Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:2039

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
03-03-2017
Datum publicatie
12-04-2017
Zaaknummer
05/800068-16 en 05/720017-16 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De Rechtbank Gelderland heeft vier jonge mannen veroordeeld die samen op twee achtereenvolgende dagen een scholier van zijn vrijheid hebben beroofd en afgeperst. Het slachtoffer moest telkens mee in een door één van de verdachten bestuurde auto, waarbij hij onder dreiging spullen moest afstaan. Bij de eerste autorit werd het slachtoffer door bedreiging met een mes gedwongen in een auto plaats te nemen en later zijn dure jas af te staan. De volgende dag vond de tweede autorit plaats, waarbij het slachtoffer was toegezegd dat hij zijn jas terug zou krijgen, en heeft hij onder dreiging van een wapen zijn pinpas met pincode en een gepind geldbedrag (in totaal €700,-) moeten afstaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummers : 05/800068-16; 05/720017-16 (tul)

Datum uitspraak : 3 maart 2017

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , [woonplaats] ,

thans gedetineerd te PI Flevoland - HvB Almere Binnen te Almere,

raadsman: mr. A.C. Vingerling, advocaat te Utrecht.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 februari 2017.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 03 november 2016 te Tiel en/of te Zoelen, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk een persoon, genaamd [slachtoffer] , wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden,

immers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), althans alleen

- die [slachtoffer] gedwongen plaats te nemen achterin een voertuig waarin hij -verdachte- en/of zijn mededader(s) zich op dat moment bevond(en) en/of

-(daarbij) aan die [slachtoffer] een mes, althans een scherp of puntig voorwerp getoond en/of die [slachtoffer] de woorden toegevoegd: "Je kunt nu maar beter in de auto gaan zitten", althans woorden en/of handelingen van gelijke dreigende aard of strekking en/of

- ( vervolgens) in het rijdende voertuig die [slachtoffer] de woorden toegevoegd: "Je gaat vandaag je jas afgeven of je geeft ons je geld" en/of "We kunnen het op een moeilijke manier of op een makkelijke manier doen", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

- ( vervolgens) een mes, althans een scherp of puntig voorwerp aan die [slachtoffer] getoond en/of op die [slachtoffer] gericht en/of

- ( daarbij) die [slachtoffer] de woorden toegevoegd "Je kunt beter je jas afgeven dan kun je in het vervolg op ons rekenen" en/of

- die [slachtoffer] belet/belemmerd de auto te verlaten;

en/of

hij op of omstreeks 03 november 2016 te Tiel en/of te Zoelen, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

op de openbare weg,

met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een jas (merk Canada Goose), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij -verdachte- tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), althans alleen,

- meermalen, althans eenmaal aan die [slachtoffer] een mes, althans een scherp of puntig voorwerp heeft getoond en/of

-(daarbij) die [slachtoffer] de woorden heeft toegevoegd "Je kunt nu maar beter in de auto gaan zitten" en/of "Je gaat je jas afgeven of je geeft ons je geld" en/of "We kunnen het op een moeilijke manier of op een makkelijke manier doen" en/of "Je kunt beter je jas afgeven dan kun je in het vervolg op ons rekenen", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2.

hij in of omstreeks de periode van 04 november 2016 tot en met 5 november 2016 te Tiel, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk een persoon, genaamd [slachtoffer] ,

wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden,

immers heeft hij -verdachte- tezamen en in vereniging zijn mededader(s), althans alleen

- die [slachtoffer] de toezegging gedaan dat hij zijn jas terug zou krijgen wanneer hij in de auto zou stappen, waarin hij -verdachte- en/of zijn mededader(s) zich op dat moment bevond(en) en/of

- ( vervolgens) die [slachtoffer] plaats laten nemen (achter) in het voertuig, waarna hij -verdachte- en/of zijn mededader(s) dicht op die [slachtoffer] is/zijn gaan zitten en/of

- in het rijdende voertuig aan die [slachtoffer] een pistool, althans op een vuurwapen gelijkend voorwerp (waarvan de hamer naar achter stond) getoond en/of

- ( daarbij) de woorden toegevoegd "We gaan nu naar het Zoelense bos. Daar geef je al je spullen die je hebt en daar laten we je in je onderbroek achter" en/of "Je moet ons tippen in welke woning veel contant geld of goud te halen is" en/of "Je moet nu geld pinnen van jouw bankrekening en je moet dat geld aan ons afstaan" en/of "Stilzitten en je mond houden" en/of

-die [slachtoffer] belet/belemmerd de auto te verlaten;

en/of

hij in of omstreeks de periode van 04 november 2016 tot en met 05 november 2016 te Tiel, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

op de openbare weg,

met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een pinpas met bijbehorende pincode en/of een geldbedrag, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij -verdachte- tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), althans alleen,

-in een rijdend voertuig aan die [slachtoffer] een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp (waarvan de hamer naar achter stond) heeft getoond en/of

- ( daarbij) die [slachtoffer] de woorden heeft toegevoegd "We gaan nu naar het Zoelense bos. Daar geef je al je spullen die je hebt en daar laten we je in je onderbroek achter" en/of "Je moet ons tippen in welke woning veel contant geld of goud te halen is" en/of "Je moet nu geld pinnen van jouw bankrekening en je moet dat geld aan ons afstaan" en/of "Stilzitten en je mond houden", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3.

hij in of omstreeks de periode van 04 november 2016 tot en met 5 november 2016 te Tiel, althans in Nederland,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (in/uit een pinautomaat) heeft weggenomen een geldbedrag (te weten 450 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

waarbij hij -verdachte- zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel (te weten een door misdrijf verkregen pinpas met bijbehorende pincode op naam van die [slachtoffer] ).

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Ten aanzien van de feiten 1 en 2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich op 3 en 4 november 2016 samen met zijn medeverdachten schuldig heeft gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving en afpersing van aangever [slachtoffer] , waarbij zij alle ten laste gelegde handelingen bewezen acht. De officier van justitie heeft in dit verband gewezen op de consistente verklaringen van aangever die voldoende steun vinden in overige bewijsmiddelen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de beide feiten. Hiertoe is primair aangevoerd dat de verklaringen van aangever niet kunnen worden gebezigd voor het bewijs. De verklaringen bevatten immers tegenstrijdigheden, onder meer waar het gaat om de gepinde bedragen. Verder is een deel van wat aangever verklaart niet waarschijnlijk. Zo is hij uit eigener beweging op 4 november 2016 bij verdachte in de auto gestapt, terwijl hij volgens zijn verklaring een dag eerder door hem met een mes zou zijn bedreigd. Gelet hierop kunnen de verklaringen van aangever niet worden aangemerkt als betrouwbaar. Niet uitgesloten is dat zijn verklaringen niet overeenkomstig de waarheid zijn afgelegd. Subsidiair is naar voren gebracht dat de rechtbank terughoudend dient te zijn in het gebruik van enkel de verklaringen van aangever voor het bewijs. Ten aanzien van de kern van hetgeen verdachte wordt verweten, namelijk de dreiging met geweld, ontbreekt voldoende steunbewijs. De verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] biedt onvoldoende ondersteuning voor de verklaring van aangever dat is gedreigd met een mes. Zijn verklaring op dit punt is op een vreemde manier geverbaliseerd en roept vragen op, zodat onduidelijk is hoe dit geïnterpreteerd moet worden. Bovendien is [medeverdachte 1] bij de rechter-commissaris terug gekomen van zijn verklaring. Wat betreft het vuurwapen ontbreekt ieder bewijs. Er is ook geen vuurwapen aangetroffen.

Meer subsidiair is door de verdediging aangevoerd dat bij een bewezenverklaring enkel afpersing kan worden bewezen en dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving, aangezien moeilijk is voor te stellen dat aangever zich op 3 november 2016 niet heeft kunnen onttrekken en hij op 4 november 2016 zelf bij verdachte in de auto is gestapt.

Ten aanzien van feit 1

Beoordeling door de rechtbank

Verdachte is ten laste gelegd dat hij samen met anderen [slachtoffer] wederrechtelijk van zijn vrijheid heeft beroofd en/of heeft afgeperst. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Verklaring aangever [slachtoffer]

Aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat hij op 3 november 2016 omstreeks 21.00 uur op de Ambtmanstraat te Tiel liep. Er stopte een zwarte auto naast hem en hij werd aangesproken door de bestuurder, die hij herkende als een jongen die bij hem op school had gezeten. Zijn naam is [medeverdachte 2] , zo bleek achteraf toen aangever de jongen op Facebook opzocht. Op het moment dat [medeverdachte 2] aangever begroette, zag hij dat [verdachte] – de jongen die net vrij was van de overval op het casino in Tiel – aan de passagierszijde uitstapte en in zijn richting liep. Toen hij naast aangever stond, haalde hij zijn rechterhand uit zijn jaszak waarin hij een mes vasthield. Aangever zag dat het een groen of zwart klapmes was en dat het mes uitgeklapt was. Het snijgedeelte was ongeveer twintig centimeter lang. [verdachte] hield het mes een beetje schuil naast zijn lichaam. Aangever hoorde hem op dreigende toon zeggen: “je kan maar beter in de auto stappen”. Hierop heeft aangever op de achterbank plaatsgenomen. [verdachte] ging naast hem zitten en had het mes toen weg gestopt.

