Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:1644

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
09-03-2017
Datum publicatie
27-03-2017
Zaaknummer
312351
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Geschil binnen maatschap. Vordering jegens de maatschap alsnog toewijsbaar vanwege Roham-arrest? Vordering tot afgifte bankgaranties. Artikel 843a Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2017/565
AR 2017/1679
NJF 2017/203
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/312351 / KG ZA 16-562

Vonnis in kort geding van 9 maart 2017

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MOCOMAR B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. M. de Vries te Naarden,

tegen

1. de maatschap

MAATSCHAP LODDER & CO.,

gevestigd te Arnhem, en

2. de maatschap

MAATSCHAP LODDER & CO. GOODWILL,

gevestigd te Arnhem,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. R. van Biezen te Den Haag,

en

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HASSEL HOLDING B.V.,

gevestigd te Arnhem, en

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VRIJHEID APELDOORN B.V.,

gevestigd te Hengelo (Ov.), en

5. [gedaagde in conventie sub 5],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaten mrs. J.E.M. Oude Kempers en R.J. Sark te Arnhem,

en

6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LORO VIKING B.V.

gevestigd te Hengelo (Ov.), en

7. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BLUEBELLS B.V.

gevestigd te Gendringen,

gedaagden in conventie,

advocaat mr. J.T. Stekelenburg te Holten.

Partijen zullen hierna Mocomar, de Maatschap, de Goodwill-maatschap, Hassel Holding, Vrijheid Apeldoorn, [gedaagde in conventie sub 5] ., Loro Viking en Bluebells worden genoemd.

1 De procedure

in conventie en in reconventie

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met productie 1 tot en met 44

  • -

    de nagezonden producties 45 tot en met 51 van Mocomar

  • -

    de nagezonden productie 52 van Mocomar

  • -

    de brief met daarin de eis in reconventie van de maatschappen Lodder & Co en Lodder & Co Goodwill

  • -

    de e-mail met productie 1 van de maatschappen Lodder & Co en Lodder & Co Goodwill

  • -

    de e-mail met producties 1 tot en met 5 tevens aankondiging van eis in reconventie van Hassel Holding, Vrijheid Apeldoorn en [gedaagde in conventie sub 5] .

  • -

    de nagezonden productie 6 en 7 en wijziging van eis in reconventie van Hassel Holding, Vrijheid Apeldoorn en [gedaagde in conventie sub 5] .

  • -

    de brief met productie A tot en met C van Loro Viking en Bluebells

  • -

    de mondelinge behandeling van 23 februari 2017

  • -

    de pleitnota van Mocomar

  • -

    de pleitnota van de maatschappen Lodder & Co en Lodder & Co Goodwill

  • -

    de pleitnota van Hassel Holding, Vrijheid Apeldoorn en [gedaagde in conventie sub 5] .

  • -

    de pleitnota van Loro Viking en Bluebells.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

in conventie en in reconventie

2.1.

Op 1 januari 1994 is Mocomar toegetreden tot de maatschap Lodder & Co (hierna: de Maatschap). Mocomar is een vennootschap van [aandeelhouder en bestuurder van Mocomar] , die haar aandeelhouder en bestuurder is. Naast de Maatschap bestaat de maatschap Lodder & Co Goodwill (hierna: de Goodwill-maatschap). Aan de Goodwill-maatschap nemen uitsluitend die maten van de Maatschap deel, die aanspraak kunnen doen gelden op goodwill. Deze maten hebben daardoor aanspraak op een extra aandeel uit de overwinst en bij uittreden uit de maatschap dient aan hen een zogenaamde exit-goodwill te worden betaald.

2.2.

Op 29 juni 1999 is de deelname van Mocomar aan de Maatschap geëindigd door het uittreden uit de Maatschap en de Goodwill-maatschap. Van de beide Maatschappen maakten op dat moment deel uit de heren [gedaagde in conventie sub 5] . met zijn vennootschap Hassel Holding, [betrokkene A] met zijn vennootschap H. De Diemsche Beuk B.V., [betrokkene B] met zijn vennootschap Locotax B.V., [betrokkene C] met zijn vennootschap Behouden Huis B.V., [maat van de Maatschap] in persoon en [betrokkene D] met zijn vennootschap Esox Belastingadviesgroep B.V.

