Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:1576

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
22-03-2017
Datum publicatie
29-03-2017
Zaaknummer
3281182
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Effectenlease. Terugbetalingsverplichting Dexia. Inkomstenbelastingvoordeel, aftrek van rente, te verrekenen. Wijze waarop het op de aftrek toepasselijke IB-tarief wordt vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaakgegevens 3281182 \ CV EXPL 14-13489 \ 668

uitspraak van 22 maart 2017

vonnis

in de zaak van

de besloten vennootschap Dexia Nederland B.V., rechtsopvolgster onder algemene titel van Dexia Bank Nederland N.V. en op haar beurt volgtijdelijk rechtsopvolgster van Bank Labouchere N.V. en van Legio Lease B.V.

gevestigd te Amsterdam

eisende partij

gemachtigde USG Legal Amsterdam

tegen

[gedaagde partij]

wonende te [woonplaats]

gedaagde partij

gemachtigde Leaseproces.nl

Partijen worden hierna Dexia en [gedaagde partij] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 7 december 2016 en de daarin genoemde processtukken

- de akte na tussenvonnis van Dexia met producties

- de antwoordakte van [gedaagde partij] met producties.

2 De verdere beoordeling van het geschil

2.1.

De kantonrechter blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in het tussenvonnis van 7 december 2016.

2.2.

Uit de tussenvonnissen vloeit voort dat de kantonrechter van oordeel is dat [gedaagde partij] als potentiële cliënt bij Dexia is aangebracht door een cliëntenremisier die, in strijd met de Wte 1995, tevens beleggingsadvieswerkzaamheden heeft verricht zonder over de daarvoor noodzakelijke vergunning te beschikken, en dat Dexia hiervan op de hoogte behoorde te zijn, mogelijk ook op de hoogte was. Dit betekent gelet op de arresten van de Hoge Raad van 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 en ECLI:NL:HR:2016:2015, dat de billijkheid eist dat de vergoedingsplicht van Dexia tegenover [gedaagde partij] geheel in stand blijft, zowel wat betreft een eventuele restschuld als wat de door [gedaagde partij] betaalde rente, aflossing en kosten aangaat.

2.3.

Hieruit volgt dat schadeverdeling op grond van eigen schuld van [gedaagde partij] niet meer aan de orde is. Het op dit onderdeel door Dexia gevoerde betoog, waarbij wel met eigen schuld rekening wordt gehouden, wordt verworpen.

2.4.

De terugbetalingsverplichting van Dexia bestaat in de eerste plaats in de verplichting tot terugbetaling van de inleg te vermeerderen met de wettelijke rente steeds vanaf de datum van elke afzonderlijke betaling door [gedaagde partij] .

2.5.

Voor terugbetaling komt voorts in aanmerking de restschuld die door [gedaagde partij] is voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de datum van betaling door [gedaagde partij] .

2.6.

Tussen partijen is niet in discussie dat de door [gedaagde partij] ontvangen uitkering, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van die uitkering, in mindering dient te worden gebracht op het door Dexia terug te betalen bedrag.

2.7.

Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of door [gedaagde partij] genoten fiscaal voordeel in mindering dient te worden gebracht op het door Dexia terug te betalen bedrag.

2.8.

Dexia stelt dat het inkomstenbelastingvoordeel genoten door de aftrekbaarheid en rente en kosten over een geldlening van het door haar terug te betalen bedrag moet worden afgetrokken hetzij op grond van de artikelen 6:95-97 Burgerlijk Wetboek (BW) hetzij op grond van art. 6:100 BW.

2.9.

De artikelen 6:95-97 BW betreffen de begroting van geleden schade, maar ook Dexia zelf ziet gelet op haar betoog, de werkelijke grond voor het verrekenen van het belastingvoordeel in de regeling van de voordeelstoerekening in de zin van art. 6:100 BW. Er is volgens haar sprake van voordeel dat het gevolg is van de schadeveroorzakende gebeurtenis in de zin van dit artikel, dat ook inhoudt dat voor verrekening van dit voordeel plaats is voor zover dit redelijk is.

2.10.

Uit Dexia’s betoog blijkt dat zij verrekening van het belastingvoordeel redelijk vindt. [gedaagde partij] is een andere mening toegedaan en acht het onredelijk, kort gezegd omdat het belastingvoordeel, als dit al genoten is, een persoonlijke kwestie is, afhankelijk van inkomen en vermogen, waar Dexia geheel buiten staat, terwijl het bovendien niet redelijk is dat dit persoonlijke voordeel van [gedaagde partij] Dexia ten goede zou komen.

