Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:2033

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
24-03-2017
Datum publicatie
11-04-2017
Zaaknummer
05/800041-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, legt aan een 40-jarige man uit Nijmegen TBS met voorwaarden op voor een poging tot moord op zijn vriendin. Daarnaast legt de rechtbank een gevangenisstraf van drie jaar op. Deze strafoplegging is in overeenstemming met de eis van de officier van justitie. De man liep al enige tijd rond met het plan om zijn vriendin te vermoorden, omdat hij de relatie wilde beëindigen. Op een dag ging de man daarom naar de woning van zijn vriendin, waar hij zich verstopt heeft op de slaapkamer van haar zoon. Toen zijn vriendin die kamer binnen kwam, heeft de man haar op haar hoofd geslagen met een bureaulamp. Daarna heeft hij geprobeerd zijn vriendin te wurgen. Zijn vriendin heeft zich hevig verzet tegen de aanval en hem uiteindelijk een klap in zijn gezicht gegeven, waardoor de man is gestopt en zij de aanval overleefd heeft. Bij de man is een stoornis vastgesteld en de man wil meewerken aan de behandeling van zijn stoornis. Daarom legt de rechtbank onder andere deze behandeling als een voorwaarde op, in de vorm van TBS. Ten slotte heeft de rechtbank bepaald dat de man schadevergoeding moet betalen aan de vrouw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0371
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/800041-16

Datum uitspraak : 24 maart 2017

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats] , wonende te [adres 1]

thans gedetineerd te P.I. Arnhem - HvB Arnhem Zuid te Arnhem

raadsman: mr. C.W.J. de Bont, advocaat te Doetinchem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 18 oktober 2016, 28 december 2016 en 10 maart 2017.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na door de rechtbank toegewezen vorderingen wijziging tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 05 juli 2016 te Gorssel, gemeente Lochem, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, de woning van die [benadeelde] is binnengegaan en vervolgens hard met een (zak)lamp op haar (voor)hoofd heeft geslagen en/of vervolgens die [benadeelde] een shirt om haar hals/nek heeft getrokken en/of een shirt op haar mond en/of neus en/of keel heeft gedrukt en/of gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 05 juli 2016 te Gorssel, gemeente Lochem, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde] opzettelijk van het leven te beroven, die [benadeelde] hard met een (zak)lamp op haar (voor)hoofd heeft geslagen en/of vervolgens die [benadeelde] een shirt om haar hals/nek heeft getrokken en/of een shirt op haar mond en/of neus en/of keel heeft gedrukt en/of gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 05 juli 2016 te Gorssel, gemeente Lochem, opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe heeft gebracht aan [benadeelde] door die [benadeelde] hard met een (zak)lamp op haar (voor)hoofd heeft geslagen en/of vervolgens die [benadeelde] een shirt om haar hals/nek heeft getrokken en/of een shirt op haar mond en/of neus en/of keel heeft gedrukt en/of gehouden, het zwaar lichamelijk letsel bestaande uit een blijvend litteken op het voorhoofd;

meest subsidiair:

hij op of omstreeks 05 juli 2016 te Gorssel, gemeente Lochem, opzettelijk en met voorbedachten rade heeft mishandeld [benadeelde] , zijn vriendin, door die [benadeelde] te slaan en/of schoppen en/of met een shirt op haar mond en/of neus en/of keel heeft gedrukt en/of gehouden;

2 De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De verdediging heeft een beroep gedaan op vrijwillige terugtred. Volgens de verdediging leidt een geslaagd beroep op vrijwillige terugtred tot de vaststelling dat er geen strafbaar feit is gepleegd. Daarom moet aan een geslaagd beroep op vrijwillige terugtred primair de conclusie worden verbonden dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is. Subsidiair zou een geslaagd beroep op vrijwillige terugtred tot vrijspraak moeten leiden.

Naar het oordeel van de rechtbank moet een geslaagd beroep op vrijwillige terugtred tot ontslag van alle rechtsvervolging leiden en kan dit niet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. De beoordeling van het door de verdediging gedane beroep op vrijwillige terugtred zal dan ook aan de orde komen onder punt 7, de strafbaarheid van de verdachte. Nu ook overigens geen omstandigheden zijn gebleken die tot niet-ontvankelijkheid zouden moeten leiden, is het openbaar ministerie ontvankelijk.

3. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde poging tot moord.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte zijn vriendin, aangeefster [benadeelde] , wilde ombrengen en daartoe een plan en een begin van uitvoering heeft gemaakt. Verdachte wilde aangeefster bewusteloos slaan en daarna wurgen.

