Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:1642

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
27-03-2017
Datum publicatie
27-03-2017
Zaaknummer
05/760039-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De militaire kamer heeft een 24-jarige militair veroordeeld voor poging doodslag en openlijke geweldpleging. De militaire kamer acht bewezen dat verdachte samen met anderen twee jongens tegen het hoofd heeft geslagen en geschopt. Eén van de slachtoffers is daarbij zelfs op het hoofd getrapt. De militaire kamer heeft hiervoor een gevangenisstraf van 12 maanden opgelegd waarvan 6 maanden voorwaardelijk. Daarnaast zal verdachte aan beide slachtoffers een schadevergoeding moeten betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0301
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/760039-16

Datum uitspraak : 27 maart 2017

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige militaire kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1992 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , [woonplaats]

raadsman: mr. M.P.K. Ruperti, advocaat te Baarn.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 juni 2016, 10 oktober 2016 en 13 maart 2017.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een toegewezen wijziging tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

Primair

hij op of omstreeks 04 mei 2014 te Kudelstaart, gemeente Aalsmeer, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen

-meermalen, in ieder geval éénmaal, met kracht tegen de fiets van die [slachtoffer 1] heeft/hebben getrapt/geschopt, waardoor die [slachtoffer 1] ten val kwam en/of

-meermalen, in ieder geval éénmaal, met kracht in/tegen het gezicht en/of op/tegen het hoofd, in ieder geval tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft/hebben getrapt/geschopt en/of geslagen en/of gestompt (terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag) en/of

-meermalen, in ieder geval éénmaal, met kracht op het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft/hebben gestampt (terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

Subsidiair

hij op of omstreeks 04 mei 2014 te Kudelstaart, gemeente Aalsmeer, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon genaamd [slachtoffer 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (ondermeer een gebroken kaak en/of een gebroken jukbeen en/of een gebroken oogkas en/of (meerdere) gebroken/gekneusde ribben), heeft toegebracht, door opzettelijk

-meermalen, in ieder geval éénmaal, met kracht tegen de fiets van die [slachtoffer 1]

te schoppen/trappen, waardoor die [slachtoffer 1] ten val kwam en/of

-meermalen, in ieder geval éénmaal, met kracht in/tegen het gezicht en/of op/tegen het hoofd, in ieder geval tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] te schoppen/trappen en/of te slaan/stompen (terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag) en/of

-meermalen, in ieder geval éénmaal, met kracht op het hoofd van die [slachtoffer 1] te stampen (terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag);

Meer Subsidiair

hij op of omstreeks 04 mei 2014 te Kudelstaart, gemeente Aalsmeer, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Mijnsherenweg, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] , welk geweld bestond uit

- het meermalen, in ieder geval éénmaal, met kracht tegen de fiets van die [slachtoffer 1] schoppen/trappen, waardoor die [slachtoffer 1] ten val kwam en/of

-het meermalen, in ieder geval éénmaal, met kracht in/tegen het gezicht en/of op/tegen het hoofd, in ieder geval tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] schoppen/trappen en/of slaan/stompen (terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag) en/of

-het meermalen, in ieder geval éénmaal, met kracht op het hoofd van die [slachtoffer 1] stampen (terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag);

2.

Primair

hij op of omstreeks 04 mei 2014 te Kudelstaart, gemeente Aalsmeer, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen

-meermalen, in ieder geval éénmaal, met kracht in/tegen het gezicht en/of op/tegen het hoofd, in ieder geval tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] heeft/hebben getrapt/geschopt en/of geslagen/gestompt (terwijl die [slachtoffer 2] op de grond lag),

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling leidt:

Subsidiair

hij op of omstreeks 04 mei 2014 te Kudelstaart, gemeente Aalsmeer, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon genaamd [slachtoffer 2] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (onder meer een gebroken oogkas en/of een beklemde oogspier), heeft toegebracht, door opzettelijk meermalen, in ieder geval éénmaal, met kracht in/tegen het gezicht en/of op/tegen het hoofd, in ieder geval tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] te schoppen/trappen en/of te slaan/stompen (terwijl die [slachtoffer 2] op de grond lag);

