 5] , psychiater, en [naam 6] , klinisch psycholoog, verbonden aan het NIFP, locatie Pieter Baan Centrum, gedateerd
28 februari 2017.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zeer ernstige feiten. Hij heeft slachtoffer [slachtoffer 1] bedreigd met een mes, waarna hij weg is gegaan, is terug gekeerd en negen keer met een vuurwapen op [slachtoffer 1] in zijn auto heeft geschoten. Verdachte heeft hiermee willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer zou overlijden. Verdachte heeft door zo te handelen inbreuk gemaakt op het recht op leven, een belang dat de hoogste bescherming van het recht verdient. Verdachte heeft het slachtoffer een traumatische ervaring bezorgd en pijn toegebracht. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan. De rechtbank rekent het verdachte bovendien ernstig aan dat hij met zijn handelwijze de veiligheid van de ter plekke aanwezige omstanders in gevaar heeft gebracht. Misdrijven als het onderhavige schokken de rechtsorde zeer en dragen in hoge mate bij aan gevoelens van onveiligheid en angst bij de burgers in het algemeen en met name bij hen die van het vuurwapengeweld getuige zijn geweest. De rechtbank neemt het verdachte voorts bijzonder kwalijk dat hij kennelijk heeft gemeend een eerder ontstaan conflict te moeten oplossen door het gebruik van een vuurwapen, waartoe hij lichtvaardig een vuurwapen ter hand heeft genomen. Iedere vorm van eigenrichting en daarmee ook het onderhavige schietincident is binnen de Nederlandse samenleving en rechtsorde volstrekt onacceptabel. Door zijn handelen heeft verdachte op dit verbod van eigenrichting een ernstige inbreuk gemaakt.

Verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan de bedreiging van [slachtoffer 1] met een mes, de bedreiging van zijn moeder en zus en de mishandeling van zijn moeder en zus. Door de bedreigingen is vrees bij de slachtoffers ontstaan. Door zijn moeder en zus pijn toe te brengen, heeft verdachte er blijk van gegeven geen respect te hebben voor de lichamelijke integriteit van anderen. De omstandigheid dat verdachte zijn eigen moeder en zus met de dood heeft bedreigd en heeft mishandeld, maakt het des te kwalijker.

Ten nadele van verdachte neemt de rechtbank verder mee dat hij eerder voor een levensdelict is veroordeeld, te weten doodslag.

Verdachte heeft geen medewerking verleend aan het laten opmaken van een reclasseringsrapport.

Uit de rapportage Pro Justitia van 28 februari 2017 komt naar voren dat verdachte een weigerende verdachte is. Op basis van de beperkte gesprekscontacten die plaatsvonden, kan het bestaan van een psychiatrische stoornis in engere zin worden uitgesloten. Er zijn geen aanwijzingen voor affectieve of pedagogische tekorten, traumatische gebeurtenissen of gedragsproblemen in de (vroege) ontwikkeling. Wel ontwikkelt verdachte deviant gedrag vanaf de vroege adolescentie wanneer hij justitiële contacten krijgt en hij op zijn zestiende wordt uitgestoten door zijn vader. Verdachte begint in die jaren met het gebruik van alcohol, cannabis en cocaïne. Er bestaan aanwijzingen voor een gebrekkige agressieregulatie en verhoogde mate van krenkbaarheid, maar onvoldoende onderzoekbaar is gebleven of deze aanwijzingen onderdeel uitmaken van een duurzaam patroon passend binnen een persoonlijkheidsstoornis van antisociale en/of narcistische aard. Concluderend is er geen sprake van psychiatrische problematiek. Wel bestaan er aanwijzingen dat mogelijk sprake is van middelenproblematiek en/of persoonlijkheidsproblematiek, welke hypothesen wegens gebrek aan eigen onderzoek niet konden worden bekrachtigd of uitgesloten. Omdat niet tot sluitende diagnostiek kon worden gekomen, konden de gestelde vragen, waaronder die naar de toerekeningsvatbaarheid van verdachte, niet worden beantwoord.

Nu niet is gebleken dat dit anders is, gaat de rechtbank er met de officier van justitie vanuit dat verdachte volledig toerekeningsvatbaar is.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de ernst van de feiten alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur op zijn plaats is. De rechtbank heeft bij de bepaling van de hoogte van de straf gelet op de straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd en heeft in overweging genomen dat zij ten aanzien van feit 2 tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar passend en geboden is. De tijd die door verdachte in voorarrest is doorgebracht zal hierop in mindering gebracht worden.

Beslag

Het na te melden in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, een mes, dient te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

7a. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 13.050,00.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen, met toepassing van de wettelijke rente, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd tot dit bedrag.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gelet op de bepleite vrijspraak, verzocht de vordering van de benadeelde partij af te wijzen, dan wel de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. Subsidiair verzoekt de verdediging de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering nu de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

Beoordeling door de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder feit 2 bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is.