Beoordeling door de rechtbank

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, te weten:

  • -

    de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 10 maart 2017;

  • -

    het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde] , p. 59-60;

  • -

    het proces-verbaal van verhoor aangeefster [benadeelde] , p. 66-71.

Voorbedachte raad

Verdachte heeft verklaard dat ongeveer een maand voorafgaand aan het feit in zijn hoofd zat dat hij aangeefster wilde ombrengen. Op 5 juli 2016 is verdachte naar de woning van aangeefster gegaan. Hij heeft buiten de woning gewacht totdat aangeefster de kinderen weg zou brengen naar school. Hij wilde namelijk niet dat de kinderen erbij zouden zijn op het moment dat hij aangeefster zou treffen.2

Op het moment dat verdachte voor de woning stond, heeft hij nog getwijfeld of hij door zou gaan met zijn plan.3 Verdachte heeft toen zelfs nog met aangeefster geappt en gezegd dat hij op dat moment in Zwolle was.4

Toen verdachte zag dat aangeefster met de kinderen weg ging, is hij de woning van aangeefster binnen gegaan. Hij heeft een shirt gezocht in een kamer en vervolgens heeft hij zich met een lamp in zijn handen verdekt opgesteld achter de deur in de slaapkamer van de zoon van aangeefster.5

Nadat aangeefster de kinderen naar school had gebracht, heeft zij bij thuiskomst een cake gemaakt en de benedenverdieping gestofzuigd.6 Al die tijd is verdachte in de slaapkamer van de zoon gebleven. Op het moment dat aangeefster de slaapkamer van haar zoon binnen kwam, gaf verdachte haar een klap op haar hoofd met de lamp en probeerde hij haar vervolgens te wurgen.7 Het geweld hield op nadat aangeefster verdachte een klap in zijn gezicht gaf.8

Uit deze feiten en omstandigheden leidt de rechtbank af dat verdachte ruim de tijd en gelegenheid heeft gehad om zich te kunnen beraden op zijn voorgenomen besluit. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Daarbij is de rechtbank niet gebleken van contra-indicaties die tot een ander oordeel zouden moeten leiden.

4 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 05 juli 2016 te Gorssel, gemeente Lochem, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, de woning van die [benadeelde] is binnengegaan en vervolgens hard met een (zak)lamp op haar (voor)hoofd heeft geslagen en/of vervolgens die [benadeelde]

een shirt om haar hals/nek heeft getrokken en/of een shirt op haar mond heeft gedrukt en/of gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Poging tot moord

6 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Vrijwillige terugtred

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat geen sprake was van vrijwillige terugtred. Verdachte is namelijk niet zelf tot inkeer gekomen, maar door prikkels van buitenaf. Deze prikkels van buitenaf zijn volgens de officier van justitie het feit dat aangeefster zich verzette, het feit dat aangeefster begon te gillen en zei ‘ [verdachte] wat doe je’ en het feit dat aangeefster verdachte in het gezicht heeft geslagen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat wel sprake was van vrijwillige terugtred. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte zelf zijn poging heeft gestaakt. Verdachte is namelijk gestopt met het toepassen van het geweld. Weliswaar werd dat veroorzaakt door het op verdachte inpraten door aangeefster, maar dat had verdachte niet hoeven te beletten zijn voornemen verder uit te voeren. Verdachte was op dat moment nog degene die de controle had. Ter onderbouwing heeft de verdediging gewezen op het arrest van de Hoge Raad van 15 december 1992 (NJ 1993, 333).

Beoordeling door de rechtbank

Hier komt nog bij dat aangeefster zegt verdachte een klap in zijn gezicht te hebben gegeven en dat verdachte daardoor bij zijn positieven is gekomen. Pas op dat moment kon verdachte aangeefster echt in de ogen kijken en haar wanhoop zien, waardoor hij zijn poging tot moord staakte. De oorzaak die maakte dat verdachte stopte, is dus gelegen in een van buiten verdachte komende omstandigheid. Het enkele feit dat verdachte zich niet weet te herinneren dat aangeefster hem in het gezicht heeft geslagen, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat aan de verklaring op dit punt aan aangeefster geen geloof moet worden gehecht. De herinnering van verdachte is op meer punten niet helder en e.e.a. past in zijn psychische toestand ten tijde van het plegen van het feit, die hij zelf als een gevoelloze modus omschrijft. In die modus kon verdachte doorgaan met waar hij mee bezig was, zonder dat hij last zou krijgen van zijn gevoel. Het beroep van de verdediging op het arrest van de Hoge Raad van 15 december 1992 (NJ 1993, 333) leidt niet tot een ander oordeel, al omdat geen sprake is van gelijke gevallen. In de zaak die voorlag bij de Hoge Raad was geen sprake van een gevoelloze toestand van de verdachte waaruit hij ontwaakte door een klap.