Hierna ging de auto rijden. Aangever zag toen dat er een auto achter hen reed. Bij het Kalverbos stopte de auto waarin aangever zat en de auto die achter hen reed stopte naast hen. Aangever zag toen dat de bestuurder van de andere auto Sander [medeverdachte 1] was en dat naast hem een Marokkaanse jongen zat die hij niet kende. Er werd toen wat tegen elkaar gezegd in het Marokkaans, waarna ze naar het Zoelense bos te Zoelen reden. De andere auto is daarbij steeds achter de auto waarin aangever zat aangereden. Tijdens deze rit werd er door [verdachte] op aangestuurd dat aangever zijn jas of zijn geld moest afgeven, hetgeen door [medeverdachte 2] steeds werd bevestigd. Aangever hoorde [verdachte] zeggen: “je gaat je jas vandaag afgeven of je geeft ons je geld”. Aangever had een grijskleurige parkajas van het merk Canada Goose. Aangever heeft voorts verklaard dat de auto waarin hij zat is gestopt op de parkeerplaats van het Zoelense bos en dat de andere auto wederom naast hen stopte. De raampjes van beide auto’s gingen open en er werd wat met elkaar gepraat. Opeens hoorde aangever [verdachte] zeggen: “we kunnen het op een moeilijke manier of op een makkelijke manier doen”. Hierop zei aangever dat hij zijn jas niet wilde afgeven. Hij zag dat [verdachte] het mes weer pakte en het mes klaar had om hem te steken. Aangever werd door de voor hem onbekende jongen geroepen die tegen hem zei dat hij de jas beter kon afgeven, zodat hij in het vervolg op hen zou kunnen rekenen. Hierop nam aangever weer plaats naast [verdachte] en heeft hij zijn jas aan hem afgegeven. [verdachte] pakte de jas en deed deze in de kofferbak. Hierna zijn ze naar de parkeerplaats van het zwembad in Tiel gereden, waar aangever en [verdachte] zijn overgestapt naar de andere auto. Hierna is aangever weer afgezet op de Ambtmanstraat in Tiel.2

Aangever heeft het mes in het begin gezien, toen hij moest instappen. De tweede keer dat hij het mes zag was bij het Zoelense bos. [verdachte] liet het mes zien, niet om aangever te prikken maar om het te laten zien.3

Op 10 november 2016 ontving aangever via Facebookmessenger een bericht van iemand met de profielnaam [medeverdachte 3] . Aan de hand van foto’s op dit profiel herkende aangever deze persoon als de voor hem onbekende jongen.4 Door verbalisanten zijn het Facebookprofiel van [medeverdachte 3] en daarop geplaatste foto’s bekeken en zij herkenden de persoon op deze foto’s ambtshalve als [medeverdachte 3] .5

Betrokken personen

Dat de hiervoor genoemde personen betrokken waren bij de door aangever beschreven autorit vindt steun in het volgende. Sander [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) heeft verklaard dat hij op 3 november 2016 ’s avonds werd mee gevraagd naar het Zoelense bos, waar hij met de auto van zijn vader naartoe is gereden. Andere mensen hadden [slachtoffer] (de rechtbank begrijpt dat hiermee aangever [slachtoffer] wordt bedoeld) opgehaald.6 [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) heeft verklaard dat hij samen met [verdachte] en een voor hem onbekende jongen is gaan rondrijden in de zwarte auto van zijn vader.7 [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ) heeft verklaard dat hij door [medeverdachte 1] werd opgehaald met de auto en dat zij door twee andere vrienden, [medeverdachte 2] en [verdachte] , zijn gebeld met wie ze ergens hadden afgesproken. Zij stopten naast de andere auto en [medeverdachte 3] zag achterin die auto een voor hem onbekende jongen zitten, van wie hij nu weet dat dat [slachtoffer] was.8 De rechtbank vindt in het voorgaande bevestiging van het feit dat aangever in de auto heeft gezeten bij [medeverdachte 2] (als bestuurder) en [verdachte] (als bijrijder) en dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] in de andere auto zaten.

Afgelegde route

Aangever heeft beschreven welke route er met de auto’s is afgelegd. Dat het Zoelense bos op de route lag, wordt bevestigd door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . [medeverdachte 2] , de bestuurder van de auto waarin aangever zich bevond, heeft verklaard dat hij naar het Zoelense bos is gereden en dat er daar nog een auto bij kwam.9 [medeverdachte 1] , de bestuurder van de andere auto, heeft verklaard dat hem gevraagd was naar het Zoelense bos te komen. Daar heeft hij geparkeerd en is volgens hem wat gepraat met de inzittenden van de andere auto.10 De autorit eindigde in Tiel. Aangever heeft verklaard dat hij en [verdachte] op de parkeerplaats van het zwembad in Tiel zijn overgestapt naar de andere auto. Dit wordt bevestigd door [medeverdachte 2] die daarover heeft verklaard dat hij de personen die bij hem in de auto zaten bij het zwembad in Tiel heeft afgezet.11 Ook [medeverdachte 1] heeft verklaard dat zij met beide auto’s terug zijn gereden naar Tiel waar [slachtoffer] , die in de andere auto zat, ergens is afgezet.12 [medeverdachte 3] heeft eveneens verklaard dat aangever in de stad is afgezet.13

Afgifte jas

Aangever heeft verklaard dat hij in het Zoelense bos zijn jas aan [verdachte] heeft afgegeven. Hiervoor vindt de rechtbank bevestiging in het volgende. [medeverdachte 1] heeft gezien dat aangever zijn jas van het merk Canada Goose uittrok en dat de jas vervolgens in de kofferbak werd gegooid.14 Ook [medeverdachte 2] heeft gezien dat aangever zijn jas uit deed.15 [medeverdachte 3] heeft verklaard dat aangever en [verdachte] buiten de auto met elkaar in gesprek waren en dat hij aan het gezicht van aangever kon zien dat hij niet relaxt was. Hij merkte dat de toon tussen aangever en [verdachte] hoger werd en ze dichter bij elkaar gingen staan. Hij heeft aangever toen gevraagd wat [verdachte] had gezegd, waarop aangever zei dat [verdachte] interesse had in zijn jas en dat hij die liever niet aan [verdachte] wilde afgeven.16Later heeft [medeverdachte 3] gezien dat de bijrijder van de andere auto een jas van het merk Canada Goose aan had.17 De rechtbank leidt hieruit af dat met ‘bijrijder’ [verdachte] moet zijn bedoeld, nu hij als bijrijder in de andere auto zat. Voorts is de woning van [verdachte] doorzocht waarbij de Canada Goose jas, met daarin diverse bankpasjes op naam van [verdachte] , werd aangetroffen.18 Op basis van het voorgaande staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat aangever zijn jas aan [verdachte] heeft afgestaan.

Gebruik van een mes

Met betrekking tot het gebruik van een mes overweegt de rechtbank het volgende. Aangever heeft verklaard dat [verdachte] hem op twee momenten een mes heeft getoond. Hij zag dat [verdachte] een uitgeklapt klapmes vasthield toen hij naast aangever stond en op dreigende toon zei dat hij maar beter in de auto kon stappen. Het tweede moment waarop aangever een mes werd getoond was toen hij zei dat hij zijn jas niet wilde afgeven. [verdachte] zat toen naast aangever in de auto.19 Dat er een mes is gebruikt, vindt bevestiging in de door [medeverdachte 1] tegenover de politie afgelegde verklaring dat hij wel een mes heeft gezien, maar niet wil zeggen wie het mes vast had. Hij zag dat het een groot mes was. Direct hierna heeft [medeverdachte 1] toch een naam genoemd en verklaarde hij dat het mes voor in de auto lag en dat “ [verdachte] van mij pakte het”.20 Later heeft [medeverdachte 1] bij de rechter-commissaris verklaard dat hij geen mes heeft gezien, maar dat hij bij de politie enkel over een mes heeft verklaard omdat hij dacht dat hij dan snel naar huis mocht gaan. De rechtbank acht deze verklaring ongeloofwaardig. [medeverdachte 1] heeft tegenover de politie niet alleen genoemd dat hij een mes heeft gezien, maar daarover ook meer specifiek verklaard dat het een groot mes was, dat het mes voor in de auto lag en dat iemand het mes vasthad. Naar het oordeel van de rechtbank is, ondanks het enigszins kromme verloop van de daaropvolgende zin, voldoende duidelijk dat [medeverdachte 1] [verdachte] heeft genoemd als zijnde degene die het mes pakte. Gelet hierop ziet de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de eerder door [medeverdachte 1] afgelegde verklaring en zal zij hem ook aan deze verklaring houden. De verklaring van aangever wordt daarmee op dit punt ondersteund door de verklaring van [medeverdachte 1] . Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat gebruik is gemaakt van een mes op de wijze zoals aangever heeft verklaard.

Resumé

Uit het voorgaande blijkt dat de verklaringen van aangever op meerdere te onderscheiden essentiële punten bevestiging vinden in andere bewijsmiddelen. De rechtbank acht zijn verklaringen daarom betrouwbaar en ziet geen aanleiding eraan te twijfelen dat deze overeenkomstig de waarheid zijn afgelegd. Weliswaar bevatten de verklaringen van aangever enige inconsistenties, doch deze zijn, bezien in het licht van het door hem gedane detailrijke relaas, begrijpelijk en ook niet van zodanige aard dat deze zijn verklaringen ongeloofwaardig maken.

De voor de rechtbank relevante en redengevende omstandigheden zijn hiervoor afzonderlijk besproken en vinden voldoende steun in het onderliggende dossier. Op basis hiervan kan naar het oordeel van de rechtbank het volgende worden bewezen.

