Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:1658

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
15-03-2017
Datum publicatie
27-03-2017
Zaaknummer
298464
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Erfdienstbaarheid van uitweg. Geschil wijze van uitoefening. Eerdere uitspraken gezag van gewijsde, daarom vorderingen conventie afgewezen. Geen misbruik van recht. Vordering reconventie tot veroordeling in daadwerkelijk gemaakte proceskosten afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/298464 / HA ZA 16-95

Vonnis van 15 maart 2017

in de zaak van

[eiser in conventie] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. Y.M. van Vliet te Amsterdam,

tegen

1 [gedaagde in conventie sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [gedaagde in conventie sub 2],

wonende te [woonplaats A] ,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. R.A.F. Willems te 's-Hertogenbosch.

Partijen zullen hierna [eiser in conventie] , [gedaagde in conventie sub 1] en [gedaagde in conventie sub 2] worden genoemd. [gedaagde in conventie sub 1] en [gedaagde in conventie sub 2] zullen gezamenlijk worden aangeduid als [gedaagde in conventie sub 1] c.s.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 15 juni 2016

  • -

    het verkort proces-verbaal van comparitie van 29 november 2016

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie tevens vermeerdering van eis in conventie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser in conventie] is eigenaar van het perceel, gelegen aan de [adres] 126 te [woonplaats] , kadastraal bekend gemeente [gemeente] sectie L nummer 104.

[gedaagde in conventie sub 1] is eigenaar van het perceel, gelegen aan de [adres] 115 te [woonplaats] , kadastraal bekend gemeente [gemeente] sectie L nummers 125 en127.

[gedaagde in conventie sub 2] is eigenaar van het perceel, gelegen aan de [adres] 133 te [woonplaats] , kadastraal bekend gemeente [gemeente] sectie L nummer 126.

De percelen van [eiser in conventie] en de percelen van [gedaagde in conventie sub 1] en [gedaagde in conventie sub 2] liggen tegenover elkaar en worden gescheiden door de weg die over de [adres] loopt.

2.2.

Ten laste van het perceel van [eiser in conventie] en ten behoeve van de percelen van [gedaagde in conventie sub 1] is een erfdienstbaarheid gevestigd van uitweg om te komen en te gaan van en naar de [weg] .

2.3.

Ten laste van het perceel van [eiser in conventie] en ten behoeve van het perceel van [gedaagde in conventie sub 2] is een erfdienstbaarheid gevestigd van uitweg om te komen en te gaan van en naar de [weg] . Daarbij is het volgende bepaald:

“De uitweg mag niet worden bereden met motor- rij of voertuigen, alzoo wel met rij- en voertuigen met paarden bespannen.

De op de uitweg aanwezige, reeds gestelde of nog te stellen hekken zullen na gebruik moeten worden gesloten.”

2.4.

De erfdienstbaarheden van [gedaagde in conventie sub 1] en [gedaagde in conventie sub 2] worden uitgeoefend over de weg op het perceel van [eiser in conventie] . [eiser in conventie] heeft zowel bij de toegang van de weg vanuit de [adres] als bij de toegang van de weg vanuit de [weg] een tweedelig ijzeren hek geplaatst. De hekken kunnen met de hand worden geopend en zijn voorzien van een cijferslot.

2.5.

Partijen hebben vanaf 2006 herhaaldelijk geprocedeerd over onder meer de uitoefening van de erfdienstbaarheden.

2.6.

Bij vonnis van 25 oktober 2006 van de rechtbank Arnhem is voor recht verklaard:

“dat [gedaagde in conventie sub 1] en [gedaagde in conventie sub 2] slechts op de voor [eiser in conventie] minst bezwarende wijze gebruik mogen maken van hun recht van erfdienstbaarheid, wat onder meer inhoudt dat zij geen onnodig lawaai mogen veroorzaken, rustig moeten rijden, niet onnodig mogen stoppen op de weg anders dan voor het openen en sluiten van de hekken, en vervuiling die zonder inachtneming van het nieuwe asfalt-wegdek overmatig genoemd kan worden moeten opruimen,”

Voorts is [gedaagde in conventie sub 1] en [gedaagde in conventie sub 2] bij dat vonnis bevolen om na gebruik van de uitweg het hekwerk aan de [adres] meteen te sluiten, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per overtreding, tot een maximum van € 10.000,00.

