Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:1684

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
29-03-2017
Datum publicatie
31-03-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 4081
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres ontvangt Wajong-uitkering. Voorziening vergoeding woon-werkvervoer en leefkilometers. Beroep gegrond, voor de aanpassing van de vergoeding voor woon-werkvervoer dient Uwv een overgangsperiode in acht te nemen. Aantal leefkilometers is niet wettelijk gemaximeerd op 2.000 per jaar, geïndividualiseerde beoordeling, gezien de specifieke situatie van eiseres stelt de rechtbank het aantal leefkilometers in redelijkheid vast op 3.500 per jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats [woonplaats]

Bestuursrecht

zaaknummer: 16/4081

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: P.W.M. Ermers),

en

[verweerder] te [woonplaats], verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 9 februari 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres vergoeding van een bruikleenauto met aanpassingen toegekend, alsmede werk- en leefkilometers naar een kilometerrange van 14.924 per jaar. De vergoeding voor het werkvervoer komt, gelet op de eigen bijdrage, niet tot uitbetaling en voor leefvervoer wordt aan eiseres een bedrag van

€ 260,- per jaar toegekend (€ 0,13 x 2000 km).

Bij besluit van 8 juni 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard.

Verweerder heeft daarbij het besluit van 9 februari 2016 herroepen en beslist dat de eigen bijdrage voor het werkvervoer wordt beperkt tot twee van de vier werkdagen per week, zodat eiseres alsnog een vergoeding wordt toegekend van € 840,06 per jaar.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2017. Eiseres is verschenen met haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door J.M. Marquenie.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiseres is geboren op [geboortedatum]. In verband met de gevolgen van een hersenbloeding is aan eiseres met ingang van 10 januari 1998 een arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend, gebaseerd op volledige arbeidsongeschiktheid. Op 1 maart 2003 is eiseres in dienst getreden bij [bedrijf]. Aanvankelijk was eiseres voor woon-werkvervoer aangewezen op een rolstoeltaxi, maar na het behalen van haar rijbewijs heeft verweerder eiseres op 4 maart 2005 een bruikleenauto (Renault Twingo) verstrekt met een maximaal af te leggen jaarkilometerrange van 17.500. Deze range is met ingang van 28 juni 2005 verhoogd naar 22.500 km. In 2008 heeft verweerder besloten dat eiseres 3.500 leefkilometers vergoed krijgt, onafhankelijk van het werkelijke aantal leefkilometers dat zij reist, en dat voor woon-werkvervoer een kilometervergoeding wordt verstrekt, zonder eigen bijdrage.

In verband met de verhuizing van eiseres van [woonplaats] naar [woonplaats] heeft verweerder de kilometerrange eind 2009 op verzoek van eiseres verhoogd van 22.500 naar 27.500 km.

In februari 2016 heeft verweerder de inmiddels afgeschreven Renault Twingo vervangen door een nieuwe bruikleenauto (Fiat Doblo Cargo). Tegelijkertijd heeft verweerder eiseres bij het primaire besluit meegedeeld dat de vergoeding voor woon-werkvervoer (€ 0,13 per km) niet langer tot uitbetaling komt omdat de eigen bijdrage per km hoger is (€ 0,14). De kilometerrange heeft verweerder vastgesteld op 12.924, inclusief 2000 leefkilometers).

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard met betrekking tot de eigen bijdrage voor het werkvervoer.

2. Aan het bestreden besluit ligt een rapport ten grondslag van arbeidsdeskundige bezwaar en beroep B. Altena van 6 juni 2016. Verweerder heeft de toekenning van de kilometerrange van 14.924 per jaar als volgt vastgesteld. Eiseres woont in [woonplaats] en werkt in [woonplaats], een afstand van 35,90 km enkele reis (conform ANWB-routeplanner). Eiseres werkt 4 dagen per week, zodat de totale reisafstand per jaar bedraagt 35,90 x 2 x 180 dagen (=225 dagen per jaar x 4/5) = 12.924 km.

Het aantal leefkilometers is volgens verweerder wettelijk bepaald op 2000 km per jaar.

Verweerder heeft de eigen bijdrage voor woon-werkvervoer beperkt tot 2 dagen, omdat eiseres ruim 10 uur per week werkt, verdeeld over 4 dagen. Omdat een kortere reisafstand dan wel langere werkdagen geen reële optie is, zou eiseres vanwege haar beperkingen duurder uit zijn dan een valide collega. Een valide collega zou immers bij een omvang van ruim 10 uur per week niet meer dan 2 werkdagen hebben. Aan eiseres wordt alsnog een vergoeding toegekend van € 840,06 (6462 km x € 0,13) per jaar.