Meer Subsidiair

hij op of omstreeks 04 mei 2014 te Kudelstaart, gemeente Aalsmeer, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, De Mijnsherenweg, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] welk geweld bestond uit

- het meermalen, in ieder geval éénmaal, met kracht in/tegen het gezicht en/of op het hoofd, in ieder geval tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] te schoppen/trappen en/of te slaan/stompen (terwijl die [slachtoffer 2] op de grond lag).

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 4 mei 2014 bevond verdachte zich samen met medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] op de Mijnsherenweg in Kudelstraat, gemeente Aalsmeer. Zij hebben toen een woordenwisseling gekregen met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , die resulteerde in een vechtpartij.2 Verdachte heeft zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] meermalen geslagen.3 Naar aanleiding van de vechtpartij heeft [slachtoffer 1] een breuk opgelopen bij zijn bijholte, en heeft hij zijn jukbeen en de zijkant van zijn oogkas gebroken. Ook was zijn rechterooglid gezwollen.4 [slachtoffer 2] had naar aanleiding van de vechtpartij een bloeduitstorting rond zijn linkeroog, een zwelling van zijn neusbrug en een orbitabodemfractuur (een gebroken oogkas).5

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde: de poging doodslag. Volgens de officier van justitie heeft verdachte beide slachtoffers niet alleen geslagen maar ook tegen het hoofd geschopt. Indien dit niet wordt aangenomen, is er in ieder geval door (één van) zijn vrienden geschopt en heeft verdachte een significante en wezenlijke bijdrage aan dit geweld geleverd waardoor alle gepleegde geweldshandelingen ook aan hem kunnen worden toegerekend. Door tegen een hoofd te schoppen, wat schedel- en hersenletsel met een dodelijke afloop tot gevolg kan hebben, hebben verdachte en diens medeverdachten bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat zij door hun handelen de slachtoffers dodelijk zouden verwonden, zodat er sprake is van voorwaardelijk opzet op de dood van de slachtoffers.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft opgemerkt dat aan de verklaringen van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] geen zelfstandige bewijswaarde kan worden toegekend, nu zij voor afleggen van hun verklaring kennis hebben kunnen nemen van de verklaringen van medeverdachten.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde. Volgens de verdediging volgt niet uit de bewijsmiddelen dat verdachte de slachtoffers heeft geschopt, slechts dat hij ze heeft geslagen. Daarnaast kan ook niet worden bewezen dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had op de dood van de slachtoffers. De verdediging heeft gesteld dat verdachte ook vrijgesproken dient te worden van het subsidiair ten laste gelegde onder 1 en 2. Volgens de verdediging was er geen sprake van medeplegen nu onduidelijk is wie welk aandeel had bij de geweldplegingen. Daarnaast had verdachte geen (voorwaardelijk) opzet op het zwaar lichamelijk letsel van de slachtoffers.

Beoordeling door de militaire kamer

Feit 1

Aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard dat nadat hij en [slachtoffer 2] langs de groep jongens waren gefietst, een aantal van die jongens achter hen aan kwamen.6 [slachtoffer 1] kreeg uiteindelijk een trap tegen zijn fiets en viel hierdoor om. Hij kwam in een voortuin met grind op de grond terecht. De jongen die hem van de fiets had getrapt begon hem op zijn hoofd te schoppen. Daarna werd hij om de beurt door die jongens op zijn achterhoofd en in zijn gezicht geschopt. In totaal werd hij zeker twintig keer getrapt.7

