Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:1613

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
01-03-2017
Datum publicatie
27-03-2017
Zaaknummer
305789
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overlijden van geiten als gevolg van geleverd stro, dat besmet was met de bacterie listeria. Toerekenbaarheid van de tekortkoming. Artikel 6:75 BW. Verkeersopvattingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1534
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/305789 / HA ZA 16-362 / 167

Vonnis van 1 maart 2017

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. M.J.A. Verhagen te Eindhoven,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] .,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. M. Bouman te Eindhoven.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 22 februari 2017

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 12 januari 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] drijft een melkgeitenhouderij. De geiten worden gehuisvest in een zogenaamde potstal, waarin (tarwe)stro als bodembedekker/strooisel wordt gebruikt. Het stro is tevens bedoeld als ruwvoeder (bijvoer) voor de geiten.

[gedaagde] handelt in hooi en stro voor toepassing in, onder meer, de veehouderij. Sinds 2006 levert [gedaagde] geperste balen stro aan [eiser] .

2.2.

[eiser] heeft in april 2014 15 ton tarwestro van [gedaagde] gekocht, die op 25 april 2014 bij [eiser] is afgeleverd. Op diezelfde dag heeft [eiser] een deel van het stro in zijn geitenstallen uitgestrooid.

2.3.

Op 27 april 2014 heeft [eiser] ziekteverschijnselen geconstateerd bij een aantal geiten. [eiser] heeft die dag contact opgenomen met zijn dierenarts, de heer [dierenarts] van [naam praktijk] (hierna: dierenarts [dierenarts] ), omdat de ziekteverschijnselen van de geiten leken te duiden op Listeriose.

2.4.

Op 28 april 2014 heeft de heer […] [gedaagde] het bedrijf van [eiser] bezocht. Diezelfde dag is de rest van het op 25 april 2014 geleverde stro opgehaald en is er door [gedaagde] nieuw stro geleverd aan [eiser] .

2.5.

Ondanks de door de dierenarts voorgeschreven behandeling met Engemycine (ocytetracycline) in een hoge dosering, zijn tussen 27 april 2014 en 20 mei 2014 in totaal 82 geiten op het bedrijf van [eiser] gestorven.

2.6.

Op 10 juli 2014 heeft NutriControl B.V. monsters van de door [gedaagde] aan [eiser] geleverde strobalen onderzocht en is de aanwezigheid van de bacterie Listeria monocytogenes aangetoond.

2.7.

Dekra Experts B.V. (hierna: Dekra) heeft in opdracht van Interpolis, de aansprakelijkheidsverzekeraar van [gedaagde] , de totale schade van [eiser] als gevolg van de listeriabesmetting vastgesteld op een bedrag van € 64.431,51, exclusief btw (rapport d.d. 16 december 2014, productie 5 bij dagvaarding).

2.8.

De (toenmalige) adviseur van [eiser] heeft [gedaagde] bij emailbericht van 20 mei 2015 aansprakelijk gesteld voor de door [eiser] geleden schade, welke aansprakelijkheid door Interpolis (namens [gedaagde] ) bij emailbericht van 14 juli 2015 is afgewezen.

2.9.

Bij emailbericht van 29 juli 2015 heeft [eiser] de uitkomsten van het onderzoek van NutriControl aan Interpolis toegezonden. Nadien is er nog over en weer tussen partijen gecorrespondeerd, maar Interpolis is aansprakelijkheid blijven afwijzen.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 64.431,51, te vermeerderen met wettelijke handelsrente, vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten ad € 1.717,37, alsmede veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten en nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.2.

[eiser] stelt dat het door [gedaagde] geleverde stro niet beantwoordt aan de tussen partijen gesloten overeenkomst en dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming aan de zijde van [gedaagde] in de nakoming van die overeenkomst. Als gevolg daarvan heeft [eiser] schade geleden, tot vergoeding waarvan hij [gedaagde] gehouden acht.

3.3.

