Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:1672

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
24-03-2017
Datum publicatie
28-03-2017
Zaaknummer
C/05/317211/JE-RK 17-304
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

de vervaltermijn van een machtiging gesloten jeugdzorg en het verschil tussen artikel 6.1.12, derde lid, van de Jeugdwet en artikel 1:265c, derde lid, van het BW.

Wetsverwijzingen
Jeugdwet
Jeugdwet 6.1.12
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 265c
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2017/76 met annotatie van prof. mr. P. Vlaardingerbroek
PFR-Updates.nl 2017-0096
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Team jeugdrecht

Zittingsplaats Arnhem

Zaakgegevens: C/05/317211 / JE RK 17-304

Datum uitspraak: 24 maart 2017

beschikking machtiging gesloten jeugdhulp

naar aanleiding van het verzoek van

de gecertificeerde instelling [naam 1], hierna te noemen de GI,

gevestigd te [plaats 1],

betreffende

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], hierna te noemen [minderjarige]

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[naam 2] , hierna te noemen: de moeder,

wonende op een geheim adres,

Het procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:

  • -

    de beschikking van de kinderrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht van 9 maart 2017;

  • -

    de telefoonnotitie van een gesprek tussen de griffier en de GI, gedateerd 20 maart 2017;

  • -

    het mailbericht van mw. [naam 3], regiomanager, namens de GI van 21 maart 2017;

  • -

    het mailbericht van de rechtbank Midden-Nederland van 23 maart 2017.

Op 21 maart 2017 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- de minderjarige [minderjarige], bijgestaan door mr. D. van den Broek te Utrecht.

Opgeroepen maar niet verschenen zijn:

  • -

    de moeder,

  • -

    een zittingsvertegenwoordiger van de GI.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [minderjarige] wordt uitgeoefend door de moeder.

[minderjarige] verblijft in het [verblijfplaats].

Bij beschikking van 25 oktober 2016 heeft de kinderrechter van de rechtbank Gelderland een machtiging gesloten jeugdhulp verleend voor [minderjarige] met ingang van 26 oktober 2016 tot uiterlijk 26 april 2017.

Bij beschikking van 9 maart 2017 heeft de kinderrechter van de rechtbank Midden Nederland een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp verleend voor [minderjarige] met ingang van 9 maart 2017 voor de duur van vier weken. Tevens is de zaak verwezen naar de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, in de stand waarin deze zich bevindt.

Het standpunt van verzoeker

De GI heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd dat [minderjarige] de afgelopen jaren af en aan gesloten geplaatst is geweest. In november 2016 is met betrokken hulpverleners en [minderjarige] afgesproken dat aan [minderjarige] de kans zou worden geboden om zelfstandig te gaan wonen. Voordat uitvoering kon worden gegeven aan het plan, heeft [minderjarige] zich niet gehouden aan de daaraan verbonden voorwaarden. Op 6 maart jl is zij door de politie aangetroffen bij een opvang voor verslaafden en daklozen, waarbij het vermoeden was dat zij zich wilde prostitueren. De dag daarna is zij in [plaats 2] aangehouden en in verzekering gesteld omdat het vermoeden bestond dat zij zich, samen met meerderjarige mannen in wiens aanwezigheid zij was, had schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

De plaatsing in gesloten jeugdhulp is noodzakelijk voor de veiligheid van [minderjarige]. Zij staat onder druk van mannen die niet goed voor haar zijn en haar gedwongen prostitueren. Zij heeft in het verleden laten zien in staat te zijn om maanden onder te duiken, zonder dat hulpverlening of instanties weten waar zij verblijft. Wanneer [minderjarige] voor langere tijd vermist wordt, is er geen zicht op haar welbevinden. Tevens zit [minderjarige] verstrengeld in een netwerk dat dingen van haar verwacht. De kans is zeer goed dat zij direct na haar inverzekeringstelling (zijnde 7 maart 2017) ingezet gaat worden voor prostitutie.

Het standpunt van [minderjarige]

Door en namens [minderjarige] is ter zitting aangegeven dat zij sinds 1 december 2016 niet meer in de gesloten jeugdzorginstelling verbleef. Het is de bedoeling dat zij begeleid gaat wonen. Met medeweten van de GI en haar begeleider bij [naam 4] verbleef zij, in afwachting van een woning, onder meer bij een vriendin in [plaats 3]. Zij mocht derhalve van de GI buiten een instelling verblijven. Op 28 februari 2017 was de sleuteloverdracht van haar apartement in [plaats 4] maar toen was het appartement nog niet bewoonbaar. De afspraak is dat zij dit appartement met ingang van 7 april 2017 gaat bewonen met begeleiding en hulp.

