Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:1941

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
29-03-2017
Datum publicatie
06-04-2017
Zaaknummer
304456
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden. Investering voorhuwelijks vermogen en schenkingen. Vergoedingsrechten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team familierecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/304456 / HA ZA 16-321

Vonnis van 29 maart 2017

in de zaak van

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. R. Kamphuis te Ravenstein, gemeente Oss,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. M.J.L. van den Aker-Groffen te Venray.

Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 28 september 2016

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie met producties

  • -

    de brief van mr. Van den Aker-Groffen van 24 januari 2017 met (de juiste versie van) productie 10a

  • -

    de brief van mr. Van den Aker-Groffen van 7 februari 2017 met producties 44

tot en met 55

  • -

    de brief van mr. Kamphuis van 8 februari 2017

  • -

    de brief van mr. Van den Aker-Groffen van 9 februari 2017 met productie 56 en 57

  • -

    de brief van mr. Van den Aker-Groffen van 13 februari 2017

  • -

    de pleitaantekeningen van mr. Van den Aker-Groffen

  • -

    de aantekeningen van de griffier en het verkort proces-verbaal van de comparitie van

23 februari 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn op [dag en maand] 2000 in Wijchen met elkaar getrouwd onder het maken van de huwelijkse voorwaarden (hierna ook: HV).

2.2.

Op grond van de huwelijkse voorwaarden is iedere gemeenschap tussen partijen uitgesloten (artikel 1 HV). Er is een periodiek verrekenbeding opgenomen (artikel 8 HV), doch daaraan hebben partijen geen uitvoering gegeven.

2.3.

In artikel 4 HV (vergoedingen) is bepaald:

De echtgenoten zijn, voor zover niet anders bepaald, verplicht aan elkaar te vergoeden hetgeen aan het vermogen van de ene echtgenoot is onttrokken ten bate van de andere echtgenoot, ten bedrage van of naar de waarde ten dage van de onttrekking. Deze vergoedingen zijn terstond opeisbaar. Zij dragen de wettelijke rente nadat de vergoedingsplichtige echtgenoot volgens de wet in gebreke is gesteld.

2.4.

In artikel 11 HV is bepaald hoe partijen dienen af te rekenen bij het einde van het huwelijk, namelijk door finale verrekening (lid 2) naar de toestand ten tijde van het verzoek tot echtscheiding (lid 3). Lid 2 van artikel 11 luidt voorts, voor zover hier van belang:

Buiten de afrekening blijft echter hetgeen ten huwelijk werd aangebracht, door hem of haar, krachtens erfrecht of schenking werd verkregen, de opbrengst van een en ander en wat voor een en ander in de plaats is gekomen (…)

2.5.

In artikel 12 HV is een regeling gegeven voor de verrekening van de waardestijging van aandelen dan wel ondernemingswinst. Bepaald is dat indien een van de echtgenoten ter zake een onderneming in overwegende mate bij machte is te bepalen dat de winsten daarvan hem of haar rechtstreeks of middellijk toekomen, de stijging of daling van de waarde van de aandelen van deze onderneming, voor zover deze plaatsvond tijdens de werking van deze huwelijksvoorwaarden, in de verrekening moet worden betrokken (lid 1). Voorts is bepaald, voor zover hier van belang:

2. a. De waarde van de aandelen wordt, indien van toepassing vastgesteld per een en dertig december van het boekjaar waarin deze huwelijksvoorwaarden werden aangegaan en per dezelfde datum van het jaar voorafgaand aan het boekjaar waarin de procedure tot de echtscheiding (…) een aanvang nam.

(…)

5. Van het vastgestelde waardeverschil wordt een gedeelte van vijftig procent (50%) in de verrekening betrokken als in lid 1 bedoeld.

6. Het in dit artikel bepaalde is zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing ingeval een echtgenoot, als natuurlijk persoon, alleen of tezamen met anderen een bedrijf of zelfstandig beroep uitoefent. De waardering betreft dan het ondernemingsvermogen.

(…)

2.6.

Op 19 september 2012 heeft de vrouw een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank Gelderland. Bij beschikking van 30 oktober 2013 (zaaknummer 234271/12-716) is de echtscheiding uitgesproken. Bij herstelbeschikking van 12 december 2013 is bepaald dat partijen dienden over te gaan tot afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en verdeling van de tussen hen bestaande eenvoudige gemeenschappen. De echtscheiding is op 17 februari 2014 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.7.

Partijen hebben nadien na bemiddeling van notaris mr. W.E. van Delft de inboedel verdeeld. Voorts is de auto van het merk en type KIA Sportage aan de vrouw toegedeeld. Voor het overige zijn partijen niet tot overeenstemming gekomen.

3 De vordering in conventie

3.1.