[gedaagde] erkent dat in de partij stro die zij op 25 april 2014 aan [eiser] heeft geleverd een listeriabacterie aanwezig was, zodat sprake is van een tekortkoming aan de zijde van [gedaagde] , maar zij betwist dat die tekortkoming aan haar kan worden toegerekend. Voor zover de tekortkoming wel aan haar kan worden toegerekend, is er sprake van eigen schuld aan de zijde van [eiser] , waardoor de schade door [eiser] zelf moet worden gedragen, aldus [gedaagde] .

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat de geiten van [eiser] Listeriose hebben opgelopen als gevolg van een besmetting met een listeriabacterie, die zich ten tijde van de levering aan [eiser] in het stro bevond. Het verweer van [gedaagde] komt erop neer dat zij als tussenhandelaar het gebrek niet kende en ook niet behoorde te kennen. Zij voert aan dat zij het stro niet zelf heeft geteeld of geproduceerd, dat zij deugdelijke controles heeft laten uitvoeren op de stro, waaruit geen gebrek is gebleken, en dat het stro zonder nadere bewerking is doorgeleverd aan [eiser] , zodat haar geen enkel verwijt valt te maken, aldus [gedaagde] .

4.2.

Een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis verplicht de schuldenaar de schade die de schuldeiser daardoor lijdt te vergoeden, tenzij de tekortkoming hem niet kan worden toegerekend (artikel 6:74 lid 1 BW). Ingevolge artikel 6:75 BW kan een tekortkoming de schuldenaar niet worden toegerekend, indien zij niet is te wijten aan zijn schuld, noch krachtens wet, rechtshandeling of in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt.

4.3.

Ter gelegenheid van de comparitie van partijen heeft [gedaagde] toegelicht dat het door haar geleverde stro afkomstig is van een vaste leverancier in Frankrijk en dat het stro wordt geteeld door verschillende akkerbouwbedrijven. [gedaagde] bezoekt de akkerbouwbedrijven regelmatig en inspecteert het gewas als het nog op het land staat. Het oogsten, dorsen en persen van het stro gebeurt onder toezicht van de akkerbouwers. De strobalen worden daarna opgeslagen in een loods, van waaruit [gedaagde] het stro transporteert naar haar afnemers. Tussen het persen en het ophalen van het stro kan langere tijd zitten, soms wel een jaar. Bij het ophalen van de strobalen voert de chauffeur van [gedaagde] altijd een controle uit. Dat gebeurt bij wijze van steekproef, visueel op kleurafwijkingen en vanaf de zijkanten met een vochtthermeter die ongeveer 25 cm diep kan meten.

[eiser] heeft aangevoerd dat de heer [betrokkene] [gedaagde] hem heeft meegedeeld dat het stro dit keer afkomstig was van een nieuwe leverancier en dat het stro niet is gecontroleerd. Daargelaten dat [gedaagde] dat betwist, ook als ervan wordt uitgegaan dat de door [gedaagde] beschreven werkwijze is gevolgd, dan is de rechtbank van oordeel dat de wijze van telen en oogsten van het stro, de opslag van de strobalen, alsmede de manier waarop de strobalen worden gecontroleerd, omstandigheden zijn die zich in de contractuele verhouding tussen [gedaagde] en [eiser] in de risicosfeer van [gedaagde] bevinden. [eiser] heeft immers geen enkel zicht op, noch zeggenschap over de toeleveranciers van het stro en de hiervoor beschreven werkwijze. Dat geldt ook voor de controles die [gedaagde] uitvoert op het stro. Gelet op de afmetingen van de strobalen (1.20 m breed, 70 cm dik en 2.50 m lang) kan met een vochtmeter niet overal worden gemeten. [gedaagde] weet dat het voor [eiser] bedoelde stro tevens dient als ruwvoeder voor de geiten. [gedaagde] heeft ter zitting erkend dat met de manier waarop de strobalen worden gecontroleerd niet kan worden uitgesloten dat er een bacterie in de kern van de strobaal zit, die gevaar oplevert voor de gezondheid van de geiten, en dat is naar het oordeel van de rechtbank een omstandigheid die voor risico van [gedaagde] komt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat in het onderhavige geval de verkeersopvattingen meebrengen dat het gebrek (de besmetting met de listeriabacterie) voor rekening van [gedaagde] komt. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden, zijn door [gedaagde] gesteld noch anderszins gebleken.