Op 3 november 2016 te Tiel is aangever [slachtoffer] gedwongen plaats te nemen in een auto waarvan [medeverdachte 2] de bestuurder was en waarin [verdachte] als bijrijder zat, doordat [verdachte] aan hem een mes toonde en tegen hem zei dat hij maar beter in de auto kon gaan zitten. Onder dreiging van een mes is aangever tegen zijn wil achterin de auto gaan zitten, waarna [verdachte] naast hem plaatsnam. Vervolgens is de auto gaan rijden, gevolgd door een andere auto met daarin [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] , en is er een route door Tiel en Zoelen afgelegd, waarbij [verdachte] nog steeds naast aangever zat. Op de parkeerplaats van het Zoelense bos hebben [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] zich bij [verdachte] en verdachte gevoegd en heeft [verdachte] opnieuw een mes getoond aan aangever.

De rechtbank is van oordeel dat met het tonen van een mes een zeer bedreigende situatie is gecreëerd die maakte dat aangever op de beide momenten niet vrij was in zijn keuze om wel of niet in de auto te stappen en om zich, aangekomen in het Zoelense bos, al dan niet aan de situatie te onttrekken. Hieraan heeft in het Zoelense bos nog bijgedragen dat aangever zich daar geconfronteerd zag met (inmiddels) vier mannen die voortdurend in zijn nabijheid bleven. De rechtbank concludeert dan ook dat [verdachte] door zijn handelen aangever wederrechtelijk van zijn vrijheid heeft beroofd en beroofd heeft gehouden.

Op de parkeerplaats van het Zoelense bos heeft aangever zijn jas aan [verdachte] afgegeven toen hem door [verdachte] wederom het mes werd getoond. De rechtbank acht bewezen dat aangever door bedreiging met geweld is gedwongen zijn jas af te staan.

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] aangever wederrechtelijk van zijn vrijheid heeft beroofd en beroofd heeft gehouden alsmede dat hij aangever heeft afgeperst.

Medeplegen

De vraag of sprake is van medeplegen zal, gelet op de naar het oordeel van de rechtbank bestaande samenhang tussen de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, na de beoordeling van feit 2 worden besproken.

Ten aanzien van feit 2

Beoordeling door de rechtbank

Verdachte is ten laste gelegd dat hij samen met anderen [slachtoffer] (andermaal) wederrechtelijk van zijn vrijheid heeft beroofd en/of heeft afgeperst. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Verklaring aangever [slachtoffer]

Aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat hij op 4 november 2016 via whatsapp een bericht kreeg van [verdachte] met de vraag of hij zijn jas terug wilde. Een paar uur later ontving aangever weer een bericht van [verdachte] en werd er een afspraak gemaakt voor diezelfde avond om 22.30 uur op station Passewaaij. Aangever zag dat er omstreeks het afgesproken tijdstip een zwarte auto kwam aanrijden. Sander [medeverdachte 1] bestuurde de auto en [verdachte] zat op de bijrijdersstoel. Aangever hoorde [verdachte] zeggen dat zij de jas bij de zus van [verdachte] zouden gaan ophalen. Zij reden naar de rotonde met de gouden tol. Aangever zag dat zowel aan de linker- als de rechterzijde van het voertuig een jongen aan kwam lopen. Hij zag dat vanaf de linkerkant [medeverdachte 2] aan kwam lopen en hij de deur achter de bestuurderszijde opende, waarna hij naast aangever plaatsnam. Vanaf de rechterkant zag aangever een voor hem onbekende Marokkaanse jongen aan komen lopen die vervolgens aan zijn rechterzijde plaatsnam. Hierna reed de auto verder. Aangever vertrouwde het op dat moment niet meer en vroeg daarom of hij geld kon pinnen, als smoes, zodat hij de auto kon verlaten. Hierop werd door [verdachte] en [medeverdachte 1] geantwoord dat dit kon als de jas was opgehaald. Vanaf de berenkuil werd er over de Rivierenlandlaan gereden naar het Achterveld. [verdachte] en [medeverdachte 1] stapten uit de auto en zeiden dat ze zo terug zouden zijn. Toen zij weer terug kwamen zag aangever dat [verdachte] de jas van aangever aan had.

De autorit werd vervolgd in de richting van de Grotebrugse Grintweg en richting Diepert. Vervolgens reden zij naar het industrieterrein bij Kuehne en Nagel waar de auto bovenaan de oprit stopte.21 Aangever hoorde dat [verdachte] tegen hem zei dat hij hem eigenlijk in de onderbroek naar huis had willen laten gaan en zag dat [verdachte] een pistool in zijn rechter hand vasthad. Het was een grijskleurige revolver en de loop van het wapen was erg kort. [verdachte] zei dat het een echte was en dat hij geladen was. Verdachte liet aangever toen goudkleurige kogels zien die in het ronde magazijn zaten. Aangever zag dat de hamer naar achter stond. Aangever was op dat moment erg bang. Hij zag dat [verdachte] het vuurwapen weer in de binnenzak van zijn jas deed. [verdachte] zei dat hij wilde kijken hoeveel geld aangever kon opnemen, waarna ze naar de parkeerplaats op de Veemarkt zijn gereden. Hier zijn aangever en verdachte uitgestapt en naar de SNS-pinautomaat gelopen. De telefoon van aangever moest in de auto achter blijven. Aangever heeft toen twintig euro gepind. [verdachte] zei dat hij nog een keer moest pinnen en drukte op de knop waardoor aangever tweehonderdvijftig euro opnam. Hierna zijn ze terug naar de auto gelopen en zijn ze verder gereden. Aangever hoorde dat [verdachte] zei: “we gaan nu naar het Zoelense bos, daar geef je al je spullen die je hebt en daar laten we je in je onderbroek achter”. De auto werd geparkeerd op de parkeerplaats voor Coop Rauwenhof. [verdachte] zei vervolgens tegen aangever: “je geeft ons het geld wat je net hebt gepind en je geeft ons je pinpas met je code”. Aangever zag dat [verdachte] op dat moment het vuurwapen weer uit zijn jaszak pakte en vasthield. Hierop heeft aangever zijn pinpas met pincode en het geld aan [verdachte] gegeven. Vervolgens stapte [verdachte] met aangevers pinpas uit de auto en liep hij naar de naast de Coop gelegen ING-pinautomaat. Aangever hoorde dat [medeverdachte 2] tegen hem zei: “stilzitten en je mond houden”. Later zag aangever dat er vierhonderdvijftig euro was gepind.22

Aangever heeft in de auto gezegd dat zijn ouders argwaan zouden krijgen waarop ze naar Passewaaij zijn gereden en hij tien minuten de tijd kreeg om zijn jas aan zijn ouders te laten zien. Aangever moest zijn telefoon en pinpas in de auto achterlaten. Vervolgens is aangever naar huis gelopen om zijn jas te laten zien. Hierna heeft hij weer plaatsgenomen in de auto en de jas teruggegeven aan [verdachte] . Zijn telefoon en pinpas kreeg aangever toen weer terug. De autorit werd toen vervolgd naar de Hertog Karellaan waar de auto op de parkeerplaats bij de flats werd geparkeerd. [verdachte] en [medeverdachte 2] stapten uit de auto en kwamen na ongeveer tien minuten terug. Vervolgens is aangever (in de buurt) bij een vriend afgezet in Tiel-Oost.23

Op 10 november 2016 ontving aangever via Facebookmessenger een bericht van iemand met de profielnaam [medeverdachte 3] . Aan de hand van foto’s op dit profiel herkende aangever deze persoon als de voor hem onbekende jongen.24 Door verbalisanten zijn het Facebookprofiel van [medeverdachte 3] en daarop geplaatste foto’s bekeken en zij herkenden de persoon op deze foto’s ambtshalve als [medeverdachte 3] .25

Betrokken personen

Dat de hiervoor genoemde personen aanwezig waren bij de door aangever beschreven autorit vindt naar het oordeel van de rechtbank bevestiging in het volgende. Sander [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) heeft verklaard dat hij wist dat [slachtoffer] (de rechtbank begrijpt dat hiermee aangever [slachtoffer] wordt bedoeld) op 4 november 2016 zijn spullen zou terugkrijgen, dat ze hem bij station Passewaaij hebben opgehaald en dat er iets verderop nog twee jongens in de auto stapten.26 [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij verdachte op 4 november 2016 heeft gezien en dat een voor hem onbekende jongen op station Passewaaij is opgehaald. Er zaten ook nog twee andere jongens in de auto, waaronder Sander [medeverdachte 1] .27 [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ) heeft verklaard dat hij samen met drie vrienden in een auto zat en dat aangever bij station Passewaaij in de auto is gestapt. [medeverdachte 1] was de bestuurder, [verdachte] de bijrijder en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zaten achterin.28

Afgelegde route

Door aangever is beschreven welke route de auto heeft afgelegd. Kort samengevat is aangever opgehaald op station Passewaaij, via de rotonde met de gouden tol richting de berenkuil gereden naar het Achterveld, verder gereden naar het industrieterrein bij Kuehne en Nagel, naar Coop Rauwenhof, langs zijn ouderlijk huis, een parkeerplaats bij flats en vervolgens weer afgezet in Tiel-Oost.