2.3.

Bij het uittreden van Mocomar in 1999 is aan haar geen exit-goodwill uitgekeerd. Mocomar heeft daarna de zes voornoemde maten en de Maatschap en de Goodwill-maatschap in rechte betrokken, stellende dat zij aanspraak heeft op exit-goodwill. In het daarop volgende tussenvonnis van de toenmalige rechtbank Zutphen van 20 augustus 2008 (rolnummer [rolnummer] ) zijn de door Mocomar ingestelde vorderingen jegens de Maatschap en de Goodwill-maatschap afgewezen, kort gezegd omdat een maatschap als zodanig naar het oordeel van de rechtbank hiervoor niet in rechte kan worden betrokken. Hiertegen heeft de rechtbank tussentijds appel toegestaan. Bij arrest van 27 maart 2012 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden deze beslissing bekrachtigd. De procedure is vervolgens tegen de gedagvaarde maten voortgezet.

2.4.

In 2009 heeft Loda Holding B.V. (hierna: Loda Holding), waarvan [gedaagde in conventie sub 5] . bestuurder was, de aandelen in drie dochtervennootschappen verkocht aan Vrijheid Apeldoorn. De koopprijs van deze aandelen heeft Loda Holding aan Vrijheid Apeldoorn geleend. Enige tijd later heeft Vrijheid Apeldoorn 25% van de aandelen verkocht aan Loro Viking en 25% van de aandelen aan Bluebells. De koopprijs van deze aandelenpakketten is door Vrijheid Apeldoorn ten tijde van de verkoop aan Loro Viking en Bluebells geleend. Loro Viking en Bluebells hebben deze koopprijs op enig moment daarna aan (crediteuren van) Vrijheid Apeldoorn betaald.

2.5.

Hangende de onder 2.3. bedoelde bodemprocedure met rolnummer [rolnummer] heeft Mocomar een voorlopige voorziening gevraagd op de voet van artikel 223 Rv. Deze rechtbank heeft hierop bij tussenvonnis van 14 september 2016 beslist. In dit vonnis zijn Hassel Holding, H. de Diemsche Beuk, Esox Belastingadviesgroep, [maat van de Maatschap] en Locotax bij wijze van voorlopige voorziening veroordeeld om ieder aan Mocomar een bedrag van € 150.000,00 te betalen, binnen twee weken na de datum van dat vonnis. De veroordeelde partijen zijn vervolgens niet tot betaling van voornoemd bedrag overgegaan.

2.6.

Mocomar is vervolgens de onderhavige kort gedingprocedure gestart. Tijdens de mondelinge behandeling van het onderhavige kort geding is tussen Mocomar, de Maatschap, de Goodwill-maatschap en Hassel Holding, Vrijheid Apeldoorn en [gedaagde in conventie sub 5] . een gedeeltelijke schikking getroffen. Deze schikking houdt in dat Mocomar een totaalbedrag van € 195.000,00 zal ontvangen, na ontvangst waarvan Mocomar aan Locotax een kwijting verleent voor een bedrag van € 52.000,00, aan de heer [maat van de Maatschap] voor een bedrag van € 65.000,00 een aan Hassel Holding voor een bedrag van € 78.000,00. Overeengekomen is dat deze kwijting tussen de Maatschap, de Goodwill-maatschap en Hassel Holding onderling geen effect heeft.

3 Het geschil in conventie

in conventie

3.1.