2.11.

De kantonrechter deelt dit standpunt van [gedaagde partij] niet. Weliswaar is de hoogte van het belastingvoordeel afhankelijk van de persoonlijke situatie van de belastingplichtige, maar dat het voordeel genoten wordt, is een gevolg van het bestaan van een geldlening. Dezelfde overeenkomst dus die tot de schade voor [gedaagde partij] heeft geleid, heeft [gedaagde partij] krachtens de algemeen geldende regels van de inkomstenbelasting, een voordeel bezorgd. Daarmee leidt een effectenleaseovereenkomst voor zover zij een geldlening inhoudt, direct en voor iedereen tot een belastingvoordeel. De rente is overigens op zijn beurt belast bij de professionele uitlener, zoals Dexia.

2.12.

Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is het genoten fiscale voordeel in mindering te brengen op hetgeen Dexia aan [gedaagde partij] dient te voldoen.

2.13.

Partijen verschillen van mening over de omvang van het genoten inkomstenbelastingvoordeel. Dexia stelt dat moet worden uitgegaan van het belastingtarief geldend voor het bruto inkomen van [gedaagde partij] , naar welk tarief volgens haar de aftrek voor de betaalde rente wordt berekend.

2.14.

[gedaagde partij] stelt hier tegenover dat uitgegaan moet worden van een lager tarief, omdat ook andere aftrekposten een rol spelen en uiteindelijk aftrek plaatsvindt naar het tarief waartoe het totaal van de aftrekposten heeft geleid.

2.15.

Beide standpunten zijn naar het oordeel van de kantonrechter niet geheel juist. De Wet Inkomstenbelasting schrijft niet voor in welke volgorde aftrekposten in aanmerking moeten worden genomen. Vóór de herziening van 2001 was dit niet anders. Er kan dus bij verschil tussen het op het bruto inkomen toepasselijke tarief en het uiteindelijk met inachtneming van de aftrekposten toegepaste tarief, niet worden gezegd welke aftrekpost tegen welk tarief in aftrek komt. Daarom moet er worden gewerkt met een gewogen gemiddeld tarief.

2.16.

Dit betekent dat moet worden vastgesteld: 1) welk tarief voor het bruto inkomen zou gelden, 2) welk tarief bij toepassing van de aftrekposten geldt, 3) hoe groot de aftrekposten zijn en 4) wat hun onderlinge verhouding is.

2.17.

Zijn deze uitgangspunten vastgesteld, dan dient naar evenredigheid met de grootte van de aftrekposten te worden nagegaan in welke mate elk tot de daling in tariefgroep(en) heeft geleid. In evenredigheid met die verhouding dienen de verschillende tarieven te worden toegepast bij de berekening van het fiscale rentevoordeel.

2.18.

Om het hiervoor overwogene te verduidelijken wordt het volgende rekenvoorbeeld gegeven, waarbij de tarieven en de bedragen fictief zijn. Op het bruto inkomen van een belegger is een belastingtarief van 50% van toepassing. De belegger heeft twee aftrekposten, een aftrekpost van € 9.000,00 en in verband met rente betaald op grond van een effectenleaseovereenkomst een aftrekpost van € 1.000,00. Toepassing van de beide aftrekposten brengt de belegger een tariefgroepen lager, op een tarief van 35%. De posten verhouden zich als 9:1. Dit betekent dat de verschuiving naar het lagere tarief voor 9/10 veroorzaakt is door de grotere aftrekpost en slechts voor 1/10 het gevolg is van de aftrek voor de rente in verband met de effectenleaseovereenkomst. De vaststelling van het fiscale voordeel dient dan ook gebaseerd te zijn op aftrek van € 100,00 naar het 50%-tarief en van € 900,00 naar het tarief van 35%. Met gelijke uitgangspunten dient de berekening plaats te vinden in het – waarschijnlijk uitzonderlijke – geval dat de aftrekposten tot een daling door meerdere tariefgroepen leiden.

2.19.

Partijen zelf zullen aan de hand van het voorgaande de berekeningen moeten uitvoeren. Het is aan [gedaagde partij] de voor de berekening relevante gegevens te verschaffen aan Dexia die gelet op haar vordering uiteindelijk het te betalen bedrag zal moeten berekenen. Hierbij heeft te gelden dat gelet op de achtergrond van de voordeelstoerekening – de schade toebrengende gebeurtenis – schattingen en afrondingen ten gunste van [gedaagde partij] moeten plaatsvinden.