2.7.

Bij arrest van 15 december 2009 van het gerechtshof Arnhem zijn de door [eiser in conventie] gerichte grieven tegen voormelde verklaring voor recht verworpen. In dat arrest is in rechtsoverweging 2.4 onder meer het volgende overwogen:

“Met grief 3 betoogt [eiser in conventie] dat de rechtbank [gedaagde in conventie sub 1] ten onrechte slechts heeft bevolen de weg ‘rustig’ te (laten) berijden. [gedaagde in conventie sub 1] en zijn bezoekers zouden hun snelheid moeten matigen tot ‘stapvoets’, hetgeen volgens [eiser in conventie] een maximumsnelheid van 10 km/u inhoudt. Deze grief faalt. (…) [eiser in conventie] heeft onvoldoende gesteld om te kunnen aannemen dat ‘rustig’ rijden hem meer overlast geeft dan redelijkerwijs voor het gebruik van de weg nodig is.”

Voorts is in rechtsoverweging 2.5, voor zover van belang, het volgende overwogen:

“Met grief 4 stelt [eiser in conventie] zich op het standpunt dat de rechtbank [gedaagde in conventie sub 1] niet slechts had moeten verbieden ‘onnodig’ lawaai te maken, maar dat zij hem had moeten verbieden hoe dan ook lawaai te maken. Ook deze grief faalt. (…) Het is niet reëel om van [gedaagde in conventie sub 1] en zijn bezoekers te vergen elk lawaai te vermijden. (…) Het (na passage over [eiser in conventie] ’ erf) dichttrekken van het hek aan de [adres] kan, zoals het hof bij de descente heeft geconstateerd, ook bij rustig dichttrekken van dit hek enig gerucht geven. Als [eiser in conventie] van het dichttrekken van het hek geen last meer wil hebben, kan hij op dit (aan hem toebehorende) hek voorzieningen tegen geluidoverlast aanbrengen. Evenzeer kan hij voorzieningen treffen om geen last meer te hebben van het lawaai vanwege het slepen van de sluitpen van het hek over het wegdek.”

2.8.

Bij arrest van 4 mei 2010 heeft het gerechtshof Arnhem in rechtsoverweging 2.19 het volgende overwogen:

“Gelet op het gebrek aan overeenstemming tussen partijen omtrent de mate van terugsnoeien, geeft het hof ter voorkoming van executiegeschillen aan aan welke eisen moet worden voldaan. Op de eerste plaats dient de haag zodanig te worden gesnoeid, dat het hek volledig kan worden geopend. Op de tweede plaats dient het uitzicht voor de uitrijdende bestuurder op het links van de [adres] naderende verkeer dusdanig te zijn, dat deze bestuurder, ongeacht of hij een personenauto of ander motorvoertuig bestuurt, vanaf de bestuurdersplaats dit naderende verkeer tijdig kan waarnemen.”

Voorts is in het dictum van dat arrest het volgende bepaald:

“beveelt [eiser in conventie] tot het (terug)snoeien en (terug)gesnoeid houden van zijn haag aan de zijde van de [adres] , op zodanige wijze dat deze haag geen belemmering vormt voor de uitoefening van de erfdienstbaarheden door [gedaagde in conventie sub 1] en [gedaagde in conventie sub 2] ;”

Bij vonnis in kort geding van 25 juni 2010 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Arnhem is aan voormeld gebod een dwangsom verbonden van € 50,00 per dag of een gedeelte daarvan, tot een maximum van € 25.000,00.

2.9.

