Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:1558

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
23-03-2017
Datum publicatie
23-03-2017
Zaaknummer
05/820022-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot een taakstraf van 200 uur en ontzegging van de rijbevoegdheid van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, wegens overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/820022-16

Datum uitspraak : 23 maart 2017

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1944 te [geboorteplaats] , wonende [adres] , [woonplaats]

Raadsman: mr. M.U. Özsüren, advocaat te Harderwijk.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 maart 2017.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Primair

hij op of omstreeks 13 januari 2016 te Harderwijk in de gemeente Harderwijk

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Langekamp, komende uit de richting van de Newtonweg en gaande in de richting van de kruising van de wegen, de Langekamp en de Boomkamp (de Boomkamp, zijnde een tweezijdig (verplicht)fietspad),

zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

terwijl voor voormelde kruising aan weerszijde van die weg, de Langekamp in zijn, verdachtes rijrichting gekeerde borden B6 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, inhoudende: "Verleen voorrang aan de bestuurders op de kruisende weg", waren geplaatst, en/of

terwijl direct voor die kruising op het wegdek van die weg, de Langekamp haaientanden, als bedoeld in artikel 80 van voormeld reglement, inhoudende: "Bestuurders moeten voorrang verlenen aan de bestuurders op de kruisende weg", waren aangebracht, en/of

terwijl verdachte goed bekend was met vorenstaande kruising (zijnde een "fietsoversteekplaats", die ter plaatse een verhoogd wegdek heeft en gemarkeerd is met een pianoklavierbelijning), en/of

terwijl het zicht voor hem, verdachte naar links en/of rechts op die kruisende

weg (de Boomkamp) niet werd belemmerd en/of hij, verdachte in de gelegenheid

was om het voor hem, verdachte van links en/of rechts over die kruisende weg

(de Boomkamp) naderende verkeer op grote of een behoorlijk afstand waar te

nemen, en/of

(daarbij) niet of in onvoldoende mate heeft gekeken en/of is blijven kijken of

over die (voorrangs)weg (de Boomkamp) verkeer naderde, en/of

(daarbij) in strijd met artikel 19 van voormeld reglement niet de snelheid van

dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) zodanig heeft

geregeld dat hij, verdachte in staat was dat motorrijtuig (personenauto) tot

stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg (de Langekamp)

en/of die kruising kon overzien en waarover deze vrij was/waren, en/of

zonder te stoppen en/of remmen die kruising is op- en/of overgereden, en/of

(daarbij) in strijd met voormelde borden B6 en/of voormelde haaientanden geen

voorrang heeft verleend aan de bestuurder van een over die kruisende

(voorrangs)weg, de Boomkamp rijdende, toen gezien, zijn verdachtes,

rijrichting dicht van links genaderd zijnde fiets, en/of

(vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met die over

die kruisende weg, de Boomkamp rijdende, toen dicht genaderd zijnde fiets

en/of de bestuurder van die fiets, ten gevolge waarvan die fietser ten val is

gekomen,

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander ( [slachtoffer] ) werd gedood,

welk feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij, verdachte, geen voorrang heeft verleend;

Subsidiair

hij op of omstreeks 13 januari 2016 te Harderwijk in de gemeente Harderwijk

als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), komende uit de richting

van de Newtonweg en/of gaande in de richting van de kruising van de wegen, de

Langekamp en de Boomkamp (de Boomkamp, zijnde een tweezijdig(verplicht)

fietspad), daarmede heeft gereden over de weg, de Langekamp en

terwijl voor voormelde kruising aan weerszijde van die weg, de Langekamp in zijn, verdachtes rijrichting gekeerde borden B6 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, inhoudende: "Verleen voorrang aan de bestuurders op de kruisende weg", waren geplaatst en/of

direct voor die kruising op het wegdek van die weg, de Langekamp haaientanden, als bedoeld in artikel 80 van voormeld reglement, inhoudende: "Bestuurders moeten voorrang verlenen aan de bestuurders op de kruisende weg", waren aangebracht en/of

terwijl verdachte goed bekend was met vorenstaande kruising (zijnde een

"fietsoversteekplaats" , die ter plaatse een verhoogd wegdek heeft en

gemarkeerd is met een pianoklavierbelijning),

zonder te stoppen en/of remmen die kruising is op- en/of overgereden en/of

in strijd met voormelde borden B6 en/of voormelde haaientanden geen voorrang heeft verleend aan de bestuurder van een over die kruisende (voorrangs)weg, de Boomkamp rijdende, toen gezien, zijn verdachtes, rijrichting dicht van links genaderd zijnde fiets en/of

