Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:1936

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
23-03-2017
Datum publicatie
12-04-2017
Zaaknummer
05/720267-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt een Zutphense verdachte voor het plegen van een woninginbraak, een heling en voor de bedreiging van een vijftal personen tot een gevangenisstraf van 210 dagen, waarvan 104 dagen voorwaardelijk, en een onvoorwaardelijke werkstraf van 240 uur.

Aan het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf zijn bijzondere voorwaarden verbonden, waaronder het verplicht volgen van een ambulante behandeling. Verder moet de verdachte aan twee benadeelden schadevergoeding getalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/720267-16

Datum uitspraak : 23 maart 2017

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] ,

wonende [adres 1] .

Raadsman: mr. B. Hartman, advocaat te Amsterdam.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen

van 12 december 2016 en 9 maart 2017.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is na een nadere omschrijving en wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting van 9 maart 2017 ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks 23 mei 2016 tot en met 24 mei 2016 te Zutphen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning, gelegen aan de [adres 2] , heeft weggenomen een rugzak en/of een portemonnee met inhoud, waaronder (een) (bank)pasje(s)

en/of een geldbedrag van 160,- euro, althans een geldbedrag en/of een I-pad (merk Apple) en/of een laptop en/of een of meer sleutel(s)) en/of een (heren) horloge, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf

heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen goed(eren) en/of geld onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

2.

hij in of omstreeks de periode van 07 augustus 2016 tot en met 08 augustus 2016 te Zutphen

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning, gelegen aan de [adres 3] heeft weggenomen een mediaspeler (merk Apple) en/of een speaker (merk Jbl) en/of een computer

(merk Dell, type Latitude) en/of (een) sleutel(s) en/of een mobiele telefoon (merk Samsung, type Galaxy S) en/of een zonnebril (merk Polaroid) en/of (een) tas(sen) en/of een borstel en/of een theeglas en/of een plastic houder en/of (een) reisdocument(en) en/of een jas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn/haar/hun bereik hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling leidt:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 23 augustus 2016 tot en met 25 augstus 2016 te Zutphen, (telkens) een of meer goederen, te weten

- een multimediasysteem en/of een laptop en/of een (zwarte) schoudertas

(woninginbraak d.d. 7/8 augustus 2016, [adres 3] te Zutphen),

heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij (telkens) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van deze goederen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

3.

hij op een of meer tijdstippen althans op enig tijdstip in of omstreeks de periode van 23 augustus 2016 tot en met 25 augustus 2016 te Zutphen,(telkens) een of meer goederen, te weten:

- een laptop en/of spelcomputer (woninginbraak in de periode van 14 juli 2016

tot en met 18 juli 2016, [adres 4] te Zutphen) en/of

- een luidspreker (merk Sony) en/of een navigatiesysteem en/of een fotocamera

(woninginbraak d.d. 25/26 juni 2016, [adres 5] te Zutphen)

en/of

- een laptop en/of een radio (woninginbraak 27 juni 2016, [adres 6] te

Zutphen) en/of

- een laptop merk HP type Elitebook 844P (woninginbraak d.d. 20 mei 2016,

[adres 7] te Zutphen) en/of

- een mediabox (woninginbraak 7/8 augustus 2016, [adres 8] te

Zutphen) en/of

- een fiets merk Gazelle, type Davos,

heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij (telkens) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van deze goederen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

4.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 22 augustus 2016 tot en met 27 augustus 2016 te Zutphen

- [slachtoffer 4]

(meermalen) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans

met zware mishandeling, immers heeft verdachte (telkens) opzettelijk

- die [slachtoffer 4] dreigend de woorden toegevoegd :"Je moet je mond houden

anders maak ik je kapot" en/of "ik ga je vermoorden en ik maak je kapot",

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

5.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 22 augustus 2016 tot en met 27 augustus 2016 te Zutphen [slachtoffer 5] (meermalen) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte (telkens) opzettelijk

- die [slachtoffer 5] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik steek je en gooi je daarna in de vijver" en/of "Jullie zijn flikkers en ik vermoord jullie allebei", althans woorden van gelijke aard of strekking;

6.

hij op of omstreeks 29 augustus 2016 te Doetinchem [slachtoffer 6] (hoofdagent bij de politie Oost-Nederland, basisteam IJsselstreek) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde

[slachtoffer 6] dreigend de woorden toegevoegd :"ik ga je een kopstoot geven", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

7.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 23 augustus 2016 tot en met 29 augustus 2016 te Zutphen [slachtoffer 7] (meermalen) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte (telkens) opzettelijk

- die [slachtoffer 7] (telefonisch) dreigend de woorden toegevoegd "Ik maak jou dood,

ik maak je vrouw dood, je kinderen, je hele familie" en/of "Als er iets mis is

dan heb je een probleem he weet je dat, ik maak je dood, ik maak je dood

kankerslet, ik maak je dood, ik maak je dood, ik maak je sowieso dood,

ik maak je sowieso dood dat sowieso", althans woorden van gelijke aard of

strekking;

8.

hij op of omstreeks 30 augustus 2016 te Doetinchem opzettelijk een ambtenaar, [slachtoffer 8] , surveillant B van politie, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, in haar tegenwoordigheid, door feitelijkheden, mondeling heeft beledigd,

door die [slachtoffer 8] toe te voegen: "Je bent een kankerhoer, een kankerhoer, een

kankerhoer" althans woorden van gelijke strekking;

9.

hij op of omstreeks 1 september 2016 te Arnhem [slachtoffer 9] , assistent beveiliger van politie, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers

heeft verdachte opzettelijk aan [naam 1] , surveillant assistent beveiliger van politie, dreigend de woorden toegevoegd: " Ik maak die vrouw af" (doelend op en of in aanwezigheid van [slachtoffer 9] en/of terwijl [slachtoffer 9] dit ook hoorde) althans woorden van gelijke aard of strekking.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Aanleiding onderzoek

Op 23 augustus 2016 gingen twee verbalisanten naar de woning van verdachte om hem aan te houden, dit in verband met mogelijk door hem geuite bedreigingen en mogelijk door hem gepleegde woninginbraken. De woning van verdachte werd op dat moment ontruimd door zijn huurbaas, die hem de huur had opgezegd. Tussen de spullen die al door de huurbaas uit de woning waren gehaald, bleken goederen te zitten die bij woninginbraken waren weggenomen. Verdachte was op dat moment niet aanwezig en is een paar dagen later aangehouden.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1, 2 primair, 3, 4, 5, 6, 7, 8 en 9 ten laste gelegde feiten. Ter zitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.

Het standpunt van de verdediging

Met een toelichting als vermeld in de pleitnotitie heeft de raadsman aangevoerd dat er vrijspraak dient te volgen voor het onder 1 ten laste gelegde feit. Het aantreffen van een verplaatsbare beker met daarop een DNA-spoor van verdachte en het in de woning van verdachte aantreffen van goederen die tijdens de onder 1 ten laste gelegde diefstal zijn weggenomen, is onvoldoende om te komen tot enig daderschap van verdachte. Voor het onder 2 ten laste gelegde feit dient eveneens vrijspraak te volgen nu [naam 2] heeft verklaard dat hij die inbraak alleen heeft gepleegd. Er is geen enkel bewijsmiddel in het dossier waaruit de betrokkenheid van verdachte bij dit feit volgt. Er dient ook vrijspraak te volgen voor de subsidiair ten laste gelegde helingsvarianten omdat verdachte geen kennis heeft gehad van het feit dat de goederen in zijn woning aanwezig waren. Voor het onder 3 ten laste gelegde feit dient eveneens vrijspraak te volgen nu verdachte geen kennis heeft gehad van het feit dat de goederen van de inbraak aan de [straat] in zijn woning aanwezig waren. [naam 2] heeft hem leugenachtig voorgelicht toen hij de goederen in de woning van verdachte achterliet. Voor wat betreft de andere goederen stelt verdachte dat hij niet wist dat die van diefstal afkomstig waren. Bij hem kwamen meerdere mensen over de vloer en soms lieten die spullen achter waarvan verdachte aannam dat ze die wel weer op zouden komen halen. Dat daar nu spullen bij blijken te zitten die van diefstal afkomstig zijn, kan hem niet worden verweten.

