Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:1935

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
05-04-2017
Datum publicatie
06-04-2017
Zaaknummer
316783
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Aanwijzing noodweg. Vervolg op ECLI:NL:RBGEL:2016:519. Van gedaagde kan niet worden gevergd dat hij duldt dat eisers de weg op het perceel van gedaagde als noodweg gebruiken om te gaan en komen van hun percelen naar de openbare weg. Belangenafweging valt in nadeel van eisers uit. Vordering afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/316783 / KG ZA 17-119

Vonnis in kort geding van 5 april 2017

in de zaak van

1 [eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [eiser],

wonende te [woonplaats] ,

eisers,

advocaat mr. T.A. Timmermans te Rhenen,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. D.M.H.M. van Dijk te Arnhem.

Eisers zullen hierna in het meervoud worden aangeduid als [eisers] . Gedaagde zal hierna [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties

  • -

    de producties van [gedaagde]

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van [gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eisers] zijn bij akte van 1 april 2015 eigenaar geworden van het perceel cultuurgrond met toe- en aanbehoren gelegen te [woonplaats] aan de [straat] , kadastraal bekend gemeente [woonplaats] , sectie F nummer 75 (ter grootte van een hectare) en het perceel grond met toe- en aanbehoren gelegen te [woonplaats] aan de [straat] , kadastraal bekend gemeente [woonplaats] , sectie F nummer 1346 (ter grootte van negentien hectare, drieëntachtig are en tien centiare).

2.2.

Bij akte van 21 september 2015 zijn [eisers] bovendien eigenaar geworden van het perceel grond gelegen te [woonplaats] aan de [straat] , kadastraal bekend gemeente [woonplaats] , sectie F nummer 1669 (ter grootte van een hectare, drieënvijftig are en tachtig centiare).

2.3.

Volgens [eisers] verloopt de ontsluiting van de hiervoor onder 2.1 en 2.2 genoemde percelen over het perceel van [gedaagde] , de [straat] 14a te [woonplaats] .

2.4.

Omdat partijen van mening verschillen over de vraag of er ten laste van het perceel van [gedaagde] en ten gunste van de percelen van [eisers] een recht van erfdienstbaarheid van weg bestaat, hebben zij bij deze rechtbank een kort gedingprocedure gevoerd.

2.5.

Bij vonnis van 2 februari 2016 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank onder meer het volgende overwogen:

4.4.

Uit het voorgaande blijkt dat een recht van erfdienstbaarheid is gevestigd ten laste van het perceel van [gedaagde] , te weten dat deel van perceel sectie F nummer 306 dat is vernummerd tot 513 en ten gunste van het perceel nummer 514 (zijnde het deel van nummer 306 dat eigendom bleef van [gedaagde] sr.). Op het perceel van [gedaagde] is een verharde weg (met aan het begin bestaande uit klinkers en nadien asfalt) aangelegd, die [gedaagde] sr. kennelijk gebruikte om van zijn perceel (sectie F nummer 514) naar de openbare weg (de [straat] ) te gaan en komen. Voldoende aannemelijk is geworden dat het recht van overpad dus enkel was gevestigd ten gunste van perceel sectie F nummer 514 en niet ook ten gunste van nummer 513, welk perceel juist het dienende erf was. Eind december 2014 heeft [gedaagde] perceelnummers 1096 en 1269 (voorheen nummer 514) gekocht en geleverd gekregen van zijn zus [zus] . Daarmee is het recht van erfdienstbaarheid komen te vervallen, nu het heersend (nummer 514) en dienend (nummer 513) erf in één hand zijn gekomen, namelijk in eigendom van [gedaagde] . Dit is ook zo opgenomen in de akte van levering van 29 december 2014. Dit betekent dat [eisers] geen beroep kan doen op een ten behoeve van zijn perceel en ten laste van het perceel van [gedaagde] gevestigd recht van erfdienstbaarheid. Dat dit recht wel in de akte van levering van 1 april 2015 is opgenomen en dat mede hierdoor bij [eisers] een onjuiste voorstelling van zaken is ontstaan, maakt het voorgaande – hoe vervelend voor [eisers] ook – niet anders. [eisers] zal deze kwestie met de betreffende notaris en/of de verkopende partij moeten bespreken en vervolgens mogelijk zijn eventuele schade op (één van) hen verhalen.

