Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:1752

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
28-03-2017
Datum publicatie
30-03-2017
Zaaknummer
05/840585-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachten hebben zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van zware mishandeling van slachtoffer. Slachtoffer is door verdachte en zijn mededaders in elkaar geslagen; hij is meermalen met kracht in zijn gezicht en tegen zijn hoofd gestompt en geslagen. Aangever heeft hierbij fors letsel opgelopen, waaronder een gebroken kaak, een hersenschudding en gekneusde oogkassen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0327
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/840585-16

Datum uitspraak : 28 maart 2017

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1985 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] .

Raadsman: mr. F.A.J.M. Peeters, advocaat te Winterswijk.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 29 november 2016 en 14 maart 2017.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 29 mei 2016 te Terborg, gemeente Oude IJsselstreek,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken

onderkaak en/of zwaar gekneusde oogkassen en/of een zware hersenschudding

en/of nekletsel, heeft toegebracht, door één of meerdere malen (met kracht)

tegen het gezicht en/of het hoofd van deze [slachtoffer] te stompen en/of te slaan en/of

(vervolgens) (als deze [slachtoffer] op de grond ligt) één of meerdere malen (met

kracht) op/tegen het het hoofd en/of het gezicht te trappen en/of te schoppen;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 29 mei 2016 te Terborg, gemeente Oude IJsselstreek,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

deze [slachtoffer] één of meerdere malen (met kracht) op/tegen het hoofd en/of gezicht

heeft gestompt en/of geslagen en/of (vervolgens) (als deze [slachtoffer] op de grond

ligt) één of meerdere malen (met kracht) op/tegen het hoofd en/of het gezicht

heeft getrapt en/of geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen

misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 29 mei 2016 te Terborg, gemeente Oude IJsselstreek,

openlijk, te weten op of aan de openbare weg, de [straat] , in elk geval op

of aan een openbare weg en/of voor het publiek toegankelijke plaats of in een

voor het publiek toegankelijke ruimte, in vereniging geweld heeft gepleegd

tegen [slachtoffer] , welk geweld bestond uit het één of meerdere malen (met kracht)

stompen en/of slaan op/tegen het gezicht en/of het hoofd van deze [slachtoffer] en/of

(vervolgens) (als deze [slachtoffer] op de grond ligt) één of meerdere malen (met

kracht) trappen en/of schoppen op/tegen het hoofd en/of het gezicht en/of

het lichaam van deze [slachtoffer] ;

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2 Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit, waarbij zij bewezen acht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van zware mishandeling. Ter terechtzitting heeft zij de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich - kort gezegd - op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van zowel het primair, het subsidiair, als van het uiterst subsidiair ten laste gelegde en heeft daarover aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen, zodat het medeplegen niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Ten aanzien van het primair ten laste gelegde heeft de raadsman aanvullend aangevoerd dat verdachte geen opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman betoogd dat verdachte ook hier niet de opzet had, gericht op uitvoering van de poging tot zware mishandeling. De verdediging heeft haar standpunt toegelicht aan de hand van een – aan het proces-verbaal gehechte – pleitnotitie

Beoordeling door de rechtbank 1

Feit primair

De rechtbank is van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is voor het primair ten laste gelegde, namelijk dat verdachte zich tezamen en in vereniging met anderen schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangever [slachtoffer] .

De rechtbank acht hiervoor de volgende bewijsmiddelen redengevend.