Mocomar vordert na vermindering van eis bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, samengevat:

I de Maatschap en de Goodwill-maatschap hoofdelijk te veroordelen om binnen twee weken na betekening van dit vonnis een bedrag van € 800.000,00 aan Mocomar te voldoen, onder aftrek van hetgeen uit hoofde van het provisioneel vonnis van deze rechtbank van

14 september 2016 reeds is voldaan;

II Hassel Holding, Vrijheid Apeldoorn en [gedaagde in conventie sub 5] . hoofdelijk te veroordelen om binnen twee weken na betekening van dit vonnis een bedrag van € 800.000,00 aan Mocomar te voldoen, onder aftrek van hetgeen uit hoofde van het provisioneel vonnis van deze rechtbank van 14 september 2016 reeds is voldaan;

III primair alle gedaagde partijen, op straffe van een dwangsom, hoofdelijk te veroordelen om binnen twee weken na betekening van dit vonnis aan Mocomar een onvoorwaardelijke en onherroepelijke bankgarantie te verstrekken tot een bedrag van

€ 1.100.000,00, althans € 572.000,00, ter verzekering van de nakoming van de verplichtingen van de Maatschap en de Goodwill-maatschap op basis van voornoemd provisioneel vonnis van 14 september 2016;

IV subsidiair alle gedaagde partijen, op straffe van een dwangsom en subsidiair met het toepassen van lijfsdwang op de persoon van [gedaagde in conventie sub 5] . indien noodzakelijk, hoofdelijk te veroordelen om binnen één week na betekening van dit vonnis aan Mocomar opgaaf te doen van:

  1. de (mutaties in de) samenstelling van de Maatschap en de Goodwill-maatschap vanaf 2011,

  2. de structuur van de Maatschap en de Goodwill-maatschap en de aan haar verbonden ondernemingen en van de wijzingen daarin sinds het uittreden van Mocomar,

V alle gedaagde partijen hoofdelijk te veroordelen om binnen één week na betekening van dit vonnis aan Mocomar inzage te geven in alle stukken met betrekking tot de transactie inzake de verkoop van de aandelen van de dochtervennootschappen van Loda Holding . aan Vrijheid Apeldoorn c.q. Lodder-Dales DAZ Beheer B.V.;

VI alle gedaagde partijen, op straffe van een dwangsom en subsidiair met het toepassen van lijfsdwang op de persoon van [gedaagde in conventie sub 5] . indien noodzakelijk, hoofdelijk te veroordelen om binnen één week na betekening van dit vonnis aan Mocomar inzage te geven in alle stukken met betrekking tot de transactie inzake de overeenkomst met ETL Nederland waarbij de door de maatschap gedreven onderneming is verkocht;

VII alle gedaagde partijen, op straffe van een dwangsom, te verbieden onder Mocomar beslag te leggen op aan Mocomar verrichte betalingen of meer in het algemeen op haar vermogensbestanddelen;

VIII alle gedaagde partijen hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

Alle gedaagden voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen.

3.3.

Op de stellingen in conventie van partijen zal hierna, voor zover voor de beoordeling van dit geschil van belang, worden ingegaan.

in reconventie

3.4.

De Maatschap en de Goodwill-maatschap vorderen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, samengevat:

Primair

I Mocomar op straffe van een dwangsom te verbieden om ter uitvoering van de bij deze rechtbank aanhangige bodemzaak met rolnummer [rolnummer] ten laste van de maatschappen conservatoire- of executiemaatregelen te nemen;

II Mocomar op straffe van een dwangsom te gebieden om alle door haar ten laste van de maatschappen gelegde beslagen binnen twee werkdagen na de datum van dit vonnis op te heffen;

III Mocomar op straffe van een dwangsom te verbieden om een beroep te doen op de in opdracht van de Maatschap op of omstreeks 10 augustus 2005 door HBU Bank gegeven bankgarantie, alsmede Mocomar te gebieden om de HBU Bank binnen zeven werkdagen na de datum van dit vonnis te informeren dat zij geen beroep zal doen op de bankgarantie en om de bankgarantie uit te laten betalen aan de Maatschap;

Subsidiair

IV Mocomar op straffe van een dwangsom te gebieden om de tenuitvoerlegging van het provisioneel vonnis van 14 september 2016, voor zover het betreft het bepaalde in het dictum onder 3.10 en de aldaar opgelegde voorziening het bedrag van € 100.000,00 overtreft, te staken en gestaakt te houden zolang geen uitvoerbaar bij voorraad verklaarde einduitspraak is gewezen;

V Mocomar te veroordelen in de proces- en nakosten.

3.5.