4.6.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [eisers] geen erfdienstbaarheid van overpad/weg heeft ten laste van het perceel van [gedaagde] , zodat de primaire vordering dient te worden afgewezen. [eisers] beroept zich subsidiair op artikel 5:57 BW (noodweg). (…)

4.7.

De vraag is vervolgens of de reeds bestaande weg op het perceel van [gedaagde] als (tijdelijke) noodweg dient te worden aangemerkt. Omdat het thans niet mogelijk is voor [eisers] om op enigerlei wijze zijn percelen te bereiken, zal [gedaagde] dienen te gehengen en gedogen dat [eisers] bij wijze van tijdelijke maatregel (totdat de tarwe is geoogst in juli/augustus 2016) de reeds bestaande, verharde weg op het perceel van [gedaagde] als noodweg gebruikt om te gaan en komen van zijn percelen naar de openbare weg, teneinde zijn land te kunnen bewerken. Daarbij geldt dat indien [eisers] in staat is om in overleg met de provincie af te spreken dat hij op een andere plek een uitweg kan realiseren, [eisers] daartoe zo spoedig mogelijk is gehouden. De verplichting van [gedaagde] om gebruik van zijn perceel als noodweg te dulden, houdt daar op waar [eisers] zelf een in-/uitrit kan realiseren ook al brengt dat aanmerkelijke kosten voor [eisers] met zich. Dit betekent dus dat [eisers] weldra contact dient op te nemen met de provincie om de mogelijkheden te bespreken voor het aanleggen van een in-/uitrit om te gaan en komen van zijn percelen naar de openbare weg en dat als vervolgens daarvoor toestemming wordt verkregen [eisers] deze in-/uitrit met enige voortvarendheid dient aan te leggen.

2.6.

[eisers] hebben geen hoger beroep ingesteld tegen voornoemd vonnis.

2.7.

De provincie heeft [eisers] bij e-mailbericht van 17 mei 2016 onder meer het volgende bericht:

Op 13-5-2016 hebben wij uw verzoek ontvangen en geregistreerd onder bovenstaand V-nummer.

(…) Het beleid van de provincie Gelderland gaat uit van zo min mogelijk uitwegen naar de provinciale wegen. De voorkeur gaat uit naar het ontsluiten via het onderliggende wegennet. Wanneer dit niet mogelijk is, gaan wij uit van één uitweg per kadastraal perceel naar de provinciale weg.

Voor het aanleggen van of wijzigen van het gebruik van een uitweg wordt een vergunning verleend door de desbetreffende gemeente via het omgevingsloket.

De provincie wordt hierbij om advies gevraagd wanneer er een provinciale weg in het geding is.

Ook zou ik graag willen weten hoe het recht van overpad in het verleden is afgesproken, en hoe lang u al gebruik maakt van deze in en uitrit?

Er zijn namelijk richtlijnen hierin bijvoorbeeld:

Verjaring wil zeggen dat een situatie zo lang heeft bestaan, dat er automatisch een recht is ontstaan. Dit is het geval na 10 jaar als de verjaring ‘te goeder trouw’ gebeurt. Anders is de termijn 20 jaar. De eigenaren van beide erven kunnen zich op verjaring beroepen.

Wij hopen u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Mocht u nog vragen hebben over deze e-mail dan kunt u met ons contact opnemen. Wij zijn u graag van dienst.

2.8.

