Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:1703

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
30-03-2017
Datum publicatie
30-03-2017
Zaaknummer
AWB - 14 _ 8791
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2019:191, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overdrachtsdatum en waarde van overeenkomst met leverancier.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/749
FutD 2017-0798
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummers: AWB 14/8791, 14/8792 tot en met 14/8796 en 14/8813.

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 30 maart 2017

in de zaken tussen

[X] B.V., te [Z] , eiseres

(gemachtigde: drs. [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft met dagtekening 27 juli 2013 aan eiseres voor het jaar 2007 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [000] .77) vennootschapsbelasting (hierna: Vpb) opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van € 41.852, alsmede bij beschikking een vergrijpboete van € 1.934. Tevens is bij beschikking € 1.847 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft met dagtekening 20 juli 2013 aan eiseres voor het jaar 2008 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [000] .87) Vpb opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van € 76.923, alsmede bij beschikking een vergrijpboete van € 2.289. Tevens is bij beschikking € 2.367 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft met dagtekening 3 augustus 2013 aan eiseres voor het jaar 2009 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [000] .97) Vpb opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van € 6.092 negatief.


Verweerder heeft met dagtekening 8 oktober 2011 aan eiseres voor het jaar 2010 een aanslag (aanslagnummer [000] .06) Vpb opgelegd, berekend naar belastbaar bedrag € 26.944 negatief.

Verweerder heeft met dagtekening 7 september 2013 aan eiseres voor het jaar 2010 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [000] .07) Vpb opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van € 421.030, alsmede bij beschikking een vergrijpboete van € 3.679. Tevens is bij beschikking € 6.958 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft met dagtekening 14 september 2013 aan eiseres voor het jaar 2011 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [000] .17) Vpb opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van € 88.897. Tevens is bij beschikking € 612 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft met dagtekening 25 juli 2013 aan eiseres een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over het tijdvak 1 januari 2010 tot en met 31 december 2011 ten bedrage van € 31.612. Tevens is bij beschikking € 2.102 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 17 november 2014 het bezwaar tegen de aanslag Vpb voor het jaar 2010 niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn en de bezwaren tegen de navorderingsaanslagen Vpb 2007, 2008, 2009, 2010 en 2011ongegrond verklaard. Bij uitspraak op bezwaar van 28 november 2014 heeft verweerder het bezwaar tegen de naheffingsaanslag omzetbelasting ongegrond verklaard.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 16 december 2014, ontvangen door de rechtbank op
17 december 2014, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en verweerschriften ingediend.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 januari 2017.

Namens eiseres zijn verschenen haar gemachtigde, [A] en [B] . Namens verweerder zijn verschenen [gemachtigde] , [C] en [D] .

Eiseres heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij.

Met instemming van partijen zijn de beroepen met zaaknummers AWB 14/8784, 14/8785, 14/8786, 14/8788, 14/8790, 14/8799, 14/8801 tot en met 14/8803 gelijktijdig met de onderhavige beroepen behandeld.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres maakt lichtbakken. Zij zet daartoe frames en lampen in elkaar. Haar afnemers bedrukken de lichtbakken met lichtreclame en leveren de bakken af bij de eindgebruiker.

2. De aandelen in eiseres worden voor 50 percent gehouden door [E] , voor 46 percent door [F] B.V. (hierna: [F] ) en voor 4 percent door [G] . De aandelen in [F] worden gehouden door [A] .

3. Tot 2010 werd eiseres bestuurd door [E] en [A] . [E] is de vader van [A] en de broer van [G] . Vanaf 1 januari 2010 is [F] bestuurder van eiseres.

4. Eiseres heeft op 1 november 2006 een contract (hierna: het contract) gesloten met een Chinese leverancier van led -verlichting, te weten met [H] Ltd (hierna: [H] ). In het contract is vastgelegd dat eiseres de exclusieve rechten verwerft om led -verlichting van [H] te mogen verkopen in Nederland en België.

5. [I] B.V. is op [2002] door [J] B.V. opgericht onder de naam [K] B.V. [J] B.V. heeft tot 8 juni 2007 een 100%-aandelenbelang in [K] B.V. gehad. Op 8 juni 2007 heeft [F] alle aandelen van [K] B.V. gekocht. Per 1 augustus 2007 is de naam [K] B.V. gewijzigd in [I] B.V. (hierna: [I] ).