De telefoon van aangever is onderzocht. Met behulp van locatiegegevens is zichtbaar waar de telefoon zich heeft bevonden. Op de locatiegegevens van 4 november 2016 is te zien dat aangever die dag de door hem beschreven route heeft afgelegd.29 Voorts vindt de verklaring van aangever over de afgelegde route steun in de verklaringen van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . [medeverdachte 1] heeft verklaard dat aangever bij station Passewaaij is opgehaald. Iets verderop, vanaf de rotonde met de gouden tol in de richting van de berenkuil, stapten er nog twee jongens in. [medeverdachte 1] is naar een huis gereden waar de jas zou zijn en daarna is hij naar Passewaaij gereden, zodat aangever zijn jas aan zijn ouders kon laten zien. Ook is [medeverdachte 1] naar Coop Rauwenhof gereden en heeft hij verklaard dat zij ook bij flats zijn geweest en daar hebben stilgestaan.30 [medeverdachte 2] heeft eveneens verklaard dat de voor hem onbekende jongen op station Passewaaij is opgehaald, dat zij naar het huis van [verdachte] op het Achterveld te Tiel zijn gereden en dat zij hebben geparkeerd bij Coop Rauwenhof. Ook heeft hij verklaard, dat zij naar Kuehne en Nagel zijn gereden en daar op de parkeerplaats hebben gestaan.31 [medeverdachte 3] heeft eveneens verklaard dat aangever bij station Passewaaij is ingestapt. Vervolgens zijn zij volgens hem naar een plek vlakbij een industrieterrein gereden en later naar het huis van aangever gegaan. Zij hebben ook even stilgestaan op een parkeerplaats tussen twee flats. Aangever is afgezet in Tiel-Oost.32 Op grond van het voorgaande staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de auto de door aangever beschreven route heeft afgelegd en dat [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] gedurende de hele autorit aanwezig waren.

Belofte teruggave jas

De reden dat aangever met [verdachte] heeft afgesproken en bij hem in de auto is gestapt, is gelegen in de toezegging die hem was gedaan dat hij zijn jas zou terugkrijgen. Dit volgt ook uit de verklaringen van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] . Aangever zou de jas terug krijgen, aldus [medeverdachte 1] .33 Ook [medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij dacht dat de jas zou worden teruggegeven aan aangever.34 [medeverdachte 2] heeft verklaard dat [verdachte] aangaf dat hij de jas wilde teruggeven.35 Het voorgaande bevestigt naar het oordeel van de rechtbank de verklaring van aangever over de aanleiding voor hem om plaats te nemen in de auto en zijn verklaring dat hiervoor een afspraak was gemaakt.

Algemene dreiging

Toen aangever plaats had genomen op de achterbank van de auto, stapten even verderop [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] in die aan weerszijden van hem gingen zitten. De verklaring van aangever op dit punt wordt ondersteund door [medeverdachte 1] die eveneens heeft verklaard dat er nog twee jongens in de auto zijn gestapt. Dit wordt ook door [medeverdachte 2] bevestigd.36 Dat aangever in het midden op de achterbank zat, vindt ook steun in de verklaring van [medeverdachte 3] . Hij zat samen met [medeverdachte 2] achterin. Volgens hem wilde de bijrijder aangever in het midden hebben, omdat hij hem dan beter kon zien.37 Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat aangever midden op de achterbank heeft gezeten waarbij er aan weerszijde van hem iemand zat. Aangever kreeg toen direct een slecht gevoel en wilde zo snel mogelijk de auto uit.38 Omdat hij in het midden zat, kon dit niet.39 Dat aangever zich niet op zijn gemak voelde, vindt steun in de verklaring van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] . [medeverdachte 1] heeft verklaard dat aangever een beetje bang was. Hij zag namelijk dat aangever weg keek en steeds naar beneden keek.40 [medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij aan aangever zag dat hij het niet echt relaxt vond.41 Dat aangever onder druk stond volgt naar het oordeel van de rechtbank ook uit de verklaring van aangevers moeder [getuige] waarin zij bevestigt dat aangever kort thuis is geweest omstreeks 22.45 of 23.00 uur. Hij droeg toen zijn jas van het merk Canada Goose over een andere winterjas, wat zij erg vreemd vond. Aangever was erg gehaast en [getuige] kreeg de indruk dat ze niet veel aan hem mocht vragen.42

In dit verband acht de rechtbank ook van belang dat aangever heeft verklaard dat hij op twee momenten zijn bezit als onderpand in de auto moest achterlaten toen hij de auto verliet. Dit was als eerste op het moment dat hij samen met [verdachte] naar de SNS-pinautomaat ging. Zijn telefoon moest toen in de auto achterblijven. Daarnaast moest hij zijn telefoon en pinpas in de auto achterlaten toen hij kort naar zijn ouderlijk huis ging. De verklaring van aangever wordt op dit punt ondersteund door [medeverdachte 1] die heeft verklaard dat aangever zijn pinpas in de auto moest achterlaten toen hij zijn jas aan zijn ouders ging laten zien.43 Dat de pinpas van aangever in de auto is achter gebleven vindt ook steun in een op de telefoon van [medeverdachte 1] aangetroffen foto van de betaalpas op naam van aangever. Deze foto dateert van 4 november 2016 om 22.53 uur.44 Gelet hierop, en gezien ook de verklaringen van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] dat nabij een bank is geparkeerd en aangever en [verdachte] de auto toen kort hebben verlaten45, vindt de verklaring van aangever over het moeten achterlaten van zijn telefoon en/of pinpas voldoende bevestiging in andere bewijsmiddelen en kan dan ook van de juistheid daarvan worden uitgegaan.

Pinnen

Aangever heeft verklaard dat er met de auto twee keer in de buurt van een pinautomaat is gestopt en dat er toen geld is gepind. De eerste keer was dit bij een SNS-pinautomaat waar hij in het bijzijn van [verdachte] tweehonderdvijftig euro opnam. De tweede maal was bij Coop Rauwenhof waar [verdachte] bij een ING-pinautomaat met aangevers pinpas vierhonderdvijftig euro heeft gepind. Uit bevestigde pintransactiegegevens blijkt dat op 4 november 2016 om 22.25 uur tweehonderdvijftig euro is opgenomen bij een SNS-bank en om 22.36 uur bij een ING-bank een bedrag van vierhonderdvijftig euro, beide van het rekeningnummer dat op naam staat van aangever.46 Gelet hierop staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat er van aangevers bankrekening geld is gepind. De gepinde bedragen komen ook overeen met de door aangever genoemde bedragen.

Afgifte pinpas en pincode

Dat aangever zijn pinpas met bijbehorende pincode heeft gegeven vindt naar het oordeel van de rechtbank bevestiging in het volgende. Aangever heeft verklaard dat [verdachte] met aangevers pinpas in zijn eentje de auto heeft verlaten en naar een ING-pinautomaat is gelopen. Zoals hiervoor reeds is genoemd blijkt uit pintransactiegegevens dat om 22.36 uur vierhonderdvijftig euro van de rekening van aangever is gepind. Van de betreffende ING-pinautomaat, gelegen aan de Wilhelmina Druckerstraat 7 te Tiel in de wijk Rauwenhof, zijn de camerabeelden van 4 november 2016 rond voornoemd tijdstip bekeken. Hierop is een man zichtbaar gekleed in een grijze jas van het merk Canada Goose.47Deze persoon wordt door meerdere verbalisanten herkend als [verdachte] .48 Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat vaststaat dat [verdachte] met de pinpas van aangever vierhonderdvijftig euro heeft gepind en dat daaraan voorafgaand aan [verdachte] aangevers pinpas met bijbehorende pincode is afgegeven. De vraag of dit onder dwang is gebeurd, zal hierna worden besproken.

Resumé

Uit het voorgaande blijkt dat de verklaringen van aangever op meerdere te onderscheiden, essentiële punten bevestiging vinden in andere bewijsmiddelen. De rechtbank acht zijn verklaringen daarom betrouwbaar en ziet geen aanleiding eraan te twijfelen dat deze overeenkomstig de waarheid zijn afgelegd. Weliswaar bevatten de verklaringen van aangever enige inconsistenties, doch deze zijn, bezien in het licht van het door hem gedane detailrijke relaas, begrijpelijk en ook niet van zodanige aard dat deze zijn verklaringen ongeloofwaardig maken.
Ten aanzien van het gebruik van een vuurwapen overweegt de rechtbank in dit verband nog als volgt.

Aangever heeft verklaard dat [verdachte] hem twee keer een wapen heeft getoond terwijl zij in de auto zaten. Hierover heeft hij meerdere verklaringen afgelegd. In zijn eerste verklaring heeft aangever verklaard dat [verdachte] een pistool vast had in zijn rechterhand en heeft hij het wapen beschreven: een grijskleurige revolver waarvan de loop erg kort was, in het ronde magazijn zaten goudkleurige kogels en de hamer stond naar achter. Aangever wist dat het een revolver betrof, omdat hij het wapen herkende van computerspelletjes. Toen de auto stilstond op de parkeerplaats bij Rauwenhof zag aangever dat [verdachte] het vuurwapen weer vasthad, waarna hij het eerder door hem gepinde geld en zijn pinpas met pincode aan [verdachte] heeft gegeven. In een nader verhoor heeft aangever verklaard dat toen hij zei dat hij zijn geld en zijn pinpas met pincode niet zou geven, [verdachte] het pistool uit zijn jaszak pakte. Op dat moment stonden zij volgens aangever geparkeerd op de parkeerplaats voor de Coop Rauwenhof. Tegenover de rechter-commissaris heeft aangever eveneens verklaard over het getoonde vuurwapen. Aangever heeft verklaard dat [verdachte] het vuurwapen uit zijn zak haalde en hij eerst met het magazijn speelde. Toen [verdachte] zei dat aangever misschien wel kon denken dat het wapen niet echt was, liet hij het magazijn met de kogels zien. Aangever heeft bij de rechter-commissaris het wapen getekend.