is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met die over die kruisende weg, de Boomkamp rijdende, toen dicht genaderd zijnde fiets en/of de bestuurder van die fiets, ten gevolge waarvan die fietser ten val is gekomen,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 13 januari 2016 heeft in Harderwijk, op de kruising van de Langekamp en de Boomkamp, een verkeersongeval plaatsgevonden tussen een personenauto en een fiets.2 Verdachte bestuurde de auto en reed op de Langekamp.3 De fiets werd bestuurd door [slachtoffer] .4 Zij reed over de Boomkamp.5 Vanuit haar positie gezien werd zij van rechts door verdachte aangereden.6

[slachtoffer] is door de aanrijding ten val gekomen en is als gevolg van het verkeersongeval overleden.7

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit. Volgens hem heeft verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onachtzaam gereden, waardoor het slachtoffer is overleden. Het verkeersongeval heeft plaatsgevonden op een overzichtelijk punt. Het zicht van verdachte werd niet belemmerd. Op het wegdek zijn duidelijke markeringen aangebracht en langs de weg stonden verkeersborden. Verdachte heeft deze signalen genegeerd en heeft geen voorrang verleend aan het slachtoffer. Verdachte kende het punt. Van een verkeersdeelnemer mag worden verwacht dat hij goed kijkt of de weg vrij is en dat hij anticipeert.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van het primair ten laste gelegde vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het politieonderzoek onvoldoende zekerheid geeft over wat er precies gebeurd is en welk aandeel verdachte daarin heeft gehad. Zo staat niet vast met welke snelheden verdachte en het slachtoffer hebben gereden. Het slachtoffer reed op een elektrische fiets en had daardoor een hogere snelheid dan de gemiddelde fietser. Daarnaast zijn op het wegdek geen sporen aangetroffen, zodat de plek van de aanrijding niet precies kan worden vastgesteld. In de VerkeersOngevalsAnalyse (hierna: VOA) wordt aangenomen dat het slachtoffer zich op het moment van de aanrijding voor de auto van verdachte bevond, maar onduidelijk is waarop dit is gebaseerd. Verder is niet onderzocht hoe lang verdachte zicht kon hebben op het slachtoffer. Sprake kan zijn geweest van een momentane onoplettendheid. Het betreffende kruispunt is in de gemeente Harderwijk als verkeersonveilig aangemerkt.

Bij gebrek aan inzicht in de toedracht van het ongeval, kan ook niet worden beoordeeld of en in hoeverre verdachte een gevaar op de weg heeft veroorzaakt. Daarbij hoeft een enkele overtreding van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV) niet te betekenen dat sprake is van een overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW). Daarom moet verdachte ook van het subsidiair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

De beoordeling door de rechtbank

De vraag die allereerst beantwoord moet worden is of verdachte door zijn verkeersgedrag artikel 6 van de WVW heeft overtreden. Om tot het oordeel te komen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de WVW, is vereist dat het rijgedrag van verdachte roekeloos dan wel zeer of aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam was. Daarvoor moet beoordeeld worden of sprake was van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Daarbij geldt dat in zijn algemeenheid niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van schuld in vorenbedoelde zin. Gekeken moet worden naar het geheel van gedragingen van verdachte, naar de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en ook naar de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Daarnaast geldt dat niet enkel uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de WVW.

Verdachte heeft verklaard dat hij bekend is met de plek van het ongeval.8 Hij had vanuit de auto goed zicht op het kruispunt. Er waren geen obstakels.9 Toen hij de fietsoversteekplaats naderde, heeft hij zijn snelheid verminderd tot ongeveer 20 tot 30 kilometer per uur of 20 tot 25 kilometer per uur.10 Hij heeft zijn voet van het gaspedaal gehaald, maar is niet stil gaan staan.11 Kort voordat hij de fietsoversteekplaats op reed, keek hij naar links en rechts. Hij heeft geen fietser gezien. Hij is toen doorgereden. Toen hij de kruising opreed, zag hij een fietser kort voor zijn auto. De hele fiets was voor zijn auto. Verdachte kon een aanrijding niet meer voorkomen.12

Uit de VOA volgt het volgende.