De vrouw heeft gevorderd, samengevat weergegeven, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

de man te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de vrouw te betalen een bedrag van € 161.563,20 wegens de finale verrekening uit hoofde van de tussen partijen voorheen geldende huwelijkse voorwaarden;

dan wel subsidiair:

de man te veroordelen een door de rechtbank te bepalen bedrag te betalen;

primair en subsidiair:

het toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 september 2012, zijnde de datum van indiening van het echtscheidingsverzoek, althans vanaf 1 augustus 2013;

en voorts:

de man te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de vrouw te betalen een bedrag van € 69.870 uit hoofde van haar vergoedingsvordering, althans tot een door de rechtbank te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2013;

en voorts:

de man te veroordelen om binnen twee maanden na de datum van dit vonnis te bewerkstelligen dat de vrouw wordt ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid jegens de Westland Utrecht Bank vanwege de hypotheekfinanciering die deze bank aan de man en de vrouw, hoofdelijk, heeft verstrekt tot een bedrag van € 600.000, op straffe van een dwangsom van € 500 per dag(-deel) dat de man hiermee in gebreke blijft en welke de man zonder nadere ingebrekestelling verschuldigd zal zijn;

een en ander met veroordeling van de man in de proceskosten.

3.2.

De man heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot het, uitvoerbaar bij voorraad, afwijzen van de vorderingen voor zover deze een bedrag van € 12.559,49 te boven gaan.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang voor de beoordeling van de zaak, ingegaan.

4 De vordering in reconventie

4.1.

De man heeft gevorderd, samengevat weergegeven, dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de verdeling van de eenvoudige gemeenschappen en de verrekening van het te verrekenen vermogen zal worden bepaald zoals door de man in de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie sub 8 tot en met 18 uiteengezet is en de vrouw te veroordelen tot betaling aan de man van een bedrag van € 39.349,98, te vermeerderen met het aandeel van de man in het saldo van de bankrekening van de vrouw bij de ABN Amrobank met nummer [banknummer] en het aandeel van de man in de waarde van de onderneming van de vrouw conform de huwelijkse voorwaarden, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van bedoelde conclusie.

4.2.

De vrouw heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen voor zover deze door haar worden bestreden, kosten rechtens.

4.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang voor de beoordeling van de zaak, ingegaan.

5 De beoordeling

in conventie en in reconventie

De nadere producties van de zijde van de man

5.1.

De comparitie van partijen was aanvankelijk bepaald op 2 februari 2017. Deze heeft geen doorgang gevonden vanwege klemmende omstandigheden aan de zijde van de advocaat van de man. Nadat de nieuwe datum voor de comparitie was bepaald, heeft de man nog een groot aantal producties in het geding gebracht. De vrouw heeft bezwaar gemaakt tegen het overleggen van deze nadere producties.

5.2.

De rechtbank constateert dat de producties door de man op zichzelf tijdig voor de nader bepaalde datum van de comparitie zijn overgelegd, namelijk veertien dagen voordien. Op zichzelf hadden de vrouw en haar advocaat dus de minimaal conform het procesreglement geboden termijn om zich op behandeling van deze stukken voor te bereiden. Wel is het zo dat de stukken van de zijde van de man in beginsel geen onderdeel zouden uitmaken van het procesdossier aan de hand waarvan zou zijn beslist indien de comparitie doorgang had kunnen vinden op de aanvankelijk bepaalde datum. Het gaat zoals overwogen om een groot aantal stukken die op een laat moment in de procedure zijn gebracht. Daartegen valt in te brengen, zoals de man ook heeft gedaan, dat verzocht had kunnen worden deze stukken alsnog bij akte in het geding te mogen brengen. Indien dat was toegestaan, was een nadere schriftelijk uitlating van partijen noodzakelijk geweest. In dat licht bezien droeg overlegging voor de nader bepaalde datum van comparitie bij aan een goede proceseconomie.

5.3.

Het voorgaande brengt de rechtbank ertoe de stukken te accepteren. Daar waar nog een nadere uitlating door de vrouw nodig zou zijn, zal zij daartoe in de gelegenheid worden gesteld.

verder in conventie

Het ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid

5.4.

De vrouw heeft gevorderd de man te veroordelen haar te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid onder de hypothecaire geldlening die is aangegaan ter financiering van de bouw van de voormalige echtelijke woning aan [adres] (hierna: de woning) en de aanschaf van het perceel waarop deze woning is gebouwd. De bij WestlandUtrecht Bank (onder nummer [nummer] ) afgesloten geldlening bedraagt € 600.000.

5.5.

De vrouw heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende belang bij haar vordering nu de man enig eigenaar is van de woning en deze woning ook gebruikt. De vrouw is derhalve aansprakelijk voor een aanzienlijke verplichting terwijl daar voor haar geen onderpand tegenover staat. Uit de stellingen van de man wordt ook begrepen dat hij de vrouw kan doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid, daartoe zelfs al een concreet aanbod heeft gekregen van de bank, doch dit om voor de rechtbank onduidelijke redenen niet heeft gedaan. Er is niets gesteld of gebleken dat moet leiden tot het oordeel dat de man bedoeld ontslag niet kan realiseren dan wel dat dit van hem niet kan worden gevergd.