Aangever [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij zag dat een jongen [slachtoffer 1] met fiets en al in een tuin duwde, wat een soort grindbak betrof. Hij zag dat er twee jongens de grindbak in sprongen. Aangever is toen direct met zijn fiets omgekeerd. Toen hij dichterbij kwam zag hij dat [slachtoffer 1] hevig bloedde uit beide neusgaten en dat twee jongens met grote kracht en doelgericht tegen het hoofd van [slachtoffer 1] trapten. Ze bewogen hierbij hun been ver naar achteren en trapten alsof ze een strafschop bij voetbal namen. Hij zag ook dat een van de jongens dichtbij het hoofd van [slachtoffer 1] stond en met een verticale beweging met zijn voet met grote kracht op het hoofd van [slachtoffer 1] stampte. [slachtoffer 2] zag dat hij loodrecht van boven naar beneden stampte.8

Medeverdachte [medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij heeft gezien dat [medeverdachte 1] en [verdachte] na de woordenwisseling achter de jongens aanrenden. Toen [medeverdachte 1] bij die jongen op de fiets liep, lag die jongen plotseling op de grond. [medeverdachte 1] en [verdachte] begonnen toen met zijn tweeën op de jongen in te slaan.9

Medeverdachte [medeverdachte 4] heeft verklaard dat [verdachte] na de woordenwisseling achter de slachtoffers is aangerend. Daarna ontstond er een worsteling tussen [verdachte] en het eerste slachtoffer. Het tweede slachtoffer kwam ook terug. Uiteindelijk stonden hij ( [medeverdachte 4] ) en [medeverdachte 3] op het fietspad, [medeverdachte 2] in de grindbak en [medeverdachte 1] en [verdachte] in de grindbak, bij de twee slachtoffers.10

Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft verklaard dat [medeverdachte 1] en [verdachte] achter de slachtoffers aanrenden toen de slachtoffers wegfietsten. [verdachte] heeft toen slachtoffer 1, die op de grond lag, geslagen.11

Verdachte heeft verklaard dat hij samen met [medeverdachte 1] achter de slachtoffers is aangerend.12

De militaire kamer overweegt als volgt.

De militaire kamer is zich bewust van de wellicht tegenstrijdige belangen van verdachte en medeverdachten bij het afleggen van hun verklaring over de gebeurtenissen en hun rol. De militaire kamer zal daarom met de nodige behoedzaamheid deze verklaringen waarderen en de desbetreffende delen toetsen op geloofwaardigheid en steunbewijs.

Schoppen en medeplegen

Uit voorgaande bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang en verband bezien, volgt dat [medeverdachte 1] en [verdachte] degenen zijn geweest die achter de slachtoffers zijn aangerend, dat één van hen het eerste slachtoffer ( [slachtoffer 1] ) van de fiets heeft geschopt en dat zij met zijn tweeën vervolgens geweld tegen [slachtoffer 1] hebben gebruikt. Dit laatste wordt nog ondersteund door het feit dat is verklaard dat in ieder geval [medeverdachte 1] en [verdachte] samen in de grindbak stonden bij de slachtoffers, waar al het geweld is gepleegd. De rechtbank gaat ervanuit dat de voeten van verdachte toen geschoeid waren nu verdachte terugkeerde van het uitgaan, het voorval zich op de openbare weg heeft afgespeeld en uit de processtukken niet het tegendeel blijkt.

De militaire kamer oordeelt daarnaast dat het geweld door verdachte en [medeverdachte 1] niet alleen slaan betrof, maar dat zij beiden meermalen, met geschoeide voet, hebben geschopt tegen het hoofd van [slachtoffer 1] en in zijn gezicht. Dat alleen de aangevers over dit schoppen tegen het hoofd hebben verklaard staat hieraan niet in de weg. De militaire kamer vindt de verklaringen van de aangevers hierover consistent en betrouwbaar. De militaire kamer ziet immers geen reden voor aangevers om hierover te liegen, terwijl de militaire kamer die reden wel kan zien bij verdachte en de medeverdachten die zichzelf en hun vrienden zo min mogelijk willen belasten. Daarnaast blijkt ook uit de ernstige verwondingen van [slachtoffer 1] dat er meermalen geschopt moet zijn.