6. Op 31 maart 2010 hebben eiseres, [F] en [I] een overeenkomst (hierna: de overeenkomst) ondertekend. In deze overeenkomst is voor zover van belang het volgende opgenomen.

“Artikel 1: overdracht
1.1 [F] neemt over van [X] de rechten en plichten zoals bepaald in de
overeenkomst tussen [X] en [H] ( [H] Ltd, [A-straat 1]
, [Q] , China)
(hierna te noemen: het contract);
1.2 De onder sub 1. Genoemde rechten en plichten worden overgedragen om niet (…).

Artikel 2: Royalties
2.1 [F] draagt de exploitatie van het contract over aan [I] , welke zorg zal dragen
voor de in- en verkoop van de “LED” producten;
2.2 [I] betaalt aan [F] een fee in verband met het exclusieve recht tot exploitatie
van het contract ter grootte van 25% van de bruto marge van de “ [I] ” producten;
(…)
Artikel 4: ondersteuning
4.1 [X] zal [I] tijdelijk ondersteunen bij de exploitatie van het contract door zorg te
dragen voor opslag en handling;
4.2 Gedurende de onder sub 1. genoemde periode betaalt [I] aan [X] een handling
fee voor de door [X] ten behoeve van [I] gemaakte kosten;
4.3 De onder sub 2. genoemde handling fee is 33% van de som van de volgende kosten: huur,
gas, electra, assuranties, advertenties, reclamekosten, brandstoffen, reparatie en
onderhoud, wegenbelasting, kantoorbenodigdheden, telefoon- en faxkosten, porti,
drukwerk, accountants- en administratiekosten;
(…)

Artikel 6: looptijd
6.1 Deze overeenkomst is met ingang van 1 november 2006 aangegaan voor onbepaalde tijd;
(…)

ALDUS MONDELING OVEREENGEKOMEN OP 1 NOVEMBER 2006 EN IN
DRIEVOUD OPGEMAAKT EN ONDERTEKEND TE [Z] OP 31/3 2010”

7. Eiseres, [F] en [I] vormen geen fiscale eenheid voor de Vpb.

8. Op 11 januari 2011 is verweerder bij eiseres een boekenonderzoek gestart naar, in eerste instantie, de aanvaardbaarheid van de aangiften Vpb, omzetbelasting en loonbelasting over het jaar 2008. De onderzoeksbevindingen hebben ook gevolgen gehad voor de aanvaardbaarheid van de aangiften Vpb 2007, 2009 en 2010 en de aangifte omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2010 tot en met 31 december 2011.

Geschil

9. In geschil is of de verliesvaststellingsbeschikking over het jaar 2010, de navorderingsaanslagen Vpb 2007 tot en met 2011 en de naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2010 tot en met 31 december 2011 tot de juiste bedragen zijn vastgesteld. Meer bijzonder is in geschil wat de overdrachtsdatum is van het contract met [H] , welke waarde aan het contract met [H] dient te worden toegerekend en of de boetes terecht zijn opgelegd.


Beoordeling van het geschil

Aanslag Vpb 2010

10. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) een termijn van zes weken. Deze termijn vangt ingevolge artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) aan met ingang van de dag na die van dagtekening van een aanslagbiljet of van de voor bezwaar vatbare beschikking, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking. Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Ingevolge artikel 6:9, tweede lid, van de Awb is bij verzending per post een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

11. De dagtekening van de aanslag is 8 oktober 2011. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de aanslag pas na die datum is verzonden, zodat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is geëindigd op 19 november 2011. Het bezwaarschrift, gedateerd
26 augustus 2013, is op 28 augustus 2013 door verweerder ontvangen. Het bezwaarschrift is dus gelet op artikel 6:9 van de Awb te laat ingediend.

12. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft bij een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift een niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Eiseres heeft geen redenen aangevoerd waarom het bezwaarschrift te laat is ingediend. Verweerder heeft het bezwaar daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.