5.6.

De rechtbank zal de man een termijn bieden van vier maanden na de datum van dit vonnis om de vrouw uit de hoofdelijkheid te doen ontslaan. Daaraan zal, zoals gevorderd, een dwangsom worden gekoppeld om de man ertoe te bewegen het ontslag ook daadwerkelijk te doen realiseren. De man had daartoe zoals overwogen namelijk al eerder de mogelijkheid, maar is er niet toe overgegaan. De dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd als hierna bepaald.

verder in conventie en in reconventie

5.7.

Beide partijen hebben stellingen ingenomen over de manier waarop het huwelijkse vermogen volgens hen moet worden afgewikkeld. De over en weer gevorderde bedragen vloeien voort uit die stellingen. Vanwege de samenhang tussen deze stellingen en vorderingen behandelt de rechtbank deze gezamenlijk.

5.8.

De rechtbank zal achtereenvolgens beoordelen welke peildatum geldt, op welke wijze het vermogen aan de zijde van de man en dat van de vrouw verrekend moet worden, dan een oordeel geven ter zake de over en weer gestelde vergoedingsvorderingen in verband met de gestelde inbreng van privé-middelen in de woning en de overige gestelde verrekenvorderingen. Ten slotte wordt geoordeeld over de bestanddelen die partijen hebben aangemerkt als eenvoudige gemeenschap.

De peildatum

5.9.

Partijen zijn het erover eens dat op grond van artikel 11 lid 3 HV de datum van indiening van het verzoek tot echtscheiding, te weten 19 september 2012, heeft te gelden als datum waarop de omvang van het te verrekenen vermogen wordt bepaald.

Het vermogen aan de zijde van de man

De woning

5.10.

De man is enig eigenaar van de hiervoor reeds genoemde woning in [plaats] terwijl partijen hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de in verband daarmee gesloten hypothecaire geldlening ter hoogte van € 600.000.

5.11.

Niet in geschil is dat de waarde van de woning dient te worden verrekend. De woning is door Claase Bedrijfsmakelaars (hierna: Claase) getaxeerd. Uit de taxatie volgt een waarde per peildatum van € 675.000. De vrouw heeft bepleit dat voor de waardering aansluiting wordt gezocht bij de WOZ-waarde over 2012 van € 774.000. Zij heeft er daarbij op gewezen dat in eerdere (alimentatie-)procedures deze waarde ook als uitgangspunt is genomen. De rechtbank is echter van oordeel dat de taxatie van Claase, wier deskundigheid niet ter discussie staat en waarvan het rapport inhoudelijk niet is weersproken, moet worden gevolgd omdat door Claase specifiek deze woning tegen de peildatum is getaxeerd.

5.12.

Aan de hypothecaire geldlening is een polis verbonden, afgesloten bij (thans) Nationale Nederlanden, op naam van beiden partijen. De waarde van die polis bedroeg per peildatum, zo is niet geschil, € 8.416,67. De man heeft in de pleitnota (pagina 4, vierde alinea), in afwijking van de conclusie van antwoord, gesteld dat een belastinglatentie drukt op deze polis van 42%. Dit is onweersproken, zodat de polis voor een bedrag van afgerond € 4.882 wordt meegenomen.

5.13.

Op grond van vorenstaande uitgangspunten komt de rechtbank tot een te verrekenen (over)waarde van afgerond € 79.882 (€ 675.000 – [€ 600.000 - € 4.882]). Ten laste van de man strekt dan een bedrag van € 39.941.

De auto

5.14.

Op naam van de man staat een auto van het merk en type Chevrolet Corvette. De vrouw wil de waarde van deze auto verrekenen. Zij stelt die op € 40.000. De man heeft gesteld dat de auto met voorhuwelijks vermogen is betaald en dus, op grond van artikel 11 lid 2 HV, buiten de verrekening valt.

5.15.

Het standpunt van de man wordt gevolgd nu voldoende is onderbouwd dat de auto op 19 juli 2001 voor fl. 35.000 is gekocht waarbij de betaling vanaf een bankrekening op naam van de man is verricht. De man heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij over voorhuwelijks vermogen beschikte, los van de omvang hiervan, en dat kort (ruim een jaar) na het sluiten van het huwelijk voornoemd aanzienlijk bedrag is betaald voor de auto. De vrouw heeft niet gesteld dat partijen gedurende het jaar dat het huwelijk tot dat moment had geduurd een dergelijk bedrag aan gezamenlijk vermogen hebben opgebouwd of hadden kunnen opbouwen. Daarom neemt de rechtbank aan dat de man de auto met zijn ten huwelijk aangebrachte vermogen heeft bekostigd. De auto valt dan buiten het te verrekenen vermogen.