Hoewel de verklaring van aangever op dit punt geen steun vindt in het dossier, zal de rechtbank deze niettemin voor het bewijs gebruiken. Zoals in het voorgaande (zowel ten aanzien van feit 1 als ten aanzien van feit 2) is overwogen, heeft de rechtbank de verklaringen van aangever betrouwbaar geacht. Hij heeft over meerdere voorvallen/momenten op twee dagen gedetailleerd verklaard en deze verklaringen vinden, bevestiging, dan wel steun in andere bewijsmiddelen. In dat licht bezien bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding om de juistheid van de verklaring van aangever over het tonen van een vuurwapen, die eveneens consistent en gedetailleerd is, (wel) in twijfel te trekken. De rechtbank ziet daartoe te minder reden nu onaannemelijk is dat aangever zijn pinpas met bijbehorende pincode vrijwillig aan [verdachte] zou afstaan. Veeleer is aannemelijk dat dit is gebeurd onder zodanige dreiging dat aangever zich gedwongen voelde zijn pinpas met pincode af te staan, in dit geval, volgens aangever, onder dreiging met een vuurwapen.

De rechtbank volgt dan ook de verklaring van aangever dat hij werd gedwongen tot de afgifte van zijn pinpas met bijbehorende pincode en van het eerder door hem gepinde geldbedrag, doordat aan hem een wapen dan wel een op een vuurwapen gelijkend voorwerp werd getoond. Hiermee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat gebruik is gemaakt van een wapen op de door aangever beschreven wijze.

De voor de rechtbank relevante en redengevende omstandigheden zijn hiervoor afzonderlijk besproken en vinden voldoende steun in het onderliggende dossier. Op basis hiervan kan naar het oordeel van de rechtbank het volgende worden bewezen.

Op 4 november 2016 heeft aangever afgesproken met [verdachte] , omdat hem de toezegging was gedaan dat hij zijn jas zou terug krijgen. Om die reden heeft aangever plaatsgenomen op de achterbank van de auto die [medeverdachte 1] bestuurde en waarin [verdachte] als bijrijder zat. Nadat de auto een kleine afstand had afgelegd, stapten er aan weerszijden van aangever jongens in, namelijk [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , waardoor aangever tussen hen op de achterbank zat. Op dat moment kreeg aangever een slecht gevoel en wilde hij de auto uit. Door de aanwezigheid van [verdachte] en de drie medeverdachten werd aangever geconfronteerd met een overwichtssituatie. Doordat aangever letterlijk zat ingesloten, kon hij niet weg. Deze situatie is beangstigend te noemen en dat aangever dit ook als zodanig heeft ervaren blijkt uit de omstandigheid dat is gezien dat hij bang en niet relaxt was. Naar het oordeel van de rechtbank was aangever onder deze omstandigheden niet vrij om de auto te verlaten doordat zijn fysieke bewegingsvrijheid werd beperkt. De rechtbank acht dan ook bewezen dat [verdachte] aangever wederrechtelijk van zijn vrijheid heeft beroofd. Gedurende de autorit zat aangever steeds in het midden achterin, zodat hem werd belemmerd de auto te verlaten. Daarbij komt dat [verdachte] aan hem een wapen heeft getoond. Dit maakte de situatie naar het oordeel van de rechtbank zo bedreigend dat aangevers keuze- en bewegingsvrijheid hem is ontnomen en de rechtbank acht daarom ook bewezen dat [verdachte] hem van zijn vrijheid beroofd heeft gehouden. Hierbij weegt de rechtbank ook mee dat op de momenten waarop aangever de auto kort verliet hij zijn waardevolle bezittingen als onderpand moest achterlaten, zodat hij weer terug zou keren en aangever als gevolg hiervan evenmin volledige keuze- en bewegingsvrijheid had.

De auto heeft een route door Tiel afgelegd. Gedurende deze hele autorit waren [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en aangever in de auto aanwezig. Onderweg is er onder andere in de nabijheid van twee banken gestopt en ook geld gepind. De eerste pintransactie is door aangever verricht in het bijzijn van [verdachte] . De tweede pintransactie heeft [verdachte] uitgevoerd, nadat hij aangevers pinpas met bijbehorende pincode had gekregen. Deze heeft aangever afgestaan toen [verdachte] hem wederom het wapen toonde. Ook het eerder gepinde geld is toen door aangever afgegeven.

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] aangever wederrechtelijk van zijn vrijheid heeft beroofd en beroofd heeft gehouden alsmede dat hij aangever heeft afgeperst.

Medeplegen

De vraag of sprake is van medeplegen zal, gelet op de naar het oordeel van de rechtbank bestaande samenhang tussen de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, hierna worden besproken.

Ten aanzien van de feiten 1 en 2: medeplegen

Ter beantwoording van de vraag of de betrokkenheid bij een strafbaar feit als medeplegen kan worden aangemerkt, dient de rechtbank te beoordelen of bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Reeds vastgesteld

Uit de reeds hiervoor besproken onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten volgt dat verdachte, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] steeds aanwezig zijn geweest bij de autoritten met aangever die plaatsvonden op twee achtereenvolgende dagen. Tijdens de eerste autorit op 3 november 2016 waren zij verspreid over twee auto’s. In de auto waarin aangever zich bevond zat [medeverdachte 2] als bestuurder en verdachte als bijrijder. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] zaten in een tweede auto die gedurende de hele rit achter hen aanreed. Deze auto werd door [medeverdachte 1] bestuurd en [medeverdachte 3] zat naast hem als bijrijder. Op 4 november 2016 zaten verdachte, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en aangever in één auto. Deze auto werd door [medeverdachte 1] bestuurd, naast hem zat verdachte als bijrijder en aangever zat samen met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] op de achterbank, waarbij aangever constant tussen hen in zat.

De rechtbank heeft reeds overwogen dat zij bewezen acht dat verdachte aangever op beide dagen wederrechtelijk van zijn vrijheid heeft beroofd en beroofd heeft gehouden alsmede dat hij aangever heeft afgeperst. Ook heeft de rechtbank bewezen geacht dat verdachte op de eerste dag aan aangever een mes heeft getoond en dat aangever onder dwang zijn jas aan hem heeft afgestaan. Daarnaast heeft de rechtbank bewezen geacht dat verdachte op de tweede dag aan aangever een vuurwapen heeft getoond en aangever zijn pinpas met pincode en een eerder gepind geldbedrag aan verdachte heeft afgestaan. De vraag die thans voorligt is of [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zodanig nauw en bewust met verdachte hebben samengewerkt dat sprake is van medeplegen. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Verdachte heeft in het geheel geen verklaring willen afleggen. [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] hebben bij de politie verklaard bij de twee autoritten aanwezig te zijn geweest, maar naar eigen zeggen wisten zij allen niet wat verder de bedoeling was, dan wel hebben zij niet meegekregen wat er is gebeurd. Het dossier bevat echter bewijsmiddelen die op het tegendeel wijzen.

Onderzoek telefoons

De telefoon van [medeverdachte 1] is onderzocht en daarin waren verschillende whatsapp-gesprekken terug te lezen. Op 4 november 2016 omstreeks 17.50 uur was er een conversatie tussen [medeverdachte 1] (S) en [naam] (D):

“(…)
S: Maak je niet druk a.u.b. Ik bel je als t veilig is

D: Babe je maakt me bang nu

D: Wat..

S: Niks aan de hand komt goed

S: Wij gaan een heeel leuk dagje weg doen

S: Als het klaar is. En gelukt. (…)”

Op 5 november 2016 omstreeks 17.15 uur was er een conversatie tussen [medeverdachte 1] (S) en [medeverdachte 3] (N):

“(…)

S: Misschien komt die [slachtoffer] ook nog hahaha. (…)

N: Twa mag ik die jacka aan vanavond?

S: Tuurlijk bro maar moet m wel terug man

N: Duh (…)

N: Dacht dat ik m voor altijd ging houden en je morgen geld laat pinnen om hem
terug te krijgen

S: HAHAHAHAHAHAHA (…)”49

Voorts is op de telefoon van [medeverdachte 1] , zoals reeds ten aanzien van feit 2 is besproken, een foto aangetroffen van de betaalpas van aangever. Deze foto dateert van 4 november 2016 om 22.53 uur.