13. Hieruit volgt dat het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar ongegrond dient te worden verklaard.

Navorderingaanslagen Vpb 2007 tot en met 2011

14. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres de rechten uit het contract niet per 1 november 2006, maar op 31 maart 2010 heeft overgedragen aan [F] . Vervolgens heeft [F] per diezelfde datum de exploitatie overgedragen aan [I] , aldus verweerder. Een duidelijke overdrachtsdatum is volgens verweerder niet aan te wijzen, maar gelet op de volgende omstandigheden is volgens hem aannemelijk het tijdstip van overdracht vast te stellen op 31 maart 2010:

- in 2007 heeft [I] een website en emailadres aangemaakt;

  • -

    in 2008 is met de naam [I] naar buiten getreden op beurzen;

  • -

    in 2009 is een begin gemaakt om de boekhouding en de aangiften van [X] , [F] en [I] te splitsen;

  • -

    in 2010 is het contract en zijn de overeenkomsten inzake de werkzaamheden van de heren [E en A] en de facturen opgesteld en

  • -

    in 2011 zijn de bankrekeningen voor [F] en [I] geopend en vindt de in- en verkoop plaats op naam van [I] .

15. Verweerder heeft de stelling van eiseres dat de mondelinge overdracht van de rechten uit het contract met [H] aan [F] per 1 november 2006 heeft plaatsgevonden gemotiveerd betwist. Ter onderbouwing voert hij het volgende aan:

  • -

    [I] maakte op 1 november 2006 nog geen deel uit van het concern;

  • -

    eiseres was volgens het contract als enige gerechtigd de led-verlichting te exploiteren;

  • -

    eiseres had als enige de kennis en kunde om het contract in de periode 2006 tot en met 2009 te exploiteren;

  • -

    eiseres heeft tot de uitvoering van het boekenonderzoek als enige de werkzaamheden voortvloeiend uit het contract verricht en

  • -

    bij het opmaken van jaarrekeningen en aangiften zijn alle voordelen uit het contract tot het eerste kwartaal van 2009 bij eiseres verantwoord.

16. De door verweerder voorgestane overdrachtsdatum van het contract brengt mee dat correcties zijn doorgevoerd in de aangiften Vpb voor de jaren 2007 tot en met 2011. Deze correcties zien op de omzet en inkoopwaarde van de led-verlichting, opslag- en handlingsfee, agentschapkosten, loonkosten en overige kosten. Bovendien heeft verweerder aan het contract per maart 2010 een waarde toegekend van € 419.000. Dit bedrag is tot de belastbare winst over het jaar 2010 gerekend. Gelet op de forse omvang van de correcties is verweerder van mening dat eiseres de vereiste aangifte niet heeft gedaan. Hij stelt dat omkering en verzwaring van de bewijslast moet plaatsvinden.

17. Eiseres is van mening dat het contract per 1 november 2006 door haar is overgedragen aan [F] . [H] wilde alleen een contract aangaan met eiseres, omdat dit een gevestigde naam in de markt was. [F] daarentegen was slechts een lege vennootschap. Volgens eiseres is destijds afgesproken dat zij direct na het verkrijgen van het contract deze overeenkomst zou overdragen aan [F] . Om redenen van financiële aard is dit niet direct uitgevoerd. Eiseres was ten tijde van het verkrijgen van het contract financieel uitgeput. Zij betwist voorts de door verweerder aan het contract toegekende waarde van € 419.000 per maart 2010. Eiseres stelt de waarde van het contract op nihil en voert daartoe aan dat [H] het contract schond en zelf de markt in Nederland benaderde en in België met een andere partij een inkoopconstructie had opgezet. Bovendien, zo stelt eiseres, nam zij vanaf 2010 geen producten meer af van [H] .

18.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat de bewijslast dient te worden omgekeerd en verzwaard omdat de vereiste aangifte niet is gedaan. Naar vaste jurisprudentie geldt dat bij inhoudelijke gebreken in een aangifte slechts dan kan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van deze gebreken niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd, aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale bewijsregels van stelplicht en bewijslast (zie HR 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083).

19. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres voor elk van de in geschil zijnde jaren de vereiste aangifte niet gedaan. Met hetgeen verweerder heeft aangedragen komt het de rechtbank aannemelijk voor dat de overeenkomst van overdracht van de rechten uit het contract met [H] pas op 31 maart 2010 tot stand is gekomen. De door eiseres aangevoerde feiten en omstandigheden zijn van onvoldoende gewicht om deze overdrachtsdatum in twijfel te trekken, laat staan dat zij steun bieden aan de stelling van eiseres dat de rechten uit het contract per 1 november 2006 reeds zijn overdragen. Integendeel, eiseres stelt dat er een intentie bestond tot overdracht per 1 november 2006, maar dat hieraan om financiële redenen geen uitvoering is gegeven. Gelet op het voorgaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht de correcties (die zien op de omzet en inkoopwaarde van de led-verlichting, opslag- en handlingsfee, agentschapkosten, loonkosten en overige kosten) doorgevoerd en acht zij aannemelijk dat eiseres zich er bewust van moet zijn geweest dat als gevolg van de door haar ingediende aangiften Vpb een relatief en absoluut aanzienlijk bedrag aan belasting niet zou zijn betaald. Het beroep moet op de voet van artikel 27e, eerste lid, van de AWR, dan ook ongegrond worden verklaard, tenzij eiseres heeft doen blijken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is.