Ten aanzien van de onder 4 tot en met 9 ten laste gelegde feiten heeft de raadsman zich, gelet op de bekennende verklaring van verdachte, gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

Feit 1

[slachtoffer 1] heeft mede namens [slachtoffer 2] aangifte gedaan van een woninginbraak die is gepleegd tussen 23 mei 2016 te 21.45 uur en 24 mei 2016 te 06.30 uur in de woning op het adres [adres 2] te Zutphen. Toen zij ’s-ochtends beneden kwamen, zagen zij dat de woning overhoop was gehaald en dat de achterdeur open stond. Weggenomen zijn onder meer een rugzak; een portemonnee met daarin pasjes, waaronder een bankpas; een geldbedrag van € 160,--; sleutels; een iPpad van het merk Apple; een laptop en een herenhorloge. Er was geen braakschade zichtbaar. In de achtertuin stond op een tafeltje een plastic beker met daarin vloeistof. Deze was niet van haar of haar man.2

Er is onderzoek gedaan op het adres [adres 2] te Zutphen. Het perceel is aan de achterzijde van de woning via een steeg te bereiken. Op de tuintafel stond een plastic drinkbeker met vloeistof erin. De drinkbeker is aan de rand bemonsterd en het daarop aanwezige speeksel is veiliggesteld. Ook de beker is veiliggesteld.3

Van het speekselmonster is een DNA-profiel verkregen. Dit is opgenomen in de DNA-databank. De uitkomst van het onderzoek is dat het DNA-profiel matcht met het DNA-profiel van verdachte en dat de kans dat een match optreed met een willekeurig ander persoon kleiner is dan één op één miljard.4

Op grond van het NFI-rapport staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat het op de bekerrand aangetroffen DNA van verdachte afkomstig is.

Bij verdachte zijn goederen aangetroffen die afkomstig zijn van de woninginbraak bij [slachtoffer 1] . Zo is er bij verdachte een Microsoft Surface Pro I3 aangetroffen, voorzien van het serienummer [serienummer] . Dit serienummer komt overeen met het serienummer van de Microsoft Surface Pro I3, waarvan [slachtoffer 1] aangifte heeft gedaan. Een bij verdachte aangetroffen horloge werd door zowel [slachtoffer 2] als [slachtoffer 1] herkend als een bij hen weggenomen horloge.5 Ook het serienummer van de bij verdachte aangetroffen Apple iPad kwam overeen met het serienummer van de bij [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] weggenomen iPad.6

De raadsman heeft aangevoerd dat het DNA-profiel is verkregen van een verplaatsbaar object. Hiermee kan enkel worden verklaard dat verdachte op enig moment uit de beker heeft gedronken. Van het vergelijkend onderzoek van de op de beker aangetroffen twee vingerafdrukken is geen vergelijking tot stand gekomen in het HAVANK systeem, dat terwijl verdachtes vingerafdrukken zijn opgenomen in dat systeem omdat hij al eens eerder door de politie is aangehouden, aldus de raadsman.

De rechtbank acht het niet aannemelijk dat iemand anders dan verdachte de wegwerpbeker met daarin alcoholhoudende drank zou hebben meegenomen naar de achtertuin van de woning [adres 2] te Zutphen en daar op de tuintafel zou hebben achtergelaten. Bovendien heeft verdachte geen verklaring gegeven voor de vraag hoe iemand anders aan een door hem (ten dele) gebruikte beker met alcoholhoudende drank zou zijn gekomen. De rechtbank laat daarom de door de verdediging gegeven verklaring voor het aantreffen van de beker met verdachte DNA-profiel als onaannemelijk buiten beschouwing. Daarbij is meegewogen dat geen mengprofiel, maar een volledig DNA-profiel is aangetroffen. Indien de beker niet alleen door verdachte, maar daarna ook nog door een ander zou zijn gebruikt, had het in de rede gelegen dat een mengprofiel was aangetroffen. Dit rechtvaardigt de conclusie dat de beker met daarop het speekselspoor in de nacht van de inbraak in de achtertuin van de woning door verdachte moet zijn achtergelaten.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het voorwaardelijk gedane verzoek van de raadsman om alsnog (verder) onderzoek te laten doen naar de op de beker aangetroffen dacty afwijzen. Zij ziet daartoe niet de noodzaak nu dit niet relevant is voor enige in deze zaak te nemen beslissing.