[eisers] hebben bij deze rechtbank een verzoek ingediend dat ertoe strekt dat de rechtbank een voorlopig deskundigenbericht zal bevelen teneinde te doen onderzoeken of de erfdienstbaarheid, al dan niet na tenietgaan en herleving, bestaat en kan worden uitgeoefend. Bij beschikking van 11 oktober 2016 heeft de rechtbank het verzoek afgewezen.

2.9.

[eisers] hebben bij dagvaarding van 19 december 2016 bij de rechtbank Gelderland een bodemprocedure aanhangig gemaakt tegen [gedaagde] (zaak/rolnummer [zaak/rolnummer] ). [eisers] vorderen daarin onder andere een verklaring voor recht dat de erfdienstbaarheid nog bestaat en dat [eisers] daaraan rechten kunnen ontlenen, zodanig dat [gedaagde] is gehouden als dienend erf [eisers] het ongestoorde genot te verschaffen om te komen en te gaan van en naar de openbare weg.

2.10.

In voornoemde bodemprocedure hebben [eisers] ook een provisionele vordering ingesteld, bestaande uit een primaire en subsidiaire vordering. De primaire vordering ziet kort gezegd op een veroordeling van [gedaagde] om hangende de bodemprocedure [eisers] het ongestoorde genot te verschaffen om te komen en te gaan vanaf de openbare weg naar de hem in eigendom toebehorende percelen grond. De subsidiaire vordering strekt tot het aanwijzen van een noodweg ten laste van het erf van [gedaagde] en ten gunste van het erf van [eisers] . Bij vonnis in incident van 22 februari 2017 heeft deze rechtbank het gevorderde afgewezen.

3 Het geschil

3.1.

[eisers] vorderen dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis ten laste van het erf van [gedaagde] en ten gunste van het erf van [eisers] een noodweg aanwijst zodanig dat [eisers] kunnen komen en gaan vanaf de openbare weg, de [straat] te [woonplaats] , naar hun perceel kadastraal bekend gemeente [woonplaats] , sectie F nummer 75 ter grootte van een hectare, alsmede het perceel kadastraal bekend gemeente [woonplaats] , sectie F nummer 1346, ter grootte van negentien hectare, drieëntachtig are en tien centiare. Voorts vorderen [eisers] dat [gedaagde] wordt veroordeeld in de kosten van dit geding.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Partijen verschillen van mening over de vraag of een erfdienstbaarheid van weg bestaat ten gunste van enkele aan [eisers] in eigendom toebehorende percelen en ten laste van een aan [gedaagde] in eigendom toebehorend perceel. Dit geschil is reeds onderwerp geweest van een kort gedingprocedure (zie 2.4 en 2.5) en is thans onderwerp van een aanhangige bodemprocedure (zie 2.9).

4.2.

In de onderhavige procedure stellen [eisers] dat het gevolg van het afwijzen van de provisionele vordering in de bodemprocedure (zie 2.10) voor hen vergaande consequenties heeft en dat hun percelen thans in een noodtoestand verkeren omdat de enige uitweg naar de openbare weg over het perceel van [gedaagde] voert. Omdat [gedaagde] door middel van een hekwerk met slot de toegang tot de percelen van [eisers] heeft geblokkeerd, kunnen [eisers] hun percelen niet bereiken. Aldus zijn [eisers] niet in staat hun land te bewerken, te bemesten en te zaaien, waardoor een oogstjaar verloren dreigt te gaan. Ook kunnen [eisers] niet aanwezig zijn bij het lammeren van de schapen, die op een van de percelen lopen. [eisers] stellen dat er geen andere mogelijkheid is hun percelen via een reguliere ontsluiting te bereiken, terwijl zij wel eenvoudig zijn te bereiken over de bestaande ontsluiting via het perceel van [gedaagde] . Daarom dient deze ontsluiting als noodweg te worden aangewezen, totdat in de bodemprocedure een uitspraak is gedaan ter zake de erfdienstbaarheid, aldus [eisers] .