Hassel Holding, Vrijheid Apeldoorn en [gedaagde in conventie sub 5] . vorderen, na wijziging van eis, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, samengevat:

I Mocomar op straffe van een dwangsom te gebieden om de tenuitvoerlegging van het provisioneel vonnis van 14 september 2016, voor zover het betreft het bepaalde in het dictum onder 3.10 en de aldaar opgelegde voorziening het bedrag van € 100.000,00 overtreft, te staken en gestaakt te houden zolang geen uitvoerbaar bij voorraad verklaarde einduitspraak is gewezen;

II Mocomar te veroordelen in de proces- en nakosten.

3.6.

Mocomar voert verweer tegen beide reconventionele vorderingen en concludeert tot afwijzing daarvan.

3.7.

Op de stellingen in reconventie van partijen zal hierna, voor zover voor de beoordeling van dit geschil van belang, worden ingegaan.

4 De beoordeling van het geschil

in conventie

4.1.

De spoedeisendheid van de vorderingen vloeit voldoende voort uit de stellingen van Mocomar. Voldoende aannemelijk is immers dat Mocomar wenst te voorkomen dat haar verhaalsmogelijkheden in geval van een toewijzend vonnis, na ruim vijftien jaar procederen, niet, althans nauwelijks meer zullen bestaan. De vorderingen van Mocomar zullen daarom hierna inhoudelijk worden beoordeeld.

4.2.

Mocomar vordert allereerst hoofdelijke veroordeling van de Maatschap en de Goodwill-maatschap tot betaling aan haar van een bedrag van € 800.000,00. De voorzieningenrechter stelt vast dat Mocomar met de ter zitting getroffen deelschikking een deel van deze vordering zal kunnen delgen.

Mocomar legt aan deze vordering ten grondslag dat de (toenmalige) rechtbank Zutphen bij tussenvonnis van 20 augustus 2008, en het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bij arrest van 27 maart 2012, weliswaar hebben beslist dat de Maatschappen als zodanig niet naast de afzonderlijke maten in rechte konden worden betrokken, maar dat de Hoge Raad op 15 maart 2013 een arrest heeft gewezen waarin is geoordeeld dat naast de afzonderlijke maten ook de maatschap als zodanig kan worden veroordeeld. Mocomar stelt dat gelet op dit arrest en het feit dat zij naast de afzonderlijke maten ook het maatschapskapitaal wil kunnen aanspreken, ook de beide Maatschappen alsnog dienen te worden veroordeeld. De Maatschappen voeren verweer en betogen dat, nu de rechtbank de vordering van Mocomar jegens hen heeft afgewezen en het hof deze beslissing heeft bekrachtigd, de procedure van Mocomar jegens hen is beëindigd en zij niet alsnog door de voorzieningenrechter tot betaling kunnen worden veroordeeld.

4.3.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Vaststaat dat Mocomar de Maatschappen in de bodemprocedure die sinds 2004 aanhangig is bij deze rechtbank in rechte heeft betrokken. Vaststaat eveneens dat de rechtbank bij tussenvonnis van

20 augustus 2008 de vordering jegens de Maatschappen heeft afgewezen en dat tegen die beslissing appel is opengesteld. Mocomar is tegen (onder andere) deze beslissing in hoger beroep gegaan, maar het hof heeft de beslissing van de rechtbank op dit punt bij deelarrest van 27 maart 2012 bekrachtigd. Daarmee is aan dit geschilpunt in de feitelijke instanties (vooralsnog) een eind gekomen. Anders dan Mocomar stelt, zijn deze beslissingen leidend voor de voorzieningenrechter. Dit kan slechts anders zijn indien sprake is van een kennelijke misslag. Die conclusie kan op basis van de enkele omstandigheid dat de Hoge Raad na de uitspraak van het hof, op 15 maart 2013, het zogenaamde Roham-arrest heeft gewezen (ECLI:NL:HR:2013:BY7840), niet onmiddellijk worden getrokken. Het Roham-arrest ziet namelijk op de situatie waarin een derde een overeenkomst met een maatschap heeft gesloten en dat is een andere situatie dan thans in geschil is, waar het gaat om de aanspraak van een gewezen maat op het maatschapsvermogen als zodanig. Met het Roham-arrest is daarom niet zonder meer gezegd dat de leer die de Hoge Raad in dat arrest aanhoudt ook geldt voor het geval dat maten uit de maatschap treden. Daarom acht de voorzieningenrechter zich op dit moment aan de beslissing in de bodemprocedure gebonden en zal deze vordering van Mocomar worden afgewezen. Ook de vordering tot veroordeling van de Maatschappen tot het verstrekken van een bankgarantie ter grootte van een bedrag van € 1.100.000,00, ter zekerheid van de voldoening van de uiteindelijke veroordeling in de bodemprocedure moet hierom worden afgewezen.