Polis bij Zwitserleven

5.16.

Voor het huwelijk is door de man een pensioenverzekering afgesloten bij Zwitserleven (onder polisnummer [nummer] ). De waarde per peildatum bedroeg, zo is niet in geschil, € 20.006,83. De man stelde aanvankelijk dat deze waarde, verminderd met de waarde bij het sluiten van het huwelijk (van € 1.134,50) moest worden verrekend. Ter zitting is hij daarop teruggekomen en heeft hij gesteld dat de waarde van de polis, afgesloten vóór de huwelijkssluiting, buiten de verrekening moet blijven (pleitnota pagina 3, bovenaan).

5.17.

De rechtbank is van oordeel dat de gedurende het huwelijk opgebouwde waarde van de polis in de verrekening dient te worden betrokken. Dat deel van de waarde, hetgeen het overgrote deel betreft, kan naar het oordeel van de rechtbank niet als aanbrengst als bedoeld in artikel 11 lid 2 HV worden beschouwd, althans de man heeft te weinig gesteld om anders aan te nemen. In de verrekening wordt daarom een bedrag van afgerond € 18.872 betrokken.

5.18.

Partijen twisten over de belastinglatentie waarmee rekening gehouden dient te worden. De vrouw stelt dat met de huidige belastingdruk rekening moet worden gehouden (volgens haar 30%), de man dat met de belastingdruk per peildatum moet worden gerekend (volgens hem 42%).

5.19.

Naar het oordeel van de rechtbank moet het standpunt van de man worden gevolgd. Op grond van het door hem genoemde arrest van de Hoge Raad van 24 februari 2006 (ECLI:NL:HR:2006:AU6095) moet worden aangenomen dat in beginsel met de belastingdruk per peildatum moet worden gerekend nu ook de waarde van de polis per die datum tot uitgangspunt wordt genomen. De rechtbank ziet geen aanleiding daar in het onderhavige geval van af te wijken. Door de man is die belastingdruk onweersproken gesteld op 42% (dus afgerond € 7.926).

5.20.

Op grond van het voorgaande moet de polis tegen een waarde van € 10.946 (€ 18.872 - € 7.926) worden verrekend. Dat leidt tot een verplichting van de man jegens de vrouw van € 5.473.

Bankrekeningen

5.21.

De man beschikte op de peildatum over de volgende bankrekeningen:

  • -

    de bij de Direktbank gehouden (klim-)spaarrekening met rekeningnummer [nummer] ;

  • -

    de bij de Rabobank gehouden betaalrekening met rekeningnummer [nummer] ;

  • -

    de bij de Rabobank gehouden spaarrekening met rekeningnummer [nummer] ;

  • -

    de bij de ABN Amrobank gehouden betaalrekening met rekeningnummer [nummer] ;

  • -

    de bij de ABN Amrobank gehouden spaarrekening met rekeningnummer [nummer] .

5.22.

De man heeft de saldi van deze vijf op zijn naam gehouden bankrekeningen gesteld en daaraan de conclusie verbonden dat daarop in totaal een saldo van € 1.241,54 aanwezig was per peildatum. De vrouw heeft dat niet betwist, zodat daarvan wordt uitgegaan.

5.23.

De man heeft gesteld dat het saldo buiten de verrekening moet blijven omdat het een restant is van schenkingen aan hem door zijn ouders. Dit is echter met betrekking tot dit bedrag niet nader toegelicht, terwijl de wel concreet gestelde schenkingen door de vrouw gemotiveerd zijn betwist, zodat daarvan niet zonder meer kan worden uitgegaan. De man heeft niet concreet gesteld van welke schenking dit saldo een restant is, laat staan dat hij de relevante geldstromen inzichtelijk heeft gemaakt.

5.24.

De rechtbank zal voornoemd saldo daarom in de verrekening betrekken, hetgeen een verplichting van de man jegens de vrouw van afgerond € 621 oplevert.

De onderneming van de man en de polis bij Allianz

5.25.

De waarde van de onderneming van de man, de eenmanszaak [handelsnaam] , dient in de verrekening te worden betrokken. In artikel 12 lid 3 HV is bepaald dat de waarde van de onderneming zal moeten worden bepaald door een deskundige die partijen aanwijzen. Indien zij niet tot een gezamenlijke benoeming komen, kunnen zij de kantonrechter verzoeken een deskundige te benoemen. Ter zitting hebben beide partijen ermee ingestemd dat de rechtbank een oordeel zal geven over de waardering van de onderneming van de man (en die van de vrouw), zo nodig onder benoeming van een deskundige.

5.26.