De militaire kamer is ook van oordeel dat er sprake is van medeplegen. Nu verdachte samen met [medeverdachte 1] het slachtoffer heeft geschopt, is er sprake van een bewuste en nauwe samenwerking. De handelingen die één van hen heeft verricht kunnen hierdoor aan beiden worden toegerekend.

Poging doodslag

Het hoofd is een zeer kwetsbaar gedeelte van het menselijk lichaam. Het is een feit van algemene bekendheid dat het uitoefenen van fors geweld op het hoofd zeer wel de dood tot gevolg kan hebben. Verdachte en medeverdachte hebben het slachtoffer meermalen tegen het hoofd geschopt. Hij heeft hier zeer ernstige verwondingen in zijn gezicht en op zijn hoofd aan overgehouden. Als iemand zulke verwondingen in zijn gezicht heeft opgelopen, kan het niet anders dan dat hierbij veel kracht is gebruikt. Ook [slachtoffer 2] heeft verklaard dat het schoppen met veel kracht gebeurde en dat er zelfs in een loodrechte trap op [slachtoffer 1] gestampt werd. Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang en verband beschouwd, acht de rechtbank de kans op de dood als gevolg van de gedragingen van verdachte en zijn medeverdachte aanmerkelijk. Blijkens de aard van de gedragingen kan het ook niet anders zijn dan dat verdachte en medeverdachte deze aanmerkelijke kans op de dood hebben aanvaard.

De militaire kamer oordeelt derhalve dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij met zijn handelen het slachtoffer dodelijk zou verwonden, zodat sprake is van voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Feit 2

Aangever [slachtoffer 2] heeft verklaard dat een jongen hem probeerde te slaan nadat hij ( [slachtoffer 2] ) de jongen die op [slachtoffer 1] had gestampt een duw had gegeven. [slachtoffer 2] heeft die jongen toen tegen de grond gedrukt maar toen kwamen er meer jongens bij. Terwijl [slachtoffer 2] nog op de grond lag werd hij met kracht tegen zijn hoofd geschopt. Hij werd meerdere keren geschopt, hij denkt een stuk of tien keer. Hij heeft geschreeuwd en gehuild. [slachtoffer 1] heeft de politie gebeld.13

Aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij zag dat [slachtoffer 2] op de grond werd gegooid en op zijn hoofd werd geschopt door een paar jongens.14

Medeverdachte [medeverdachte 4] heeft verklaard dat [medeverdachte 1] aan het worstelen was met slachtoffer 2 (de militaire kamer begrijpt: [slachtoffer 2]) en dat [medeverdachte 2] die jongen toen schopte.15 [medeverdachte 2] heeft het slachtoffer meermalen getrapt.16

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat [verdachte] de jongen die hem ( [medeverdachte 1] ) had geduwd een of twee klappen had gegeven. Toen ging die jongen naar de grond en heeft [medeverdachte 2] hem nog een keer getrapt op zijn gezicht, een of twee keer. Toen begon de jongen te gillen.17

Schoppen en medeplegen

De militaire kamer overweegt allereerst dat aangever degene is die heeft geschreeuwd na het feit en dat hij dus het slachtoffer is waar [medeverdachte 1] over heeft verklaard.

Hoewel verdachte heeft verklaard dat hij niemand heeft zien schoppen, volgt uit de bewijsmiddelen dat [slachtoffer 2] meermalen tegen zijn hoofd is geschopt en dat dit in ieder geval door [medeverdachte 2] is gebeurd. Eerder is al vastgesteld dat verdachte [slachtoffer 2] heeft geslagen. Verdachte heeft dus in ieder geval samen met [medeverdachte 2] geweldshandelingen tegen [slachtoffer 2] verricht. Doordat zij samen geweldshandelingen hebben verricht was er sprake van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en in ieder geval [medeverdachte 2] en daarmee van medeplegen. Hoewel niet kan worden vastgesteld dat verdachte [slachtoffer 2] ook heeft geschopt, kan hij hier daardoor wel strafrechtelijk voor verantwoordelijk worden gehouden.

