Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:1816

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
27-03-2017
Datum publicatie
31-03-2017
Zaaknummer
C/05/315984 / KG RK 17/188
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking. Prikkelende vraagstelling door de rechter. Dit betreft in wezen de manier waarop verzoeker door de rechter is bejegend. Daarvoor is de wrakingsprocedure niet bedoeld, tenzij die bejegening dermate onbegrijpelijk is dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat het oordeel van de rechter alleen kan voortvloeien uit een vooringenomenheid jegens verzoeker, althans dat de bij deze bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Dat is hier niet het geval. Van schending van het beginsel van hoor en wederhoor is ook geen sprake. Wrakingsverzoek afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Wrakingskamer

zaaknummer: C/05/315984 / KG RK 17/188

Beschikking van 27 maart 2017

van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: verzoeker,

strekkende tot de wraking van

[rechter] ,

rechter in deze rechtbank,

hierna te noemen: de rechter.

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het schriftelijke wrakingsverzoek van 15 februari 2017;

- het schriftelijke verweer van de rechter van 2 maart 2017;

- de mondelinge behandeling op 13 maart 2017.

1.2

Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen:

- verzoeker, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. C.J.M. Fens.

1.3

De rechter heeft laten weten niet te zullen verschijnen.

2 Het wrakingsverzoek

2.1

Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met

zaaknummer 16/1084 tussen verzoeker als eiser en [verweerder] als verweerder.

2.2

Verzoeker heeft blijkens het schriftelijke verzoek en de ter zitting van de wrakingskamer mede aan de hand van korte spreekaantekeningen gegeven toelichting daarop, de volgende vijf feiten, die zich zouden hebben voorgedaan tijdens de zitting op 15 februari 2017, aan zijn verzoek tot wraking ten grondslag gelegd.

1) De rechter begon de zitting met de vraag: “[verweerder] heeft een verweerschrift ingediend waarin verwezen wordt naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep; vindt u dat u nog een zaak heeft?” Een rechter zou déze vraag niet moeten gebruiken. Als je ‘geen zaak’ hebt, heb je niet eens een pleitbaar standpunt.

2) Voordat de gemachtigde van verzoeker kon beginnen met het uitleggen van wat er in deze zaak relevant is, gaf de rechter het woord aan [verweerder]. De gemachtigde voelde zich in de reden gevallen.

3) Nadat [verweerder] zeer kort had gereageerd op de uiteenzetting van de gemachtigde van verzoeker over de aangehaalde uitspraak, wilde de rechter de behandeling sluiten. De gemachtigde heeft aldus niet de gelegenheid gehad om zijn standpunt toe te lichten en heeft die gelegenheid voor de poorten van de hel moeten wegslepen.

4) Toen de gemachtigde van verzoeker alsnog het woord had gekregen om een toelichting te geven, heeft de rechter hem niet de gelegenheid gegeven zijn betoog ongestoord te doen. Door de gemachtigde van verzoeker aangehaalde jurisprudentie die betrekking had op een WW-zaak, terwijl dit een WAO-zaak betreft, werd door de rechter onmiddellijk van tafel geveegd. Nog voordat de gemachtigde kon aangeven waarom een oordeel in een WW-zaak van belang zou kunnen zijn in een WAO-zaak had de rechter haar oordeel al klaar, namelijk “niet relevant”.

5) Nadat de gemachtigde van verzoeker ondanks alles de eerste uitspraak had besproken, vroeg de rechter aan de gemachtigde: “Maar de uitspraak van de Centrale Raad is toch duidelijk?“ Daarmee gaf de rechter aan dat haar standpunt al vast stond en dat niets meer haar daarvan kon afbrengen.

Resumerend stelt verzoeker dat de rechter haar oordeel voor aanvang van de zitting al klaar had: de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep geeft volledig de oplossing in deze zaak. De verdenking dat zij er zo over dacht lag al in de eerste vraag die zij stelde (feit 1). Dat het inderdaad zo was, bleek uit het feit dat zij niet geïnteresseerd was in een volledige toelichting op de zaak door de gemachtigde van verzoeker (feit 2, 3 en 4). Het werd uiteindelijk zonneklaar met de uitroep van de rechter dat de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep toch duidelijk is (feit 5). Aldus heeft de rechter blijk gegeven van zodanige vooringenomenheid dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. Ook heeft zij het beginsel van hoor en wederhoor niet toegepast.

2.3

De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft schriftelijk verweer gevoerd. Dat verweer wordt hierna voor zover nodig besproken.