Bij arrest van 4 maart 2014 van het gerechtshof Arnhem is in rechtsoverweging 4.1, voor zover van belang, het volgende overwogen:

“Bij arrest van 4 mei 2010 van het toenmalige gerechtshof Arnhem (…) heeft het hof onder meer:

- de bestreden vonnissen van de rechtbank bekrachtigd in zoverre dat:

a. voor recht is verklaard dat [gedaagde in conventie sub 1] en [gedaagde in conventie sub 2] beiden gerechtigd zijn de uitweg over het erf van [eiser in conventie] te berijden met voertuigen (met uitzondering - wat [gedaagde in conventie sub 2] - betreft van motorvoertuigen) (…)

en is in rechtsoverweging 4.12, voor zover van belang, overwogen:

“Naar het oordeel van het hof moet worden aangenomen dat de weg ongeveer 3.50 meter breed is en over die breedte toegankelijk moet blijven voor [gedaagde in conventie sub 1] en [gedaagde in conventie sub 2] ten behoeve van onder meer (het manoeuvreren van) landbouwvoertuigen en vrachtwagens. (…) Dat betekent dat de heg langs de weg zodanig gesnoeid moet worden opdat de weg over een breedte van 3.50 meter toegankelijk blijft over de hele lengte.”

2.10.

Bij arrest van 2 september 2014 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, naar aanleiding van het verzoek van [eiser in conventie] strekkende tot verbetering van een kennelijke schrijffout in voormeld arrest van 4 maart 2014 het volgende overwogen:

“Het hof is van oordeel dat er geen sprake is van een kennelijke schrijffout. Niet alleen is de gestelde onverenigbaarheid van de overwegingen [rechtsoverweging 4.1 sub a in relatie tot rechtsoverweging 4.12] niet kennelijk, maar ook is in rechtsoverweging 4.12 niet bedoeld de erfdienstbaarheid van [gedaagde in conventie sub 2] , nader - in afwijking van wat het hof voor recht heeft verklaard in het arrest van 4 mei 2010 - te bepalen. Het hof wijst het verzoek daarom af.”

3 De vordering in conventie

3.1.

[eiser in conventie] vordert na vermeerdering van eis dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

I. voor recht zal verklaren dat het huidige pad van de [weg] naar de [adres] over het erf van [eiser in conventie] breed genoeg is voor de uitoefening van de erfdienstbaarheid,

II. [gedaagde in conventie sub 1] c.s. zal verplichten de akten van erfdienstbaarheid na te leven, waarbij in het bijzonder ten aanzien van [gedaagde in conventie sub 2] zal worden bepaald dat hij niet met gemotoriseerde voertuigen gebruik mag maken van het recht op erfdienstbaarheid,

III. voor recht zal verklaren dat het voor de uitoefening van de erfdienstbaarheid voldoende is dat [eiser in conventie] tweemaal per jaar (voorjaar en najaar) de haag snoeit, alsmede voor recht zal verklaren dat met voornoemde twee snoeibeurten per jaar aan het vereiste gesnoeid houden van de haag is voldaan,

IV. [gedaagde in conventie sub 1] c.s. zal gebieden conform de akten van erfdienstbaarheid op minst bezwarende wijze gebruik te maken van de erfdienstbaarheid en hen zal verbieden overlast te veroorzaken, in die zin hen zal verbieden te hard te rijden (maximum snelheid 15 km/h), te claxonneren op het pad, autodeuren en het hek dicht te slaan, de grondpen van het hek over het asfalt te laten slepen en het misbruiken van de afstandsbediening,

V. voor recht zal verklaren dat [gedaagde in conventie sub 1] wegens het open laten staan van het hek een dwangsom van € 50,00 heeft verbeurd, alsmede [gedaagde in conventie sub 1] zal veroordelen tot betaling aan [eiser in conventie] van € 50,00 ter zake van de verbeurde dwangsom,

VI. [gedaagde in conventie sub 1] c.s. zal veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na betekening van het te wijzen vonnis tot de dag van volledige betaling,

VII. [gedaagde in conventie sub 1] c.s. bij wege van schadevergoeding zal veroordelen in de daadwerkelijke proceskosten van € 6.247,52 PM, althans een in goede justitie te betalen bedrag.

3.2.