Door en namens [minderjarige] wordt het standpunt ingenomen dat de bij beschikking van de rechtbank Gelderland van 25 oktober 2016 afgegeven machtiging gesloten jeugdhulp op grond van artikel 1:265c, derde lid van het BW is komen te vervallen omdat deze machtiging van 1 december 2016 tot 1 maart 2017 niet is gebruikt. Voorts dient de spoedmachtiging van de rechtbank Midden Nederland van 9 maart 2017 niet bekrachtigd te worden. De door de GI in het verzoekschrift genoemde zorgen zijn onjuist. De zaak is behoorlijk opgeklopt. [minderjarige] was zich op 6 maart niet aan het prostitueren en tegen [minderjarige] loopt geen strafzaak voor een strafbaar feit gepleegd op 7 maart 2017. Zij is nergens bij betrokken. De mannen met wie zij is aangehouden, zijn al vrijgelaten. Dat zou niet zijn gebeurd als de verdenkingen serieus waren geweest. Het is vreemd dat er geen plan van aanpak is voor de periode na 6 april a.s.. Er ligt ook geen verzoek om een machtiging in een gesloten instelling af te geven voor de duur van bijvoorbeeld zes maanden.

Het is noch de raadsvrouw noch [minderjarige] bekend dat de spoedmachtiging van de rechtbank Midden-Nederland ingetrokken zou zijn.

De beoordeling

De kinderrechter stelt vast dat uit de stukken blijkt dat de GI per brief van 15 maart 2017 is opgeroepen voor de zitting. Uit de telefoonnotitie van de griffier van het telefonische gesprek tussen de GI en de griffier op 20 maart 2017 en de emailcorrespondentie van de griffier met de GI van 21 maart 2017 blijkt dat de GI op de hoogte was van de zitting. Gelet daarop en gelet op de omstandigheid dat pas enkele uren vóór de zitting duidelijk werd dat bij de GI niemand beschikbaar was om de zitting bij te wonen, heeft de kinderrechter besloten de behandeling van de zaak voort te zetten. Ook het gegeven dat de belanghebbenden, op grond van het bepaalde in artikel 809, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, vóór 23 maart 2017 gehoord moesten worden, was mede redengevend voor deze beslissing.

Allereerst dient de kinderrechter te beoordelen of de bij beschikking van de rechtbank Gelderland van 25 oktober 2016 afgegeven machtiging gesloten jeugdhulp nog geldig was ten tijde van het geven van de beschikking van 9 maart 2017.

Voor de beantwoording van die vraag, is niet artikel 1:265c van het Burgerlijk Wetboek van belang maar artikel 6.1.12, derde lid, van de Jeugdwet. In laatstgenoemd artikel is bepaald dat de machtiging gesloten plaatsing als bedoeld in artikel 6.1.2. van de Jeugdwet vervalt indien deze gedurende drie maanden niet ten uitvoer is gelegd. Deze formulering wijkt af van het bepaalde in artikel 1:265c van het Burgerlijk Wetboek, te weten dat de afgegeven machtiging vervalt indien die niet binnen drie maanden is tenuitvoergelegd.

Hoewel in de memorie van toelichting van bij artikel 6.1.12 van de Jeugdwet staat vermeld dat “Om oneigenlijk gebruik van de «gewone» machtiging te voorkomen, namelijk dat de machtiging wordt gebruikt als stok achter de deur om medewerking van de ouders af te dwingen, bepaalt het derde lid dat de machtiging vervalt als deze niet binnen drie maanden na verlening ten uitvoer wordt gelegd. Dit artikellid is gelijkluidend aan artikel 262, derde lid, boek 1 BW” is er uiteindelijk voor een formulering gekozen die afwijkt van het bepaalde in artikel 1:265c (voorheen artikel 262, derde lid, BW). Noch uit de parlementaire geschiedenis, noch uit de literatuur of jurisprudentie kan worden afgeleid wat daarvan de reden is. Mogelijk houdt het bepaalde in het derde lid van artikel 6.1.12 verband met de in de leden vijfde en zesde van dezelfde bepaling neergelegde mogelijkheid om de tenuitvoerlegging van de machtiging gesloten jeugdhulp te schorsen.

Op basis van het verhandelde ter zitting en de voorafgaand aan de zitting per email verkregen informatie van de GI op 21 maart 2017 staat vast dat [minderjarige] van 17 november 2016 tot 9 maart 2017 niet heeft verbleven in een instelling voor gesloten jeugdzorg. [minderjarige] is op 17 november 2016 geplaatst op de open groep [naam 5] tot 1 december 2016. Door en namens [minderjarige] is ter zitting verklaard dat zij, telkens met instemming van de GI, sinds 1 december 2016 afwisselend bij een vriendin en in een hotel heeft verbleven. Derhalve moet worden geconstateerd dat de GI gedurende meer dan drie maanden geen gebruik heeft gemaakt van de bij de beschikking van 25 oktober 2016 afgegeven machtiging. Gelet hierop en gelet op de omstandigheid dat gesteld noch gebleken is dat de tenuitvoerlegging van de machtiging geschorst is geweest op grond van en op de wijze bepaald in artikel 6.1.12, vijfde lid van de Jeugdwet, is de kinderrechter van oordeel dat uit artikel 6.1.12, derde lid, van de Jeugdwet voortvloeit dat de eerder afgegeven machtiging met ingang van 17 februari 2017 is komen te vervallen. Dit betekent dat de GI, om [minderjarige] op 9 maart 2017 opnieuw te kunnen plaatsen in een instelling voor gesloten jeugdhulp, daartoe een nieuwe machtiging nodig had.