Het beroep op vrijwillige terugtred dient naar oordeel van de rechtbank te worden verworpen, gelet op hetgeen de verdachte reeds had verricht strekkende tot voltooiing van het delict. Vervolgens is de voorgenomen moord slechts niet voltooid ten gevolge van de, niet van de wil van de verdachte afhankelijke, omstandigheid dat aangeefster verdachte een klap gaf. Verdachte is een strafbare dader.

Toerekeningsvatbaarheid

De rechtbank heeft kennis genomen van een psychologisch onderzoek d.d. 15 december 2016, opgemaakt door N. van der Weegen, GZ-psycholoog.
Dit rapport houdt onder meer in als conclusie:
“Betrokkene lijdt aan een persoonlijkheidsstoornis NAO met borderline en narcistische trekken. De krenking en de woede, samenhangend met de narcistische trekken in zijn persoonlijkheid en de onzekerheid en angst om afgewezen te worden en het onvermogen om adequaat met deze emoties om te gaan en hulp te vragen, samenhangend met de borderline trekken in zijn persoonlijkheid, hebben een grote rol in het ten laste gelegde gespeeld. Rapporteur adviseert dan ook betrokkene als verminderd toerekeningsvatbaar ten aanzien van het ten laste gelegde te beschouwen.”

De rechtbank heeft ook kennis genomen van een psychiatrisch rapport d.d. 28 december 2016, opgemaakt door dr. H.A. de Haan, psychiater en mw. drs. C. van den Beuken, psychiater in opleiding.

Dit rapport houdt onder meer in als conclusie:

“Betrokkene lijdt aan een persoonlijkheidsstoornis NAO met in ieder geval antisociale, borderline, narcistische en ontwijkende trekken. De toestand, die betrokkene op het moment van het ten laste gelegde beschrijft, kan beter als een modus omschreven worden, die een onderdeel vormt van zijn antisociale, narcistische en borderline persoonlijkheidspathologie. Op het moment van het ten laste gelegde, indien bewezen, werkte de antisociale, narcistische en borderline persoonlijkheidspathologie van betrokkene dusdanig in zijn handelen door dat hij mede daarodoor tot het ten laste gelegde, indien bewezen, is gekomen. De rapporteur geeft de rechtbank daarom in overweging om betrokkene het ten laste gelegde, indien bewezen, verminderd toe te rekenen.”

De rechtbank verenigt zich met voormelde conclusies en maakt die tot de hare.

De rechtbank is derhalve van oordeel, dat het hiervoor bewezen verklaarde aan verdachte kan worden toegerekend, zij het in verminderde mate. Verdachte is aldus strafbaar.

8 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling wordt opgelegd, met de voorwaarden zoals geadviseerd door Reclassering Nederland. Daartoe baseert de officier van justitie zich op de adviezen van de psycholoog en de psychiater. Een klinisch behandeltraject is geïndiceerd en verdachte stelt zich gemotiveerd en begeleidbaar op. Verdachte heeft ook zijn medewerking verleend aan het onderzoek. De officier van justitie vordert de dadelijke uitvoerbaarheid van de terbeschikkingstelling met voorwaarden, gelet op de hoge recidivekans.

De officier van justitie heeft daarnaast geëist dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. Verdachte is immers niet volledig ontoerekeningsvatbaar en hij heeft aangeefster onnoemelijk veel leed aangedaan.

Het standpunt van de verdediging

Indien de rechtbank tot strafoplegging komt, heeft de verdediging gepleit voor een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, gevolgd door terbeschikkingstelling met voorwaarden. Het is volgens de verdediging zaak dat zo spoedig mogelijk begonnen wordt met de behandeling die geïndiceerd is en die verdachte ook graag wil volgen. Verdachte zit inmiddels al ruim acht maanden in voorarrest en er is nog geen begin gemaakt met zijn behandeling.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 25 januari 2017;

- een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 21 februari 2017;