2.20.

Wat de buitengerechtelijke kosten betreft lag het op de weg van [gedaagde partij] inzicht hierin te geven, zoals is overwogen in het vonnis van 29 april 2015. In dat vonnis is [gedaagde partij] in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de hoogte van het te vergoeden deel van de buitengerechtelijke incassokosten. Deze rechtbank houdt hiervoor in gevallen als deze de norm aan dat vergoed wordt

2.21.

[gedaagde partij] geeft een uitvoerige beschrijving van werkzaamheden die Leaseproces heeft verricht en die er uiteindelijk toe leiden dat Dexia aan [gedaagde partij] een betaling moet doen. Een deel van die werkzaamheden is aan te merken als werkzaamheden ter instructie van de zaak waarvoor de artikelen 237 - 241 Rv, aangezien thans een procedure aanhangig is, een vergoeding plegen in te sluiten. Een deel ziet echter ook op werkzaamheden die niet zijn aan te merken als handelingen verricht ter instructie van de zaak. Voor die werkzaamheden dient Dexia [gedaagde partij] alsnog een vergoeding te betalen. Dat deze werkzaamheden deels een gestandaardiseerde vorm aannamen, zoals Dexia betoogt, doet daaraan niet af. Deze werkzaamheden zijn mede verricht met het oog op het individuele belang van [gedaagde partij] en zijn, waar nodig met het oog op dat belang, geïndividualiseerd.

2.22.

De kantonrechter acht het, gelet op de bijzondere offertestructuur van Leaseproces, redelijk om, in afwijking van de staffel kanton, aansluiting te zoeken bij het werkelijke betaalde of nog te betalen bedrag aan Leaseproces. Dexia zal een deel van het door [gedaagde partij] aan Leaseproces betaalde of nog te betalen bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten moeten vergoeden. Dit deel stelt de kantonrechter vast op 70% van het door [gedaagde partij] , aan Leaseproces verschuldigde bedrag.

2.23.

Hierbij stelt de kantonrechter wel de eis dat [gedaagde partij] niet verwijst naar het door Leaseproces gehanteerde systeem, maar concreet aangeeft welke bedragen hem buiten wat voor de lopende procedure betaald is, in rekening is gebracht.

2.24.

[gedaagde partij] stelt € 125,00 aan Leaseproces te hebben betaald en haar over de eerste € 10.000,00 van het eindresultaat van deze procedure 30%, verschuldigd te zijn, over de daaropvolgende € 10.000,00 20% en over de daarop volgende € 10.000,00 10%. Hierbij legt [gedaagde partij] een factuur over voor genoemd bedrag van € 125,00. Gelet op het voorgaande dient Dexia [gedaagde partij] hiervan 70%, zijnde € 87,50, te vergoeden.

2.25.

Het voorgaande leidt tot de hierna te geven beslissing. Dexia is in overwegende mate in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten.

3 De beslissing

De kantonrechter

3.1.

verklaart voor recht dat Dexia ten aanzien van de tussen haar en [gedaagde partij] gesloten lease-overeenkomsten met nummers [contractnummers] niets meer aan [gedaagde partij] is verschuldigd wanneer Dexia aan [gedaagde partij] heeft voldaan de bedragen van zijn inleg en restschuld steeds met rente vanaf de datum waarop de betaling aan Dexia is gedaan tot aan de dag van algehele voldoening, alsmede een bedrag van € 87,50, op welk door Dexia te betalen bedrag in mindering dient te worden gebracht hetgeen reeds door Dexia aan [gedaagde partij] is betaald met rente vanaf de dag van betaling aan [gedaagde partij] tot aan de dag van algehele vergoeding, alsmede het door [gedaagde partij] genoten inkomensbelastingvoordeel, berekend op de wijze zoals aangegeven in overweging 2.17 van dit vonnis,

3.2.

veroordeelt Dexia in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van [gedaagde partij] begroot op € 600,00 aan salaris voor de gemachtigde,

3.3.

verklaart de proceskostenveroordeling onder 3.2 uitvoerbaar bij voorraad,

3.4.

Wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. J.D.A. den Tonkelaar en in het openbaar uitgesproken op