Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:2035

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
24-03-2017
Datum publicatie
11-04-2017
Zaaknummer
05/820075-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 5 en 8 Wegenverkeerswet. Geldboetes en OBM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/820075-16

Datum uitspraak : 24 maart 2017

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1971 te [geboorteplaats], wonende te [adres],

raadsman: mr. A.M. Smetsers, advocaat te Nijmegen.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 maart 2017.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

Primair

zij op of omstreeks 6 februari 2016, te Millingen aan de Rijn, in de gemeente

Berg en Dal, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een

motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Heerbaan, komende

vanuit de richting centrum en gaande in de richting van Kerkerdom, zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft

gereden, hierin bestaande dat verdachte, terwijl zij onder invloed verkeerde van alcohol, althans na het gebruik van

een (niet onaanzienlijke) hoeveelheid alcoholhoudende drank, en/of (daarbij) met dat door haar, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto)

slingerend heeft gereden, waarbij zij een trottoir is opgereden en/of één of

meermalen tegen een trottoirband is gebotst, en/of (daarbij) niet, althans in onvoldoende mate op het direct voor haar gelegen

weggedeelte van die weg (de Heerbaan) en/of het overige verkeer heeft gelet

en/of is blijven letten, en/of (daarbij) de snelheid van dat door haar bestuurde motorrijtuig (personenauto)

in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en

verkeerstekens 1990 niet zodanig heeft geregeld dat zij, verdachte in staat

was dat motorrijtuig (personenauto) tot stilstand te brengen binnen de afstand

waarover zij die weg (de Heerbaan) kon overzien en waarover deze vrij was,

en/of (vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een voor

haar, verdachte, uit over die weg (de Heerbaan) langzamer rijdende fiets en/of

de bestuurder van die fiets, ten gevolge waarvan de bestuurder van die fiets

ten val is gekomen, en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander ([slachtoffer])

zwaar lichamelijk letsel, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit

tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden

is ontstaan, werd toegebracht, terwijl verdachte verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8 tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

Subsidiair

zij op of omstreeks 6 februari 2016, te Millingen aan de Rijn, in de gemeente

Berg en Dal, als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), daarmee

heeft gereden op de weg, de Heerbaan, komende vanuit de richting centrum en

gaande in de richting van Kerkerdom, en (daarbij) met dat door haar, verdachte bestuurde motorrijtuig

(personenauto) slingerend heeft gereden, waarbij zij een trottoir is opgereden

en/of één of meermalen tegen een trottoirband is gebotst, en/of (daarbij) niet, althans in onvoldoende mate op het direct voor haar gelegen

weggedeelte van die weg (de Heerbaan) en/of het overige verkeer heeft gelet

en/of is blijven letten, en/of (daarbij) de snelheid van dat door haar bestuurde motorrijtuig (personenauto)

in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en

verkeerstekens 1990 niet zodanig heeft geregeld dat zij, verdachte in staat

was dat motorrijtuig (personenauto) tot stilstand te brengen binnen de afstand

waarover zij die weg (de Heerbaan) kon overzien en waarover deze vrij was,

en/of (vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een voor

haar, verdachte, uit over die weg (de Heerbaan) langzamer rijdende fiets en/of

de bestuurder van die fiets, ten gevolge waarvan de bestuurder van die fiets

ten val is gekomen, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd;

2.

zij op of omstreeks 06 februari 2016 te Millingen aan de Rijn, gemeente Berg en

Dal, als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft

bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte

van haar adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef

en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 570 microgram, in elk geval hoger dan

220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Feit 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 6 februari 2016 is verdachte op de Heerbaan in Millingen aan de Rijn als bestuurder van een personenauto tegen een trottoirband gebotst, waarna zij in aanrijding kwam met een fietser ([slachtoffer]) die voor haar op de weg reed. Verdachte reed vanuit het centrum van Millingen richting Kekerdom.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde, in die zin dat verdachte een aanmerkelijke verkeersfout heeft gemaakt.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit vrijspraak voor het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde. De verdediging voert daartoe aan dat uit het dossier niet blijkt dat er enige causaliteit is tussen het ongeval en het verkeersgedrag van verdachte.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Geen van de getuigen heeft gezien hoe de aanrijding tussen verdachte en de fietser tot stand is gekomen. Van het ongeval is geen verkeersongevallenanalyse opgemaakt.

Hoewel de omstandigheid dat verdachte beschonken achter het stuur zat, in de richting wijst van verdachte als veroorzaker van de aanrijding, kan uit het dossier niet worden opgemaakt dat het in de tenlastelegging onder primair benoemde verkeersgedrag van verdachte tot die aanrijding heeft geleid. Er zijn dan ook onvoldoende bewijsmiddelen voor de stelling dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan aanmerkelijk onvoorzichtig verkeersgedrag (of erger) in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Verdachte zal van dat feit worden vrijgesproken.