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat een “niet-herkenning” niet betekent dat het spoor afkomstig is van iemand die niet in de HAVANK database voorkomt. Het kan namelijk zijn dat de kwaliteit van het spoor en/of de referentieafdruk niet voldoende zijn om tot een herkenning te leiden, niet door het systeem en niet (handmatig) door de expert.7

De rechtbank acht het onder 1 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

Feit 2

Er is aangifte gedaan van een woninginbraak op 8 augustus 2016 op het adres [adres 3] te Zutphen. [naam 2] heeft over die woninginbraak een bekennende verklaring afgelegd inhoudende dat hij de inbraak alleen heeft gepleegd. Er is geen bewijs voorhanden dat de inbraak door twee personen is gepleegd en verdachte deze woninginbraak mede zou hebben gepleegd. Verdachte zal daarom vrijgesproken worden van het primair ten laste gelegde feit.

Aan verdachte is subsidiair ten laste gelegd dat hij goederen heeft verworven, voorhanden heeft gehad of overgedragen, die afkomstig waren van de gepleegde inbraak aan de [adres 3] te Zutphen. Het staat vast dat die inbraak door [naam 2] is gepleegd. Die goederen zijn bij de ontruiming van verdachtes woning op 23 augustus 2016 door zijn huurbaas aangetroffen.

Verdachte heeft verklaard dat [naam 2] op 8 augustus 2016 in zijn woning is gekomen en dat hij bij vertrek een tas heeft achtergelaten. Hij heeft geen wetenschap gehad van de aanwezigheid van gestolen goederen in die tas.

De delictsomschrijving van heling eist dat een verdachte “wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden” dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

De rechtbank is van oordeel dat inderdaad vast staat dat een tas met goederen, afkomstig van de door [naam 2] op 8 augustus 2016 gepleegde woninginbraak, in de woning van verdachte is achtergebleven. Uit het dossier blijkt niet op welke wijze dit is gebeurd en op welk moment verdachte daar mogelijk van op de hoogte is geweest of op de hoogte had kunnen zijn.

Dit maakt dat naar het oordeel van de rechtbank niet vast staat dat verdachte wetenschap heeft gehad of moest vermoeden dat in de tas van misdrijf afkomstige goederen zaten. Verdachte zal derhalve ook van het subsidiair ten laste gelegde vrijgesproken worden.

Feit 3:

Ten aanzien van het vijfde gedachtestreepje (incident 9)

[slachtoffer 10] heeft aangifte gedaan van een woninginbraak die is gepleegd tussen 7 augustus 2016 te 16.00 uur en 8 augustus 2016 om 14.30 uur in de woning op het adres [adres 9] te Zutphen. Weggenomen is onder andere een mediabox.8

Er is onderzoek gedaan naar Facebook gesprekken tussen [naam 2] en verdachte in de periode van 6 augustus 2016 tot en met 29 augustus 2016. Op 6 augustus 2016 is door verdachte aan [naam 2] gevraagd of hij “morge” kan komen. [verdachte] geeft aan dat ze zwart geld gaan maken. [naam 2] geeft aan dat hij een dag blijft. Op 7 augustus 2016 geeft [naam 2] aan dat hij in Zutphen is aangekomen, omstreeks 18.07 uur. [verdachte] geeft aan dat hij over een kwartier op het station is. Om 19.18 uur is het laatste bericht tussen [verdachte] en [naam 2] . Vervolgens is er weer contact via facebook op 11 augustus 2016.9

Verdachte heeft ter terechtzitting van 9 maart 2017 verklaard dat de in het proces-verbaal-van bevindingen gerelateerde facebook gesprekken tussen hem en [naam 2] inderdaad hebben plaatsgevonden.10

[naam 2] heeft verklaard dat hij de woninginbraak op het adres [adres 9] te Zutphen heeft gepleegd. Hij heeft die inbraak alleen gepleegd. Hij heeft uit die woning onder andere een rugtas, een sporttas en een mediabox weggenomen. Die goederen heeft hij vervoerd in die tassen en overgebracht naar de woning van [verdachte] . [verdachte] was toen thuis. Dat was in de nacht. Hij is daar blijven slapen. Hij weet niet meer precies welke spullen hij daar achter liet, maar weet wel zeker dat de mediabox daar is gebleven.11