[eiser in conventie] legt aan zijn vorderingen het volgende ten grondslag. Het gerechtshof heeft met rechtsoverweging 4.12 van het arrest van 4 maart 2014 ten onrechte de inhoud van de erfdienstbaarheid aangevuld, nu daaruit kan worden afgeleid dat de minimale breedte van het pad over het erf van [eiser in conventie] is vastgesteld op 3,50 meter. Een minimale breedte van 3,50 meter is volgens [eiser in conventie] ook niet nodig voor het gebruik dat [gedaagde in conventie sub 1] c.s. van het pad maken. Voorts kan voormelde rechtsoverweging worden opgevat in die zin dat het ook aan [gedaagde in conventie sub 2] is toegestaan om met gemotoriseerde voertuigen gebruik te maken van het pad, terwijl hem dat op grond van de akte van vestiging van de erfdienstbaarheid niet is toegestaan. Ten aanzien van het bevel tot het snoeien en gesnoeid houden van de haag heeft het gerechtshof volgens [eiser in conventie] eveneens de erfdienstbaarheid ten onrechte aangevuld. [eiser in conventie] leidt voorts uit het arrest van het gerechtshof af dat het voldoende is dat de haag twee keer per jaar wordt gesnoeid, eenmaal in het voorjaar en eenmaal in het najaar.

Voorts stelt [eiser in conventie] dat de rechtbank in het vonnis van 25 oktober 2006 de minst bezwarende wijze van het gebruik maken van de erfdienstbaarheid onvoldoende heeft geconcretiseerd en dat het gerechtshof de daartegen gerichte grief ten onrechte ongegrond heeft verklaard. [eiser in conventie] stelt dat hij thans nog steeds overlast ervaart van het gebruik van de erfdienstbaarheid door [gedaagde in conventie sub 1] , zoals het harde rijden en het lawaai veroorzaken op het pad, het vervuilen van het pad, het misbruiken van de afstandsbediening, bedreigingen, het openlaten van het hek, het parkeren of stilstaan van voertuigen op het pad, sabotage en vernielingen. Daarnaast stelt [eiser in conventie] dat [gedaagde in conventie sub 1] op 27 februari 2015 het hek aan de [weg] heeft laten openstaan en dat hij als gevolg daarvan een dwangsom van € 50,00 heeft verbeurd.

[eiser in conventie] stelt dat hij er belang bij heeft dat er geen onduidelijkheid bestaat over de (wijze van uitoefening van de) erfdienstbaarheid, gelet op de lange voorgeschiedenis van partijen en de vele procedures. Nu [gedaagde in conventie sub 1] c.s. niet bereid was tot het treffen van een minnelijke regeling, kon [eiser in conventie] niet anders dan de onderhavige procedure starten. Nu [gedaagde in conventie sub 1] c.s. hierdoor nodeloos kosten heeft veroorzaakt, dient hij in de daadwerkelijk gemaakte proceskosten te worden veroordeeld, aldus [eiser in conventie]

3.3.

[gedaagde in conventie sub 1] c.s. voert verweer. Hij stelt dat [eiser in conventie] geen belang heeft bij zijn vorderingen, aangezien de geschilpunten reeds door de rechter zijn beslecht en die beslissingen tussen partijen gezag van gewijsde hebben gekregen. Voorts betwist [gedaagde in conventie sub 1] dat hij het hek op 27 februari 2015 heeft laten openstaan en dat hij een dwangsom heeft verbeurd. Voor zover hij wel een dwangsom zou hebben verbeurd is deze volgens hem verjaard.

3.4.

Hierna zal op de stellingen van partijen, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

4 De vordering in reconventie

4.1.

[gedaagde in conventie sub 1] c.s. vordert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [eiser in conventie] bij wege van schadevergoeding zal veroordelen in de daadwerkelijke proceskosten ad € 3.045,56 + PM, althans tot een bedrag aan daadwerkelijke proceskosten dat de rechtbank in goede justitie juist zal achten, althans in de proceskosten conform het liquidatietarief, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf van veertien dagen na dagtekening van het te wijzen vonnis tot aan de dag van algehele voldoening, met veroordeling van [eiser in conventie] in de nakosten.

4.2.

[gedaagde in conventie sub 1] c.s. legt aan zijn vordering ten grondslag dat [eiser in conventie] met de onderhavige procedure misbruik maakt van procesrecht. Hij stelt dat hij er na twaalf jaar procederen belang bij heeft dat aan [eiser in conventie] een signaal wordt gegeven dat hij niet langer moet procederen en dat hij [gedaagde in conventie sub 1] c.s. niet langer op hoge kosten moet jagen.

4.3.

[eiser in conventie] voert verweer. Hij betwist dat hij misbruik maakt van procesrecht.

4.4.

Hierna zal op de stellingen van partijen, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

5 De beoordeling

in conventie

5.1.

