Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:1559

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
23-03-2017
Datum publicatie
23-03-2017
Zaaknummer
05/820049-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot een taakstraf van 240 uur en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van 12 maanden, wegens overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/820049-16

Datum uitspraak : 23 maart 2017

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1993 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , [woonplaats] .

Raadsman: mr. D.J.P. van Barneveld, advocaat te Oosterbeek.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 maart 2017.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Primair

hij op of omstreeks 19 februari 2016 te Vaassen in de gemeente Epe, als

verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig,

(bedrijfsauto/bestelauto) komende vanuit de richting Terwolde en gaande in de

richting Vaassen, daarmee rijdende op de weg, de Geerstraat

zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

terwijl ter hoogte van de kruising van de Geerstraat en de Ganzenebbeweg,

gezien zijn, verdachtes rijrichting het zicht naar links voor hem, verdachte

niet op ernstige wijze werd belemmerd en/of

terwijl hij, verdachte de wegsituatie goed kende,

in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeerregels en

verkeertekens 1990 niet de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde

motorrijtuig (bedrijfsauto/bestelauto) zodanig heeft geregeld dat hij,

verdachte in staat was dat motorrijtuig (bedrijfsauto/bestelauto) tot

stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte die weg (de

Geerstraat) en/of die kruising kon overzien en waarover deze vrij was/waren

en/of bij het op- en overrijden van voormelde kruising, gezien zijn, verdachtes

rijrichting naar links in de richting van die Ganzenebbeweg is afgeslagen,

waarbij hij, verdachte "de binnenbocht" heeft genomen en in strijd met het

gestelde in artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990,

niet zoveel mogelijk rechts heeft gehouden en/of

gezien zijn, verdachtes rijrichting geheel of gedeeltelijk met voormeld

motorrijtuig (bedrijfsauto/bestelauto)op het voor het tegemoetkomend verkeer

bestemde weggedeelte van die Ganzenebbeweg is terechtgekomen en/of

is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een gezien zijn,

verdachtes rijrichting, dicht van links genaderd zijnde fiets en/of de

bestuurster van die fiets, -die gezien haar rijrichting, aan de rechterzijde

over die Ganzenebbeweg reed en/of doende was die kruising op te rijden-, ten

gevolge waarvan die bestuurster van die fiets ten val is gekomen,

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] )

werd gedood;

Subsidiair

hij op of omstreeks 19 februari 2016 te Vaassen in de gemeente Epe, als

bestuurder van een motorrijtuig, (bedrijfsauto/bestelauto) komende vanuit de

richting Terwolde en gaande in de richting Vaassen, daarmee heeft gereden op

de weg, de Geerstraat en

gekomen op of nabij de kruising van de Geerstraat en de Ganzenebbeweg,

bij het op- en overrijden van de kruising van de Geerstraat en de

Ganzenebbeweg, gezien zijn, verdachtes rijrichting naar links in de richting

van die Ganzenebbeweg is afgeslagen, waarbij hij, verdachte "de binnenbocht"

heeft genomen en in strijd met het gestelde in artikel 3 van het Reglement

verkeersregels en verkeerstekens 1990, niet zoveel mogelijk rechts heeft

gehouden en/of

gezien zijn, verdachtes rijrichting geheel of gedeeltelijk met voormeld

motorrijtuig (bedrijfsauto/bestelauto)op het voor het tegemoetkomend verkeer

bestemde weggedeelte van die Ganzenebbeweg is terechtgekomen en/of

is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een gezien zijn,

verdachtes rijrichting, dicht van links genaderd zijnde fiets en/of de

bestuurster van die fiets, -die gezien haar rijrichting, aan de rechterzijde

over die Ganzenebbeweg reed en/of doende was die kruising op te rijden-, ten

gevolge waarvan die bestuurster van die fiets ten val is gekomen,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 19 februari 2016 heeft in Vaassen, gemeente Epe, op de kruising van de Geerstraat en de Ganzenebbeweg een verkeersongeval plaatsgevonden tussen een Volkswagen Caddy (hierna: Caddy) en een fiets. Verdachte bestuurde de Caddy.2 De fiets werd bestuurd door