- een multidisciplinair rapport van N. van der Weegen, GZ-psycholoog, gedateerd 15 december 2016 en van dr. H.A. de Haan, psychiater en drs. C. van den Beuken, psychiater in opleiding, gedateerd 28 december 2016.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de poging tot moord op zijn vriendin. Hij was van plan om aangeefster te vermoorden op de verjaardag van haar zoon en plande het zo dat het op zelfmoord moest lijken. Dit alles, omdat de relatie beëindigd moest worden. Vanwege gevoelens van afwijzing, krenking en mislukking, kon verdachte de relatie niet op een gangbare manier beëindigen. Aangeefster moest dood. Dat hij zijn plan niet heeft kunnen voltooien, is niet aan het handelen van verdachte te danken. Aangeefster heeft zich hevig verzet tegen de aanval van verdachte en hem uiteindelijk een klap in zijn gezicht gegeven, waardoor verdachte is gestopt. Door alles wat er die dag gebeurd is, zal de verjaardag van de zoon van aangeefster nooit meer hetzelfde zijn. Tot op de dag van vandaag snapt aangeefster niet waarom verdachte haar heeft willen vermoorden. Zij dacht een liefdevolle relatie te hebben met verdachte. Dit alles rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.

Uit het psychologisch rapport van 15 december 2016 en het psychiatrisch rapport van 28 december 2016 komt als conclusie naar voren dat bij verdachte sprake is van een persoonlijkheidsstoornis NAO met antisociale, borderline, narcistische en ontwijkende trekken. Verdachte beschrijft dat hij zichzelf in een gevoelloze modus heeft gebracht om zijn plan ten uitvoer te kunnen brengen. Die toestand is blijkens de rapportages een onderdeel van zijn persoonlijkheidsproblematiek.
In de rapporten is bovendien gesteld dat de ernstige persoonlijkheidsstoornis van verdachte een langdurige behandeling behoeft. De kans dat verdachte opnieuw vanuit krenking agressief gedrag zal vertonen, wordt hoog ingeschat. Nu het recidiverisico als hoog wordt ingeschat, moet voorkomen worden dat verdachte onbehandeld in de maatschappij terugkeert. Een eerdere intensieve ambulante behandeling heeft niet tot het gewenste resultaat geleid, waardoor nu een intensieve klinische behandeling nodig is. Er wordt geadviseerd om verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden op te leggen.

Verdachte heeft van begin af aan medewerking verleend aan alle onderzoeken, zowel aan de politie- als aan de persoonlijkheidsonderzoeken. Ook is verdachte bereid zich aan de voorwaarden, zoals geadviseerd door Reclassering Nederland, te houden. Gelet op de adviezen van de psychiater, psycholoog en de reclassering en gelet op de proceshouding van verdachte, vindt de rechtbank de maatregel van terbeschikkingstelling onder voorwaarden passend en geboden.

De rechtbank zal aldus de terbeschikkingstelling van verdachte bevelen nu het bewezenverklaarde feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en de veiligheid van anderen het opleggen van die maatregel eist. Ter bescherming van de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen of goederen zullen aan deze terbeschikkingstelling de voorwaarden betreffende het gedrag van de ter beschikking gestelde worden verbonden, zoals die hieronder in het dictum worden weergegeven.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde voorwaarden dadelijk uitvoerbaar moeten worden verklaard. Zij overweegt hierbij dat het hoge recidiverisico en de bescherming van de veiligheid en de lichamelijke integriteit van personen dit vereist.

Nu poging tot moord een dermate ernstig feit is en verdachte verminderd toerekeningsvatbaar en aldus voor een deel wel strafbaar is, legt de rechtbank verdachte tevens op een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

8a. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [benadeelde] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 5.333,38.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] tot betaling van het bedrag van € 5.333,38 toe te wijzen, waarbij tevens de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 61 dagen hechtenis. Ten aanzien van de post ‘karatelessen’ heeft de officier van justitie zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen tot het gevorderde bedrag schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vordering is voor toewijzing vatbaar.

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 5 juli 2016.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partij(en).

De gevorderde en toegewezen rente/vergoeding voor proceskosten, zijn daar niet bij inbegrepen.

9 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 24c, 27, 36f, 37a, 38, 45 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

10 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en stelt voor de duur van de terbeschikkingstelling de volgende voorwaarden betreffende het gedrag van de veroordeelde:

de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

de bijzondere voorwaarde(n) dat:

- de veroordeelde zich bij Reclassering Nederland dient te melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- de veroordeelde zich laat behandelen bij GGZ Friesland, Forensisch Psychiatrische Afdeling, locatie Franeker, of een ander door NIFP/IFZ of de reclassering aan te wijzen instelling, en zich houdt aan de huisregels, het
(dag-)programma en de afspraken en aanwijzingen van het personeel van deze instelling, dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld. Dit zolang de reclassering, overleg met de FPA, nodig acht;

