Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:1549

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
27-02-2017
Datum publicatie
23-03-2017
Zaaknummer
C/05/312795 / FA RK 16-3938
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek vernietiging erkenning. Verzoek te laat gedaan, maar verzoeker toch ontvankelijk na afweging van alle belangen in het kader van artikel 8 EVRM.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 205
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2017-0089
JERF 2018/112
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Team familierecht

Zittingsplaats Arnhem

Zaakgegevens: C/05/312795 / FA RK 16-3938

Datum uitspraak: 27 februari 2017

beschikking vernietiging erkenning

naar aanleiding van het verzoek van

[verzoeker] (hierna te noemen: de man), wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. H.J.M. van Arkel-van Gasselt te Nijmegen.

Belanghebbenden zijn:

  • -

    [S] , overleden op [datum] 2013 te [plaats] (hierna te noemen: wijlen de heer [S] );

  • -

    [C] , overleden op [datum] 2015 te [plaats] (hierna te noemen: wijlen de heer [C] );

  • -

    [S-V] , wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: mevrouw [S-V] );

In zijn hoedanigheid als vermeld in artikel 44 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

- het Openbaar Ministerie in het arrondissement Oost-Nederland.

1 Het procesverloop

1.1.

Dit verloop blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift strekkende tot vernietiging erkenning, ingekomen op 8 december 2016;

  • -

    een brief van de man, door hem overgelegd ter gelegenheid van de mondelinge behandeling;

  • -

    een brief van de officier van justitie van 20 februari 2017.

1.2.

Gehoord ter zitting met gesloten deuren op 22 februari 2017 zijn:

  • -

    de man, bijgestaan door mr. Van Arkel-Van Gasselt voornoemd en vergezeld van zijn partner;

  • -

    mevrouw [S-V] .

2 De feiten

2.1.

De man is op [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats] geboren als zoon van mevrouw [S-V] . Mevrouw [S-V] was op het moment van de geboorte van de man ongehuwd. Tussen de biologische vader van de man, wijlen de heer [C] , en mevrouw [S-V] heeft nimmer een volwaardige relatie bestaan. Mevrouw [S-V] heeft een affectieve relatie gekregen met wijlen de heer [S] . Wijlen de heer [S] heeft de man op [datum] 1984 erkend, waarna hij op [datum] 1984 te [plaats] is gehuwd met mevrouw [S-V] . Wijlen de heer [S] is overleden op [datum] 2013 te [plaats] . Wijlen de heer [C] is overleden op [datum] 2015 te [plaats] .

3 Het verzoek

3.1.

De man verzoekt de rechtbank de erkenning door wijlen de heer [S] op [datum] 1984 te vernietigen, waardoor hij de achternaam van zijn moeder “ [V] ” zal verkrijgen. Daarnaast verzoekt de man de rechtbank een beslissing te nemen over de kosten van deze procedure.

3.2.

Aan zijn verzoek legt de man het volgende ten grondslag. De man is zich ervan bewust dat de termijn waarbinnen hij het onderhavige verzoek aan de rechtbank had moeten richten reeds is verstreken. Het verzoek had uiterlijk binnen drie jaar nadat de man meerderjarig is geworden, aldus op [datum] 1997, gedaan moeten zijn. Volgens de man vormt de termijnstelling in artikel 1:205 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in zijn geval echter een ongerechtvaardigde inmenging in de zin van artikel 8, lid 2 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM). Tijdens het leven van zijn juridische vader stelt de man niet in staat te zijn geweest een dergelijk verzoek in te dienen, omdat dat een te grote emotionele belasting voor hem was. De man voert ter onderbouwing van zijn verzoek aan dat de banden met de familie [S] nooit hecht zijn geweest en dat hij ook geen enkele verwantschap voelt met de familie [S] . Nu zijn partner zwanger is en hij in de toekomst niet geconfronteerd wenst te worden met het voortzetten van de familienaam “ [S] ” via het kind dat nog geboren moet worden, bestaat er voor de man op dit moment een dringende reden om de erkenning te doen laten vernietigen.

3.3.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het verzoek door de man is gedaan buiten de termijn als gesteld in artikel 1:205, lid 3 BW. Volgens de officier van justitie doet zich geen situatie voor zoals bedoeld in artikel 1:205 lid 2 BW, zodat het verzoek dient te worden afgewezen.

4 De beoordeling

4.1.

De rechtbank is op grond van artikel 262 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bevoegd van het verzoek kennis te nemen.

4.2.

Het verzoek van de man is gebaseerd op artikel 1:205 BW. Op grond van lid 1 sub a van dit artikel kan een verzoek tot vernietiging van de erkenning op de grond dat de erkenner niet de biologische vader van het kind is, bij de rechtbank worden ingediend door het kind zelf, tenzij de erkenning tijdens zijn meerderjarigheid heeft plaatsgevonden. Ingevolge lid 4 van dit artikel wordt het verzoek door het kind ingediend binnen drie jaren nadat het kind bekend is geworden met het feit dat de man vermoedelijk niet zijn biologische vader is. Indien het kind evenwel gedurende zijn minderjarigheid bekend is geworden met dit feit kan het verzoek tot uiterlijk drie jaren nadat het kind meerderjarig is geworden, worden ingediend.

4.3.

