Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:1560

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
20-03-2017
Datum publicatie
23-03-2017
Zaaknummer
C/05/315994 / KG RK 17/189
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking rechter-commissaris. Klachten betreffen inhoudelijke, procedurele beslissingen. De juistheid van deze beslissingen kan op zichzelf niet door middel van een wrakingsverzoek aan de orde worden gesteld. Geen concrete feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat de rechter bij het geven van die beslissingen vooringenomen was tegen verzoeker of dat objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor bestond. Beslissingen zijn ook niet zozeer onbegrijpelijk dat de schijn wordt gewekt dat zij door vooringenomenheid zijn ingegeven, ook niet als de beslissingen in samenhang of ‘opeengestapeld’ worden bezien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Wrakingskamer

zaaknummer: C/05/315994 / KG RK 17/189

Beschikking van 20 maart 2017

van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van

[verzoeker] ,

thans gedetineerd in de PI Grave te Grave,

hierna te noemen: verzoeker,

strekkende tot de wraking van

mr. [naam],

rechter in deze rechtbank,

hierna te noemen: de rechter.

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het proces-verbaal getuigenverhoor van 16 februari 2017, waarin het mondelinge

wrakingsverzoek is vermeld;

  • -

    het proces-verbaal van wraking van de rechter van 16 februari 2017;

  • -

    het schriftelijke wrakingsverzoek met bijlagen van 22 februari 2017;

  • -

    het schriftelijke verweer met bijlagen van de rechter van 3 maart 2017;

  • -

    de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling op 13 maart 2017.

1.2

Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen:

- de raadsman van verzoeker, mr. A.H. Staring, advocaat te Arnhem;

- de rechter.

2 Het wrakingsverzoek

2.1

Het verzoek strekt tot wraking van de rechter als rechter-commissaris belast met

de behandeling van strafzaken in deze rechtbank in de zaak van het Openbaar Ministerie tegen verzoeker met parketnummer 05/780163-16 en RC-nummer 16/1867.

2.2

Verzoeker heeft blijkens het schriftelijke wrakingsverzoek met bijlagen, zoals nader toegelicht tijdens de mondelinge behandeling, samengevat het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd. Er is sprake van een opeenstapeling van incidenten met betrekking tot de rechter in deze zaak, te weten:

1) Verzoeker wordt ervan verdacht op 27 september 2016 tezamen en in vereniging met een ander iemand te hebben vermoord. Binnen 24 uur na het overlijden van het slachtoffer heeft de raadsman van verzoeker zich op 27 september 2016 als zodanig gesteld. Daarbij heeft hij ook uitdrukkelijk verzocht om op de hoogte te worden gehouden van ontwikkelingen omtrent de voortgang van het onderzoek. Op 28 september 2016 heeft de raadsman uit andere bron dan het Openbaar Ministerie moeten vernemen dat het lichaam van het slachtoffer was vrijgegeven. De raadsman heeft de rechter verzocht in deze de regie ter hand te nemen en in het kader daarvan de officier van justitie te gelasten per omgaande het lichaam weer beschikbaar te stellen voor het onderzoek. De rechter heeft echter bericht dat zij geen aanleiding ziet te interveniëren. Ten onrechte, zo stelt verzoeker. De rechter was ambtshalve vanaf het begin van het onderzoek betrokken en uit dien hoofde geïnformeerd over de stand van het onderzoek. Onduidelijk zijn de redenen waarom de rechter geen aanleiding heeft gezien te interveniëren. Kennelijk had de rechter haar oordeel over het verdedigingsbelang bij een eventueel nader onderzoek aan het lichaam van het slachtoffer al klaar.

2) Op 10 november 2016 heeft de raadsman bij de rechter onderzoekwensen ingediend. Onder meer is verzocht de partner van het slachtoffer als getuige te horen. Bij beschikking van 5 december 2016 heeft de rechter de onderzoekwensen deels afgewezen, waaronder het verzoek om de partner van het slachtoffer als getuige te doen horen. Op 12 december 2016 heeft de raadsman verzocht om verduidelijking van deze beschikking. Ook zijn aanvullende onderzoekwensen ingediend. Nadat de officier van justitie hierop heeft gereageerd, heeft de raadsman de rechter nogmaals verzocht om duidelijkheid te verschaffen. Op 15 december 2016 heeft de rechter medegedeeld dat zij geen duidelijkheid wenst te geven over de door haar genomen beschikking en evenmin een beslissing wenst te nemen op de aanvullende verzoeken van de raadsman. Verzoeker heeft vervolgens bezwaar gemaakt tegen de beslissing tot afwijzing van het als getuige doen horen van de partner van het slachtoffer. Bij beschikking van 6 januari 2016 is het bezwaarschrift gegrond verklaard en is deze getuige alsnog door de rechtbank toegewezen. Verzoeker kan tot geen andere conclusie komen dan dat de rechter zich geheel heeft laten meevoeren in de foutieve beweringen van de officier van justitie. Zij heeft ten onrechte niet verzocht om een proces‑verbaal van het onderzoek. Verzoeker voelt zich door de rechter niet gekend in zijn recht op een eerlijk proces.