Op grond van artikel 12 lid 6 in verband met artikel 12 lid 2 sub a HV moet het ondernemingsvermogen worden bepaald per einde boekjaar 2011 (het jaar voorafgaand aan het jaar waarop het echtscheidingsverzoek is ingediend) en per einde boekjaar 2000 (het jaar van het huwelijk). Voor zover de vrouw stelt dat de waarde in het economisch verkeer van de onderneming moet worden bepaald, nog los van de vraag wat daarmee precies wordt bedoeld, vindt die opvatting geen steun in de huwelijkse voorwaarden.

5.27.

De rechtbank is van oordeel dat kan worden uitgegaan van de hoogte van het ondernemingsvermogen zoals dat blijkt uit de door de man overgelegde jaarrekeningen over voornoemde boekjaren. De vrouw heeft de betreffende stukken niet gemotiveerd betwist. Derhalve wordt uitgegaan van een positief kapitaal binnen de onderneming eind 2000 van € 46.955 en een negatief kapitaal eind 2011 van € 56.628.

5.28.

Laatstgenoemd bedrag behoeft naar het oordeel van de rechtbank een correctie. Uit de stukken is gebleken dat voor de peildatum aan de man op grond van een bij Allianz gehouden polis (met polisnummer 6424053) een bedrag is uitgekeerd, waarvan € 20.000 in de onderneming is gevloeid. De polis maakt dus geen onderdeel uit van het te verrekenen vermogen omdat deze op de peildatum niet meer aanwezig was, doch het hogere eigen vermogen van de onderneming evenmin omdat het bedrag na de in de huwelijkse voorwaarden genoemde (eind-)datum voor de bepaling van de waarde in de onderneming is gevloeid. De rechtbank acht dat niet redelijk en zal het resultaat over 2011 met € 20.000 corrigeren. Alsdan wordt gerekend met een negatief kapitaal eind 2011 van € 36.628. Per saldo is dus sprake van een negatieve vermogensontwikkeling van € 83.583.

5.29.

Zoals de man onbetwist heeft gedaan, zal de rechtbank het bedrag corrigeren met de FOR ad € 36.709. Alsdan resteert een negatieve waarde van € 46.874. De helft hiervan dient in de verrekening te worden betrokken (artikel 12 lid 5 HV) en weer de helft daarvan dient de vrouw te dragen. Aldus een bedrag van € 11.718,50.

Tussenconclusie

5.30.

De man dient ingevolge de verrekening van zijn vermogen aan de vrouw te betalen € 34.316,50 (€ 39.941 + € 5.473 + € 621 - € 11.718,50).

Het vermogen aan de zijde van de vrouw

De auto

5.31.

Op naam van de vrouw staat een auto van het merk en type KIA Sportage. De auto is in onderling overleg (na tussenkomst van notaris Van Delft) aan de vrouw toegedeeld.

De man heeft gesteld dat de gehele waarde van de auto door de vrouw aan hem moet worden vergoed, omdat de auto per saldo – al dan niet door zaakvervanging – is bekostigd met voorhuwelijks vermogen van de man. Hij stelt dat de KIA door zaaksvervanging uitsluitend zijn eigendom is geworden omdat de KIA met meer dan 50% van zijn privémiddelen door hem is aangeschaft. Aldus valt de KIA niet onder het verrekenbeding.

Voorts is de waarde van de auto tussen partijen in geschil.

5.32.

De rechtbank acht onvoldoende onderbouwd dat de auto is bekostigd met voorhuwelijks vermogen van de man, al dan niet door inruil van één of meer auto’s die zijn (voorhuwelijks) eigendom waren. Uit de door de man zelf overgelegde producties volgt immers dat de opvolgende auto’s voor meer dan de helft met gezamenlijk vermogen zijn betaald. Er is dus geen sprake van zaaksvervanging die kan leiden tot het oordeel dat de auto buiten de finale verrekening diende te blijven als gevolg waarvan de vrouw de gehele waarde ervan aan de man zou moeten vergoeden.

5.33.

De vrouw zal de helft van de waarde van de auto aan de man moeten vergoeden. Deze waarde is conform het door de vrouw overgelegde taxatierapport € 7.153. Dat het rapport afkomstig is van een Toyota-dealer en niet van een KIA-dealer maakt niet dat het buiten beschouwing moet worden gelaten, zoals de man heeft gesteld. De man heeft overigens inhoudelijk niets tegen het rapport ingebracht. De rechtbank zal van voornoemde waarde uitgaan, hetgeen leidt tot een te verrekenen bedrag van € 3.576,50.

De bankrekeningen

5.34.

Op de peildatum beschikte de vrouw over de volgende bankrekeningen:

  • -

    de bij de ABN Amro Bank gehouden rekening met rekeningnummer [nummer] ;

  • -

    de bij de ABN Amro Bank gehouden rekening met rekeningnummer [nummer] ;

  • -

    de bij de ABN Amro Bank gehouden rekening met rekeningnummer [banknummer] ;

5.35.