De rechtbank acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en overweegt daartoe als volgt:

Getuige [getuige 1] heeft verdachte zien rijden vlak voor het ongeval plaatsvondt. Hij heeft het volgende verklaard: hij liep samen met zijn vrouw over het trottoir toen de auto van verdachte voorbij kwam. De auto reed het trottoir op en reed [getuige 1] en zijn vrouw bijna omver. Vervolgens zag hij dat de auto rechts de stoep raakte en weer doorreed. Kort daarop hoorde hij een knal. Hij zag een man met fiets op de grond liggen. Een paar meter verderop stond de auto van verdachte.3

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat ze, lopend op de Heerbaan in Millingen, de auto van verdachte slingerend een trottoirband zag raken.4

Verdachte heeft verklaard dat de fietser slingerde en dat ze zelf ging slingeren omdat ze de fietser voorbij moest.

Uit de getuigenverklaringen concludeert de rechtbank dat verdachte al slingerde voor zij kort achter de fietser kwam te rijden, en daarbij op het trottoir terechtkwam en de trottoirband eerder heeft geraakt. Daarna is verdachte, blijkens haar eigen verklaring kort achter de slingerende fietser blijven rijden en heeft zij slingerend getracht deze fietser in te halen, hetgeen uiteindelijk leidde tot een aanrijding tussen haar en de fietser. Met dit verkeersgedrag heeft verdachte gevaar op de weg veroorzaakt en het verkeer op die weg (de fietser en voetgangers) gehinderd.

Feit 2

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal ter zake artikel 8 WVW 1994, p. 13;

- een afdruk van een uitdraai van een Honac-ademanalyseapparaat, p. 14;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

Subsidiair

zij op of omstreeks 6 februari 2016, te Millingen aan de Rijn, in de gemeente Berg en Dal, als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), daarmee heeft gereden op de weg, de Heerbaan, komende vanuit de richting centrum en gaande in de richting van Kekerdom, en (daarbij) met dat door haar, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) slingerend heeft gereden, waarbij zij een trottoir is opgereden en/of één of meermalen tegen een trottoirband is gebotst, en/of (daarbij) niet, althans in onvoldoende mate op het direct voor haar gelegen weggedeelte van die weg (de Heerbaan) en/of het overige verkeer heeft gelet en/of is blijven letten, en/of (daarbij) de snelheid van dat door haar bestuurde motorrijtuig (personenauto) in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet zodanig heeft geregeld dat zij, verdachte in staat was dat motorrijtuig (personenauto) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover zij die weg (de Heerbaan) kon overzien en waarover deze vrij was, en/of (vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een voor haar, verdachte, uit over die weg (de Heerbaan) langzamer rijdende fiets en/of

de bestuurder van die fiets, ten gevolge waarvan de bestuurder van die fiets ten val is gekomen, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd., althans kon worden gehinderd;

2.

zij op of omstreeks 06 februari 2016 te Millingen aan de Rijn, gemeente Berg en

Dal, als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft

bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte

van haar adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef

en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 570 microgram, in elk geval hoger dan

220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 subsidiair:

Overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994

Ten aanzien van de feiten 2 en 3 telkens:

Overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot het verrichten van 90 uren werkstraf, te vervangen door 45 dagen hechtenis, waarvan 30 uren, te vervangen door 15 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en voorts ter zake van feit 2 tot oplegging van een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 9 maanden

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht in geval van strafoplegging er rekening mee te houden dat er sprake is van samenloop.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 1 februari 2017.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het volgende.

Verdachte heeft gevaarlijk in haar auto gereden en zij is in aanrijding gekomen met een fietser. Daarbij reed zij ook nog onder de invloed van een forse hoeveelheid alcohol.

Dit zijn ernstige feiten. Verdachte heeft een groot risico genomen door auto te gaan rijden terwijl zij onder invloed was. Dat zij niet in staat was fatsoenlijk een auto te besturen blijkt wel uit de verklaringen van de getuigen die hebben gezien dat zij al voor het ongeval slingerde en meerdere malen het trottoir raakte. Kennelijk heeft voor verdachte de verkeersveiligheid moeten wijken voor haar wens om snel thuis te zijn. Het is niet aan verdachte te danken dat dit niet veel slechter is afgelopen.

Gelet op hetgeen doorgaans voor vergelijkbare zaken wordt opgelegd zal de rechtbank aan verdachte ter zake van feit 1 een geldboete opleggen van na te noemen hoogte. Ter zake van feit 2 zal de rechtbank, naast een geldboete, tevens een onvoorwaardelijke rijontzegging opleggen.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 23, 24, 24c, 62 en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 8, 176, 177, 178 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

9 De beslissing

De rechtbank:

 Spreekt verdachte vrij van het onder 1 primair tenlastegelegde feit.

 verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

Ten aanzien van feit 1 subsidiair:

 een geldboete van € 450,- (vierhonderdenvijftig euro) bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 9 (negen) dagen hechtenis;

Ten aanzien van feit 2:

 een geldboete van € 550,- (vijfhonderdenvijftig euro) bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 11 (elf) dagen hechtenis;

 ontzegt verdachte ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) maanden.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. Bijl (voorzitter), mr. G.M.L. Tomassen en mr. C.E.W. van de Sande, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.T.P.M. van Aarssen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 maart 2017.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Oost Nederland, district Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2016063568-1, gesloten op 10 mei 2016 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer], p. 7-8; verklaring verdachte ter terechtzitting.

3 Proces-verbaal van verhoor [getuige 1], p. 15.

4 Proces-verbaal van verhoor [getuige 2], p. 17.