Poging doodslag

Zoals volgt uit voorgaande overwegingen bij feit 1 kan schoppen tegen het hoofd leiden tot de dood en kan het dan ook onder bepaalde omstandigheden een poging tot doodslag opleveren. De militaire kamer oordeelt echter dat bepaalde omstandigheden die bij feit 1 speelden, bij feit 2 niet aan de orde zijn, waardoor er hier onvoldoende bewijs voorhanden is dat er door het handelen van verdachte en medeverdachte sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood. Uit het dossier blijkt niet dat [slachtoffer 2] met een verticale trap op het hoofd is gestampt. Ook kan uit de processtukken niet worden vastgesteld met welke kracht het schoppen tegen het hoofd is gebeurd. De militaire kamer zal verdachte daarom vrijspreken van het primair ten laste gelegde feit.

Zware mishandeling

[slachtoffer 2] heeft een bloeduitstorting rond zijn linkeroog, een zwelling van zijn neusbrug en een gebroken oogkas opgelopen. Hij heeft vier weken pijn gehad. Dit is zonder twijfel fors letsel maar naar het oordeel van de militaire kamer is dit letsel naar gewoon spraakgebruik van onvoldoende gewicht om als zwaar lichamelijk letsel te kunnen worden betiteld. De militaire kamer zal verdachte daarom ook vrijspreken van het subsidiair ten laste gelegde feit.

Uit voormelde bewijsmiddelen volgt naar het oordeel van de militaire kamer wel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging jegens [slachtoffer 2] .

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de militaire kamer is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primaire en het onder 2 meer subsidiaire ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

Primair

hij op of omstreeks 04 mei 2014 te Kudelstaart, gemeente Aalsmeer, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen

-meermalen, in ieder geval éénmaal, met kracht tegen de fiets van die [slachtoffer 1] heeft/hebben getrapt/geschopt, waardoor die [slachtoffer 1] ten val kwam en/of

-meermalen, in ieder geval éénmaal, met kracht in/tegen het gezicht en/of op/tegen het hoofd, in ieder geval tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft/hebben getrapt/geschopt en/of geslagen en/of gestompt (terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag) en/of

-meermalen, in ieder geval éénmaal, met kracht op het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft/hebben gestampt (terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

Meer Subsidiair

hij op of omstreeks 04 mei 2014 te Kudelstaart, gemeente Aalsmeer, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Mijnsherenweg, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] welk geweld bestond uit

- het meermalen, in ieder geval éénmaal, met kracht in/tegen het gezicht en/of op het hoofd, in ieder geval tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] te schoppen/trappen en/of te slaan/stompen (terwijl die [slachtoffer 2] op de grond lag).

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Medeplegen van poging tot doodslag

Ten aanzien van de feiten 2, het meer subsidiair ten laste gelegde:

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen of goederen.

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de militaire kamer verzocht rekening te houden met een aantal strafmatigende omstandigheden, waaronder het feit dat verdachte zelf hulp heeft gezocht voor zijn alcoholprobleem, hij goed functioneert als militair en dat verdachte spijt heeft van zijn gedrag. De verdediging heeft verzocht een gevangenisstraf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan het voorarrest en het overige deel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en bijzondere voorwaarden conform het advies van de reclassering.

Beoordeling door de militaire kamer

De militaire kamer heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het justitieel documentatieregister, gedateerd 30 januari 2017;

- een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 28 augustus 2014.

De militaire kamer heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft samen met zijn vrienden, zonder enige aanleiding, op de openbare weg, fors geweld gepleegd tegen twee jongens die op weg naar huis waren van een uitgaansavond. Na dit geweld zijn verdachte en zijn vrienden snel weg gegaan en hebben zij de slachtoffers aan hun lot overgelaten, terwijl de slachtoffers fors letsel hadden opgelopen.