20. De omkering en verzwaring van de bewijslast laat onverlet dat verweerder gehouden is bij het vaststellen van de belastingaanslag uit te gaan van een redelijke schatting. Dit vereiste strekt, in de context van de omkering en verzwaring van de bewijslast, ertoe te voorkomen dat een belastingaanslag naar willekeur wordt vastgesteld (vergelijk Hoge Raad 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184).

21. De rechtbank constateert dat eiseres met betrekking tot het contract weliswaar heeft aangevoerd dat deze overeenkomst een waarde van nihil heeft, maar dat deze stelling geen steun vindt in de feiten. Alleen al de omstandigheid dat zij uitvoering is blijven geven aan de overeenkomst van 31 maart 2010 staat naar het oordeel van de rechtbank aan deze stelling in de weg. Verweerder heeft voor het vaststellen van de navorderingsaanslag Vpb 2010 aan het contract met [H] een waarde toegekend van € 419.000. Ter onderbouwing verwijst verweerder naar de door hem overgelegde waardebepaling. Uit deze berekening volgt dat een zakelijke prijs voor de rechten uit het contract ligt tussen de € 194.000 (gebaseerd op 1,5 jaar) en € 644.000 (gebaseerd op 1,5 jaar plus 5 jaar). Verweerder is voor de waardebepaling vervolgens uitgegaan van het gemiddelde. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee geen sprake van een redelijke schatting. Het contract met [H] kent vele onzekerheden. Bovendien ontbreekt het aan een boeteclausule ingeval [H] haar verplichtingen uit de overeenkomst niet nakomt. Daar komt bij dat, uitgaande van de winsten zoals verantwoord in de aangiften Vpb 2007 tot en met 2009 voor correctie, de bijdrage van het contract aan het resultaat van [F] en [I] naar het oordeel van de rechtbank de door verweerder betoogde waarde niet kan dragen. Deze winstbijdrage prognosticeert de rechtbank op ongeveer € 50.000 per jaar en daarmee gedurende de gehele berekeningsperiode (1,5 jaar plus 5 jaar) op ten hoogste € 325.000.

22. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat in het kader van de redelijke schatting voor de waarde van het contract dient te worden uitgegaan van € 144.000. Deze schatting is gebaseerd op de contante waarde (tegen een rentepercentage van 4) van de geprognotiseerde winstbijdrage van € 50.000 gedurende een looptijd van 3 jaar. De rechtbank acht de schatting van verweerder met betrekking tot de omzet en inkoopwaarde van de led-verlichting, opslag- en handlingsfee, agentschapkosten, loonkosten en overige kosten redelijk en zal verweerder hierin volgen. Eiseres heeft geen gronden aangevoerd dat de navorderingsaanslagen ten aanzien van deze correcties tot een lager bedrag moeten worden vastgesteld.

23. Gelet op het voorgaande is het beroep tegen de navorderingsaanslag Vpb 2010 gegrond en dient de belastbare winst van eiseres over het jaar 2010 te worden verminderd tot een bedrag van € 146.030. Voor het overige zijn de beroepen ongegrond.

Vergrijpboetes

24. Verweerder heeft bij de navorderingsaanslagen Vpb over de jaren 2007, 2008 en 2010 een boete van 25% wegens grove schuld opgelegd. Over de jaren 2007 tot en met 2010 heeft eiseres volgens verweerder ten onrechte winsten van haarzelf overgeheveld naar [F] . Deze bij [F] neergeslagen winsten hebben echter niet tot belastingheffing geleid aangezien [F] over verliescompensatie beschikte. Als grondslag voor de boetes heeft verweerder de over die jaren ten onrechte toegepaste verliescompensatie genomen.