4.4.

Mocomar vordert voorts de hoofdelijke veroordeling van Hassel Holding, [gedaagde in conventie sub 5] . en Vrijheid Apeldoorn tot betaling aan haar van een bedrag van € 800.000,00. Mocomar legt aan deze vordering ten grondslag dat [gedaagde in conventie sub 5] . er alles aan is gelegen om niets aan Mocomar te hoeven uitkeren. Om te voorkomen dat, nadat in de bodemprocedure een toewijzend eindvonnis zal zijn gewezen, geen verhaalsmogelijkheden meer bestaan, dienen Hassel Holding, [gedaagde in conventie sub 5] . en Vrijheid Apeldoorn hoofdelijk te worden veroordeeld tot betaling van een voorschot op hetgeen uiteindelijk in de bodemprocedure zal worden toegewezen, zo stelt Mocomar.

4.5.

Ten aanzien van deze vordering jegens Hassel Holding heeft te gelden dat deze vennootschap bij provisioneel vonnis van 14 september 2016 van deze rechtbank is veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 150.000,00 als voorschot op het uiteindelijk toe te wijzen bedrag. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien op grond waarvan Hassel Holding thans in dit kort geding daarnaast dient te worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 800.000,00. In het provisioneel vonnis van

14 september 2016 is de gevorderde hoofdelijkheid van het totale voorschot afgewezen. Mocomar heeft niet onderbouwd op basis waarvan Hassel Holding, anders dan in het provisioneel vonnis, op dit moment wel een zodanig (groot) aandeel van de in de bodemprocedure mogelijk te ontvangen veroordeling zou zijn verschuldigd, zodat de vordering strekkende tot betaling door Hassel Holding van dat bedrag zal worden afgewezen. Een veroordeling van Hassel Holding tot het verstrekken van een bankgarantie ter grootte van € 1.100.000,00, ter zekerheid van de voldoening van een eventuele veroordeling in de bodemprocedure, is daarmee evenmin gerechtvaardigd, zodat ook die vordering zal worden afgewezen.

4.6.

Ten aanzien van de vordering jegens [gedaagde in conventie sub 5] . geldt het volgende. Mocomar vordert in deze kort gedingprocedure de veroordeling van [gedaagde in conventie sub 5] . in privé (naast zijn vennootschappen) voor betaling van een schuld van zijn vennootschappen. De voorzieningenrechter stelt voorop dat voor toewijzing van een geldsom in kort geding nodig is dat het bestaan en de omvang van de geldvordering voldoende aannemelijk zijn. Daarnaast is voor privéaansprakelijkheid van een bestuurder naast zijn vennootschap, nodig dat de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt moet kunnen worden gemaakt. Dat dit het geval is, staat nog op geen enkele wijze vast. In dat kader zal eerst moeten worden beoordeeld in hoeverre [gedaagde in conventie sub 5] . daadwerkelijk verhindert dat de vennootschappen hun schulden aan Mocomar betalen, in hoeverre hij het afleggen van een derdenverklaring door die vennootschappen verhindert en of hem hiervoor een voldoende ernstig verwijt valt te maken, waarbij mede een rol zal kunnen spelen in hoeverre Mocomar andere middelen ter beschikking staan om haar vordering te kunnen innen. Bij dit laatste is van belang dat de wet in het kader van de verklaringsprocedure bij derdenbeslag een bijzondere rechtsgang kent, die uiteindelijk kan leiden tot persoonlijke aansprakelijkheid van de weigerachtige verklaringsplichtige (artikel 477a Rv). Voor een onderzoek naar en beoordeling van al deze punten (ten gronde) is in kort geding geen plaats, zodat ook de vordering jegens [gedaagde in conventie sub 5] . zal worden afgewezen.