Uit de stellingen van [eiser in conventie] volgt dat hij vreest dat hij op grond van de overwegingen van het gerechtshof in het arrest van 4 maart 2014 door [gedaagde in conventie sub 1] c.s. zal worden aangesproken om de breedte van de erfdienstbaarheid op minimaal 3,5 meter te houden en dat hij, indien hij daaraan niet voldoet, dwangsommen zal verbeuren, zodat hij er belang bij heeft dat daarover duidelijkheid wordt gegeven.

5.2.

De rechtbank is van oordeel dat ook indien de onder I. gevorderde verklaring voor recht, dat het huidige pad over het erf van [eiser in conventie] breed genoeg is voor de uitoefening van de erfdienstbaarheid, wordt toegewezen, dat niet de door [eiser in conventie] verlangde duidelijkheid zal geven. Partijen kunnen dan immers nog steeds van mening verschillen wat moet worden verstaan onder “breed genoeg”. Vaststaat dat het huidige pad thans ongeveer 3,50 meter breed is en partijen zijn het erover eens dat dat voldoende is voor het gebruik van de erfdienstbaarheid. Het gerechtshof heeft bepaald dat de haag langs het pad zodanig gesnoeid moet worden dat het pad over een breedte van 3,50 meter toegankelijk blijft over de gehele lengte. Deze beslissing ziet op mate waarin de haag moet worden gesnoeid en deze beslissing heeft tussen partijen inmiddels gezag van gewijsde gekregen. Wanneer [eiser in conventie] zich aan deze beslissing houdt, valt niet in te zien dat [gedaagde in conventie sub 1] c.s. aanspraak zou kunnen maken op het verbeuren van dwangsommen. De rechtbank zal de vordering wegens gebrek aan belang dan ook afwijzen.

5.3.

De rechtbank en het gerechtshof hebben reeds bij herhaling bepaald dat het [gedaagde in conventie sub 2] niet is toegestaan om met een gemotoriseerd voertuig gebruik te maken van de erfdienstbaarheid. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit rechtsoverweging 4.12 van het arrest van 4 maart 2014 van het gerechtshof niet worden afgeleid dat dat anders zou zijn. Het gerechtshof heeft dat bij arrest van 2 september 2014 ook met zoveel woorden verklaard. Bovendien is ook niet gesteld of gebleken dat [gedaagde in conventie sub 2] in de afgelopen jaren met een gemotoriseerd voertuig van de erfdienstbaarheid gebruik heeft gemaakt. Voorts heeft [eiser in conventie] niet nader geconcretiseerd of en in hoeverre [gedaagde in conventie sub 1] c.s. de akten van erfdienstbaarheid voor het overige niet na zou leven, zodat hij geen belang heeft bij toewijzing van het onder II. gevorderde. De vordering zal dan ook worden afgewezen.

5.4.

Tussen partijen is in geschil of het tweemaal per jaar - in het voorjaar en het najaar - snoeien van de haag langs het pad voldoende is. [eiser in conventie] heeft gelet op het verweer van [gedaagde in conventie sub 1] onvoldoende gesteld dat tweemaal snoeien per jaar toereikend is. Of het snoeien van de haag twee keer per jaar voldoende is om het pad over een breedte van 3,50 meter over de gehele lengte toegankelijk te houden, zoals het gerechtshof heeft bepaald, is niet komen vast te staan. Dat zal immers mede ervan afhangen in welke mate de haag door [eiser in conventie] wordt gesnoeid. De rechtbank is voorts van oordeel dat hetgeen door het gerechtshof is overwogen in rechtsoverweging 4.19 van het arrest van 4 mei 2010 in samenhang met hetgeen het gerechtshof heeft overwogen in rechtsoverweging 4.12 van het arrest van 4 maart 2014 voldoende houvast geeft aan [eiser in conventie] op welke wijze en in welke mate hij de haag moet snoeien en gesnoeid moet houden. De rechtbank zal de onder III. gevorderde verklaring voor recht dan ook afwijzen.

5.5.