De slotsom van het voorgaande is dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming aan de zijde van [gedaagde] in de nakoming van de overeenkomst met [eiser] .

4.4.

[gedaagde] heeft zich voorts beroepen op eigen schuld aan de zijde van [eiser] (artikel 6:101 BW). [gedaagde] stelt dat [eiser] bij het uitstrooien van de strobalen zwarte, rotte plekken in het stro heeft geconstateerd en dat hij bij het uitstrooien daarvan in de geitenstal een uitzonderlijke hoeveelheid stof heeft zien vrijkomen en dat hij onder die omstandigheden nooit had mogen overgaan tot en/of doorgaan met het uitstrooien van het stro. [gedaagde] verwijst in dit verband naar een brief van dierenarts [dierenarts] van 5 mei 2014 (productie 2 bij dagvaarding) en een rapport van Dekra van 9 juli 2014 (productie 1 bij conclusie van antwoord).

4.5.

De rechtbank overweegt dat uit de brief van dierenarts [dierenarts] niet blijkt dat [eiser] op 25 april 2014 (voor ingebruikname van het stro) heeft geconstateerd dat zich in het stro natte, zwarte (rotte) plekken bevonden. In de betreffende brief wordt immers niet genoemd op welke datum de “nadere inspectie” heeft plaatsgevonden, waarbij deze constatering is gedaan. [eiser] heeft ter gelegenheid van de comparitie uitdrukkelijk betwist dat hij op 25 april 2014 al natte en/of zware (rotte) plekken in de strobalen heeft waargenomen. Hij heeft verklaard dat er aan de buitenkant van de strobalen geen afwijkingen zichtbaar waren. Op 27 april 2014, twee dagen na het uitstrooien van het stro, toen hij bij de geiten ziekteverschijnselen had waargenomen, zijn de strobalen opengemaakt en toen zijn er natte, rotte plekken geconstateerd. Dat heeft ook de heer […] [gedaagde] geconstateerd toen hij op 28 april 2014 het bedrijf van [eiser] heeft bezocht, aldus [eiser] . De rechtbank overweegt dat [gedaagde] , tegenover de gemotiveerde betwisting van [eiser] van de stelling van [gedaagde] dat hij ( [eiser] ) op 25 april 2014 al natte en/of zwarte (rotte) plekken in de strobalen heeft waargenomen, niets naders heeft gesteld, zodat aan deze stelling van [gedaagde] voorbij wordt gegaan.

4.6.

[gedaagde] verwijst verder naar de brief van dierenarts [dierenarts] , waarin staat dat bij het uitstrooien opviel dat er beduidend meer stof vrijkwam dan bij de vorige partijen stro, en het rapport van Dekra van 9 juli 2014, waarin staat dat volgens opgave van [eiser] “bij het uiteen schudden en verspreiden van sommige strobalen sprake [was] van een zeer hevige stofontwikkeling ten gevolge waarvan een dichte ‘mist’ in de geitenstal kwam te hangen.”

[eiser] betwist dat hij heeft gesproken over ‘mistvorming’. Hij heeft ter zitting verklaard dat het stro machinaal wordt verspreid/uitgestrooid met een hakselaar. Dat gebeurt met 1000 toeren en het effect is vergelijkbaar met een bladblazer. Er wordt veel wind door het stro geblazen om het stro door de hele stal te verspreiden en door het kaf in het stro ontstaat stofvorming. De hoeveelheid stof die daarbij vrijkomt kan per strobaal sterk variëren en het ging in dit geval niet om een ongebruikelijke stofontwikkeling, aldus [eiser] .