Niet in geschil is dat het saldo van eerstgenoemde rekening per peildatum nihil was en van de tweede rekening € 1.020,60. Van de rekening met nummer .322 heeft de vrouw gesteld dat het per peildatum aanwezige saldo bestaat uit door haar ouders aan haar geschonken gelden. Deze stelling is onderbouwd door een bankafschrift (productie 17) waaruit volgt dat op 22 december 2011 een bedrag is overgemaakt naar de vrouw met de omschrijving “Inzake schenkingsovereenkomst”. De man heeft gesteld dat hij niet bekend is met een schenking(-sovereenkomst), maar van een voldoende gemotiveerde betwisting is geen sprake, hetgeen gelet op voornoemd bankafschrift wel van de man verwacht had mogen worden. Gelet daarop zal de rechtbank het saldo op deze rekening, gelet op artikel 11 lid 2 HV, buiten de verrekening laten.

5.36.

Ter zake de bankrekeningen zal de vrouw afgerond € 510 aan de man moeten voldoen.

De onderneming van de vrouw

5.37.

De vrouw drijft in de vorm van een eenmanszaak de onderneming [handelsnaam] . De man stelt dat de waarde van deze onderneming conform artikel 12 HV moet worden verrekend, doch heeft niet onderbouwd op grond waarvan hij meent dat de onderneming enige waarde vertegenwoordigt. Uit de gegevens van de zijde van de vrouw leidt de rechtbank af dat geen sprake is van enige waarde, zodat geen te verrekenen bedrag wordt aangenomen.

Tussenconclusie

5.38.

De vrouw zal aan de man € 4.086,50 (€ 3.576,50 + € 510) moeten voldoen.

De vergoedingsvorderingen ter zake de woning

5.39.

De vrouw stelt dat een bedrag van € 69.870 aan haar vermogen is onttrokken ten bate van het vermogen van de man omdat zij dit in de woning van de man heeft geïnvesteerd. Zij vordert hiervan vergoeding op grond van artikel 4 HV, omdat dit vermogen van haar niet in de finale verrekening moet worden betrokken omdat dit aan haar is geschonken door haar ouders respectievelijk door haar is aangebracht bij het aangaan van het huwelijk. De man stelt dat hij een bedrag van € 84.207,25 aan privémiddelen (namelijk voorhuwelijks vermogen en schenkingen van zijn ouders tijdens het huwelijk) in de woning heeft geïnvesteerd. Dat leidt, zo stelt de man, tot een réprise-recht op de pseudo-gemeenschap die wordt aangenomen in het kader van de finale verrekening.

5.40.

De man heeft in de conclusie van antwoord (sub 11) erkend dat de vrouw een bedrag van € 48.268,25 aan voorhuwelijks vermogen en aan schenkingen heeft geïnvesteerd in de woning. Op die erkenning wil de man, zo worden de uitlatingen ter zitting begrepen (pleitnota pagina 4, 5e alinea), terugkomen, doch de betwisting die de man alsnog naar voren wenst te brengen geldt als onvoldoende gemotiveerd in het licht van de eerdere erkenning. Daarom wordt een vergoedingsrecht van de vrouw ten laste van de man met voornoemde hoogte aangenomen.

5.41.

Voor het overige zullen beide vorderingen van partijen worden afgewezen. Wil een vergoedingsvordering geldend kunnen worden gemaakt, dan moet – of nu de door de vrouw of door de man gekozen grondslag geldt – kunnen worden aangenomen dat sprake was van vermogen dat op grond van artikel 11 lid 2 HV buiten de finale afrekening blijft (in casu voorhuwelijks vermogen en schenkingen) en dat dit vermogen is gebruikt op de gestelde wijze, in dit geval investering in de woning.

5.42.

Dat partijen beschikten over voorhuwelijks vermogen van relevante omvang, acht de rechtbank voldoende onderbouwd. Niet vastgesteld kan echter worden dat het precies dit vermogen is geweest dat acht jaar later is aangewend zoals partijen hebben gesteld. Het vermogen kan steeds voorafgaand aan de gestelde aanwending vermengd zijn geraakt met privévermogen van de ander en/of gezamenlijk vermogen of zijn besteed aan (onder meer) privézaken van partijen. Dus dat het bedrag dat de man aanbracht ten huwelijk hetzelfde bedrag is dat door hem acht jaar later in de woning is geïnvesteerd, kan niet worden vastgesteld. Daartoe zou moeten kunnen worden vastgesteld dat enig bedrag aan voorhuwelijks vermogen steeds afgescheiden is gehouden, althans zodanig dat het afzonderlijk geïdentificeerd kan worden en daarna is aangewend als door de man gesteld. Dat is niet mogelijk, al was het maar omdat de man niet heeft onderbouwd wat er van het door hem genoemde bedrag betaald zou zijn. Dit geldt ook voor de schenkingen die hij van zijn ouders zou hebben gekregen.