De Boomkamp is een voorrangsweg. Het betreft een tweezijdig fietspad dat de Langekamp kruist.13 Verdachte is de kruising genaderd over de Langekamp. Hij kwam uit de richting van de Newtonweg.14 Aan beide zijden van de Langekamp stonden verkeersborden van het model B6, zoals bedoeld in bijlage 1 van het RVV. Met deze borden wordt het bestuurders op de Langekamp kenbaar gemaakt dat voorrang moet worden verleend op de kruisende weg, de Boomkamp.15 Het kruispunt is op het wegdek van de Langekamp voorzien van haaientanden. Het kruispunt is verhoogd aangelegd en gemarkeerd met pianoklavierbelijning.16 Vanuit de Langekamp bezien, zijn er geen objecten die het zicht richting de Boomkamp belemmeren.17

Door verbalisanten zijn geen remsporen aangetroffen.18

Zowel de auto als de fiets verkeerden in voldoende rij-technische staat van onderhoud en vertoonden, voor zover te beoordelen, geen gebreken hadden die eventueel de oorzaak van het ongeval zouden kunnen zijn geweest of daarvan op invloed hadden kunnen zijn.19 Tijdens het ongeval was het droog en helder.20

Gelet op het voorgaande, is de meest waarschijnlijke oorzaak van het ongeval volgens verbalisanten – zakelijk weergegeven – dat verdachte op de kruising geen voorrang heeft verleend aan het slachtoffer.

De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de resultaten van de VOA en is op basis van die resultaten en de verklaring van verdachte van oordeel dat verdachte, zonder daadwerkelijk te remmen of te stoppen, het kruispunt is opgereden. Hij heeft daarbij aan het slachtoffer ten onrechte geen voorrang heeft verleend. Verdachte heeft verklaard dat hij het kruispunt vanuit de auto goed kon overzien. De rechtbank gaat ervan uit dat hij behoorlijk de tijd had om het kruispunt te overzien. Verdachte heeft verklaard dat hij wel heeft gekeken of er sprake was van kruisende verkeersdeelnemers. Hij heeft [slachtoffer] echter niet gezien. Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat verdachte in onvoldoende mate heeft gekeken of is blijven kijken of op de Boomkamp sprake was van naderend verkeer. Van slechts een momentane onoplettendheid, zoals de raadsman stelt, is naar het oordeel van de rechtbank gelet op het voorgaande dan ook geen sprake.

De rechtbank merkt verder op dat het, gelet op de tenlastelegging, voor de beoordeling van de zaak niet ter zake doet hoe hard verdachte precies reed. Verdachte is de kruising opgereden en heeft daarbij het slachtoffer niet gezien. Daarmee heeft hij zijn snelheid niet zo geregeld dat hij in staat was om zijn auto tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de kruising kon overzien en waarover de kruising vrij was. Ook doet in dit geval niet ter zake hoe hard het slachtoffer fietste of dat zij gebruik maakte van een elektrische fiets. Van een automobilist mag worden verwacht dat hij anticipeert en daarbij tevens rekening houdt met – in dit geval – fietsers, die harder fietsen dan gebruikelijk. Daarbij weegt de rechtbank mee dat verdachtes zicht op de kruising vanuit zijn auto goed was. Evenmin is voor de beoordeling van de zaak van belang welke positie het slachtoffer precies had ten opzichte van de auto op het moment dat verdachte haar aanreed en of, zoals verdachte ter terechtzitting heeft gesteld, een deel van de schade aan de auto eerder dan het ongeval, op een ander manier, is ontstaan. Vast staat dat verdachte het slachtoffer, die fietste over de Boomkamp, voorrang had moeten verlenen en dit niet heeft gedaan, waardoor een aanrijding heeft plaatsgevonden. Niet ter discussie staat verder dat het slachtoffer naar aanleiding van het ongeval is overleden.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat sprake is van aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam rijgedrag, waardoor verdachte een ongeval heeft veroorzaakt. [slachtoffer] is als gevolg van het ongeval overleden. Verdachte heeft zich hierdoor schuldig gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