4.7.

In het kader van deze vordering jegens Vrijheid Apeldoorn en de vordering tot het verstrekken van een bankgarantie ter grootte van € 1.100.000,00 door Vrijheid Apeldoorn, verwijt Mocomar Vrijheid Apeldoorn, en daarmee haar bestuurder [gedaagde in conventie sub 5] ., paulianeus te hebben gehandeld door het wegmaken van verhaalsactief. Dit zou volgens Mocomar zijn gebeurd, toen Vrijheid Apeldoorn een gedeelte van de aandelen in de drie dochtervennootschappen die zij in 2009 van Loda Holding had overgenomen aan Loro Viking en Bluebells heeft verkocht. Volgens Mocomar leidt dit tot (mede-)aansprakelijkheid van Vrijheid Apeldoorn voor de totale schuld aan Mocomar. Vrijheid Apeldoorn en [gedaagde in conventie sub 5] . betogen ter weerlegging van deze gestelde aansprakelijkheid dat, voor zover al paulianeus zou zijn gehandeld, dat handelen reeds is verjaard en daarom geen rechtsgevolgen (meer) kan hebben. Mocomar heeft dit verweer weersproken met de stelling dat zij pas onlangs erachter is gekomen hoe de aandelenoverdracht destijds heeft plaatsgevonden.

4.8.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat gelet op de stellingen van Mocomar en het daarop gevoerde verweer van Vrijheid Apeldoorn en [gedaagde in conventie sub 5] . op dat punt, op dit moment niet kan worden vastgesteld dat Vrijheid Apeldoorn paulianeus heeft gehandeld. Deze grondslag van de vordering van Mocomar vergt ten minste een nader onderzoek naar het handelen door de vennootschappen en daarmee naar het bestaan van de vordering. Daarvoor is in een kort gedingprocedure vanwege haar aard geen plaats. Ook deze vordering zal daarom worden afgewezen. De van Vrijheid Apeldoorn gevorderde bankgarantie ter grootte van € 1.100.000,00 deelt in dit lot.

4.9.

Mocomar vordert verder ook veroordeling van Loro Viking en Bluebells tot het verstrekken van een bankgarantie ter grootte van € 1.100.000,00, strekkende tot zekerheid van voldoening van de door haar ingestelde vordering in de lopende bodemprocedure. Mocomar legt aan deze vordering ten grondslag dat Loro Viking en Bluebells onrechtmatig hebben gehandeld, door aandelen van Vrijheid Apeldoorn te kopen en daarvoor bewust geen reële koopprijs te betalen, althans die koopprijs bewust niet aan haar maar aan (crediteuren van) Vrijheid Apeldoorn te betalen.

4.10.

Gebleken is het volgende. Hassel Holding had aandelen in Loda Holding en [gedaagde in conventie sub 5] . was de bestuurder van Loda Holding. Loda Holding had aandelen in drie dochtervennootschappen en in 2009 zijn die aandelen door [gedaagde in conventie sub 5] . als bestuurder van Loda Holding verkocht aan Vrijheid Apeldoorn. Die aandelen vertegenwoordigden een waarde van € 200.000,00, zo is onweersproken gebleven. Vrijheid Apeldoorn heeft de koopprijs betaald met een lening die zij tegelijk kreeg van Loda Holding en zij heeft ter zekerheid van de terugbetaling van de lening geen pandrechten verleend, ofschoon dit was overeengekomen. Vervolgens heeft Vrijheid Apeldoorn op enig moment 25% van die aandelen verkocht aan respectievelijk Loro Viking en Bluebells. Zij hebben voor betaling van de koopprijs geld geleend bij Vrijheid Apeldoorn, maar dat is inmiddels terugbetaald, zo is niet in geschil. Ter zitting hebben de bestuurders van Loro Viking en Bluebells verder gesteld dat zij voor de aandelen een reële prijs hebben betaald en dat zij geen weet hadden van enige afspraak over de opbrengst van de aandelen tussen Vrijheid Apeldoorn en Mocomar. Dit is onweersproken gebleven. Bij die stand van zaken is er geen aanknopingspunt voor de conclusie dat Loro Viking en Bluebells zich jegens Mocomar schuldig hebben gemaakt aan het opzettelijk meewerken aan het wegmaken van verhaalsactief (door Mocomar aangeduid als een zogenaamd ‘Interniberverweer’). De vorderingen jegens Loro Viking en Bluebells zullen daarom eveneens worden afgewezen.