3 De beoordeling

3.1

Wraking van een rechter is slechts mogelijk op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan kan sprake zijn indien de rechter jegens een partij vooringenomen is of indien de vrees van een partij daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Bij de beoordeling daarvan moet voorop staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat bij die partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (HR 24 oktober 1995 NJ 1996, 484). Uit de artikelen 8:15 en 8:16 van de Algemene wet bestuursrecht en het vermoeden van onpartijdigheid volgt dat de verzoeker concrete feiten en omstandigheden moet aanvoeren waaruit objectief afgeleid moet worden dat de rechter jegens een partij vooringenomen is of de vrees van een partij dat dat zo is objectief gerechtvaardigd is. Met inachtneming hiervan overweegt de rechtbank verder het volgende.

3.2

De hiervoor onder 2.2 genoemde vijf punten van wraking, waarvan volgens verzoeker met name de punten drie, vier en vijf de dragende elementen zijn, komen erop neer dat de rechter bij aanvang van de zitting haar oordeel al klaar had, hetgeen tot uiting kwam in haar prikkelende vraagstelling, en dat zij verzoeker niet, althans onvoldoende in de gelegenheid heeft gesteld zijn standpunt naar voren te brengen, waardoor het beginsel van hoor en wederhoor zou zijn geschonden.

3.3

Met betrekking tot het eerste punt (de prikkelende vraagstelling) overweegt de rechtbank dat de rechter verklaart (deels) andere woorden te hebben gebruikt. Wat daar ook van zij, deze klacht betreft in wezen de manier waarop verzoeker door de rechter is bejegend. Voor dergelijke klachten is de wrakingsprocedure niet bedoeld. Verzoeker kan daarover desgewenst een klacht indienen. Dit lijdt uitzondering indien die bejegening dermate onbegrijpelijk is dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat het oordeel van de rechter alleen kan voortvloeien uit een vooringenomenheid jegens verzoeker, althans dat de bij deze bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Dat is naar het oordeel van de rechtbank hier niet het geval. De rechter heeft, zoals zij aanvoert en wat door verzoeker ook niet is betwist, door middel van het maken van enkele prikkelende opmerkingen trachten aan te geven wat volgens haar de kern van de zaak is. Vast staat dat verzoeker de mogelijkheid heeft gehad – en ook heeft benut – op die prikkelende opmerkingen te reageren. Het is daarbij op zichzelf begrijpelijk dat verzoeker de manier waarop dat is gegaan en de volgens hem door de rechter gekozen bewoordingen als onplezierig heeft ervaren, maar zij geven de rechtbank geen aanleiding te oordelen dat in dit geval sprake is van een onbegrijpelijke bejegening, laat staan dat daaruit kan worden afgeleid dat de rechter bij aanvang van de zitting haar oordeel al klaar had en dat het standpunt van verzoeker er niet meer toe deed.

3.4

Het tweede punt (schending van het beginsel van hoor en wederhoor) ligt in het verlengde van het eerste punt. Verzoeker heeft niet betwist dat hij uiteindelijk de gelegenheid heeft gekregen om (via zijn gemachtigde) zijn standpunt nader toe te lichten. In dit verband heeft de gemachtigde van verzoeker ter zitting nog verklaard dat hij na de eerste vraag van de rechter (“vindt u dat u nog een zaak heeft?”) ongeveer tien minuten aan het woord is geweest en daarna, in het kader van een nadere toelichting, nogmaals tussen de vijf en tien minuten. Van schending van het beginsel van hoor en wederhoor is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake. Het enkele feit dat de gemachtigde van verzoeker het geven van een nadere toelichting naar eigen zeggen “voor de poorten van de hel heeft moeten wegslepen” maakt dit niet anders, wat daarvan overigens inhoudelijk ook zij. Ditzelfde geldt voor de omstandigheid dat de rechter aangaf zich voldoende voorgelicht te achten en aanstalten maakte het onderzoek ter zitting te sluiten. Daaruit leidt de rechtbank geen vooringenomenheid van de rechter af, of zwaarwegende aanwijzingen voor objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor.

3.5

De slotsom is dat het verzoek zal worden afgewezen.

4 De beslissing

De rechtbank

wijst het verzoek tot wraking af.

Deze beschikking is gegeven door mr. T.P.E.E. van Groeningen, voorzitter, en

mrs. L. van Gijn en S. Djebali, rechters, en in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. van Gameren uitgesproken op 27 maart 2017.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.