Aangever [slachtoffer] heeft – zakelijk weergegeven – verklaard dat hij op 29 mei 2016 in Terborg, gemeente Oude IJsselstreek, boodschappen had gedaan bij [naam 1] , die naast de dönerzaak is gelegen, en dat hij, op het moment dat hij weg wilde fietsen werd aangesproken door verdachte. Verdachte vroeg of aangever terug wilde komen en dat deed aangever ook. Aangever stapte vervolgens van zijn fiets en ging een gesprek aan met verdachte over de vriendin van verdachte.2 Ondertussen waren er twee andere mannen bij komen staan; een wat oudere man met een snor en een jongere jongen met iets roods aan. Het volgende moment kreeg aangever van alle drie de mannen flinke klappen op zijn hoofd en in zijn gezicht. Aangever kon zich niet verdedigen en probeerde nog weg te komen. Op een gegeven moment merkte aangever dat hij wegviel en toen hij wakker werd stond de ambulance er al.3

Uit de medische stukken is – kort gezegd - gebleken dat er bij aangever sprake is van een aantal verwondingen, waaronder een gebroken kaak, een zware hersenschudding en gekneusde oogkassen. Uit de medische stukken blijkt ook dat operatief ingrijpen noodzakelijk was om de kaak te fixeren, dat aangever 3 dagen in het ziekenhuis heeft gelegen en dat het herstel langzaam en pijnlijk is. Aangever is heden – 5 maanden later – nog steeds niet helemaal hersteld en onduidelijk is nog in hoeverre het gevoel in aangevers rechterwang in de toekomst terugkomt.4

De getuige [getuige 1] heeft bij de politie – kort en zakelijk samengevat – verklaard dat hij bij de snackbar aan het eten was toen hij een paar mannen zag rennen. Hij zag dat een man geslagen werd. De man werd geslagen door de oude man die later aangehouden werd (te weten verdachte) en door nog twee mannen. Alle drie de mannen sloegen de man. [getuige 1] zag vervolgens dat de man na een klap op zijn hoofd op de grond viel. Van de drie mannen die de man sloegen, zijn er twee door de politie gearresteerd. De derde man is de dönerzaak ingelopen.5

De getuige [getuige 2] heeft bij de politie – kort en zakelijk samengevat – verklaard dat hij op de parkeerplaats van de [naam 2] stond toen hij aan de overkant van de weg een vechtpartij zag. Hij zag dat een blanke man door drie getinte mannen met flinke en krachtige vuistslagen zeker tien keer in het gezicht en op zijn hoofd werd geslagen. [getuige 2] wijst vervolgens twee mannen die voor de dönerzaak staan, als daders aan. Het gaat om een getint kleiner manspersoon met een snor van ongeveer 50 jaar oud die een zwarte bodywarmer over zijn licht blauwe blouse droeg en een getinte man met een normaal postuur van ongeveer 25/30 jaar met gouden kettingen om zijn hals en een blauwe polo met een rood icoontje op zijn borst.

[getuige 2] zag dat de jongere man met de gouden kettingen het vaakst en hardst sloeg op het hoofd van de blanke man. Hij zag ook dat de blanke man onderuit ging en op de grond viel. Hij denkt dat de blanke man buiten bewustzijn was. Hij zag dat de oudere man met de snor zich wat meer op de achtergrond hield. Vervolgens zag hij dat de mannen tegen de benen van de blanke man schopten. [getuige 2] had het idee dat ze dit deden om te kijken of de man nog leefde. Hij zag vervolgens dat de drie mannen de dönerzaak weer inliepen en dat de oudere man terug kwam met een flesje water dat hij leeg goot over het hoofd van de blanke man. Volgens [getuige 2] werken alle drie de mannen in de dönerzaak.6

De getuige [getuige 3] heeft bij de politie – zakelijk weergegeven – verklaard dat ze op het parkeerterrein van de [naam 2] stond en dat ze in haar ooghoek aan de overkant van de weg een man op de grond zal vallen en dat er personen tegen deze persoon aanschopten. Ze heeft niet gezien hoeveel mensen het slachtoffer schopten.7 Ze heeft haar telefoontoestel gepakt en heeft foto’s gemaakt.8

Op grond van deze bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte] en een onbekend gebleven derde man, fors geweld hebben uitgeoefend tegen [slachtoffer] door hem meermalen met kracht in zijn gezicht en op zijn hoofd te slaan en stompen waardoor [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte partieel dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde voor zover dit betrekking heeft op het: “(vervolgens) (als deze [slachtoffer] op de grond ligt) één of meerdere malen (met kracht) op/tegen het hoofd en/of het gezicht te trappen en/of te schoppen”, aangezien hiervoor onvoldoende wettig bewijs voorhanden is.