De rechtbank zal de gevorderde materiële schade volledig toewijzen. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade, overweegt de rechtbank dat zij een bedrag van
€ 7.500,-, gelet op de aard en de ernst van het feit en de gevolgen daarvan, en gezien de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen plegen toe te wijzen, billijk acht. Wat betreft het meer of anders gevorderde zal de benadeelde partij zal niet-ontvankelijk verklaard worden in de vordering.

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 18 mei 2016.

De rechtbank ziet aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partij.

7a. De beoordeling van de vordering na voorwaardelijke veroordeling

De officier van justitie verzoekt de vordering na voorwaardelijke veroordeling af te wijzen vanwege de eis in de hoofdzaak. Toewijzing van de vordering acht de officier van justitie niet opportuun.

De verdediging heeft geen verweer gevoerd.

De rechtbank zal de vordering na voorwaardelijke veroordeling afwijzen gelet op de beslissing in de hoofdzaak. Tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde straf acht de rechtbank thans niet opportuun.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 24c, 27, 36b, 36d, 36f, 45, 57, 285, 289 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

 een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- mes, merk/type [merk 5] , goednummer [nummer] .

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

  • -

    veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 2 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij, ten bedrage van € 7.550,00 (zegge: zevenduizendvijfhonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 mei 2016 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, een bedrag te betalen van € 7.550,00 (zegge: zevenduizendvijfhonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 mei 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 72 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

De beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling (parketnummer 05/820428-14 )

wijst af de vordering van de officier van justitie van 9 september 2016, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Gelderland van 25 maart 2016 voorwaardelijk opgelegde werkstraf voor de duur van
20 uren, subsidiair 10 dagen hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.A.M. van Hoof (voorzitter), mr. L.C.P. Goossens en mr. M.C. Gerritsen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.A. Sluijters, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 maart 2017.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, onderzoek [naam onderzoek] , dossiernummer PL0600-2016469748, gesloten op 30 september 2016, en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 De verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 14 maart 2017.

3 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , p. 278.

4 Proces-verbaal van verhoor aangever bij de rechter-commissaris d.d. 10 januari 2017.

5 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 306.

6 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 311-313.

7 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 276.

8 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 360.

9 Proces-verbaal getuigenverhoor [getuige 2] bij de rechter-commissaris d.d. 23 februari 2017.

10 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , p. 278-279.

11 Proces-verbaal van verhoor aangever, p. 285.

12 Proces-verbaal getuigenverhoor [slachtoffer 1] bij de rechter-commissaris d.d. 10 januari 2017.

13 Proces-verbaal sporenonderzoek, p. 618 + proces-verbaal sporenonderzoek [merk 1] , p. 665 + rapport munitieonderzoek, p. 861.

14 Proces-verbaal sporenonderzoek, p. 618.

15 Proces-verbaal sporenonderzoek [merk 1] , p. 662-664.

16 Letselverklaring, opgemaakt door [naam 7] , forensisch arts, d.d. 28 juni 2016,
p. 713.

17 Proces-verbaal van bevindingen, p. 273.

18 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 276.

19 Proces-verbaal verstrekking en uitkijken camerabeelden, p. 366 + de verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 14 maart 2017.

20 Proces-verbaal verstrekking en uitkijken camerabeelden, p. 365-366.

21 De verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 14 maart 2017.

22 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] , p. 501.

23 Proces-verbaal van getuigenverhoor [getuige 3] bij de rechter-commissaris d.d. 10 januari 2017.

24 Proces-verbaal van bevindingen in beslag genomen goederen, p. 415-417.

25 Schriftelijk bescheid van de telefoontap d.d. 6 juli 2016 om 16:24:33 uur, p. 567.

26 Proces-verbaal opnemen telecommunicatie (tappen), p. 525.

27 NFI rapport ‘Onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van een schietincident in Arnhem op 18 mei 2016’, p. 847.

28 NFI rapport ‘Schotrestenonderzoek naar aanleiding van een schietincident in Arnhem op 18 mei 2016’, p. 786.

29 NFI rapport ‘Aanvullend schotrestenonderzoek naar aanleiding van een schietincident in Arnhem op 18 mei 2016’, p. 794.

30 Letselverklaring, opgemaakt door [naam 7] , forensisch arts, d.d. 28 juni 2016.

31 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 2] , p. 865.

32 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 3] , p. 871-872.

33 Schriftelijk bescheid van de telefoontap d.d. 13 juni 2016 om 16:59:54 uur, p. 547

34 Schriftelijk bescheid van de telefoontap d.d. 14 juni 2016 om 19:20:59 uur, p. 549.

35 Schriftelijk bescheid van de telefoontap d.d. 19 juni 2016 om 14:20:57, p. 554.