In de periode na de vechtpartij heeft verdachte zijn mond gehouden over wat er gebeurd is. Zelfs toen er andere jongens waren aangehouden voor dit feit, en verdachte dit wist, heeft verdachte zich niet bij de politie gemeld. Pas toen verdachte zelf werd aangehouden, en hij zijn betrokkenheid eigenlijk niet meer kon ontkennen, heeft verdachte over het feit verklaard. De militaire kamer neemt het verdachte erg kwalijk dat hij geen verantwoordelijkheid voor zijn daden heeft willen nemen, zelfs niet toen anderen ten onrechte voor deze feiten werden aangehouden.

De militaire kamer oordeelt op basis van het dossier ook dat verdachte de aanstichter was van de vechtpartij. Het was verdachte die eerder die avond zo agressief was dat hij een uitgaansgelegenheid uit werd gezet, het was verdachte die de slachtoffers op straat aansprak en het was verdachte die achter de slachtoffers is aangerend en zo is begonnen met het geweld. Dit is des te kwalijker nu verdachte een aantal jaren ouder was dan zijn medeverdachten en juist het goede voorbeeld aan hen had moeten geven, in plaats van hen mee te trekken in deze geweldpleging. Dit geldt temeer nog omdat verdachte militair was en de medeverdachten dat wisten.

Naast het ernstige letsel dat de slachtoffers hebben opgelopen, heeft het handelen van verdachte ook op andere wijze grote impact gehad op de slachtoffers, zoals ook blijkt uit de ter terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaringen. De slachtoffers hebben beide doodsangsten uitgestaan tijdens de geweldpleging. Daarnaast hebben ze zich na de geweldpleging vaak onveilig gevoeld waardoor ze in het dagelijks leven belemmerd werden. Zelfs nu, ruim tweeënhalf jaar later, merken ze nog de impact hiervan.

De militaire kamer stelt vast dat de redelijke termijn waarbinnen een strafzaak dient te worden behandeld is overschreden. Op 6 juni 2014 is verdachte in bewaring gesteld. Gelet op de datum van het vonnis (27 maart 2017) is de redelijke termijn met ongeveer negen maanden overschreden. Deze overschrijding kan deels aan verdachte worden toegerekend, nu hij om uitstel heeft verzocht toen hij een zitting niet kon bijwonen wegens een militaire oefening. Mede met het oog hierop besluit de militaire kamer om te volstaan met een constatering van de overschrijding van de redelijke termijn. De militaire kamer houdt bij de strafoplegging wel rekening met het tijdsverloop en met het feit dat verdachte lange tijd in onzekerheid heeft gezeten over de afloop van zijn strafzaak.

Gelet op alle voorgaande omstandigheden is de militaire kamer van oordeel dat alleen een forse gevangenisstraf recht doet aan de ernst van het feit. Vanwege het tijdsverloop, en het feit dat verdachte nadien niet meer met justitie in aanraking is gekomen, zal de militaire kamer een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen. Anders dan de reclassering adviseert zal de militaire kamer hierbij geen bijzondere voorwaarden opleggen, nu verdachte inmiddels zelf al aan zijn alcoholproblematiek heeft gewerkt.

De rechtbank komt tot een lagere straf dan door de officier van justitie geëist, omdat zij voor feit 2 het meer subsidiair ten laste gelegde bewezen acht, en niet het primaire.

7a. De beoordeling van de civiele vorderingen, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding. [slachtoffer 1] heeft een bedrag van € 5.055,40 gevorderd ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde feit. [slachtoffer 2] heeft een bedrag van € 2.701,99 gevorderd ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde feit.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] toe te wijzen, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag. Hierbij heeft de officier van justitie opgemerkt dat het niet relevant is of al een deel van deze schadebedragen door andere verdachten zijn betaald. Verdachte is hoofdelijk aansprakelijk hiervoor.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging refereert zich aan het oordeel van de militaire kamer.