Op 25 augustus 2016 zijn er bij verdachte goederen aangetroffen. De aangetroffen mediabox was weggenomen bij de woninginbraak, waarvan door [slachtoffer 10] aangifte was gedaan. Het serienummer van de bij verdachte aangetroffen mediabox kwam overeen met de mediabox die tijdens de inbraak was weggenomen.12

De rechtbank overweegt dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat [naam 2] op 7 augustus 2017 naar Zutphen is gekomen om “geld te maken” en dat verdachte daarvan op de hoogte was. [naam 2] heeft later die dag inderdaad een inbraak gepleegd. Hij heeft vervolgens twee tassen bij verdachte in de woning gezet en, toen hij op 8 augustus 2016 de woning verliet, daar een tas achtergelaten. Verdachte wist gelet op het voorgaande dat de tas met inhoud, afkomstig was van (de door [naam 2] gepleegde) diefstal. Zodoende heeft verdachte deze goederen ook voorhanden gehad.

De rechtbank acht dit deel van het onder 3 ten laste gelegde feit – namelijk het vijfde gedachtestreepje - wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van de overige onder 3 ten laste gelegde incidenten:

De delictsomschrijving van heling eist dat een verdachte “wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden” dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. De rechtbank is van oordeel dat inderdaad vast staat dat er goederen, afkomstig van woninginbraken, in de woning van verdachte zijn aangetroffen. Uit het dossier blijkt niet wanneer en op welke wijze die goederen daar terecht zijn gekomen en op welk(e) moment(en) verdachte op de hoogte had kunnen zijn dat deze van misdrijf afkomstig waren.

Dit maakt dat naar het oordeel van de rechtbank niet vast staat dat verdachte wetenschap heeft gehad of moest vermoeden dat die goederen (telkens) van misdrijf afkomstig waren. Verdachte zal derhalve van de overige onder 3 ten laste gelegde incidenten vrijgesproken worden.

Feiten 4 tot en met 9:

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

  • -

    de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 9 maart 2017;

  • -

    het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 4] en het proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 4] , p.190, p. 193 (feit 4);

  • -

    het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 5] , p. 221 (feit 5);

  • -

    het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 6] , p. 396 (feit 6);

  • -

    het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 7] , p. 212 (feit 7);

  • -

    het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 8] , p. 403 (feit 8);

  • -

    het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 9] , p. 409 (feit 9);

  • -

    het proces-verbaal van verhoor van getuige [naam 1] , p. 412 (feit 9).

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 3, 4, 5, 6, 7, 8 en 9 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij in de periode vanof omstreeks 23 mei 2016 tot en met 24 mei 2016 te Zutphen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning, gelegen aan de [adres 2] , heeft weggenomen een rugzak en/of een portemonnee met inhoud, waaronder (een) (bank)pasje(s)

en/of een geldbedrag van 160,- euro, althans een geldbedrag en/of een iPad (merk Apple) en/of een laptop en/of een of meer sleutel(s)) en/of een (heren) horloge, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf

heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen goed(eren) en/of geld onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

3.

hij op een of meer tijdstippen althans op enig tijdstip in of omstreeks de periode van 23 augustus 2016 tot en met 25 augustus 2016 te Zutphen, (telkens) een of meer goederen, te weten:

- een laptop en/of spelcomputer (woninginbraak in de periode van 14 juli 2016

tot en met 18 juli 2016, [adres 4] te Zutphen)(Incident 8) en/of

- een luidspreker (merk Sony) en/of een navigatiesysteem en/of een fotocamera

(woninginbraak d.d. 25/26 juni 2016, [adres 5] te Zutphen)(Incident 7)

en/of

- een laptop en/of een radio (woninginbraak 27 juni 2016, [adres 6] te

Zutphen)( Incident 10) en/of

- een laptop merk HP type Elitebook 844P (woninginbraak d.d. 20 mei 2016,

[adres 7] te Zutphen)(Incident 15) en/of

- een mediabox (woninginbraak 7/8 augustus 2016, [adres 8] te

Zutphen) (Incident 9) en/of

- een fiets merk Gazelle, type Davos (Incident 14),

heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij (telkens) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van deze goederen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

4.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 22 augustus 2016 tot en met 27 augustus 2016 te Zutphen

- [slachtoffer 4]