[slachtoffer] .3 [slachtoffer] is als gevolg van het verkeersongeval overleden.4

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit. Volgens hem was bij verdachte ten minste sprake van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Verdachte kende de verkeerssituatie ter plekke en heeft, toen hij linksaf sloeg, de binnenbocht genomen. Hierbij heeft hij [slachtoffer] aangereden, waardoor zij is komen te overlijden. Verdachte heeft verklaard dat sprake was een laagstaande zon en dat hij dit al merkte toen hij nog op de Geerstraat reed. Hij had daarom extra voorzichtig moeten zijn.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Volgens hem kan niet worden bewezen dat verdachte onvoldoende rechts heeft gehouden toen hij de bocht nam. Het proces-verbaal van VerkeersOngevalsAnalyse beschrijft weliswaar dat dit de meest waarschijnlijke oorzaak is van het ongeval, maar dat is onvoldoende voor een bewezenverklaring. Bij de beoordeling moet ook de plek waar het slachtoffer terecht is gekomen worden meegenomen en het feit dat de linker voorzijde van de Caddy waarschijnlijk de linker trapper van de fiets van het slachtoffer heeft geraakt. De aanrijding zou dan verder van de kruising hebben plaatsgevonden en, vanuit de rijrichting van verdachte bezien, meer naar rechts op het wegdek. Ook kan niet worden bewezen dat verdachte zijn snelheid niet zo heeft geregeld dat hij in staat was om de Caddy tot stilstand te brengen binnen een afstand waarover hij de kruising kon overzien. Verdachte heeft niet zo gereden dat het maken van fouten in de hand werd gewerkt. Daarom moet hij worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde. Ook heeft verdachte niet zo gereden dat sprake was van het veroorzaken van risico of een reële kans op een ongeval. Daarom heeft hij zich ook niet schuldig gemaakt aan het subsidiair ten laste gelegde.


De beoordeling door de rechtbank

De vraag die allereerst beantwoord moet worden is of verdachte door zijn verkeersgedrag artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) heeft overtreden. Om tot het oordeel te komen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de WVW, is vereist dat het rijgedrag van verdachte ten minste zeer dan wel aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam was. Daarvoor moet beoordeeld worden of sprake was van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Daarbij geldt dat in zijn algemeenheid niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van schuld in vorenbedoelde zin. Gekeken moet worden naar het geheel van gedragingen van verdachte, naar de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en ook naar de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Daarnaast geldt dat niet enkel uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de WVW.

Verdachte heeft verklaard dat hij op de Geerstraat in de richting van Vaassen reed, komende uit de richting van Terwolde. Er was een felle zon. Verdachte had de zon al van links in zijn gezicht toen hij vanuit de richting van Terwolde richting de Ganzenebbeweg reed. Hij reed met ongeveer 40 á 50 kilometer per uur. Aan de linkerkant bij de Geerstraat en bij de kruising met de Ganzenebbeweg stonden bomen. Ook zijn er hoge struiken aan diezelfde linker kant. Daardoor is het, rijdende over de Geerstraat komende vanuit Terwolde, niet mogelijk om ver vooraf al de Ganzenebbeweg in te kijken. Voordat verdachte linksaf wilde slaan naar de Ganzenebbeweg, remde hij af. Hij schakelde van de derde naar de tweede versnelling en draaide het stuur naar links. Volgens verdachte rijden best veel fietsers vanuit Apeldoorn op die weg en er komen ook regelmatig auto’s voor de carpoolplaats. Verdachte zag van links niets aankomen. Toen hij linksaf de Ganzenebbeweg op draaide kreeg hij meteen de zon vol in zijn gezicht. Daardoor zag hij meteen niets meer en werd hij verblind door de zon. Verdachte hoorde toen meteen een harde klap aan de linker voorzijde. Ter hoogte van de linker spiegel zag hij een vrouw. Zij viel achterover op het wegdek.5

Verdachte heeft verder verklaard dat hij in de buurt van de plaats van het ongeval woont en gewend is om de bocht van de Geerstraat naar de Ganzenebbeweg te nemen.6

Verbalisanten hebben een VerkeersOngevalsAnalyse gemaakt (hierna: VOA). Daaruit volgt het volgende.

Verdachte reed over de Geerstraat en heeft ter hoogte van de Ganzenebbeweg naar links gestuurd. Tijdens het nemen van de bocht heeft hij krachtig geremd. De banden van de Caddy lieten daarbij sporen met een lengte van ongeveer 7,5 meter op het wegdek achter. De sporen eindigden onder de voorwielen van de Caddy. In de sporen waren enkele krassen zichtbaar, kennelijk door op de weg liggende steentjes.

De linker voorzijde van de Caddy was beschadigd. Het gedeelte onder de bumper vertoonde een schade die overeenkwam met de vorm van een trapas. De trapper die op de trapas van de fiets van het slachtoffer gemonteerd was voor de aanrijding, is mogelijk door de aanrijding losgeraakt. De trapper lag op de plaats van de aanrijding, los van de fiets. Uit de schade is te herleiden dat de aanrijding tussen de fiets en de Caddy in rechte lijn, frontaal heeft plaatsgevonden.7

Gelet op de aangetroffen sporen op de plaats van de aanrijding, is het waarschijnlijk dat de bestuurder van de fiets (hierna: slachtoffer) op de Ganzenebbeweg aan de rechterzijde van de weg heeft gereden.8 Verbalisanten zagen dat de aanrijding tegen de fiets, waarschijnlijk met de linker voorzijde van de Caddy tegen de linker trapper van de fiets was begonnen.9