De rechtbank overweegt dat de verwijzing van [gedaagde] naar de brief van dierenarts [dierenarts] , waarin staat dat bij het uitstrooien opviel dat er beduidend meer stof vrijkwam dan bij de vorige partijen stro, gelet op de hiervoor weergegeven verklaring van [eiser] , die door [gedaagde] niet is weersproken, geen aanwijzing oplevert dat tijdens het uitstrooien voor [eiser] kenbaar had moeten zijn dat er wat mis was met het stro.

De heer […] [gedaagde] heeft op maandag 28 april 2014 het bedrijf van [eiser] bezocht. Dekra schrijft dat [gedaagde] heeft “vastgesteld dat bij het uitschudden van sommige strobalen zeer veel stof vrijkwam“. Nu [eiser] echter onbetwist heeft gesteld dat het handmatig uit elkaar halen van een strobaal niet vergelijkbaar is met de manier waarop [eiser] het stro machinaal in de stallen verspreidt, komt aan die constatering van de heer […] [gedaagde] geen zelfstandige betekenis toe.

[gedaagde] heeft ten slotte niet gesteld, laat staan onderbouwd, op grond waarvan moet worden aangenomen dat stofvorming moet worden gezien als een teken van besmetting met een (listeria)bacterie. Dat Dekra in haar rapport over de stofvorming schrijft dat het moet gaan om schimmelstof dat zich in het stro bevond, is slechts een conclusie achteraf.

4.7.

De rechtbank overweegt ten slotte dat, voor zover [gedaagde] zich in het kader van haar beroep op eigen schuld beroept op schending van de schadebeperkingsplicht, omdat [eiser] het stro niet heeft verwijderd, nadat de geiten ziekteverschijnselen hadden en het vermoeden was gerezen dat er sprake was besmetting met Listeriose, zij onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat het verwijderen van het stro, nadat was komen vast te staan dat het stro mogelijk de bron van de besmetting was, enig schadebeperkend effect zou hebben gehad.

4.8.

De slotsom van het voorgaande is dat het beroep van [gedaagde] op eigen schuld van dan wel schending van de schadevergoedingsplicht door [eiser] faalt en dat [gedaagde] gehouden is de door [eiser] geleden schade te vergoeden. [gedaagde] heeft geen verweer gevoerd tegen de door Dekra berekende hoogte van de schade ad € 64.431,51. De rechtbank zal dit bedrag toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW. Voor toewijzing van de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW is geen plaats, nu dat artikel alleen ziet op handelsovereenkomsten en niet op de verplichting tot betaling van schadevergoeding. Tegen de gevorderde betalingstermijn en de ingangsdatum van de wettelijke rente is verder geen verweer gevoerd.

4.9.

Ten aanzien van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten overweegt de rechtbank als volgt. [gedaagde] heeft als enig verweer in dit verband aangevoerd dat [eiser] een rechtsbijstandverzekering heeft en dus deze kosten niet zelf draagt. [eiser] heeft daar tegenin gebracht dat zijn verzekering geen kosten vergoedt, voor zover die op de wederpartij kunnen worden verhaald. Nu [gedaagde] deze stelling noch de redelijkheid van de gevorderde buitengerechtelijke kosten heeft betwist, zal het gevorderde bedrag worden toegewezen, evenals de niet betwiste betalingstermijn. De wettelijke rente zal worden afgewezen, nu gesteld noch gebleken is dat [eiser] die kosten reeds heeft voldaan.

4.10.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 99,53

- griffierecht 885,00

- salaris advocaat 1.788,00 (2,0 punt × tarief € 894,00)

Totaal € 2.772,53

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis aan [eiser] te betalen een bedrag van € 64.431,51 (vierenzestigduizend vierhonderdeenendertig euro en eenenvijftig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dat bedrag met ingang van 25 april 2014 tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis aan [eiser] te betalen de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.171,37,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 2.772,53, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.4.

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. K. van Vlimmeren-van Ommen en in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2017.