(meermalen) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans

met zware mishandeling, immers heeft verdachte (telkens) opzettelijk

- die [slachtoffer 4] dreigend de woorden toegevoegd :"Je moet je mond houden

anders maak ik je kapot" en/of "ik ga je vermoorden en ik maak je kapot";

5.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 22 augustus 2016 tot en met 27 augustus 2016 te Zutphen [slachtoffer 5] (meermalen) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte (telkens) opzettelijk

- die [slachtoffer 5] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik steek je en gooi je daarna in de vijver" en/of "Jullie zijn flikkers en ik vermoord jullie allebei";

6.

hij op of omstreeks 29 augustus 2016 te Doetinchem [slachtoffer 6] (hoofdagent bij de politie Oost-Nederland, basisteam IJsselstreek) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde

[slachtoffer 6] dreigend de woorden toegevoegd :"ik ga je een kopstoot geven";

7.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 23 augustus 2016 tot en met 29 augustus 2016 te Zutphen [slachtoffer 7] (meermalen) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte (telkens) opzettelijk

- die [slachtoffer 7] (telefonisch) dreigend de woorden toegevoegd "Ik maak jou dood, ik maak je vrouw dood, je kinderen, je hele familie" en/of "Als er iets mis is dan heb je een probleem he weet je dat, ik maak je dood, ik maak je dood kankerslet, ik maak je dood, ik maak je dood, ik maak je sowieso dood, ik maak je sowieso dood dat sowieso";

8.

hij op of omstreeks 30 augustus 2016 te Doetinchem opzettelijk een ambtenaar, [slachtoffer 8] , surveillant B van politie, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, in haar tegenwoordigheid, door feitelijkheden, mondeling heeft beledigd,

door die [slachtoffer 8] toe te voegen: "Je bent een kankerhoer, een kankerhoer, een

kankerhoer" ;

9.

hij op of omstreeks 1 september 2016 te Arnhem [slachtoffer 9] , assistent beveiliger van politie, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers

heeft verdachte opzettelijk aan [naam 1] , surveillant assistent beveiliger van politie, dreigend de woorden toegevoegd: " Ik maak die vrouw af" (doelend op en of in aanwezigheid van [slachtoffer 9] en/of terwijl [slachtoffer 9] dit ook hoorde).

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

diefstal

Ten aanzien van feit 3:

opzetheling

Ten aanzien van de feiten 4, 5 en 7 telkens:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 6:

bedreiging met zware mishandeling

Ten aanzien van feit 8:

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

Ten aanzien van feit 9:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van de onder 1 tot en met 9 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot:

  • -

    106 dagen gevangenisstraf onvoorwaardelijk, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

  • -

    12 maanden gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met daaraan verbonden de door de reclassering geadviseerde voorwaarden, namelijk meldplicht, een behandelverplichting en een drugs- en alcoholverbod;

  • -

    240 uur werkstraf subsidiair 120 dagen hechtenis.

Ter toelichting heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte een reeks strafbare feiten heeft gepleegd. Met name de bedreigingen die hij heeft geuit, zijn voor de slachtoffers angstaanjagend geweest. Anderzijds heeft de officier van justitie er rekening mee gehouden dat, sinds verdachte contact heeft met de reclassering, het beter met verdachte lijkt te gaan. Terugplaatsing in detentie zou, naar het zich laat aanzien, vooral kwaad berokkenen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft naast de bepleite vrijspraak subsidiair verzocht om een lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie heeft gevorderd. Hij acht terugplaatsing in detentie niet wenselijk.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 16 januari 2017;

- een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 6 maart 2017.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen - en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur leiden - dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een woningbraak en een heling, waardoor schade en overlast bij de benadeelden is veroorzaakt. Ook heeft verdachte een vijftal personen bedreigd, waarvan een aantal van hen meerdere keren. Hiermee heeft hij de betrokken personen schrik en angst aangejaagd en heeft hij hen de nodige onrustgevoelens bezorgd. De ervaring leert dat de slachtoffers van bedreiging en woninginbraken daarvan nog geruime tijd nadelige gevolgen kunnen ondervinden.

De feiten rechtvaardigen op zichzelf oplegging van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf,

ook omdat uit het uittreksel Justitiële Documentatie blijkt verdachte eerder (onherroepelijk) is veroordeeld voor een diefstal wegens een woninginbraak en bedreiging.