Beschreven is dat het tijdens het ongeval droog en zonnig was.10

Gelet op het voorgaande, is de meest waarschijnlijke oorzaak van het ongeval volgens verbalisanten dat verdachte bij het nemen van de bocht onvoldoende rechts heeft gehouden en dat hij dus de binnenbocht heeft genomen. Verdachte kan tijdens het rijden op de Geerstraat hinder hebben ondervonden van de in zijn richting schijnende zon en daardoor de fietser te laat hebben opgemerkt, maar had de bocht echter ruim kunnen nemen. Hij was in dat geval niet op het voor het slachtoffer bestemde weggedeelte terecht gekomen.

De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de resultaten van de VOA en acht op basis daarvan bewezen dat verdachte de binnenbocht heeft genomen. Door onvoldoende rechts te houden, heeft hij artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV) overtreden.

De rechtbank overweegt verder als volgt.

Zoals volgt uit de hierboven aangehaalde verklaring van verdachte, kende verdachte de kruising van de Geerstraat met de Ganzenebbeweg en wist hij dat er veel fietsers en auto’s reden. Verdachte merkte al op de Geerstraat dat sprake was van een felle zon. De zon scheen hem toen van links in zijn gezicht. Verdachte reed ongeveer 40 á 50 kilometer per uur en heeft teruggeschakeld naar de tweede versnelling voordat hij de bocht linksaf naar de Ganzenebbeweg nam. Niet is komen vast te staan dat ter hoogte van de kruising verdachtes zicht naar links op ernstige wijze werd belemmerd. Verdachte heeft [slachtoffer] echter niet op de Ganzenebbeweg zien fietsen. Op de weg is tot onder de voorwielen van de Caddy een remspoor van ongeveer 7,5 meter afgetekend. Verdachte heeft dus krachtig moeten remmen om de Caddy tot stilstand te brengen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte, nu hij door bomen en struiken langs de Geerstraat niet al ver voor de kruising de Ganzenebbeweg kon overzien, en zeker nu hij op de Geerstraat al wist dat sprake was van een felle zon, bij het kruispunt voorzichtiger had moeten zijn. Naast dat hij de bocht ruimer had moeten nemen, had hij voor het kruispunt ten minste stapvoets moeten rijden, om er zeker van te zijn of er sprake was van verkeer op de Ganzenebbeweg. Door dit niet te doen, heeft verdachte de snelheid van de Caddy niet zo geregeld dat hij in staat was de Caddy tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de kruising kon overzien en waarover de kruising vrij was. Hij heeft daarmee artikel 19 van het RVV overtreden.

Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is van aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam rijgedrag, waardoor verdachte een ongeval heeft veroorzaakt. Zoals hiervoor vermeld, staat vast dat [slachtoffer] als gevolg van het ongeval is overleden. Verdachte heeft zich hierdoor schuldig gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

Primair

hij op of omstreeks 19 februari 2016 te Vaassen in de gemeente Epe, als

verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig,

(bedrijfsauto/bestelauto) komende vanuit de richting Terwolde en gaande in de

richting Vaassen, daarmee rijdende op de weg, de Geerstraat

zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

terwijl ter hoogte van de kruising van de Geerstraat en de Ganzenebbeweg,

gezien zijn, verdachtes rijrichting het zicht naar links voor hem, verdachte

niet op ernstige wijze werd belemmerd en/of

terwijl hij, verdachte de wegsituatie goed kende,

in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeerregels en

verkeertekens 1990 niet de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde

motorrijtuig (bedrijfsauto/bestelauto) zodanig heeft geregeld dat hij,

verdachte in staat was dat motorrijtuig (bedrijfsauto/bestelauto) tot

stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte die weg (de

Geerstraat) en/of die kruising kon overzien en waarover deze vrij was/waren

en/of bij het op- en overrijden van voormelde kruising, gezien zijn, verdachtes

rijrichting naar links in de richting van die Ganzenebbeweg is afgeslagen,

waarbij hij, verdachte "de binnenbocht" heeft genomen en in strijd met het

gestelde in artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990,

niet zoveel mogelijk rechts heeft gehouden en/of

gezien zijn, verdachtes rijrichting geheel of gedeeltelijk met voormeld

motorrijtuig (bedrijfsauto/bestelauto)op het voor het tegemoetkomend verkeer

bestemde weggedeelte van die Ganzenebbeweg is terechtgekomen en/of

is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een gezien zijn,

verdachtes rijrichting, dicht van links genaderd zijnde fiets en/of de

bestuurster van die fiets, -die gezien haar rijrichting, aan de rechterzijde

over die Ganzenebbeweg reed en/of doende was die kruising op te rijden-, ten

gevolge waarvan die bestuurster van die fiets ten val is gekomen,

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] )

werd gedood.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde :

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur, subsidiair 120 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van één jaar, met een proeftijd van 3 jaren. De officier van justitie heeft aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Omdat verdachte zijn baan dreigt te verliezen bij een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid, heeft de officier van justitie gevorderd dat de ontzegging voorwaardelijk moet worden opgelegd. Daarnaast heeft verdachte niet eerder de Wegenverkeerswet overtreden. De officier van justitie heeft benadrukt dat het feit verschrikkelijke gevolgen heeft voor de nabestaanden van [slachtoffer] . Hun leed zal door het opleggen van een straf aan verdachte niet worden weggenomen. Aan de andere kant heeft het feit ook verdachtes leven veranderd. Hij heeft geen dodelijk ongeval willen veroorzaken.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht rekening te houden met het feit dat verdachte op het gebied van de Wegenverkeerswet een first offender is en dat het feit ook voor verdachte een grote impact heeft gehad. Verdachte kampte na het ongeval met een Acute Stress Stoornis en heeft daarvoor EMDR-therapie gehad. Door een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid zal verdachte zijn baan verliezen. Daarnaast is verdachte bereid om via Slachtoffer in Beeld in contact te komen met de nabestaanden van [slachtoffer] . Verdachte is bereid om een taakstraf uit te voeren. Als de rechtbank toekomt aan het opleggen van een straf, vindt de raadsman de eis van de officier van justitie passend.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 16 januari 2017;

- een door de verdediging overgelegde verklaring van [naam 1] , werkgever van verdachte;

- een door de verdediging overgelegde brief van [naam 2] , behandelend psychotherapeut-systeemtherapeut.

De rechtbank houdt in het bijzonder rekening met het volgende.

Verdachte, toen 22 jaar, heeft als automobilist op 19 februari 2016 een verkeersongeval veroorzaakt. Hij is, terwijl sprake was van een felle deels in zijn richting schijnende zon, zonder voldoende af te remmen een kruispunt opgereden en heeft hierbij de binnenbocht genomen. Hierbij heeft hij de fietser, [slachtoffer] , aangereden. [slachtoffer] is als gevolg daarvan overleden. Dit is een heel ernstige gebeurtenis, met grote gevolgen voor de nabestaanden van het slachtoffer. De nabestaanden hebben deze gevolgen ter terechtzitting onder woorden gebracht in een slachtofferverklaring. De rechtbank begrijpt dat geen enkele strafmodaliteit het leed van de nabestaanden weg kan nemen.

De rechtbank heeft begrepen dat het feit ook een grote impact op verdachte heeft gehad. Bij verdachte is als gevolg van het ongeval een Acute Stress Stoornis geconstateerd. Deze mentale schade heeft zijn weerslag gehad op het functioneren van verdachte. Hij heeft verschillende gesprekken gehad met een psychotherapeut-systeemtherapeut en heeft zes keer EMDR-therapie ondergaan. Verdachte is, nadat dit contact eerder is misgelopen, bereid om via Slachtoffer in Beeld opnieuw met de nabestaanden van [slachtoffer] in contact te treden.

De rechtbank acht de door de officier van justitie geëiste straf passend en ziet geen reden om daarvan af te wijken. Zij zal aan verdachte een taakstraf van 240 uur, subsidiair 120 dagen hechtenis opleggen. Daarnaast wordt een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van 12 maanden opgelegd. De rechtbank heeft daarbij rekening gehouden met het feit dat verdachtes werkgever heeft aangegeven dat verdachte zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk als kraammachinist. De voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid dient tevens als middel om verdachte zich extra bewust te laten zijn van de in het verkeer in acht te nemen benodigde voorzichtigheid en oplettendheid om herhaling te voorkomen. De proeftijd wordt bepaald op 3 jaren.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175, 176, 178 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een taakstraf gedurende 240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;

 ontzegt verdachte ten aanzien van het primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 (twaalf) maanden;

 bepaalt dat deze bijkomende straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 3 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.J.M. van Apeldoorn (voorzitter), mr. D.S.M. Bak en mr. E.M. Vermeulen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Kolkman, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 maart 2017.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2016086090-1, gesloten op 15 april 2016 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van aanrijding misdrijf, p. 2 en 3 en de verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 9 maart 2017.

3 Proces-verbaal van aanrijding misdrijf, p. 4.

4 Schouwverslag door forensisch arts [naam 3] van GGD IJsselland, gedateerd 21 februari 2016, p. 1 van 2.

5 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 52.

6 De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 9 maart 2017.

7 Proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, p. 26.

8 Proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, p. 26.

9 Proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, p. 26 en 27.

10 Proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, p. 25.