Beoordeling door de militaire kamer

[slachtoffer 1]

Naar het oordeel van de militaire kamer is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde handelen tot het gevorderde bedrag schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk is. De vordering is voldoende onderbouwd en niet bestreden en is daarmee voor toewijzing vatbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente. De militaire kamer zal hierbij ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

[slachtoffer 2]

Naar het oordeel van de militaire kamer is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 bewezen verklaarde handelen tot een bedrag van € 2.049,99 schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk is. De vordering is tot dit bedrag voldoende onderbouwd en niet bestreden en is daarmee voor toewijzing vatbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente. De militaire kamer zal hierbij ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

Wat betreft het meer gevorderde zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard worden in de vordering. De militaire kamer is van oordeel dat onvoldoende is onderbouwd dat de telefoonkosten van verdachte veel hoger waren ten gevolge van het strafbare feit. Wat betreft het verlies in arbeidsvermogen oordeelt de militaire kamer dat deze kosten niet door aangever zijn gemaakt maar door zijn moeder. Daarnaast zou de behandeling van dat deel van de vordering naar het oordeel van de militaire kamer een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Tot slot is de militaire kamer van oordeel dat de reparatiekosten van de armband (horloge) onvoldoende zijn onderbouwd, nu uit de aangifte van benadeelde partij juist zou kunnen worden opgemaakt dat hij deze armband niet om had ten tijde van het feit.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 24c, 27, 36f, 45, 47, 57, 141, 287 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De militaire kamer:

 Spreekt verdachte vrij van het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde feit;

 verklaart bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden;

 bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde(n) voor het einde van de proeftijd die op twee jaren wordt bepaald;

 dat de veroordeelde zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .

  • -

    veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] , van een bedrag van € 5.055,40 (vijfduizend vijfenvijftig euro en veertig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 mei 2014 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    verstaat dat indien en voor zover door de mededader en/of mededaders het betreffende schadebedrag is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1] , een bedrag te betalen van € 5.055,40 (vijfduizend vijfenvijftig euro en veertig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 mei 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 60 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

  • -

    veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 2 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] , van een bedrag van € 2.049,99 (tweeduizend negenenveertig euro en negenennegentig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 mei 2014 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering;

  • -

    verstaat dat indien en voor zover door de mededader en/of mededaders het betreffende schadebedrag is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1] , een bedrag te betalen van € 2.049,99 (tweeduizend negenenveertig euro en negenennegentig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 mei 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 30 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.G. Eskes (voorzitter), mr. J.B.J. Driessen, rechter, alsmede kolonel mr. H.C.M. Snellen als militair lid, in tegenwoordigheid van mr. L. Ruizendaal-van der Veen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 maart 2017.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie eenheid Amsterdam opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 2014110419, gesloten op 21 juli 2014 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer 1] p.1 001-1 002, proces-verbaal aangifte [slachtoffer 2] p.1 004-1 006, verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting op 13 maart 2017.

3 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting op 13 maart 2017.

4 Medische indicatie aanvraag geneeskundige, [slachtoffer 1] p.5 029.

5 Medische indicatie aanvraag geneeskundige [slachtoffer 2] p.5 031.

6 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer 1] p.1 001.

7 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer 1] p.1 002.

8 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer 2] p.1 005.

9 Verhoor bij de rechter-commissaris van [medeverdachte 3] d.d. 17 november 2014 p.4.

10 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 4] p.1 230.

11 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] p.1 262.

12 Verhoor bij de rechter-commissaris van verdachte d.d. 19 november 2014.

13 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer 2] p.1 005.

14 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer 1] p.1 002.

15 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 4] p.1 230.

16 Verhoor bij de rechter-commissaris van [medeverdachte 4] d.d. 5 december 2014 p.3.

17 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 1] p.1 204.