4.3.

Uit het voorgaande volgt dat [eisers] op zichzelf voldoende spoedeisend belang hebben bij hun vordering. Dit is als zodanig ook niet weersproken door [gedaagde] .

4.4.

[gedaagde] stelt dat [eisers] misbruik van procesrecht maken door na de eerdere procedures, waarbij steeds dezelfde argumenten en uitgangspunten werden gehanteerd, opnieuw een kort gedingprocedure te starten, terwijl gelet op de aansprakelijkstelling bij brief van 22 maart 2017 het er bovendien op lijkt dat [eisers] zich niet bij een (negatieve) rechterlijke uitspraak zullen neerleggen. De voorzieningenrechter verwerpt dit verweer. Geen rechtsregel verzet zich tegen het voeren van een kort gedingprocedure nadat een provisionele vordering in een bodemprocedure tot niets heeft geleid. Voor het overige zijn de door [gedaagde] aangevoerde feiten en omstandigheden niet voldoende zwaarwegend om thans te oordelen dat zonder meer sprake is van misbruik van procesrecht. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in ogenschouw dat in het kader van de provisionele vordering geen mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden en [eisers] daarin hun standpunt niet mondeling hebben kunnen uiteenzetten.

4.5.

Met betrekking tot de gevorderde aanwijzing van een noodweg stelt de voorzieningenrechter het volgende voorop. Tijdens de behandeling van het vorige kort geding begin 2016 is uitvoerig stilgestaan bij de vraag of ten gunste van de percelen van [eisers] en ten laste van het perceel van [gedaagde] een recht van erfdienstbaarheid van weg is gevestigd. Bij vonnis van 2 februari 2016 heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat niet aannemelijk is dat een zodanig recht van erfdienstbaarheid bestaat (rechtsoverweging 4.4, zie 2.5). Gelet op de situatie zoals die toen bleek, is vooruitlopend op een eventueel vast te stellen noodweg een tijdelijke voorlopige voorziening gegeven en overwogen dat [eisers] zullen moeten trachten een eigen uitrit naar de openbare weg te realiseren. In dat vonnis is toen ook aangegeven waarvoor [eisers] dienen zorg te dragen, namelijk dat men “weldra contact dient op te nemen met de provincie om de mogelijkheden te bespreken voor het aanleggen van een in-/uitrit om te gaan en te komen van zijn percelen naar de openbare weg en dat als vervolgens daarvoor toestemming wordt verkregen [eisers] deze in-/uitrit met enige voortvarendheid dient aan te leggen” (rechtsoverweging 4.7). De voorzieningenrechter stelt vast dat sinds genoemd vonnis veertien maanden zijn verstreken waarin [eisers] op dit punt niet of nauwelijks iets hebben ondernomen. Bij de stukken bevindt zich welgeteld één e-mailbericht van de provincie aan [eisers] (zie 2.7), maar het verzoek waarnaar in die e-mail wordt verwezen, is niet overgelegd zodat niet duidelijk is wat dat verzoek inhoudt en wanneer dat is gedaan. Uit het e-mailbericht zelf volgt niet meer dan dat de provincie [eisers] informeert over haar beleid met betrekking tot een uitweg. Gesteld noch gebleken is dat [eisers] naar aanleiding van dit e-mailbericht contact hebben opgenomen met de provincie en/of de gemeente ter realisering van een eigen uitrit. Ter zitting hebben [eisers] ook bevestigd dat zij geen vergunning bij de provincie of de gemeente hebben aangevraagd. Gelet op de tijd die sinds het kort gedingvonnis van 2 februari 2016 is verstreken, beantwoordt dit geheel niet aan hetgeen van [eisers] mocht worden verwacht.

4.6.

Met inachtneming van het voorgaande wordt als volgt overwogen omtrent het antwoord op de vraag of [eisers] vooruitlopend op de uitkomst van de bodemprocedure opnieuw tijdelijk gebruik moeten kunnen maken van de uitweg over het perceel van [gedaagde] .