In rechtsoverwegingen 2.4 en 2.5 van het arrest van het gerechtshof van 15 december 2009 is reeds een oordeel gegeven over het rustig rijden over de weg en het verbod om onnodig lawaai te maken bij het gebruik van de weg. Daarbij is het dichttrekken van de hekken en het slepen van de sluitpen van het hek reeds aan de orde geweest. Deze beslissingen hebben tussen partijen gezag van gewijsde. De rechtbank is van oordeel dat [eiser in conventie] onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan met deze oordelen niet kan worden volstaan. Evenmin is gebleken dat er sprake is van zodanig gedrag van [gedaagde in conventie sub 1] c.s. dat deze oordelen nader zouden moeten worden geconcretiseerd. Ook het onder IV. gevorderde zal daarom worden afgewezen.

5.6.

[eiser in conventie] stelt dat [gedaagde in conventie sub 1] op 27 februari 2015 het hek aan de [weg] heeft laten openstaan en dat hij ingevolge het bepaalde in het vonnis van 25 oktober 2006 een dwangsom heeft verbeurd van € 50,00. [eiser in conventie] stelt dat hij bij brief van 27 februari 2015 aanspraak heeft gemaakt op deze dwangsom en dat hij daarna in de correspondentie eveneens aanspraak heeft gemaakt op de verbeurde dwangsom. [gedaagde in conventie sub 1] heeft dit weersproken.

Of [gedaagde in conventie sub 1] het hek heeft laten openstaan en of hij de brief van [eiser in conventie] van 27 februari 2015 heeft ontvangen, kan in het midden blijven. Ingevolge artikel 611g lid 1 Rv. verjaart een dwangsom na verloop van zes maanden na de dag waarop zij is verbeurd. Niet gebleken is dat [eiser in conventie] de verjaring tijdig heeft gestuit. Indien de stuiting uit de na 27 februari 2015 tussen partijen gevoerde correspondentie zou blijken, had het op de weg gelegen van [eiser in conventie] om die correspondentie te overleggen. Nu hij dat heeft nagelaten, gaat de rechtbank aan zijn stellingen op dat punt als onvoldoende onderbouwd voorbij. De vordering zal daarom worden afgewezen.

5.7.

[eiser in conventie] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in conventie worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde in conventie sub 1] c.s. worden begroot op:

- griffierecht 288,00

- salaris advocaat 904,00 (2 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.192,00

5.8.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

in reconventie

5.9.

De vordering van [gedaagde in conventie sub 1] c.s. is slechts toewijsbaar in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Daarvan is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM (Hoge Raad 29 juni 2007, NJ 2007, 353 en Hoge Raad 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV 7828).

5.10.

De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door [eiser in conventie] . Het instellen van de vorderingen door [eiser in conventie] is vooral ingegeven door zijn wens om absolute duidelijkheid te verkrijgen over de wijze waarop [gedaagde in conventie sub 1] c.s. gebruik mag maken van de uitweg en om het risico op het verbeuren van dwangsommen te voorkomen. Dat deze absolute duidelijkheid in rechte niet kan worden gegeven omdat er zich altijd omstandigheden zullen voordoen die niet zijn te voorzien en dat daarom moet worden volstaan met het geven van in algemene bewoordingen gestelde uitgangspunten, betekent dat de vorderingen van [eiser in conventie] niet toewijsbaar zijn. Dat wil nog niet zeggen dat [eiser in conventie] zijn vorderingen heeft gebaseerd op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende of op stellingen waarvan hij op voorhand had moeten begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. De rechtbank zal daarom de primaire en subsidiaire vordering in reconventie afwijzen. De meer subsidiaire vordering in reconventie, de proceskostenveroordeling conform het liquidatietarief, is reeds in conventie toegewezen.

5.11.

[gedaagde in conventie sub 1] c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in reconventie worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser in conventie] worden begroot op nihil.

6 De beslissing

De rechtbank

in conventie

6.1.

wijst de vorderingen af,

6.2.

veroordeelt [eiser in conventie] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde in conventie sub 1] c.s. tot op heden begroot op € 1.192,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na heden tot de dag van volledige betaling,

6.3.

veroordeelt [eiser in conventie] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiser in conventie] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

6.4.

verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

6.5.

wijst de vordering af,

6.6.

veroordeelt [gedaagde in conventie sub 1] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [eiser in conventie] tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Peerdeman en in het openbaar uitgesproken op 15 maart 2017.