Primair

hij op of omstreeks 13 januari 2016 te Harderwijk in de gemeente Harderwijk

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Langekamp, komende uit de richting van de Newtonweg en gaande in de richting van de kruising van de wegen, de Langekamp en de Boomkamp (de Boomkamp, zijnde een tweezijdig (verplicht)fietspad),

zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

terwijl voor voormelde kruising aan weerszijde van die weg, de Langekamp in zijn, verdachtes rijrichting gekeerde borden B6 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, inhoudende: "Verleen voorrang aan de bestuurders op de kruisende weg", waren geplaatst, en/of

terwijl direct voor die kruising op het wegdek van die weg, de Langekamp haaientanden, als bedoeld in artikel 80 van voormeld reglement, inhoudende: "Bestuurders moeten voorrang verlenen aan de bestuurders op de kruisende weg", waren aangebracht, en/of

terwijl verdachte goed bekend was met vorenstaande kruising (zijnde een "fietsoversteekplaats", die ter plaatse een verhoogd wegdek heeft en gemarkeerd is met een pianoklavierbelijning), en/of

terwijl het zicht voor hem, verdachte naar links en/of rechts op die kruisende

weg (de Boomkamp) niet werd belemmerd en/of hij, verdachte in de gelegenheid

was om het voor hem, verdachte van links en/of rechts over die kruisende weg

(de Boomkamp) naderende verkeer op grote of een behoorlijk afstand waar te

nemen, en/of

(daarbij) niet of in onvoldoende mate heeft gekeken en/of is blijven kijken of

over die (voorrangs)weg (de Boomkamp) verkeer naderde, en/of

(daarbij) in strijd met artikel 19 van voormeld reglement niet de snelheid van

dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) zodanig heeft

geregeld dat hij, verdachte in staat was dat motorrijtuig (personenauto) tot

stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg (de Langekamp)

en/of die kruising kon overzien en waarover deze vrij was/waren, en/of

zonder te stoppen en/of te remmen die kruising is op- en/of overgereden, en/of

(daarbij) in strijd met voormelde borden B6 en/of voormelde haaientanden geen

voorrang heeft verleend aan de bestuurder van een over die kruisende

(voorrangs)weg, de Boomkamp rijdende, toen gezien, zijn verdachtes,

rijrichting dicht van links genaderd zijnde fiets, en/of

(vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met die over

die kruisende weg, de Boomkamp rijdende, toen dicht genaderd zijnde fiets

en/of de bestuurder van die fiets, ten gevolge waarvan die fietser ten val is

gekomen,

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander ( [slachtoffer] ) werd gedood,

welk feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij, verdachte, geen voorrang heeft verleend.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 200 uur, subsidiair 100 dagen hechtenis en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van 12 maanden, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs al ingevorderd is geweest. Een onderdeel van het verwijt aan verdachte is dat hij [slachtoffer] geen voorrang heeft verleend. Dat is een strafverzwarende grond als bedoeld in artikel 175, derde lid, van de WVW. De officier van justitie vindt echter niet dat aan verdachte een gevangenisstraf moet worden opgelegd. Hij heeft benadrukt dat het feit verschrikkelijke gevolgen heeft voor de nabestaanden van [slachtoffer] . Hun leed zal door het opleggen van een straf aan verdachte niet worden weggenomen. Aan de andere kant heeft het feit ook verdachtes leven veranderd. Hij heeft geen dodelijk ongeval willen veroorzaken.

Toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), zoals verzocht door de raadsman, is volgens de officier van justitie in een zaak als deze nooit op z’n plaats.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht om rekening te houden met het feit dat verdachte nog nooit met justitie in aanraking is geweest en dat het feit ook voor verdachte zorgt voor een emotionele belasting. Het verschijnen voor de rechtbank voelt voor verdachte als een straf op zichzelf. De doelen van het opleggen van een straf, zoals vergelding, generale- en speciale preventie, voegen daarom niets toe. Omdat verdachte voldoende is gestraft, heeft de raadsman de rechtbank verzocht om toepassing te geven aan artikel 9a Sr. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om aan verdachte een geheel voorwaardelijke straf op te leggen. Dit geldt eveneens voor een eventueel op te leggen ontzegging van de rijbevoegdheid.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 16 januari 2017.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het volgende.

Verdachte, toen 71 jaar, heeft als automobilist op 13 januari 2016 een verkeersongeval veroorzaakt. Verdachte heeft de hem kruisende fietser niet gezien en heeft haar ten onrechte geen voorrang gegeven, waardoor er een aanrijding heeft plaatsgevonden. De fietser, [slachtoffer] , is als gevolg daarvan overleden. Dit is een heel ernstige gebeurtenis, met grote gevolgen voor de nabestaanden van het slachtoffer. De nabestaanden hebben deze gevolgen onder woorden gebracht in een schriftelijke slachtofferverklaring. De rechtbank begrijpt dat geen enkele strafmodaliteit het leed van de nabestaanden weg kan nemen.