Dan is vervolgens de vraag aan de orde of de op 9 maart 2017 afgegeven machtiging nog geldig is gezien de mededeling van de GI in de email van 21 maart 2017, te weten dat deze machtiging (mondeling) zou zijn ingetrokken door de kinderrechter van de rechtbank Midden-Nederland.

De kinderrechter heeft, met toestemming van [minderjarige] en haar raadsvrouw, contact opgenomen met de rechtbank Midden-Nederland om hier helderheid over te verkrijgen. Uit de nadien verkregen informatie, neergelegd in een emailbericht van 23 maart 2017, is gebleken dat noch de kinderrechter die de beslissing heeft genomen op 9 maart 2017 noch de kinderrechter die de beschikking heeft ondertekend deze beslissing heeft ingetrokken. Ook overigens is van een dergelijke beslissing niet gebleken. Dit betekent dat de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland nog steeds van kracht is.

Namens [minderjarige] is bepleit om de beslissing van 9 maart 2017 niet te bekrachtigen.

Gelet op het bepaalde in artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet kan een machtiging gesloten jeugdhulp slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter deze jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren. Bovendien dient de opneming en verblijf noodzakelijk te zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken.

Vooropgesteld wordt dat een machtiging gesloten jeugdhulp een verstrekkende maatregel is met een vrijheidsbenemend karakter, die alleen gerechtvaardigd is indien en voor zover een minder verstrekkende maatregel ontoereikend is. De kinderrechter is van oordeel dat, gelet op de informatie die de GI ten tijde van het verzoek heeft gegeven, de gevraagde machtiging op 9 maart 2017 op goede gronden gegeven.

Echter, ter zitting is nieuwe informatie verkregen, welke informatie toch een ander licht op het geheel werpt. [minderjarige] heeft een, niet op voorhand onaannemelijke, verklaring gegeven voor haar aanwezigheid op 6 maart 2017 in de buurt van de daklozenopvang in [plaats 5]. Zij betwist gemotiveerd dat zij daar was om zich te prostitueren. Verder betwist zij dat zij betrokken was bij strafbare feiten op 7 maart 2017 en zij heeft een, evenmin op voorhand onaannemelijke, verklaring gegeven voor haar aanwezigheid in de auto. Haar strafzaak zou zijn geseponeerd. Bovendien hebben [minderjarige] en haar raadsvrouw onweersproken gesteld dat het nog immer de bedoeling is dat [minderjarige] per 7 april 2017 begeleid gaat wonen. Van de zijde van de GI is ook geen informatie naar voren gebracht waaruit blijkt dat dit plan van de baan is. In dit verband is ook van belang dat de GI alleen heeft verzocht om en machtiging voor de duur van vier weken en er – voor zover bekend – tot op heden geen (nieuw) verzoek is gedaan tot verlenging van de machtiging gesloten plaatsing. Dit zou de informatie van [minderjarige] met betrekking tot de plannen per april 2017 kunnen ondersteunen.

Tot slot is van belang dat tot op heden geen verklaring is ontvangen van een gedragswetenschapper die instemt met het verzoek van de GI, zodat niet wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 6.1.3., derde lid, van de Jeugdwet. Een verklaring van een gedragswetenschapper is in dit geval, juist gezien de door en namens [minderjarige] gegeven informatie, van wezenlijk belang voor de te maken beoordeling.

Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat thans niet meer blijkt dat de gevraagde machtiging gesloten jeugdhulp noodzakelijk is en dat ook overigens niet aan de wettelijke vereisten wordt voldaan. Om die reden zal de kinderrechter de afgegeven machtiging beëindigen met ingang van 24 maart 2017.

De beslissing

De kinderrechter:

1. verklaart voor recht dat de machtiging gesloten jeugdhulp, afgegeven bij beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingslocatie Arnhem, van 25 oktober 2016, is vervallen;

2. beëindigt de spoedmachtiging van de rechtbank Midden-Nederland, gedateerd 9 maart 2017, met ingang van 24 maart 2017;

3. verklaart de onder 1 en 2 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.S.W. Kroon, rechter, in tegenwoordigheid van mr. D.G. Wessels-Harmsen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2017.

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof te Arnhem.