5.43.

Voor het door de vrouw gestelde bedrag geldt hetzelfde voor zover het eerder genoemde bedrag van € 48.268,25 overtreft. Voldoende onderbouwd is weliswaar dat van haar bankrekening bedragen naar die van de man zijn overgemaakt. Dat het gaat om voorhuwelijks vermogen danwel schenkingen, kan echter niet worden vastgesteld en evenmin waarvoor het aan de man overgemaakte geld is aangewend. Dit kan ook anders dan ten behoeve van de woning zijn geweest.

5.44.

Slotsom op dit punt is dat sprake is geweest van voorhuwelijks vermogen/schenkingen aan de zijde van beide partijen, dat dit is verbruikt, doch niet dat sprake is van een aanwending zodanig dat een vergoedingsrecht geldend kan worden gemaakt op de woning, anders dan ter hoogte van het door de man erkende bedrag. Daarom zal dat bedrag van afgerond € 48.268 ten laste van de man in de verrekening wordt betrokken.

Overige verrekenvorderingen

Gebruikerslasten en energiekosten

5.45.

De rechtbank begrijpt dat de man energiekosten heeft betaald met betrekking tot de echtelijke woning over de periode dat de vrouw daar woonde en de man niet. Naar het oordeel van de rechtbank kan de man het door hem gestelde bedrag van afgerond € 1.951 van de vrouw vorderen. Zij heeft immers, zo is onvoldoende gemotiveerd weersproken, de in rekening gebrachte energie verbruikt. Dat dit na de peildatum is geweest, doet daaraan niet af. De vordering ter zake de gebruikerslasten is door de man ingetrokken (pleitnota pagina 7, laatste zin).

Zorgverzekering

5.46.

Ter zitting is overeengekomen dat de vordering van de man ter zake door hem voor de vrouw betaalde premies zorgverzekering zal worden weggestreept tegen een vordering die de vrouw buiten rechte pretendeert. De rechtbank beschouwt dit onderdeel van de vordering als ingetrokken.

Woonvergoeding

5.47.

In een arrest van 30 oktober 2016 (met zaaknummer 200.141.109) heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden geoordeeld dat de vrouw aan de man een woonvergoeding verschuldigd is van € 1.176. Dit bedrag is niet in geschil en kan ten laste van de vrouw worden verrekend.

Aanslagen IB

5.48.

De man heeft, zo acht de rechtbank voldoende onderbouwd, na de peildatum op grond van aanslagen inkomstenbelasting over 2011 en 2012 een bedrag van € 8.345,16 betaald (pleitnota, pagina 7 onderaan). De vrouw dient naar het oordeel van de rechtbank de helft van dit bedrag (afgerond € 4.173) aan de man te vergoeden, nu het ziet op de periode voor de peildatum. Het is een tussen partijen te verrekenen schuld. Het meerdere wordt afgewezen omdat het kennelijk voor de peildatum, en de rechtbank moet aannemen dus uit gezamenlijke middelen, al aan de Fiscus is voldaan.

Investering in onderneming vrouw

5.49.

De man heeft gesteld dat hij uit privémiddelen een bedrag van € 11.708 in de onderneming van de vrouw heeft geïnvesteerd. Die stelling is echter niet voldoende onderbouwd. Uit de producties waarnaar de man op dit punt verwijst (28 tot en met 31) valt de investering niet af te leiden en voorts niet dat het een investering is geweest met privé-middelen van de man. Dit onderdeel van de vordering wordt afgewezen.

Tussenconclusie

5.50.

Ten laste van de vrouw zal in totaal een bedrag van € 7.300 (€ 1.951 + € 1.176 + € 4.173) in de verrekening worden betrokken.

Verdeling

Gezamenlijke bankrekeningen

5.51.

Partijen beschikten op de peildatum over de volgende gezamenlijke bankrekeningen:

  • -

    de bij de Regiobank gehouden rekening met rekeningnummer [nummer] ;

  • -

    de bij de Regiobank gehouden spaarrekening met rekeningnummer [nummer] ;

  • -

    de bij de Regiobank gehouden spaarrekening met rekeningnummer [nummer] ;

  • -

    de bij de ABN Amrobank gehouden rekening met rekeningnummer [nummer] ;

  • -

    de bij de ABN Amrobank gehouden spaarrekening met rekeningnummer [nummer] .

5.52.

De man heeft gesteld dat het totale saldo op deze rekeningen € 132,37 bedroeg, zodat afgerond € 66 ten laste van hem in de verrekening moet worden betrokken. De vrouw heeft deze saldi geaccepteerd, behoudens die van de rekening eindigend op .135 omdat daarop volgens de vrouw in januari 2011 nog een bedrag van € 16.970 stond. De vrouw heeft aan die opmerking verder geen conclusie verbonden terwijl onweersproken is dat het bedrag op de peildatum niet meer aanwezig was, zodat van het door de man gestelde aan de vrouw toekomende bedrag wordt uitgegaan.