3. Eiseres stelt in beroep het volgende. Zij heeft vorig jaar haar 12,5-jarig jubileum gevierd bij haar werkgever en is inmiddels van vaste waarde. Reizen met openbaar vervoer is voor haar fysiek en cognitief niet mogelijk. Zij werkt 16 uur per week, verdeeld over 4 ochtenden (70 uur per maand). Verweerders arbeidsdeskundige gaat abusievelijk van 10 uur per week uit.

De aangepaste vergoeding betekent voor eiseres een achteruitgang van ongeveer € 170,- per maand. Op deze manier wordt het voor eiseres volstrekt onmogelijk om te blijven werken. Bovendien maakt zij veel leefkilometers omdat zij lid is van een rolstoel-basketbalvereniging. Dit betekent wekelijks trainen en competitie. Zulke verenigingen zijn landelijk dun gezaaid, en meerijden is vaak niet mogelijk omdat niet alleen de ADL-rolstoel, maar ook de sportrolstoel en tassen met sportkleding moeten worden meegenomen.

Tot slot wijst eiseres er op dat arbeidsdeskundige Leeneman is 2009 heeft besloten dat een eigen bijdrage, gezien de specifieke situatie van eiseres, niet aan de orde was. De toestand van eiseres is sindsdien niet gewijzigd.

4.1

De rechtbank overweegt ten aanzien van de vergoeding voor de kosten van woon-werkvervoer als volgt.

4.2

De rechtbank stelt allereerst vast dat de door verweerder gehanteerde afstand voor woon-werkvervoer van 35,90 km enkele reis niet in geschil is. Ter zitting heeft eiseres te kennen gegeven dat deze afstand juist is.

4.3

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder bij de vaststelling van de vergoeding voor de kosten van woon-werkvervoer op een juiste wijze toepassing gegeven aan de geldende wet- en regelgeving (artikel 35 Wet WIA en de Beleidsregels UWV normbedragen voorzieningen 2014).

4.4

Aan het bestreden besluit ligt een rapport ten grondslag van arbeidsdeskundige bezwaar en beroep B. Altena van 6 juni 2016. Altena heeft in zijn rapport rekening gehouden met de specifieke omstandigheid van eiseres, namelijk dat zij 4 dagen per week in een betrekkelijk geringe urenomvang werkt. Omdat een valide collega het door eiseres gewerkte aantal uren zal realiseren in minder werkdagen, heeft eiseres vanwege haar handicap meer reiskosten dan een valide collega, aldus Altena. Om deze meerkosten te compenseren heeft Altena de eigen bijdrage beperkt tot 2 werkdagen en de vergoeding vastgesteld op een bedrag van € 840,06 per jaar (35,9 km x 2 x 90 (225 x 2/5) x € 0,13).

De rechtbank acht de wijze waarop verweerder rekening heeft gehouden met de specifieke omstandigheden van eiseres redelijk.

4.5

Het beroep van eiseres op het rapport van arbeidsdeskundige Leeneman uit 2009, waarin deze heeft besloten dat een eigen bijdrage, gezien de specifieke situatie van eiseres, niet aan de orde was, slaagt niet. De rechtbank heeft deze grond opgevat als een beroep op het vertrouwensbeginsel. De rechtbank stelt vast dat het niet hanteren van een eigen bijdrage, zoals Leeneman heeft gedaan, niet overeenkomt met de geldende wet- en regelgeving. Verweerder heeft dus aan eiseres een hogere vergoeding toegekend dan waarop zij volgens de wet- en regelgeving aanspraak kon maken.

Verweerder is niet gehouden een onjuiste beoordeling in het verleden naar de toekomst te continueren. Volgens vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 12 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:850) komt aan een bestuursorgaan in beginsel de bevoegdheid toe een gemaakte fout te herstellen, mits het daartoe strekkende besluit niet in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel en ook overigens geen sprake is van strijd met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel of enig algemeen rechtsbeginsel.

De rechtbank is hiervan niet gebleken, zodat verweerder gebruik heeft kunnen maken van deze bevoegdheid.

Wel is de rechtbank van oordeel dat verweerder, gezien de lange periode waarover aan eiseres de volledige vergoeding is verstrekt, een redelijke gewenningsperiode in acht had dienen te nemen. Gezien het feit dat eiseres al meer dan 10 jaar de (te) hoge vergoeding heeft ontvangen en haar uitgavenpatroon daarop heeft afgestemd acht de rechtbank een periode van een half jaar redelijk, te rekenen vanaf de datum van afgifte van het primaire besluit.

5.1

Met betrekking tot de vergoeding van de leefkilometers overweegt de rechtbank als volgt.