Verder heeft [medeverdachte 3] aangever op 10 november 2016 via Facebook een bericht gestuurd, hetgeen ook ten aanzien van feit 1 en 2 reeds is genoemd. De letterlijke tekst van dit bericht luidt:

“Pikk wat is er allemaal gebeurd haha

Je kan gewoon tegen mij praten

niks aan de hand dat weetje

Ik snap jou wel, kgeefje ook gelijk

Doe rusteg aan maatje, later man”50

Tot slot is ook de telefoon van [medeverdachte 3] onderzocht waarin een whatsapp-gesprek met de zus van [medeverdachte 2] was terug te lezen. Op 13 november 2016 was er een conversatie tussen [medeverdachte 3] (N) en de zus van [medeverdachte 2] (Z):

“(…)

N: Hun hebben met zijn drieën iets ergs gedaan daarom is het zo erg geworden

Z: Die [verdachte] teringhond heeft bewijs

N: Ja, maar die bewijs heeft geen zin tegenover wat hun hebben gedaan (…)”51

De gesprekspartner van [medeverdachte 1] betreft volgens de rechtbank – gelet op wat zowel [medeverdachte 1] als [medeverdachte 3] over dit gesprek hebben verklaard – [medeverdachte 3] . In dit gesprek werd gegrapt dat [slachtoffer] misschien ook nog zou komen en er geld zou moeten worden gepind om een jas terug te krijgen. Dit is een specifieke opmerking die exact overeenkomt met de verklaring van aangever en de rechtbank is dan ook van oordeel dat dit gesprek over de gebeurtenissen met aangever gaat. De andere hiervoor genoemde conversaties zijn in het licht van het voorgaande zeer opmerkelijk te noemen en duiden er naar het oordeel van de rechtbank sterk op dat minst genomen sprake is van wetenschap over de gebeurtenissen met aangever.

Gemaakte afspraken

Zoals gezegd zijn verdachte, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] op beide dagen waarop de autoritten plaatsvonden aanwezig geweest. Op 3 november 2016 werd aangever gedwongen in de auto te stappen bij [medeverdachte 2] en verdachte. [medeverdachte 2] was de bestuurder van deze auto. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij die avond was meegevraagd naar het Zoelense bos en dat andere mensen [slachtoffer] hadden opgehaald.52 Hij heeft eerst [medeverdachte 3] opgehaald, wat ook volgt uit de verklaring van [medeverdachte 3] dat hij is opgehaald door [medeverdachte 1] . Zij werden gebeld door [medeverdachte 2] en verdachte.53 De twee auto’s hebben elkaar ergens getroffen en zijn vanaf dat moment constant samen opgetrokken en op dezelfde plekken gestopt. Op 4 november 2016 hebben [medeverdachte 1] en verdachte aangever met de auto opgehaald. [medeverdachte 1] was de bestuurder. Iets later zijn [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] ingestapt. [medeverdachte 3] heeft hierover verklaard dat [medeverdachte 2] en hij van tevoren al samen waren met verdachte en [medeverdachte 1] door wie ze zijn afgezet. Later zouden ze weer in contact komen. Verdachte en [medeverdachte 1] hadden verteld waar ze [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] weer zouden oppikken.54 Gedurende de tweede autorit waren verdachte, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] steeds aanwezig in de auto.

Nauwe en bewuste samenwerking

De rechtbank is op basis van het voorgaande van oordeel dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking. Verdachte, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zijn op beide dagen voortdurend, en zolang aangever bij hen was, zonder onderbreking met elkaar opgetrokken. Zij hebben gedurende de eerste autorit achter elkaar gereden, verspreid over twee auto’s, hebben dezelfde route afgelegd en zijn op dezelfde plekken gestopt. Bij de tweede autorit bevonden zij zich allen in dezelfde auto met aangever, die ingeklemd zat in het midden op de achterbank. De gehele gang van zaken getuigt naar het oordeel van de rechtbank van het onderling maken van afspraken om elkaar op gezette tijden en op bepaalde plekken te treffen. Dit blijkt ook uit de verklaring van [medeverdachte 3] dat hij en [medeverdachte 2] samen met verdachte en [medeverdachte 1] waren door wie ze zijn afgezet en vervolgens weer zijn opgepikt. In die tussentijd had aangever op de achterbank plaatsgenomen en werd hij plotseling geconfronteerd met [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] die hem insloten door aan weerszijden van hem te gaan zitten. Dit duidt naar het oordeel van de rechtbank op een vooropgezet plan. Gelet op de afspraken die onderling moeten zijn gemaakt, het gezamenlijk optrekken en de routes die zijn afgelegd, onder meer langs twee banken waar geld is gepind, acht de rechtbank de verklaringen van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] dat zij niet van de vrijheidsberoving en de afpersing hebben geweten ongeloofwaardig.

Naar het oordeel van de rechtbank bestaat de nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] in de kern uit een gezamenlijke uitvoering. Zij zijn op beide dagen continu samen opgetrokken en hebben dus ook zicht gehad op wat er gebeurde. Dit geldt naar het oordeel van de rechtbank voor de tweede autorit waarbij iedereen zich in één auto bevond, ook op de momenten dat door verdachte een wapen aan aangever werd getoond, maar ook voor de eerste autorit, waarbij [medeverdachte 1] , die zich samen met [medeverdachte 3] in de andere auto bevond, heeft gezien dat verdachte een mes pakte. Naar het oordeel van de rechtbank kan het niet anders dan dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] , die bij verdachte in de auto zat, dit moeten hebben meegekregen. Gelet op het feit dat zij wisten van de aanwezigheid van de wapens en het niettemin blijvend gezamenlijk optreden – niemand heeft zich immers gedistantieerd –, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van opzet op wederrechtelijke vrijheidsberoving van aangever alsmede opzet op het van zijn vrijheid beroofd houden van aangever. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat aangever onder dreiging van een wapen gedwongen werd zijn jas, pinpas, pincode en geld af te staan.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat sprake is van medeplegen. Verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachten schuldig gemaakt aan de onder 1 en 2 ten laste gelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving en afpersing.

Ten aanzien van feit 3

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal door middel van een valse sleutel.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Gelet op de stelling van de verdediging dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem onder 2 ten laste gelegde feit, te weten afpersing van aangever, kan evenmin worden bewezen dat verdachte met een door misdrijf verkregen pinpas heeft gepind.

Beoordeling door de rechtbank

Verdachte is ten laste gelegd dat hij met een door misdrijf verkregen pinpas met bijbehorende pincode op naam van aangever een geldbedrag heeft weggenomen. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.


Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de rechtbank bewezen geacht dat verdachte aangever heeft afgeperst door hem en onder dreiging met een vuurwapen zijn pinpas met bijbehorende pincode afhandig te maken. Ook is bewezen geacht dat verdachte op 4 november 2016 met aangevers pinpas een bedrag van vierhonderdvijftig euro heeft gepind.55

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal door middel van een valse sleutel.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op of omstreeks 03 november 2016 te Tiel en/of te Zoelen, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk een persoon, genaamd [slachtoffer] , wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden,

immers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), althans alleen

- die [slachtoffer] gedwongen plaats te nemen achterin een voertuig waarin hij -verdachte- en/of zijn mededader(s) zich op dat moment bevond(en) en/of

-(daarbij) aan die [slachtoffer] een mes, althans een scherp of puntig voorwerp getoond en/of die [slachtoffer] de woorden toegevoegd: "Je kunt nu maar beter in de auto gaan zitten", althans woorden en/of handelingen van gelijke dreigende aard of strekking en/of

- ( vervolgens) in het rijdende voertuig die [slachtoffer] de woorden toegevoegd: "Je gaat vandaag je jas afgeven of je geeft ons je geld" en/of "We kunnen het op een moeilijke manier of op een makkelijke manier doen", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

- ( vervolgens) een mes, althans een scherp of puntig voorwerp aan die [slachtoffer] getoond en/of op die [slachtoffer] gericht en/of

- (daarbij) die [slachtoffer] de woorden toegevoegd "Je kunt beter je jas afgeven dan kun je in het vervolg op ons rekenen" en/of

- die [slachtoffer] belet/belemmerd de auto te verlaten;

en/of

hij op of omstreeks 03 november 2016 te Tiel en/of te Zoelen, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

op de openbare weg,

met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een jas (merk Canada Goose), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij -verdachte- tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), althans alleen,

- meermalen, althans eenmaal aan die [slachtoffer] een mes, althans een scherp of puntig voorwerp heeft getoond en/of

-(daarbij) die [slachtoffer] de woorden heeft toegevoegd "Je kunt nu maar beter in de auto gaan zitten" en/of "Je gaat je jas afgeven of je geeft ons je geld" en/of "We kunnen het op een moeilijke manier of op een makkelijke manier doen" en/of "Je kunt beter je jas afgeven dan kun je in het vervolg op ons rekenen", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2.

hij in of omstreeks de periode van 04 november 2016 tot en met 5 november 2016 te Tiel, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk een persoon, genaamd [slachtoffer] ,

wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden,

immers heeft hij -verdachte- tezamen en in vereniging zijn mededader(s), althans alleen

- die [slachtoffer] de toezegging gedaan dat hij zijn jas terug zou krijgen wanneer hij in de auto zou stappen, waarin hij -verdachte- en/of zijn mededader(s) zich op dat moment bevond(en) en/of

- ( vervolgens) die [slachtoffer] plaats laten nemen (achter) in het voertuig, waarna hij -verdachte- en/of zijn mededader(s) dicht op die [slachtoffer] is/zijn gaan zitten en/of

- in het rijdende voertuig aan die [slachtoffer] een pistool, althans op een vuurwapen gelijkend voorwerp (waarvan de hamer naar achter stond) getoond en/of

- ( daarbij) de woorden toegevoegd "We gaan nu naar het Zoelense bos. Daar geef je al je spullen die je hebt en daar laten we je in je onderbroek achter" en/of "Je moet ons tippen in welke woning veel contant geld of goud te halen is" en/of "Je moet nu geld pinnen van jouw bankrekening en je moet dat geld aan ons afstaan" en/of "Stilzitten en je mond houden" en/of

-die [slachtoffer] belet/belemmerd de auto te verlaten;

en/of

hij in of omstreeks de periode van 04 november 2016 tot en met 05 november 2016 te Tiel, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

op de openbare weg,

met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een pinpas met bijbehorende pincode en/of een geldbedrag, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij -verdachte- tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), althans alleen,

-in een rijdend voertuig aan die [slachtoffer] een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp (waarvan de hamer naar achter stond) heeft getoond en/of

- ( daarbij) die [slachtoffer] de woorden heeft toegevoegd "We gaan nu naar het Zoelense bos. Daar geef je al je spullen die je hebt en daar laten we je in je onderbroek achter" en/of "Je moet ons tippen in welke woning veel contant geld of goud te halen is" en/of "Je moet nu geld pinnen van jouw bankrekening en je moet dat geld aan ons afstaan" en/of "Stilzitten en je mond houden", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3.

hij op in of omstreeks de periode van 04 november 2016 tot en met 5 november 2016 te Tiel, althans in Nederland,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (in/uit een pinautomaat) heeft weggenomen een geldbedrag (te weten 450 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

waarbij hij -verdachte- zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel (te weten een door misdrijf verkregen pinpas met bijbehorende pincode op naam van die [slachtoffer] ).