5.53.

Uit de stellingen van partijen begrijpt de rechtbank dat de man steeds deze rekeningen heeft gebruikt en dat nog doet. Voorts wordt begrepen dat partijen uitgaan van toedeling van de saldi aan de man. Zij stellen immers beiden dat de man een bedrag ter grootte van de helft van de saldi aan de vrouw dient af te dragen, waaruit wordt geconcludeerd dat het gehele saldo bij de man achterblijft. Tot zover zal de vordering in reconventie in die zin worden toegewezen.

Inboedel

5.54.

De inboedel is feitelijk tussen partijen verdeeld na tussenkomst van notaris Van Delft. In geschil is of de vrouw daarbij is overbedeeld en dus nog een bedrag aan de man verschuldigd is.

5.55.

De man heeft zijn vordering voor zover die verband houdt met de verdeling van de inboedel ingetrokken (pleitnota pagina 6, vierde alinea), behoudens voor zover het gaat om de aanschaf van de kantoortafel van zijn onderneming en de schenking door zijn ouders ten behoeve van de aankoop van meubels.

5.56.

Ter zake bedoelde tafel heeft de man niet gesteld wat er geldt wanneer zijn, door de vrouw bestreden, stelling wordt gevolgd dat de vrouw een tafel van/bedoeld voor de onderneming van de man in haar bezit heeft. De rechtbank heeft niet voldoende informatie gekregen om daaraan de conclusie te verbinden dat de vrouw ter zake de, verder in onderling overleg tussen partijen verdeelde, inboedel is overbedeeld met enig bedrag.

5.57.

Wat betreft de gestelde schenking door de ouders van de man van meubels geldt dat niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van een schenking door de ouders van de man aan alleen hem en niet aan beide partijen, zoals de vrouw stelt. Dat derhalve sprake is van een situatie dat de vrouw hiervoor een vergoeding aan de man moet betalen, kan niet worden vastgesteld. De vorderingen van de man ter zake van de inboedel worden derhalve afgewezen.

Slotsom, rente en proceskosten

5.58.

Ten laste van de man wordt verrekend € 82.650,50 (€ 34.316,50 + € 48.268 + € 66). Ten laste van de vrouw wordt verrekend € 11.386,50 (€ 4.086,50 + € 7.300). De rechtbank zal deze bedragen met elkaar verrekenen. Per saldo zal de man in conventie worden veroordeeld aan de vrouw te betalen € 71.264 en de geldvordering in reconventie wordt afgewezen. Nu eerst thans deze betalingsverplichting wordt vastgesteld, zal de wettelijke rente vanaf de datum van dit vonnis worden toegewezen.

5.59.

Omdat de vordering voortvloeit uit het huwelijk dat tussen partijen heeft bestaan, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd.

6 De beslissing

De rechtbank

in conventie

6.1.

veroordeelt de man om binnen vier maanden na de datum van dit vonnis te bewerkstelligen dat de vrouw wordt ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid jegens de Westland Utrecht Bank vanwege de hypotheekfinanciering die deze bank aan de man en de vrouw, hoofdelijk, heeft verstrekt tot een bedrag van € 600.000, op straffe van een dwangsom van € 250 per dag(-deel) dat de man hiermee in gebreke blijft en welke de man zonder nadere ingebrekestelling verschuldigd zal zijn, met een maximum van € 50.000,

6.2.

veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 71.264 ter zake de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en uit hoofde van de vergoedingsvordering van de vrouw, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van dit vonnis tot de datum van volledige betaling,

6.3.

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

6.4.

wijst het meer of anders gevorderde af,

6.5.

compenseert de proceskosten aldus dat ieder van partijen de eigen kosten draagt,

in reconventie

6.6.

deelt aan de man toe de saldi op de volgende bankrekeningen:

  • -

    de bij de Regiobank gehouden rekening met rekeningnummer [nummer] ;

  • -

    de bij de Regiobank gehouden spaarrekening met rekeningnummer [nummer] ;

  • -

    de bij de Regiobank gehouden spaarrekening met rekeningnummer [nummer] ;

  • -

    de bij de ABN Amrobank gehouden rekening met rekeningnummer [nummer] ;

  • -

    de bij de ABN Amrobank gehouden spaarrekening met rekeningnummer [nummer] ,

6.7.

verklaart het onder 6.6 bepaalde uitvoerbaar bij voorraad,

6.8.

wijst het meer of anders gevorderde af,

6.9.

compenseert de proceskosten aldus dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen, mr. dr. J.C.E. Ackermans-Wijn en mr. A.J.H. Steenweg en in het openbaar uitgesproken op 29 maart 2017.