Vast staat dat het verzoek van de man tot vernietiging van de erkenning door wijlen de heer [S] niet is ingediend binnen de daartoe in de wet gestelde termijn. De man is reeds tijdens zijn minderjarigheid bekend geworden met het feit dat wijlen de heer [S] niet zijn biologische vader is. Het verzoek had dan ook uiterlijk op [datum] 1997, drie jaar nadat hij meerderjarig is geworden, moeten zijn gedaan. Het verzoek is echter bij de rechtbank ingekomen op 8 december 2016. In beginsel leidt dit tot niet-ontvankelijkheid van de man in zijn verzoek.

4.4.

Aan de rechtbank ligt ter beoordeling voor de vraag of in het onderhavige geval de toepassing van de in het vierde lid van artikel 1:205 BW gestelde termijn een ontoelaatbare inmenging op het ‘family life’ van de man oplevert die in strijd is met artikel 8 van het Europees Verdrag van de Rechtbank van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM). Daarbij staat voorop dat het stellen van termijnen noodzakelijk is om de rechtszekerheid te waarborgen en om de belangen van het kind te beschermen.

4.5.

Hoewel in beginsel het stellen van termijnen geen ongerechtvaardigde inmenging is in het familie- en gezinsleven van betrokkenen in de zin van artikel 8 EVRM, is de rechtbank van oordeel dat het vasthouden aan de hiervoor genoemde termijn in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid een ongerechtvaardigde inmenging in het familie- en gezinsleven van de man oplevert en in zoverre strijdig is met artikel 8 EVRM. Het respect voor het familie- en gezinsleven eist in de onderhavige zaak dat het belang van de biologische en maatschappelijke werkelijkheid prevaleert boven het belang van de strikte hantering van de in artikel 1:205 lid 4 BW gestelde termijn en de daarmee voorgestane rechtszekerheid. De man is dan ook ontvankelijk in zijn verzoek. De rechtbank acht bij haar beslissing het volgende van belang.

4.6.

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter gelegenheid van de mondelinge behandeling is gebleken dat de man niet op de hoogte was van de wettelijke termijn waarbinnen het onderhavige verzoek moest zijn gedaan, en dat hij, al zou hij van die termijn wel op de hoogte zijn geweest, tot het indienen van een dergelijk verzoek emotioneel niet in staat was geweest. Gelet op de omstandigheid dat zijn moeder en zijn biologische vader niet bij elkaar waren ten tijde van zijn geboorte, hetgeen geen prettige situatie voor zijn moeder was, heeft hij zijn moeder noch zijn stiefvader willen kwetsen en durfde hij al helemaal niet zijn naam of zijn gevoelens ter tafel te brengen. Voor zijn gevoel was het taboe om er over te praten. De man zag zijn stiefvader enkel als opvoeder en heeft nimmer een band met hem of zijn familie gevoeld. Het verwantschap met zijn stiefvader is volgens de man niet beklijfd. De rechtbank hecht voorts waarde aan het feit dat de man te kampen heeft met depressieve gevoelens vanwege zijn identiteit, omschreven als identiteitscrisis. Het dragen van de naam “ [S] ” vormt voor de man een grote emotionele belasting. Voor de man voelt het alsof zijn identiteit niet klopt en dit gevoel speelt reeds vanaf zijn pubertijd een grote rol in zijn leven. Daar komt nog bij dat hij in april van dit jaar zelf vader wordt en zijn eigen naam wenst door te geven aan zijn nog ongeboren kind. De rechtbank neemt voorts bij haar beslissing in aanmerking dat geen van de belanghebbenden bezwaar heeft gemaakt tegen toewijzing van het verzoek van de man. De moeder van de man heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling te kennen gegeven dat zij achter het verzoek van haar zoon staat. Uit de verklaring van de man volgt dat zijn stiefbroer en -zus zijn verzoek steunen. Nu zowel de biologische als de juridische vader van de man is overleden, valt niet in te zien hoe de rechtszekerheid en de belangen van andere betrokkenen dan de rechtstreeks belanghebbenden zullen worden geschaad wanneer niet wordt vastgehouden aan de in de wet genoemde termijn.

4.7.

De rechtbank overweegt vervolgens dat een verzoek tot vernietiging van de erkenning kan worden toegewezen indien blijkt dat de erkenner niet de biologische vader is van het kind. Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat wijlen de heer [S] niet de biologische vader van de man is, nu hij, zo is onweersproken, pas in het leven van de man is gekomen toen hij reeds zeven jaar was. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal de rechtbank het verzoek van de man tot vernietiging van de erkenning van wijlen de heer [S] toewijzen.

4.8.

Nadat de onderhavige beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, wordt de erkenning geacht nimmer gevolg te hebben gehad. De man heeft dan van rechtswege de geslachtsnaam van zijn moeder, “ [V] ”.

4.9.

Gelet op het familierechtelijke karakter van deze procedure zullen de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

vernietigt de op [datum] 1984 te [plaats] gedane erkenning door wijlen de heer [S] , geboren op [datum] 1936 te [plaats] en overleden op [datum] 2013 te [plaats] van

- [verzoeker] , geboren op te [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats] ;

5.2.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.J.C. van Leeuwen, rechter, in tegenwoordigheid van M.L.M. Josemanders als griffier en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2017.

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof te Arnhem.