Opzet op toebrengen zwaar lichamelijk letsel

De rechtbank stelt vast dat bepaalde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het, behoudens contra-indicaties, niet anders kan dan dat de verdachten opzet hadden op het desbetreffende gevolg. De rechtbank is in deze van oordeel dat gelet op de aard van het handelen van verdachten, te weten het met kracht in het gezicht en op het hoofd slaan en stompen van aangever, naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht is op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat hieruit het opzet daarop kan worden afgeleid. Het is van algemene bekendheid dat het hoofd een kwetsbare plek van het lichaam is en dat het met kracht toebrengen van stompen gemakkelijk zwaar lichamelijk letsel kan teweegbrengen.

Zwaar lichamelijk letsel

Aangever heeft blijkens zijn verklaring en de medische stukken van het ziekenhuis onder meer een gebroken kaak, een zware hersenschudding en gekneusde oogkassen opgelopen. Operatief ingrijpen was noodzakelijk om de kaak te fixeren en aangever heeft drie dagen in het ziekenhuis verbleven. Het herstel was langzaam en pijnlijk en aangever heeft 5 maanden na het gebeuren aangegeven nog steeds een gevoelloze plek op zijn rechterwang te hebben. Voormeld letsel is naar het oordeel van de rechtbank te kwalificeren als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht. Dit volgt uit de aard van het letsel en de noodzakelijkheid van medisch ingrijpen. Daarnaast is van belang dat het herstel van lange duur is, voor zover al van volledig herstel kan worden gesproken.

Medeplegen

Van medeplegen is sprake wanneer twee of meer personen gezamenlijk een strafbaar feit plegen. Daarbij hoeven niet alle delictsbestanddelen door alle daders vervuld te zijn. Van belang is in dit verband of er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachten en of er sprake is geweest van een gezamenlijke uitvoering. Ook in een geval van een minder prominente, dan wel ondergeschikte rol van een van de verdachten, kan sprake kan zijn van een bewuste, nauwe en volledige samenwerking en gezamenlijke uitvoering. De rechtbank acht in het onderhavige geval een dergelijke samenwerking en gezamenlijke uitvoering aanwezig aangezien uit zowel de aangifte, als de getuigenverklaringen en het relaas van verbalisant [verbalisant 1] over de melding die bij de politie was gedaan9, blijkt dat sprake is van drie daders die aangever gezamenlijk in het gezicht en tegen het hoofd hebben geslagen. Aangever vermeldt daarbij dat toen hij met één man in gesprek was, er twee anderen bijkwamen en hij vervolgens van alle drie flinke klappen op zijn hoofd kreeg.10 Op grond van het bovenstaande is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een zodanige bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachten en de medeverdachten, gericht op de geweldshandelingen, dat sprake is van het medeplegen van zware mishandeling.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1. primair

hij op of omstreeks 29 mei 2016 te Terborg, gemeente Oude IJsselstreek, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken onderkaak en/of zwaar gekneusde oogkassen en/of een zware hersenschudding en/of nekletsel, heeft toegebracht, door één of meerdere malen (met kracht)

tegen het gezicht en/of het hoofd van deze [slachtoffer] te stompen en/of te slaan. en/of (vervolgens) (als deze [slachtoffer] op de grond ligt) één of meerdere malen (met kracht) op/tegen het het hoofd en/of het gezicht te trappen en/of te schoppen.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Primair:

Medeplegen van zware mishandeling

5 De strafbaarheid van het feit

Noodweer

Namens de verdachte is een beroep gedaan op noodweer zodat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Hiertoe is aangevoerd dat sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van zijn eigen lijf, dan wel onmiddellijk dreigend gevaar hiervoor waartegen verdediging noodzakelijk was.