25. Naar het oordeel van de rechtbank vloeit uit hetgeen hiervoor is overwogen voort dat eiseres ten minste grove schuld kan worden verweten ter zake van het niet doen van de vereiste aangifte. Immers, de door partijen geschetste feiten en omstandigheden bieden geen aanknopingspunt voor de door eiseres betoogde overdrachtsdatum van het contract per
1 november 2006. De stelling van eiseres dat economische redenen doorslaggevend zijn geweest voor de overdracht van het contract per 1 november 2006 kan zonder toelichting, die ontbreekt, dan ook niet slagen. In zoverre is een boete dan ook op zijn plaats.

26. De rechtbank dient wel te beoordelen of de boete passend en geboden is. Bij die beoordeling dient acht te worden geslagen op de proportionaliteit van de boete in verband met de ernst van de gepleegde feiten. Bij de beoordeling van die ernst dient mede acht te worden geslagen op de wijze waarop de hoogte van de verschuldigde belasting is komen vast te staan, waaronder ook valt de omstandigheid dat hiertoe de omkering van de bewijslast is toegepast (vergelijk Hoge Raad 18 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC1962 en
Hoge Raad 15 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN6324).

27. De rechtbank ziet geen aanleiding de boetes te matigen. In § 25 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst is als uitgangspunt opgenomen dat in geval van grove schuld een vergrijpboete van 25% wordt opgelegd. In dit geval heeft verweerder de grondslag van de boetes sterk beperkt door de boetes te berekenen over de ten onrechte toegepaste verliescompensatie over de jaren 2007, 2008 en 2010. Om die reden ziet de rechtbank in de omstandigheid dat de navorderingsaanslagen met omkering van de bewijslast tot stand zijn gekomen geen aanleiding tot matiging.

28. De opgelegde vergrijpboetes acht de rechtbank dan ook passend en geboden. Wel constateert de rechtbank dat haar uitspraak niet is gedaan binnen twee jaar nadat de boetes aan eiseres zijn aangekondigd bij kennisgeving van 3 juli 2013. Om die reden dienen de boetes ambtshalve te worden verminderd. De redelijke termijn is overschreden met meer dan een jaar, maar met minder dan twee jaren. Daarom worden de boetes verminderd met 15% tot respectievelijk € 1.644, € 1.946 en € 3.127.

Omzetbelasting
29. Verweerder heeft aan eiseres een naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2010 tot en met 31 december 2011 opgelegd. De aan de naheffingsaanslag omzetbelasting ten grondslag liggende correcties vloeien voort uit de correcties die verweerder heeft aangebracht in de Vpb en die betrekking hebben op de omzet en inkoopwaarde van de led -verlichting, opslag- en handlingsfee, agentschapkosten, loonkosten en overige kosten. Om die reden heeft eiseres voor de gronden van haar beroep tegen de naheffingsaanslag omzetbelasting verwezen naar de gronden ingediend tegen de navorderingsaanslagen Vpb 2007 tot en met 2011. Nu die gronden niet slagen, dient ook het beroep tegen de naheffingsaanslag omzetbelasting 2010 tot en met 2011 te worden verworpen.

Heffingsrente

30. Eiseres heeft geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen de beschikkingen heffingsrente. Nu de navorderingsaanslag Vpb 2010 - op grond van hetgeen hiervoor is overwogen – dient te worden verminderd, wordt de beschikking heffingsrente voor het jaar 2010 dienovereenkomstig verminderd.


Proceskostenvergoeding

31. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep tegen de navorderingsaanslag Vpb 2010 redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 990 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495 en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank

  • -

    verklaart het beroep ter zake van de navorderingsaanslag Vpb 2010 en de bijbehorende beschikking heffingsrente gegrond;

  • -

    vernietigt de desbetreffende uitspraak op bezwaar;

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag Vpb 2010 tot een navorderingsaanslag berekend naar een belastbare winst van € 146.030;

  • -

    vermindert de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig;

  • -

    verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar voor zover die zien op de boetebeschikkingen voor de jaren 2007, 2008 en 2010;

  • -

    vermindert de boetes met 15% tot respectievelijk € 1.644, € 1.946 en € 3.127;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 990;

  • -

    gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 328 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Vaatstra, voorzitter, mr.drs. M.J.C. Pieterse en
mr. J.J. Westerbaan, rechters, in tegenwoordigheid van M. Brouwer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 30 maart 2017

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.