De rechtbank begrijpt ook dat verdachte geen dodelijk ongeval heeft willen veroorzaken en dat het ongeval ook op hem een grote impact heeft gehad. Hij heeft ter terechtzitting spijt betuigd en is na het ongeval in contact getreden met de nabestaanden van het slachtoffer. Hij heeft bovendien verder een blanco strafblad.

De raadsman heeft verzocht om toepassing te geven aan artikel 9a Sr. Een dergelijke schuldigverklaring zonder oplegging van straf is mogelijk in verband met de geringe ernst van het feit, de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan, dan wel omstandigheden die zich na het feit hebben voorgedaan. In dit geval is echter sprake van een ernstig feit. Verdachte heeft op zodanige manier gereden, namelijk aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam, dat hij een dodelijk ongeval heeft veroorzaakt. Hij heeft daarbij ten onrechte geen voorrang verleend aan de hem kruisende fietser, wat een strafverzwarende omstandigheid is in de zin van de WVW. De rechtbank ziet in de ernst van het feit dan ook geen reden om toepassing te geven aan artikel 9a Sr. De rechtbank ziet ook geen redenen in de persoon van de verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is begaan. Ook het feit dat verdachte na het ongeval in contact is getreden met de nabestaanden van het slachtoffer, maakt niet dat naar het oordeel van de rechtbank aan verdachte geen straf moet worden opgelegd. Verdachte heeft daarnaast ter terechtzitting verklaard dat hij zijn rijgedrag bij het betreffende kruispunt niet heeft aangepast.

Gelet op de ernst van het feit is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een deels onvoorwaardelijke straf moet worden opgelegd. Hoewel de strafverzwarende omstandigheid een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt, is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat verdachte niet de gevangenis in hoeft. De rechtbank acht de door de officier van justitie geëiste taakstraf passend en legt aan verdachte een taakstraf van 200 uur, subsidiair 100 dagen hechtenis op. Zij legt daarnaast een ontzegging van de rijbevoegdheid van 12 maanden op. Gelet op de omstandigheden waarin verdachte verkeert (verdachte is 72 jaar oud en heeft ter terechtzitting verklaard dat zijn vrouw geen rijbewijs heeft en dat hij de auto gebruikt om familie te bezoeken en boodschappen te doen) wordt een deel van de ontzegging van de rijbevoegdheid, groot 6 maanden, voorwaardelijk opgelegd. Dit voorwaardelijke deel dient tevens als middel om verdachte, als hij zijn rijbewijs terug heeft, zich extra bewust te laten zijn van de in het verkeer in acht te nemen benodigde voorzichtigheid en oplettendheid om herhaling te voorkomen. De proeftijd wordt bepaald op 2 jaren. De tijd dat het rijbewijs ingevorderd is geweest, wordt in mindering gebracht op de onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175, 176, 178 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een taakstraf gedurende 200 (tweehonderd) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 100 (honderd) dagen;

• ontzegt verdachte ten aanzien van het primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 (twaalf) maanden;

 bepaalt, dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de veroordeelde ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht;

• bepaalt dat een deel van deze bijkomende straf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.S.M. Bak (voorzitter), mr. C.J.M. van Apeldoorn en mr. E.M. Vermeulen , rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Kolkman, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 maart 2017.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] van de politie Oost Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2016021308, gesloten op 28 januari 2016 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van aanrijding misdrijf, p. 3 en 4 en de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 9 maart 2017.

3 Proces-verbaal van aanrijding misdrijf, p. 3 en de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 9 maart 2017.

4 Proces-verbaal van aanrijding misdrijf, p. 3 en 4.

5 Proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, p. 3 van 18.

6 Proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, p. 4 van 18.

7 Schouwverslag door forensisch arts [naam] van GGD IJsselland, gedateerd 13 januari 2016, p. 1 van 2 en het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 16.

8 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 14 en de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 9 maart 2017.

9 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 14.

10 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 10 en p. 13.

11 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 9 maart 2017.

12 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 10.

13 Proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, p. 3 van 18.

14 Proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, p. 3 van 18.

15 Proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, p. 3 van 18.

16 Proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, p. 3 van 18.

17 Proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, p. 3 van 18.

18 Proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, p. 3 van 18.

19 Proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, p. 4 van 18.

20 Proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, p. 3 van 18.