4.11.

Subsidiair vordert Mocomar, in plaats van de gevorderde bankgarantie, diverse stukken en informatie van alle gedaagde partijen. Allereerst wil zij kort gezegd inzage in de mutaties sinds 1999 in de samenstelling en structuur van de Maatschap en de Goodwill-maatschap. Hiervóór is al geoordeeld dat het ervoor moet worden gehouden dat Mocomar jegens hen geen vordering heeft, zodat niet valt in te zien welk rechtmatig belang zij bij deze inzage zou kunnen hebben. Voorts vordert zij inzage in stukken met betrekking tot de verkoop door Loda Holding aan Vrijheid Apeldoorn van de aandelen in drie dochtervennootschappen. Daarvan is echter al duidelijk dat daarvoor indertijd een koopprijs van € 200.000,00 is vastgesteld, dat Vrijheid Apeldoorn die koopprijs heeft geleend van Loda Holding en dat er in tegenstelling tot de gemaakte afspraken geen pandrechten door Vrijheid Apeldoorn zijn verstrekt. Waar verder vooralsnog onduidelijk is of het geleende door Vrijheid Apeldoorn inmiddels ook is terugbetaald, valt niet goed in te zien welke informatie Mocomar nog méér nodig heeft om haar rechtmatige belangen te kunnen veiligstellen. Ook dit deel van de vordering moet daarom worden afgewezen. Tot slot wordt informatie verlangd over een voorgenomen transactie met ETL, waarbij kort gezegd [gedaagde in conventie sub 5] . zijn belang in de Lodder-groep aan ETL zou verkopen en de Lodder-groep verder zou gaan onder de vlag van ETL. Onweersproken is evenwel dat die deal recent is afgeketst doordat ETL zich heeft teruggetrokken, zodat ook op dit punt niet duidelijk is welk belang Mocomar heeft bij de gevraagde inzage. De vorderingen onder IV tot en met VI zullen daarom worden afgewezen.

4.12.

Mocomar vordert voorts een verbod voor alle gedaagde partijen beslag onder haar te leggen op aan haar verrichte betalingen, of meer in het algemeen op haar vermogensbestanddelen. Dit komt neer op een (gedeeltelijke) beperking van de toegang tot de rechter. Volgens vaste jurisprudentie dient met de beperking van grondrechten, in dit geval een beperking van de artikelen 13 en 6 EVRM waarin het recht op toegang tot de rechter is geregeld, zeer terughoudend te worden omgegaan. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de Mocomar onvoldoende feiten en omstandigheden hebben gesteld op grond waarvan een dergelijke beperking in dit geval kan worden gerechtvaardigd. Daarom zal deze vordering worden afgewezen.

4.13.

Mocomar zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in conventie worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van de Maatschap en de Goodwill-maatschap, Hassel Holding, Vrijheid Apeldoorn en [gedaagde in conventie sub 5] . en van Loro Viking en Bluebells ieder afzonderlijk worden begroot op:

  • -

    griffierecht € 3.894,00

  • -

    salaris advocaat € 816,00

Totaal € 4.710,00

in reconventie

4.14.