5.2

Altena schrijft in zijn rapport van 6 juni 2016 dat het aantal te vergoeden leefkilometers wettelijk is bepaald op 2000. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat de 2000 km niet wettelijk is bepaald, maar voortvloeit uit de rechtspraak. Verweerder handhaaft het standpunt dat maximaal 2000 leefkilometers kunnen worden toegekend.

De rechtbank wijst er op dat uit de rechtspraak (zie onder meer de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 21 maart 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV9431) volgt dat een aflegbare afstand van ongeveer 1500 tot 2000 km per jaar in beginsel toereikend is. Hierin kan echter niet, zoals verweerder stelt, een absolute bovengrens van 2000 km worden gelezen. In een afzonderlijke zaak kan aanleiding bestaan om, ingeval van bijzondere omstandigheden, een hoger aantal leefkilometers toe te kennen.

Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat zij vanwege haar handicap meer kilometers rijdt dan gebruikelijk. Voor sportbeoefening (handbike en rolstoel-basketbal) reist zij veel. Specifieke rolstoel-basketbalverenigingen zijn landelijk dun gezaaid. De competitie is landelijk, zodat eiseres het hele land door reist. Meerijden met iemand anders is niet mogelijk, omdat niet alleen de ADL-rolstoel, maar ook de sportrolstoel en de tassen met sportkleding meegenomen moeten worden. Eiseres is dus afhankelijk van haar bruikleenauto.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij, met name vanwege haar sportbeoefening, meer kilometers rijdt dan een valide persoon. De rechtbank acht tevens aannemelijk dat de activiteiten bij de basketbalvereniging een essentieel onderdeel vormen van de maatschappelijke participatie van eiseres. Teneinde het geschil finaal te beslechten zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien door het aantal leefkilometers in redelijkheid vast te stellen op 3.500 per jaar.

6.1

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het beroep gegrond.

6.2

Ten aanzien van de gevraagde proceskosten overweegt de rechtbank als volgt. Eiseres heeft een formulier proceskosten overgelegd waarin eiseres, naast het betaalde griffierecht van € 46,-, verzoekt om toekenning van een bedrag van € 31,81 aan reiskosten en € 5,- aan geschatte parkeerkosten. Het betreft de reiskosten van Uden (het adres van de gemachtigde van eiseres, zijnde haar vader), via het adres van eiseres in [woonplaats], naar de rechtbank v.v. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van eiseres niet is opgetreden in de hoedanigheid van professioneel rechtshulpverlener.

Met betrekking tot de gevraagde vergoeding voor reiskosten verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de CRvB van 27 februari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:AF3855, waarin de CRvB als volgt heeft overwogen: “De Raad leidt uit het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) af dat voor het vergoeden van de reiskosten van een procesgemachtigde die niet beroepsmatig rechtsbijstand verleent, in dat besluit geen specifieke regeling is opgenomen. Wel is in artikel 1, onder c, van het Bpb aangegeven dat een proceskostenveroordeling betrekking kan hebben op -onder andere- de reiskosten van een partij. De Raad leidt hieruit af dat de reiskosten die gedaagde zelf heeft moeten maken wel voor vergoeding in aanmerking komen. Verschijnt een partij bij een niet professioneel gemachtigde dan treedt deze wat de vergoeding van reiskosten betreft in de plaats van de partij. Verschijnt de partij zelf met bedoelde gemachtigde dan worden de kosten van de gemachtigde niet meegenomen. Hieruit volgt dat voor vergoeding in aanmerking komen de reiskosten van gedaagde.”

De rechtbank leidt hier uit af dat slechts de op eiseres zelf betrekking hebbende kosten voor vergoeding in aanmerking kunnen komen.

De rechtbank stelt de vergoeding als volgt vast. De afstand van het adres van eiseres in [woonplaats] naar de rechtbank bedraagt volgens de ANWB-routeplanner 3,5 km, zodat voor vergoeding in aanmerking komt een bedrag van € 1,96 (7 km à € 0,28). Parkeerkosten komen volgens vaste rechtspraak niet voor vergoeding in aanmerking.

Beslissing

De rechtbank:

₋ verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit voor zover het betrekking heeft op de ingangsdatum van de (aangepaste) vergoeding en het aantal leefkilometers;

  • -

    herroept het primaire besluit in zoverre;

  • -

    stelt de ingangsdatum van de aangepaste vergoeding vast op 1 augustus 2016, stelt het aantal leefkilometers vast op 3.500 per jaar en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit;

₋ veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1,96;

₋ gelast dat verweerder eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 46,- aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Klein Egelink, rechter, in tegenwoordigheid van

J. de Graaf, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.