Anderzijds heeft de rechtbank rekening gehouden met het door Reclassering Nederland over verdachte opgemaakte voorlichtingsrapport. Daaruit blijkt dat verdachte door ervaringen met eerdere hulpverlening, onder meer tijdens een vier jarige PIJ-maatregel, argwaan heeft opgebouwd ten opzichte van hulpverlening. Dit was voor de reclassering met name merkbaar in het begin van het huidige toezicht in verband met de schorsing van de voorlopige hechtenis. Tijdens het verloop van het toezicht nam het argwaan af en stelde verdachte zich coöperatief en actief op. De reclassering ziet voldoende mogelijkheden voor de voorzetting van een reclasseringstoezicht. Er wordt geadviseerd een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met daaraan onder meer verbonden de bijzondere voorwaarde dat verdachte wordt verplicht mee te werken aan een behandeling door een forensische GGZ instelling. Zo kunnen de positieve ontwikkelingen die verdachte heeft ingezet worden voortgezet. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard zich aan de bijzondere voorwaarden te willen houden.

De rechtbank acht het van belang dat verdachte de door de reclassering voorgestelde verplichte behandeling zal volgen. De rechtbank zal daarom een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. Het onvoorwaardelijke deel zal gelijk zijn aan het voorarrest. Om de ernst van de feiten te benadrukken zal zij daarnaast ook een werkstraf aan verdachte opleggen.

Nu de rechtbank minder feiten bewezen acht dan waar de officier van justitie zijn eis op heeft gebaseerd, komt zij tot een lagere strafoplegging dan door de officier van justitie is gevorderd.

7a. Inbeslaggenomen goederen

De officier van justitie heeft gevorderd de teruggave te gelasten van een Sony luidspreker aan verdachte en de teruggave te gelasten van een Playstation en twee controllers aan [naam 3] .

De raadsman heeft verzocht van deze goederen de teruggave aan verdachte te gelasten, nu er geen twijfel is dat verdachte de rechthebbende is.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet vast komen te staan dat de onder verdachte in beslag genomen Sony luidspreker en de Playstation en de twee controllers van misdrijf afkomstig zijn. Nu zich geen strafvorderlijk belang daartegen verzet, zal de teruggave worden gelast van deze voorwerpen aan de veroordeelde.

7b. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder 2 ten laste gelegde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 1.430,64.

De benadeelde [benadeelde 2] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder 3 ten laste gelegde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 1.530,49.

De benadeelde [slachtoffer 4] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder 4 ten laste gelegde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 200,-- immateriële schade.

De benadeelde [slachtoffer 5] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder 5 ten laste gelegde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 200,-- immateriële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] toewijsbaar is tot een bedrag van € 1.128,54, namelijk het gevorderde bedrag minus de vergoeding die gevraagd wordt voor het drie dagen niet kunnen werken wegens het gemis van de auto.

De officier van justitie heeft gesteld dat behandeling van de benadeelde partij [naam 4] ( [benadeelde 2] ) toewijsbaar is tot een bedrag van € 239,--, namelijk de dagwaarde van de computer. De benadeelde partij dient voor het overige niet-ontvankelijk verklaard te worden omdat aan verdachte enkel de heling van die laptop ten laste is gelegd.

De officier van justitie heeft gesteld dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] toewijsbaar is tot het gevorderde bedrag van € 200,--.

De officier van justitie heeft gesteld dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] toewijsbaar is tot het gevorderde bedrag van € 200,--.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, gelet op de bepleite vrijspraak, verzocht de vorderingen van de benadeelden partijen [naam 5] en [naam 6] ( [benadeelde 2] ) niet-ontvankelijk te verklaren.

De raadsman heeft zich ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

De benadeelde partij [naam 5] zal niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering, nu verdachte wordt vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde. De benadeelde partij kan derhalve haar vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

De benadeelde partij [naam 4] ( [benadeelde 2] ) zal niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering, nu verdachte wordt vrijgesproken van dit deel van het onder 3 tenlastegelegde. De benadeelde partij kan derhalve haar vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Nu niet is weersproken dat de benadeelde partij [slachtoffer 4] , zoals deze heeft gesteld, als gevolg van het onder 4 bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag en de vordering de rechtbank niet ongegrond of onrechtmatig voorkomt, zal deze vordering worden toegewezen. De verdachte is voor de schade – naar burgerlijk recht – aansprakelijk. De rechtbank zal de wettelijke rente toewijzen met ingang van 27 augustus 2016.