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van de feiten 1 en 2 telkens:

Medeplegen van opzettelijk iemand van de vrijheid beroven en beroofd houden .

en

Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Ten aanzien van feit 3:

Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel .

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7a. Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat bij een strafoplegging kan worden gedacht aan het opleggen van een gevangenisstraf. De door de officier van justitie geëiste straf is echter te fors en dient sterk te worden gematigd. De verdediging heeft de rechtbank verzocht bij de strafoplegging geen gewicht toe te kennen aan de wijze waarop verdachte zich ter zitting heeft gepresenteerd, omdat zijn houding mogelijk voortkomt uit onderliggende problematiek. Gezien de jeugdige leeftijd van verdachte is het onwenselijk dat hij voor lange duur in detentie zou verblijven. Om die reden is verzocht een forse voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Tot slot heeft de verdediging naar voren gebracht dat de ten laste gelegde feiten een samenloop kennen. De omstandigheid dat het meerdere feiten betreft, mag vanwege hun samenloop niet straf-verhogend werken.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 11 januari 2017;

- een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 11 november 2016;

- een voorlichtingsrapportage van Tactus Verslavingszorg, gedateerd 1 februari 2017.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een vijftal feiten. Op twee achtereenvolgende dagen heeft verdachte samen met zijn drie medeverdachten het slachtoffer van zijn vrijheid beroofd en hem afgeperst. Daarnaast heeft verdachte geld gepind van de rekening van het slachtoffer met zijn pinpas met bijbehorende pincode die hij door de afpersing verkregen had. Het slachtoffer heeft tegen zijn wil samen met verdachte en zijn medeverdachten twee routes met de auto afgelegd, terwijl hij gedwongen achterin de auto zat, en onder dreiging van een door verdachte aan hem getoond wapen zijn bezittingen afgestaan. Bij de eerste autorit werd het slachtoffer door bedreiging met een mes gedwongen in een auto plaats te nemen en later zijn jas af te staan. De volgende dag vond de tweede autorit plaats, waarbij het slachtoffer was toegezegd dat hij zijn jas terug zou krijgen, en heeft hij onder dreiging van een wapen zijn pinpas met pincode en een eerder onder dwang gepind geldbedrag moeten afstaan. Dit zijn zeer ernstige feiten. Verdachte heeft hiermee op grove wijze inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. De situatie moet voor het slachtoffer zeer beangstigend zijn geweest. Het handelen van verdachte getuigt van geen respect voor de gevoelens van het slachtoffer en evenmin voor andermans eigendommen. Verdachte schroomt niet om wapens te gebruiken en daarmee te dreigen en heeft enkel gehandeld vanuit financieel gewin. Verder veroorzaken dergelijke feiten gevoelens van onveiligheid en onrust in de samenleving. Dit rekent de rechtbank verdachte aan. De rechtbank weegt tevens mee dat verdachte duidelijk een voortrekkersrol heeft gehad.

Verdachte is recent veroordeeld voor meerdere vermogensdelicten en geweldsfeiten en liep nog in een proeftijd. Dit heeft hem er echter niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Gelet hierop, alsmede gelet op de aard en de ernst van de feiten, is een forse gevangenisstraf naar het oordeel van de rechtbank gerechtvaardigd. De rechtbank zal een lagere gevangenisstraf opleggen dan door de officier van justitie geëist, omdat zij, meer dan de officier van justitie mogelijk doet, rekening houdt met de omstandigheid dat verdachte zich weliswaar in totaal aan vijf strafbare feiten heeft schuldig gemaakt, doch deze feiten in elkaars verlengde liggen en sprake is van samenloop. De rechtbank acht een gevangenisstraf van twee jaar passend en geboden.

7b. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van de onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde feiten. Gevorderd wordt een bedrag van € 2.240,00.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] geheel toe te wijzen, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd en dient te worden bepaald dat verdachte hoofdelijk aansprakelijk is voor de vordering.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering, nu vrijspraak is bepleit. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat bij een bewezenverklaring het gevorderde bedrag wegens materiële schade kan worden toegewezen. Ten aanzien van het gevorderde bedrag wegens immateriële schade is de vordering onvoldoende onderbouwd. Indien de rechtbank tot toewijzing hiervan overgaat, dient een forse matiging plaats te vinden.

Beoordeling door de rechtbank

Ten aanzien van het gevorderde bedrag van € 700,00 euro wegens materiële schade overweegt de rechtbank als volgt. Het gevorderde bedrag bestaat uit de gepinde geldbedragen van € 250,00 en € 450,00 euro. Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde is bewezen verklaard dat verdachte zich samen met zijn medeverdachten schuldig heeft gemaakt aan afpersing van onder meer een geldbedrag van € 250,00. Dit bedrag acht de rechtbank daarom toewijsbaar. Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde is bewezen verklaard dat verdachte met de door misdrijf verkregen pinpas met bijbehorende pincode van de benadeelde partij een geldbedrag van € 450,00 euro heeft gepind. Ook dit bedrag is daarom voor toewijzing vatbaar.

Met betrekking tot het gevorderde bedrag van € 1.540,00 wegens immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt. Aan de benadeelde partij is door de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten, te weten wederrechtelijke vrijheidsberoving en afpersing, rechtstreeks nadeel toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Door de wederrechtelijke vrijheidsberoving en afpersing waarbij de benadeelde partij met een mes en wapen is bedreigd is hij ‘anderszins’ in zijn persoon aangetast, doordat een inbreuk is gemaakt op zijn persoonlijke integriteit. Dit is aan verdachte en zijn mededaders toe te rekenen. Aan de wettelijke vereisten voor toekenning van smartengeld, waaronder die genoemd in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan. Het door de benadeelde partij gevorderde bedrag van € 1.540,00 acht de rechtbank, gelet op de aard en de ernst van de feiten en gezien de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen plegen toe te wijzen, billijk.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde handelen tot een bedrag van € 2.240,00 schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vordering is voor toewijzing vatbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 november 2016.

De rechtbank zal bepalen dat verdachte hoofdelijk met zijn mededaders aansprakelijk is voor de vordering tot het bedrag van € 2.240,00.

Ter meerdere zekerheid voor daadwerkelijke betaling aan de benadeelde partij, zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

7c. De beoordeling van de vordering na voorwaardelijke veroordeling

Het standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van de vordering na voorwaardelijke veroordeling vordert de officier van justitie de tenuitvoerlegging van 4 maanden jeugddetentie die door de meervoudige strafkamer te Arnhem op 20 september 2016 voorwaardelijk is opgelegd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf om te zetten in een werkstraf.


Beoordeling door de rechtbank

Nu is bewezen dat verdachte zich binnen de proeftijd opnieuw heeft schuldig gemaakt aan meerdere strafbare feiten, dient de bij vonnis van de Rechtbank Gelderland te Arnhem van 20 september 2016 (parketnummer 05/720017-16 ) voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie ten uitvoer gelegd te worden.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14g, 24c, 27, 36f, 47, 57, 282, 310, 311, 312, 317 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) jaren;

beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst de vordering van de benadeelde partij geheel toe

  • -

    veroordeelt verdachte ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer], ten bedrage van € 2.240,00 (tweeduizend tweehonderdveertig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 november 2016 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    verstaat dat indien en voor zover door de mededaders het betreffende schadebedrag van € 2.240,00 (tweeduizend tweehonderdveertig euro) is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd;

Maatregel tot schadevergoeding

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 2.240,00 (tweeduizendtweehonderdveertig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 november 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 32 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

- verstaat dat indien en voor zover door de mededaders het betreffende schadebedrag van € 2.240,00 (tweeduizend tweehonderdveertig euro) is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd.

De beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling

gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van rechtbank Gelderland te Arnhem van 20 september 2016, te weten van: 4 (vier) maanden jeugddetentie.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Hamaker (voorzitter), mr. K.A.M. van Hoof en mr. Y.H.M. Marijs, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.E. Bongers, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 maart 2017.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Oost- Nederland, district Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2016548470, gesloten op 08 december 2016 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van aangifte, inhoudende de op 07 november 2016 afgelegde verklaring van [slachtoffer] , p. 14-15.

3 Proces-verbaal getuigenverhoor, inhoudende de op 09 februari 2017 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van [slachtoffer] , p. 2.