- de veroordeelde op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [benadeelde] , zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- de veroordeelde zich niet zal bevinden binnen een straal van vijf kilometer rondom de woonlocatie van het slachtoffer, aan de [adres 2] , zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. Voor het moment dat veroordeelde binnen het behandeltraject vrijheden krijgt, waarbinnen hij zelfstandig kan/mag reizen, zal de reclassering hiervan op de hoogte gesteld worden, zodat tijdig het benodigde controlemedium (elektronische controle met GPS) voor het locatieverbod geregeld kan worden;

- de veroordeelde zich dient te gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, welke hem namens Reclassering Nederland gegeven worden;

- de veroordeelde zich zal houden aan de behandel-/begeleidingsvoorschriften van de behandelaars van GGZ Friesland, of een soortgelijke instelling, en Reclassering Nederland. Hij zal zich na de klinische opname houden aan de aanwijzingen te geven door de reclassering en zal daarbij een traject volgen dat de reclassering in overleg met de behandelaren nodig of wenselijk acht;

- de veroordeelde Reclassering Nederland op de hoogte zal houden van de inhoud en voortgang van de behandeling/begeleiding;

- de veroordeelde zal toestaan dat Reclassering Nederland door de behandelende/begeleidende instelling over de voortgang wordt ingelicht;

- de veroordeelde direct bijzonderheden, van welke aard dan ook, welke de begeleiding kunnen belemmeren, aan de reclassering dient te melden;

- veranderingen van woonsituatie, zoals een verhuizing, slechts kan plaatsvinden na overleg en met goedkeuring van de reclassering;

- de veroordeelde zich constructief en open zal opstellen in het contact met de medewerker van de reclassering en inzicht zal geven in zijn psychosociaal functioneren;

- de veroordeelde contact zal hebben met de psychiater die verbonden is aan de reclassering, indien de reclasseringswerker dat in het kader van de begeleiding en/of rapportage noodzakelijk acht;

- de veroordeelde toestemming geeft aan de reclassering om contact op te nemen met relevante personen en/of instellingen, voor zover dit noodzakelijk is in het kader van het toezicht, door indien gewenst daarvoor een verklaring van geen bezwaar te ondertekenen;

- de veroordeelde openheid zal geven aan de reclassering en behandelaren wanneer hij een partnerrelatie aangaat;

- de veroordeelde iedere zes maanden een pasfoto, welke niet ouder is dan zes maanden, zal afgeven aan de reclassering, welke gebruikt kan worden voor opsporingsdoeleinden in het geval hij zich aan het toezicht van de reclassering onttrekt;

- de veroordeelde te allen tijde telefonisch bereikbaar dient te zijn voor de reclassering;

- de veroordeelde mee dient te werken aan het ingezette resocialisatietraject, ook als dit inhoudt een opname in een begeleid wonen setting of andere (geregelde) woongelegenheid;

- de veroordeelde openheid geeft over zijn dagbesteding en ook over met wie hij de dagbesteding uitvoert;

- de veroordeelde mee werkt aan een vrijwillige klinische time-out voor de duur van maximaal zeven weken (met mogelijke eenmalige verlenging van zeven weken) als de situatie erom vraagt dat dit risicomanagement ingezet wordt, zulks te bepalen door Reclassering Nederland. Het doel van deze time-out is om te onderzoeken of het verantwoord is om het ingezette behandeltraject weer doorgang te laten vinden. De locatie waar de time-out kan plaatsvinden, zal bepaald worden wanneer het behandeltraject loopt.

 geeft Reclassering Nederland opdracht de veroordeelde bij de naleving van de opgelegde voorwaarden hulp en steun te verlenen;

 beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

  • -

    veroordeelt verdachte ten aanzien van het feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [benadeelde], van een bedrag van € 5.333,38 (vijfduizenddriehonderddrieëndertig euro en achtendertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 juli 2016 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde] , een bedrag te betalen van € 5.333,38 (vijfduizenddriehonderddrieëndertig euro en achtendertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 juli 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 61 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.L.F. Prisse (voorzitter), mr. S.A. van Hoof en mr. M.P. Bos, rechters, in tegenwoordigheid van L.R. van Damme, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 maart 2017.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Oost Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2016330928, gesloten op 22 september 2016 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 36.

3 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 10 maart 2017.

4 Het proces-verbaal van verhoor aangeefster, p. 67.

5 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 10 maart 2017.

6 Het proces-verbaal van verhoor aangeefster, p. 67.

7 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 10 maart 2017.

8 Het proces-verbaal van aangifte, p. 59.