4.7.

In dit verband overweegt de voorzieningenrechter in de eerste plaats dat vast staat dat alle bij [eisers] in eigendom zijnde percelen (de percelen sectie F nummers 1346, 75 en 1669) feitelijk grenzen aan de openbare weg, de [straat] te [woonplaats] , zodat geen sprake is van een absolute onmogelijkheid om vanaf het land van [eisers] van en naar de openbare weg te gaan en komen. Bovendien is bij perceel sectie F nummer 75 reeds een soort ontsluiting aanwezig. Op die plaats kan vanaf het land over de stoep de [straat] worden opgereden en vise versa. Een als zodanig aangelegde uitrit/inrit met een verlaagde trottoirband is dit niet, maar feitelijk is het mogelijk de stoeprand op en af te rijden. [eisers] betwisten dat op die plaats in en uit kan worden gereden – dat zou te gevaarlijk zijn – maar zij hebben niet weersproken de stelling van [gedaagde] dat in de jaren 2012, 2013 en 2014 de ontsluiting op perceel sectie F nummer 75 altijd door agrariërs is gebruikt en dat de provincie daartegen pas bezwaar heeft gemaakt nadat [eisers] daar in 2015 zelf ook met grondtransporten de weg onder de modder reden en niet bereid waren de rommel op te ruimen. Voorts blijkt uit niets dat de provincie in dit verband daadwerkelijk handhavend is opgetreden, dan wel zal gaan optreden. Hoewel dat thans misschien niet ideaal is, geldt dat het feitelijk niet onmogelijk is voor [eisers] hun land op en af te komen. Daarbij komt dat [eisers] al veertien maanden de tijd hebben gehad om bij de gemeente een vergunning aan te vragen voor het aanleggen van een uitweg vanaf bijvoorbeeld perceel sectie F nummer 75, hetgeen zij tot op heden hebben nagelaten, terwijl er al die tijd geen enkele belemmering is geweest om een dergelijke aanvraag te doen. Ten slotte neemt de voorzieningenrechter in ogenschouw dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat [eisers] simpelweg weigeren een vergunning aan te vragen, enerzijds omdat zij menen met succes een beroep te kunnen doen op een recht van erfdienstbaarheid van weg, anderzijds omdat zij vooralsnog geen extra kosten wensen te maken voor het verleggen van de bestaande verharding op het perceel van [gedaagde] . Dat zijn keuzes van [eisers] die voor hun eigen rekening en risico zijn.

4.8.

Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet opnieuw van [gedaagde] worden gevergd dat hij duldt dat [eisers] de weg op het perceel van [gedaagde] als noodweg gebruiken om te gaan en komen van hun percelen naar de openbare weg, teneinde hun land te kunnen bewerken. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter nog dat voldoende aannemelijk is geworden dat het eerdere gebruik door [eisers] van de bestaande weg op het perceel van [gedaagde] belastend is geweest voor [gedaagde] , nu [eisers] naast het reguliere (mest)transport met groot materieel 3500 kubieke meter grond (in totaal ruim 100 vrachtwagens) via het erf van [gedaagde] naar de percelen van [eisers] hebben gebracht, dat daarbij meerdere malen olie, mest, modder en stroresten is gelekt, dat deze resten niet zijn opgeruimd en dat de elektronische toegangspoort op het erf van [gedaagde] mede daardoor scheef is gezakt. Alles overziend valt een belangenafweging daarom in het nadeel van [eisers] uit.

4.9.

De slotsom is dat de vordering van [eisers] zal worden afgewezen.

4.10.

[eisers] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht € 287,00

- salaris advocaat € 816,00

Totaal € 1.103,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vordering af,

5.2.

veroordeelt [eisers] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.103,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp en in het openbaar uitgesproken op 5 april 2017.

Coll.: MvG