3) Tijdens het verhoor van de partner van het slachtoffer op 16 februari 2017 heeft de rechter de officier van justitie ten onrechte in de gelegenheid willen stellen deze getuige te horen over hetgeen er op de plaats delict is gebeurd. De raadsman heeft reeds op 10 november 2016 op dit punt een voorbehoud gemaakt. Zonder onderzoeksresultaten met betrekking tot het onderzoek plaats delict en het onderzoek aan de in beslag genomen gegevensdragers/mobiele telefoons kan de verdediging de door deze getuige bij de politie afgelegde verklaring niet controleren. Omdat verzoeker ervan uitgaat dat vast staat dat deze onderzoeken zijn afgerond, heeft de raadsman herhaaldelijk bij de officier van justitie verzocht om stukken c.q. onderzoeksresultaten. De officier van justitie heeft echter nooit gereageerd. Het niet nemen van een beslissing op een gemotiveerd verzoek om specifieke stukken staat volgens verzoeker gelijk aan een beslissing tot onthouding van stukken. De raadsman heeft daarom bij de rechter bezwaar gemaakt tegen het impliciet onthouden van specifieke stukken. De rechter heeft hierop niet gereageerd, waardoor zij willens en wetens de situatie van een ongelijk speelveld heeft laten bestaan. Door vervolgens de officier van justitie tijdens het verhoor op 16 februari 2017 alle gelegenheid te geven de partner van het slachtoffer vragen te stellen over al hetgeen er op de plaats delict is gebeurd, houdt de rechter geen rekening met het beginsel van interne openbaarheid en daarmee evenmin met het beginsel van equality of arms. Bovendien onderkent de rechter duidelijk niet het recht van verzoeker op een eerlijk proces. Zij acht het kennelijk belangwekkender dat de officier van justitie al zijn vragen kan stellen ondanks de informatieachterstand aan de zijde van verzoeker.

Resumerend is verzoeker dan ook van mening dat de rechter partijdig dan wel vooringenomen is, althans dat de rechter blijk heeft gegeven van een zekere partijdigheid dan wel vooringenomenheid.

2.3

De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft zowel schriftelijk als mondeling ter zitting van de wrakingskamer verweer gevoerd. Dat verweer wordt hierna voor zover nodig besproken.

3 De beoordeling

3.1

Wraking van een rechter is slechts mogelijk op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan kan sprake zijn indien de rechter jegens een partij vooringenomen is of indien de vrees van een partij daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Bij de beoordeling daarvan moet voorop staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat bij die partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (HR 24 oktober 1995 NJ 1996, 484). Uit de artikelen 512 en 513 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) en het vermoeden van onpartijdigheid volgt dat de verzoeker concrete feiten en omstandigheden moet aanvoeren waaruit objectief afgeleid kan worden dat de rechter jegens een partij vooringenomen is of de vrees van een partij dat dat zo is objectief gerechtvaardigd is. Met inachtneming hiervan overweegt de rechtbank verder het volgende.

3.2

De klachten van verzoeker zijn in wezen gericht tegen de beslissing van de rechter om 1) niet de regie ter hand te nemen en de officier van justitie te gelasten het lichaam weer beschikbaar te stellen voor het onderzoek, 2) de onderzoekwensen van de raadsman van verzoeker deels af te wijzen, waaronder het verzoek om de partner van het slachtoffer als getuige te horen en 3) tijdens het verhoor van de partner van het slachtoffer de officier van justitie niet te beletten de getuige vragen te stellen over al hetgeen er op de plaats delict is gebeurd. De juistheid van deze inhoudelijke, procedurele beslissingen kan op zichzelf niet door middel van een wrakingsverzoek aan de orde worden gesteld. Dat kan alleen door – daar waar mogelijk – een rechtsmiddel (zoals verzet of hoger beroep) tegen die beslissingen aan te wenden, hetgeen verzoeker ook met succes heeft gedaan met betrekking tot de weigering van de rechter om de partner van het slachtoffer als getuige te horen.

3.3

Concrete feiten en omstandigheden waaruit volgt dat de rechter bij het geven van genoemde, door haar gemotiveerde beslissingen vooringenomen was tegen verzoeker of dat objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor bestond, heeft verzoeker niet aangevoerd. Uit het enkele feit dat de rechter in het nadeel van verzoeker heeft beslist kan de rechtbank dat niet afleiden. Ook is de rechtbank niet gebleken dat de beslissingen van de rechter zozeer onbegrijpelijk zijn, dat de schijn wordt gewekt dat zij door vooringenomenheid zijn ingegeven, ook niet als de beslissingen in samenhang of ‘opeengestapeld’ worden bezien.

3.4

De slotsom is dat het verzoek zal worden afgewezen.

4 De beslissing

De rechtbank

wijst het verzoek tot wraking af.

Deze beschikking is gegeven door mr. T.P.E.E. van Groeningen, voorzitter, en

mrs. N.C. van Lookeren Campagne en S. Djebali, rechters, en in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. van Gameren uitgesproken op 20 maart 2017.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.