4 Proces-verbaal van verhoor aangever, inhoudende de op 10 november 2016 afgelegde verklaring van [slachtoffer] , p. 27.

5 Proces-verbaal van bevindingen, inhoudende de op 10 november 2016 afgelegde verklaring van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , p. 31.

6 Proces-verbaal van verhoor verdachte, inhoudende de op 10 november 2016 afgelegde verklaring van
[medeverdachte 1] , p. 147.

7 Proces-verbaal van verhoor verdachte, inhoudende de op 10 november 2016 afgelegde verklaring van
[medeverdachte 2] , p. 183.

8 Proces-verbaal van verhoor verdachte, inhoudende de op 15 november 2016 afgelegde verklaring van
[medeverdachte 3] , p. 211-212; proces-verbaal van verhoor verdachte, inhoudende de op 16 november 2016 afgelegde verklaring van [medeverdachte 3] , p. 218.

9 Proces-verbaal van verhoor verdachte, inhoudende de op 10 november 2016 afgelegde verklaring van
[medeverdachte 2] , p. 183.

10 Proces-verbaal van verhoor verdachte, inhoudende de op 10 november 2016 afgelegde verklaring van
[medeverdachte 1] , p. 147.

11 Proces-verbaal van verhoor verdachte, inhoudende de op 10 november 2016 afgelegde verklaring van [medeverdachte 2] , p. 183.

12 Proces-verbaal van verhoor verdachte, inhoudende de op 10 november 2016 afgelegde verklaring van
[medeverdachte 1] , p. 147.

13 Proces-verbaal van verhoor verdachte, inhoudende de op 15 november 2016 afgelegde verklaring van [medeverdachte 3] , p. 212.

14 Proces-verbaal van verhoor verdachte, inhoudende de op 10 november 2016 afgelegde verklaring van
[medeverdachte 1] , p. 147.

15 Proces-verbaal van verhoor verdachte, inhoudende de op 10 november 2016 afgelegde verklaring van [medeverdachte 2] , p. 183.

16 Proces-verbaal van verhoor verdachte, inhoudende de op 16 november 2016 afgelegde verklaring van [medeverdachte 3] , p. 219.

17 Proces-verbaal van verhoor verdachte, inhoudende de op 15 november 2016 afgelegde verklaring van [medeverdachte 3] , p. 212.

18 Proces-verbaal van doorzoeking, inhoudende de op 09 november 2016 afgelegde verklaring van verbalisant [verbalisant 3] , p. 246.

19 Proces-verbaal van aangifte, inhoudende de op 07 november 2016 afgelegde verklaring van
[slachtoffer] , p. 15.

20 Proces-verbaal van verhoor verdachte, inhoudende de op 10 november 2016 afgelegde verklaring van
[medeverdachte 1] , p. 149.

21 Proces-verbaal van aangifte, inhoudende de op 07 november 2016 afgelegde verklaring van
[slachtoffer] , p. 15; proces-verbaal van verhoor aangever, inhoudende de op 09 november 2016 afgelegde verklaring van [slachtoffer] , p. 21-22.

22 Proces-verbaal van aangifte, inhoudende de op 07 november 2016 afgelegde verklaring van
[slachtoffer] , p. 15-16; proces-verbaal van verhoor aangever, inhoudende de op 09 november 2016 afgelegde verklaring van [slachtoffer] , p. 23-24.

23 Proces-verbaal van aangifte, inhoudende de op 07 november 2016 afgelegde verklaring van
[slachtoffer] , p. 16; proces-verbaal van verhoor aangever, inhoudende de op 09 november 2016 afgelegde verklaring van [slachtoffer] , p. 24.

24 Proces-verbaal van verhoor aangever, inhoudende de op 10 november 2016 afgelegde verklaring van [slachtoffer] , p. 27.

25 Proces-verbaal van bevindingen, inhoudende de op 10 november 2016 afgelegde verklaring van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , p. 31.

26 Proces-verbaal van verhoor verdachte, inhoudende de op 10 november 2016 afgelegde verklaring van
[medeverdachte 1] , p. 147.

27 Proces-verbaal va verhoor verdachte, inhoudende de op 10 november 2016 afgelegde verklaring van
[medeverdachte 2] , p. 183.

28 Proces-verbaal van verhoor verdachte, inhoudende de op 15 november 2016, p. 212-213.

29 Proces-verbaal van bevindingen, inhoudende de op 24 november 2016 afgelegde verklaring van verbalisant [verbalisant 3] , p. 71.

30 Proces-verbaal van verhoor verdachte, inhoudende de op 10 november 2016 afgelegde verklaring van
[medeverdachte 1] , p. 147-148.

31 Proces-verbaal van verhoor verdachte, inhoudende de op 10 november 2016 afgelegde verklaring van [medeverdachte 2] , p. 183.

32 Proces-verbaal van verhoor verdachte, inhoudende de op 15 november 2016 afgelegde verklaring van [medeverdachte 3] , p. 212; proces-verbaal van verhoor verdachte, inhoudende de op 16 november 2016 afgelegde verklaring van [medeverdachte 3] , p. 224.

33 Proces-verbaal van verhoor verdachte, inhoudende de op 10 november 2016 afgelegde verklaring van
[medeverdachte 1] , p. 148.

34 Proces-verbaal van verhoor verdachte, inhoudende de op 15 november 2016 afgelegde verklaring van [medeverdachte 3] , p. 212.

35 Proces-verbaal van verhoor verdachte, inhoudende de op 10 november 2016 afgelegde verklaring van [medeverdachte 2] , p. 183.

36 Proces-verbaal van verhoor verdachte, inhoudende de op 10 november 2016 afgelegde verklaring van [medeverdachte 2] , p. 183.

37 Proces-verbaal van verhoor verdachte, inhoudende de op 15 november 2016 afgelegde verklaring van [medeverdachte 3] , p. 212; p. 220.

38 Proces-verbaal van aangifte, inhoudende de op 07 november 2016 afgelegde verklaring van
[slachtoffer] , p. 15.

39 Proces-verbaal van getuigenverhoor, inhoudende de op 09 februari 2017 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van [slachtoffer] , p. 6.

40 Proces-verbaal van verhoor verdachte, inhoudende de op 10 november 2016 afgelegde verklaring van
[medeverdachte 1] , p. 147.

41 Proces-verbaal van verhoor verdachte, inhoudende de op 16 november 2016 afgelegde verklaring van [medeverdachte 3] , p. 221.

42 Proces-verbaal van verhoor getuige, inhoudende de op 10 november 2016 afgelegde verklaring van [getuige] , p. 30.

43 Proces-verbaal van verhoor verdachte, inhoudende de op 10 november 2016 afgelegde verklaring van
[medeverdachte 1] , p. 148.

44 Proces-verbaal van bevindingen, inhoudende de op 10 november 2016 afgelegde verklaring van verbalisant [verbalisant 3] , p. 51.

45 Proces-verbaal van verhoor verdachte, inhoudende de op 10 november 2016 afgelegde verklaring van
[medeverdachte 1] , p. 148; proces-verbaal van verhoor verdachte, inhoudende de op 10 november 2016 afgelegde verklaring van [medeverdachte 2] , p. 183; proces-verbaal van verhoor verdachte, inhoudende de op
15 november 2016 afgelegde verklaring van [medeverdachte 3] , p. 212.

46 Proces-verbaal van bevindingen, inhoudende de op 08 december 2016 afgelegde verklaring van verbalisant [verbalisant 3] , p. 37.

47 Proces-verbaal van bevindingen, inhoudende de op 08 november 2016 afgelegde verklaring van verbalisant [verbalisant 3] , p. 38.

48 Proces-verbaal van bevindingen, inhoudende de op 08 november 2016 afgelegde verklaring van verbalisant [verbalisant 2] , p. 42; proces-verbaal van bevindingen, inhoudende de op 08 november 2016 afgelegde verklaring van verbalisant [verbalisant 4] , p. 43; proces-verbaal van bevindingen, inhoudende de op 08 november 2016 afgelegde verklaring van verbalisant [verbalisant 5] , p. 44; proces-verbaal van bevindingen, inhoudende de op 08 november 2016 afgelegde verklaring van verbalisant [verbalisant 6] , p. 45.

49 Proces-verbaal van bevindingen, inhoudende de op 10 november 2016 afgelegde verklaring van verbalisant [verbalisant 3] , p. 50-51.

50 Proces-verbaal van verhoor aangever, inhoudende de op 10 november 2016 afgelegde verklaring van [slachtoffer] , p. 27; 29; proces-verbaal van bevindingen, inhoudende de op 10 november 2016 afgelegde verklaring van verbalisanten [verbalisant 7] en [verbalisant 2] , p. 31.

51 Proces-verbaal van bevindingen, inhoudende de op 24 november 2016 afgelegde verklaring van verbalisant [verbalisant 3] , p. 66.

52 Proces-verbaal van verhoor verdachte, inhoudende de op 10 november 2016 afgelegde verklaring van [medeverdachte 1] , p. 147.

53 Proces-verbaal van verhoor verdachte, inhoudende de op 16 november 2016 afgelegde verklaring van [medeverdachte 3] , p. 218.

54 Proces-verbaal van verhoor verdachte, inhoudende de op 16 november 2016 afgelegde verklaring van [medeverdachte 3] , p. 220.

55 De rechtbank verwijst hiervoor naar pagina 13 en 14 van dit vonnis.