Nu niet is weersproken dat de benadeelde partij [slachtoffer 5] , zoals deze heeft gesteld, als gevolg van het onder 5 bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag en de vordering de rechtbank niet ongegrond of onrechtmatig voorkomt, zal deze vordering worden toegewezen. De verdachte is voor de schade – naar burgerlijk recht – aansprakelijk. De rechtbank zal de wettelijke rente toewijzen met ingang van 27 augustus 2016.

Schadevergoedingsmaatregel

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht telkens de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van een som geld ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] .

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 24c, 27, 36f, 57, 266, 267, 285, 310, 311, 416 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

 I een gevangenisstraf voor de duur van 210 (tweehonderdtien) dagen en bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf groot 104 (eenhonderdvier) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde(n) voor het einde van de proeftijd die op twee jaren wordt bepaald;

 de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

  • -

    zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

  • -

    zijn medewerking zal verlenen aan het door de Reclassering Nederland te houden toezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

 de bijzondere voorwaarde(n) dat de veroordeelde:

Meldplicht

- zich binnen drie dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis zal melden bij Reclassering Nederland, Houtwal 16d, te Zutphen (088-8041404). Hierna moet veroordeelde zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit gedurende deze periode noodzakelijk acht;

Behandelverplichting – Ambulante behandeling

- wordt verplicht om actief en coöperatief mee te werken aan een verwijzing naar en behandeling door een forensische GGZ instelling of een soortgelijke forensische zorginstelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij betrokkene zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Drugs- en alcoholverbod

- geen drugs of alcohol gebruikt, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. De controle op de naleving van deze bijzondere voorwaarde zal ondersteund worden door middel van middelencontrole.

De rechtbank geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht).

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 II een werkstraf gedurende 80 (tachtig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 40 (veertig) dagen;

 gelast de teruggave van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen aan veroordeelde, te weten:

- een Sony luidspreker;

- een Playstation;

- twee controllers;

 verklaart de benadeelde partij [naam 5] niet-ontvankelijk in diens vordering (feit 2);

 verklaart de benadeelde partij [naam 4] ( [benadeelde 2] ) niet-ontvankelijk in diens vordering (feit 3);

 veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 4], van een bedrag van € 200,-- (tweehonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 augustus 2016, tot aan de dag der algehele voldoening;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 4] , een bedrag te betalen van € 200,-- (tweehonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 augustus 2016, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 4 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

 veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 5] van een bedrag van € 200,-- (tweehonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 augustus 2016, tot aan de dag der algehele voldoening;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 5] , een bedrag te betalen van € 200,-- (tweehonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 augustus 2016, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 4 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

 beveelt de opheffing van het – geschorste – bevel voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.M. Vermeulen (voorzitter), mr. C.J.M. van Apeldoorn en mr. S.C.A.M. Janssen, rechters, in tegenwoordigheid van A.B.M. Jansen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 maart 2017.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] , brigadier van de politie Oost Nederland, district Noord- en Oost Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL06002016418907-2, gesloten op 16 november 2016 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] , p. 109-110

3 Proces-verbaal van bevindingen, p. 116-117

4 Rapport van DNA-onderzoek van het NFI, p. 119-119A

5 Proces-verbaal van bevindingen, p 127

6 Proces-verbaal van bevindingen, p. 129

7 Vakbijlage Dactoloscopisch onderzoek Sporen van De Landelijke Eenheid, Dienst Landelijke Operationele Samenwerking, Landelijke Forensisch Service Centrum, van september 2015, te vinden via de openbare bron internet

8 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 10] , p. 299

9 Proces-verbaal van bevindingen, p. 493

10 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 9 maart 2017

11 Proces-verbaal van verhoor van [naam 2] , in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant] , brigadier van de politie Oost Nederland, district Noord- en Oost Gelderland, genummerd PL0600-2016391630-25, gesloten op 1 december 2016

12 Proces-verbaal van bevindingen, p. 355