De verdediging heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte – terwijl hij met aangever [slachtoffer] aan het praten was – een hand/vuist van aangever op zich af zag komen en dat ogenblikkelijke verdediging geboden was tegen deze plotselinge uithaal van aangever. Verdachte heeft daarop aangever in een reflex in zijn gezicht en op zijn hoofd geslagen om deze op afstand te houden. De raadsman concludeert dat hierbij geen sprake was van enige disbalans tussen de aanval van aangever en de verdediging van verdachte en dat de gebruikte verdediging noodzakelijk was nu verdachte zich enkel verweerde tegen aangever die met de vijandelijkheden begon. De verdediging heeft haar standpunt uitvoerig toegelicht aan de hand van een – aan het proces-verbaal gehechte – pleitnotitie.

Anders dan de raadsman heeft bepleit, acht de rechtbank het beroep op noodweer ongegrond. Niet is gebleken van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding ten opzichte van verdachte. De stelling van verdachte dat aangever naar hem zou hebben uitgehaald wordt niet ondersteund door enig ander bewijsmiddel en is daarmee niet aannemelijk geworden. Nu er geen ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf was, was er dus ook geen noodzaak zich hiertegen te verdedigen. Het beroep op noodweer wordt verworpen.

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Noodweerexces subsidiair putatief noodweer

De raadsman heeft – mocht het beroep op noodweer worden afgewezen – eveneens een beroep op noodweerexces danwel op putatief noodweer gedaan. De raadsman heeft daarbij aangevoerd dat de mishandeling door het slachtoffer bij verdachte een hevige gemoedstoestand teweeg bracht, die voortduurde nadat het onmiddellijk gevaar was geweken en dat de ontstane gemoedsbeweging de strafbaarheid van het handelen van verdachte uitsluit.

Subsidiair beroept verdachte zich op putatief noodweer. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat verdachte wellicht verontschuldigbaar dwaalde en meende dat hij zich moest verdedigen zoals hij dat heeft gedaan of hij zich het dreigende gevaar inbeeldde of dat verkeerd heeft ingeschat. Verdachte kan zich alleen herinneren dat hij in een flits een vuist op zich af zag komen waarop hij reageerde met een klap naar aangever; van het gevolg weet verdachte niets meer, aldus de raadsman.

De verdediging heeft haar standpunt toegelicht aan de hand van een – aan het proces-verbaal gehechte – pleitnotitie.

Ook voor een geslaagd beroep op noodweerexces in de zin van artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht is vereist dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van iemands lijf, eerbaarheid of goed, waartegen de noodzakelijke verdediging geboden was. De rechtbank is van oordeel dat, nu geen sprake was van een noodweersituatie, verdachte ook een beroep op noodweerexces niet toekomt.

Voor een geslaagd beroep op putatief noodweer zal de rechtbank moeten onderzoeken of sprake was van een verontschuldigbare dwaling aan de kant van de verdachte, bijvoorbeeld omdat hij niet alleen kon, maar redelijkerwijs ook mocht menen dat hij zich moest verdedigen op de wijze als hij heeft gedaan omdat hij verontschuldigbaar zich het dreigende gevaar heeft ingebeeld dan wel de dreiging verkeerd heeft beoordeeld.

De rechtbank is van oordeel dat met name uit de verklaringen van aangever en de getuigen, die allen hebben verklaard dat sprake was van drie daders die gezamenlijk verdachte sloegen en stompten en die bovendien zagen dat aangever weg probeerde te lopen van zijn aanvallers, niet gebleken is dat verdachte abusievelijk in de veronderstelling verkeerde dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijk aanranding door het slachtoffer, te weten een in zijn ogen op handen zijnde mishandeling waartegen verdachte zich moest verdedigen. Naar het oordeel van de rechtbank was derhalve geen sprake van een putatief noodweersituatie en komt verdachte een beroep op putatief noodweer niet toe.