De Maatschap en de Goodwill-maatschap vorderen in reconventie allereerst een verbod voor Mocomar om ter uitvoering van de bodemzaak die bij deze rechtbank aanhangig is, conservatoire- of executiemaatregelen te nemen. Ook deze vordering komt neer op een (gedeeltelijke) beperking van de toegang tot de rechter. Volgens vaste jurisprudentie dient met de beperking van grondrechten, in dit geval een beperking van de artikelen 13 en 6 EVRM waarin het recht op toegang tot de rechter is geregeld, zeer terughoudend te worden omgegaan. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de Maatschappen onvoldoende feiten en omstandigheden hebben gesteld op grond waarvan een dergelijke beperking in dit geval kan worden gerechtvaardigd. Daarom zal deze vordering worden afgewezen.

4.15.

De Maatschap en de Goodwill-maatschap vorderen voorts opheffing van de door Mocomar onder haar gelegde beslagen en een verbod voor Mocomar om een beroep te doen op de in opdracht van de Maatschap op of omstreeks 10 augustus 2005 gegeven bankgarantie. De Maatschappen hebben deze vorderingen ter zitting in eerste termijn niet toegelicht. Dit hadden zij op basis van het procesreglement voor kort geding wel behoren te doen. Het moment waarop een reconventionele vordering kan worden ingediend is bij kort geding immers pas ter zitting. Nu zij dat hebben nagelaten, komen de gevolgen daarvan voor rekening en risico van de Maatschappen en zullen deze vorderingen bij gebrek aan onderbouwing worden afgewezen.

4.16.

Voorts vorderen zowel de Maatschap en de Goodwill-maatschap als Hassel Holding, Vrijheid Apeldoorn en [gedaagde in conventie sub 5] . om Mocomar te gebieden de tenuitvoerlegging van het provisioneel vonnis van 14 september 2016 te staken en gestaakt te houden, voor zover het bepaalde in het dictum onder 3.10 en de aldaar opgelegde voorziening het bedrag van € 100.000,00 overtreft. De veroordeling onder 3.10 van het vonnis van

14 september 2016 betreft een voorlopige voorziening, getroffen in een thans nog lopende bodemprocedure bij deze rechtbank. Na het wijzen van dat tussenvonnis, heeft (onder meer) Hassel Holding verzocht om verbetering van de veroordeling onder 3.10 van het vonnis op de voet van artikel 31 Rv. De rechtbank heeft op dit verzoek beslist en geoordeeld dat, hoewel sprake is van een verkeerde lezing van stukken, zij geen mogelijkheid ziet om het vonnis op basis van artikel 31 Rv aan te passen. Tegen deze beslissing kan volgens de rechtbank alleen een rechtsmiddel worden aangewend. Aan dat oordeel acht de voorzieningenrechter zich in de onderhavige procedure gebonden. Aangezien de onderhavige procedure niet kan worden beschouwd als een rechtsmiddel, moet deze vordering worden afgewezen.

4.17.

De Maatschap en de Goodwill-maatschap, Hassel Holding, Vrijheid Apeldoorn en [gedaagde in conventie sub 5] . zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in reconventie worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van Mocomar tot op heden begroot op € 816,00 aan salaris advocaat.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt Mocomar tot betaling van de proceskosten in conventie, aan de zijde van de Maatschap en de Goodwill-maatschap tot de uitspraak van dit vonnis begroot op

€ 4.710,00, waarin begrepen € 816,00 aan salaris advocaat,

5.3.

veroordeelt Mocomar tot betaling van de proceskosten in conventie, aan de zijde van Hassel Holding, Vrijheid Apeldoorn en [gedaagde in conventie sub 5] . tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 4.710,00, waarin begrepen € 816,00 aan salaris advocaat,

5.4.

veroordeelt Mocomar tot betaling van de proceskosten in conventie, aan de zijde van Loro Viking en Bluebells tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 4.710,00, waarin begrepen € 816,00 aan salaris advocaat,

5.5.

verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

5.6.

wijst de vorderingen af,

5.7.

veroordeelt de Maatschap en de Goodwill-maatschap en Hassel Holding, Vrijheid Apeldoorn en [gedaagde in conventie sub 5] . tot betaling van de proceskosten in reconventie, aan de zijde van Mocomar tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 816,00 aan salaris advocaat,

5.8.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.M Vaessen en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier E.H.J. Krijnen op 9 maart 2017.