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten. De officier van justitie stelt daarbij de bijzondere voorwaarden zoals deze zijn verwoord in het rapport van de reclassering.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, in het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring mocht komen, verzocht bij de strafmaat rekening te houden met het gegeven dat verdachte zich sinds zeven jaar niet meer schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf en dat agressiedelicten beperkt zijn geweest en bovendien dateren van zeer lang geleden. In aansluiting op het advies van de reclassering stelt de raadsman dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet op zijn plaats is en geen toegevoegde waarde heeft. De behandelingen die de reclassering voorstaat en de op te leggen bijzondere voorwaarden waaronder een contactverbod met aangever zijn naar mening van de raadsman ruim voldoende om de problemen bij verdachte aan te pakken en voor de toekomst te voorkomen. Verdachte is bereid zich te houden aan een meldplicht. De raadsman is van mening dat hooguit een onvoorwaardelijke straf ter hoogte van de duur van de inverzekeringstelling aan de orde is.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 24 oktober 2016;

- het rapport van de reclassering, gedateerd 4 november 2016.

De rechtbank overweegt als volgt.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van zware mishandeling van

slachtoffer [slachtoffer] . [slachtoffer] is door verdachte en zijn mededaders in elkaar geslagen; hij is

meermalen met kracht in zijn gezicht en tegen zijn hoofd gestompt en geslagen. Aangever

heeft hierbij fors letsel opgelopen, waaronder een gebroken kaak, een hersenschudding en

gekneusde oogkassen. Door zo te handelen heeft verdachte een grote inbreuk gemaakt op de

lichamelijke integriteit van dit slachtoffer. De ervaring leert bovendien dat slachtoffers van

geweldsdelicten daarvan nog lange tijd gevolgen kunnen ondervinden, zoals gevoelens van

onveiligheid en angst.

De rechtbank heeft tevens in ogenschouw genomen het rapport van de reclassering waarin onder meer staat vermeld dat betrokkene tijdens het gesprek meermalen acuut boos wordt, denkt dat hij beschuldigd wordt en dat de reclassering alleen luistert naar de tegenpartij. Als

betrokkene schuldig wordt geacht, dan denkt de reclassering dat er toezicht moet komen, waarin er antwoord moet komen op de vraag of dit delict uit agressie of uit impulsief handelen is voortgekomen zodat een eventuele verwijzing naar een forensische poli mogelijk is. De reclassering acht het binnen een nieuw reclasseringstoezicht daarom van belang dat eerst wordt gestart met een COVA training zodat verdachte inzicht krijgt in zijn cognitieve vaardigheden en om te kijken in hoeverre hij in staat is zelfreflectie toe te passen en of verdachte een verdere behandeling nodig heeft. De reclassering adviseert derhalve oplegging van een (gedeeltelijke) voorwaardelijke gevangenisstraf en een werkstraf. Met daarbij bijzondere voorwaarden waaronder een (ambulante) behandelverplichting bij een ambulante forensische zorginstelling die zal starten ná het volgen van de COVA training en een contactverbod met slachtoffer [slachtoffer] .

De rechtbank heeft verder acht geslagen op de LOVS-oriëntatiepunten voor straftoemeting en

op het strafblad van verdachte, waaruit gebleken is dat hij na 2008 niet meer met politie en

justitie in aanraking is gekomen voor strafbare feiten.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf voldoende recht doet aan de ernst van het feit, het letsel en de overige gevolgen.

De rechtbank zal, alles afwegend, een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 6 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Teneinde te voorkomen dat verdachte opnieuw dergelijke strafbare feiten begaat, zal de rechtbank hiervan 3 maanden voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van drie jaar. De rechtbank zal hieraan de bijzondere voorwaarden verbinden zoals geadviseerd door de reclassering in het rapport van 4 november 2016.

8. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van

de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 4.375,08, waarvan € 625,08 voor materiële schade en € 3.750,- voor immateriële schade, gevoegd in het strafproces ten aanzien van het tenlastegelegde, vermeerderd met de wettelijke rente.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich ten aanzien van zowel de materiële- als de immateriële schade van de benadeelde partij op het standpunt gesteld dat deze schade toegewezen kan worden. Met betrekking tot de hoogte refereert zij zich aan het oordeel van de rechtbank.

De officier van justitie vordert daarbij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, alsmede toewijzing van de wettelijke rente.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van de benadeelde primair op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard gelet op de door hem bepleite vrijspraak c.q. ontslag van alle rechtsvervolging. Subsidiair heeft de raadsman gesteld dat, indien er wel een en ander bewezenverklaard kan worden, hooguit een derde kan worden toegewezen.

Beoordeling door de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en wat verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is.

De vordering dient tot het navolgende bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 mei 2016, te worden toegewezen.

Dit bedrag is als volgt opgebouwd:

  • -

    Eigen Risico ziektekostenverzekering € 385,00

  • -

    Medicatie € 33,10

  • -

    Daggeldvergoeding ziekenhuis € 84,00

  • -

    Tandarts € 8,98

  • -

    Reiskosten € 84,00

  • -

    Parkeerkosten € 30,00

  • -

    Immateriële schade € 2.500,00

Totaal € 3.125,08

De rechtbank overweegt dat zij ten aanzien van de immateriële schade een bedrag naar redelijkheid en billijkheid heeft geschat, waarbij zij mede in acht heeft genomen wat in vergelijkbare zaken aan immateriële schadevergoeding pleegt te worden toegekend.

De verdachte is niet meer tot vergoeding gehouden indien en voor zover het gevorderde door zijn mededader is of wordt voldaan.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partij.

9 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 27, 36f, 47 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het feit, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;

 bepaalt, dat een gedeelte van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, te weten 3 (drie) maanden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden algemene- en bijzondere voorwaarden voor het einde van de proeftijd die op drie jaren wordt bepaald;

 stelt als algemene voorwaarden dat veroordeelde:

  • -

    zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

  • -

    medewerking verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

 stelt als bijzondere voorwaarden dat veroordeelde:

- zich binnen vijf werkdagen na de uitspraak meldt bij Reclassering Nederland in Apeldoorn. Hierna moet veroordeelde zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften die veroordeelde zullen worden gegeven door of namens de reclassering, zolang deze instelling dit noodzakelijk oordeelt;

- deelneemt aan de COVA-training;

- zich ambulant laat behandelen bij een forensische zorginstelling die zal starten ná het volgen van de COVA training;

- geen contact opnemen of onderhouden direct of indirect met slachtoffer [slachtoffer] ;

 geeft de reclassering opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer], van een bedrag van € 3.125,08, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 mei 2016 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 3.125,08 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 mei 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 41 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 verstaat dat indien en voor zover door de mededader het betreffende schadebedrag is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gegeven door mr. C.J.M. van Apeldoorn, voorzitter, mr. G. Noordraven en mr. A. Tegelaar, rechters, in tegenwoordigheid van E.T. Vriezekolk, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 maart 2017.

Mr. G. Noordraven is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Zutphen

Team strafrecht

Parketnummer: 05/840585-16

Uitspraak d.d.: 28 maart 2017

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van 28 maart 2017.

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

en , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte,

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1985 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] .

is wel / niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De raadsman mr. F.A.J.M. Peeters, advocaat te Winterswijk is wel/niet verschenen.

De rechter spreekt het vonnis uit

Waarvan proces-verbaal,

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 2] , politie Eenheid Oost- Nederland, District Noord- en Oost Gelderland, Basisteam Achterhoek-West, opgemaakte proces- verbaal, dossiernummer PL0600-2016264014, gesloten op 31 mei 2016 te Doetinchem en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] , pag. 13

3 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] , pag. 14

4 Medische stukken

5 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 1] , pag. 4

6 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 2] , pag. 6-7

7 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 3] , pag. 8

8 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 3] , pag. 11-12

9 Proces-verbaal van bevindingen, pag. 18.

10 Proces-verbaal van aangifte, pag. 14.