Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:153

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
11-01-2017
Datum publicatie
11-01-2017
Zaaknummer
05/840571-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voorwaardelijk opzet. Poging tot zware mishandeling. Verdachte heeft tijdens ruzie haar partner met een vleesmes gestoken.

Behandeling prevaleert boven onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/840571-16

Datum uitspraak : 11 januari 2017

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] ,

[woonplaats]

raadsman: mr. R.J. Verweij, advocaat te Nijmegen.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 28 december 2016.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 26 mei 2016, te Groesbeek, in de gemeente Berg en Dal, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon, genaamd [slachtoffer] , van het leven te beroven, met dat opzet genoemde [slachtoffer] met een mes in de nek en/of de hals en/of het hoofd heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling leidt:

zij op of omstreeks 26 mei 2016, te Groesbeek, in de gemeente Berg en Dal, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk aan een persoon, genaamd [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet genoemde [slachtoffer] met een mes in de nek en/of de hals en/of het hoofd heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair:

zij op of omstreeks 26 mei 2016, te Groesbeek, in de gemeente Berg en Dal, een persoon, genaamd [slachtoffer] , heeft mishandeld, door genoemde [slachtoffer] met een mes in de nek en/of de hals en/of het hoofd te steken en/of te snijden.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

In de avond van 25 mei 2016 heeft verdachte ruzie gekregen met haar partner, [slachtoffer] . Zij waren op dat moment thuis in hun woning in Groesbeek. Verdachte en [slachtoffer] kwamen in een worsteling met elkaar terecht. Verdachte wilde weg en haar partner wilde haar niet laten gaan. Tijdens deze worsteling in de keuken heeft verdachte een vleesmes van het aanrecht gepakt. [slachtoffer] is met dit mes rechts achter zijn oor gestoken. [slachtoffer] riep vervolgens dat hij was gestoken, waarna de ruzie meteen ophield. Verdachte is daarna naar de buren gegaan om hulp in te roepen. [slachtoffer] is per ambulance afgevoerd naar het ziekenhuis voor behandeling van zijn wond. Door buren is een wond in de nek van [slachtoffer] waargenomen.2 Volgens aangever was de wond ongeveer 4 tot 5 centimeter diep en zo’n 2 tot 3 centimeter breed. De wond is met drie hechtingen gedicht.3

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken, nu niet bewezen kan worden dat zij [slachtoffer] opzettelijk heeft gestoken.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft eveneens algehele vrijspraak bepleit. Daartoe heeft hij aangevoerd dat (voorwaardelijk) opzet op de dood, zware mishandeling, dan wel mishandeling niet overtuigend kan worden bewezen.

Beoordeling door de rechtbank

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde:

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat verdachte van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag dient te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde:

De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel – aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting kan het volgende worden afgeleid.

Aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat hij afstand hield om verdachte te laten kalmeren. Toen hij zag dat verdachte een vleesmes pakte, liep hij naar haar toe. Aangever pakte verdachte van voren vast en hield met een hand haar bovenarm vast en met de andere hand de pols van haar andere hand. Verdachte verweerde zichzelf en probeerde zich los te trekken. Aangever en verdachte kregen een kleine worsteling. Verdachte probeerde aangever van zich af te houden en maakte slaande bewegingen met het mes in haar handen. Aangever was bang dat verdachte hem zou raken en wilde haar vastpakken. Vervolgens voelde hij een prik achter zijn oor. Hij voelde met zijn hand en zag dat zijn handen onder het bloed zaten.4

Verdachte heeft verklaard dat zij door aangever zodanig werd vastgehouden, dat zij niets meer kon. Verdachte wilde loskomen en weg gaan. Toen verdachte en aangever in de keuken stonden, kon verdachte haar armen redelijk vrij bewegen. Verdachte heeft verklaard dat zij op een gegeven moment een vleesmes heeft gepakt uit een messenblok dat op het aanrecht stond. Verdachte wilde iets in haar handen hebben om zichzelf mee te kunnen verweren. Toen verdachte merkte dat de greep van aangever verslapte heeft verdachte een draai naar rechts gemaakt terwijl zij het mes in haar rechterhand had. Na haar draai hoorde verdachte aangever meteen zeggen: “Ahh ahh, ik ben gestoken”.5

Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank, dat verdachte een vleesmes heeft gepakt en daarmee slaande bewegingen heeft gemaakt. Zij heeft vervolgens getracht zich aan de greep van aangever te ontworstelen terwijl zij het mes in haar hand had. Daarbij heeft verdachte aangever met het mes geraakt achter zijn oor.

De rechtbank is gelet op deze feiten en omstandigheden van oordeel dat verdachte met haar gedragingen en in het bijzonder gelet op de omstandigheid dat zij zich, met een mes in de hand, aan de greep van aangever heeft willen ontworstelen, willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zij [slachtoffer] zou steken met het mes. Daarbij acht de rechtbank het een feit van algemene bekendheid dat een steekwond, veroorzaakt door een vleesmes, kan leiden tot zwaar lichamelijk letsel. Aldus is de rechtbank oordeel dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijk kans heeft aanvaard dat door haar handelen ten minste zwaar lichamelijk letsel bij aangever zou kunnen ontstaan. Hiertoe is nog van belang dat verdachte dusdanig dicht bij aangever stond, dat de kans aanzienlijk en voorzienbaar was dat zij hem zou raken met het mes in de omgeving van het hoofd, de hals en/of de nek, waar zich immers vele vitale organen bevinden die bij verwonding tot zwaar lichamelijk letsel kunnen leiden. Dat er sprake is van een relatief oppervlakkige wond die volgens aangever met drie hechtingen is gedicht, doet hier niet aan af.

Het subsidiair ten laste gelegde kan dan ook wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna vermeld.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

zij op of omstreeks 26 mei 2016, te Groesbeek, in de gemeente Berg en Dal, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk aan een persoon, genaamd [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet genoemde [slachtoffer] met een mes in de nek en/of de hals en/of het hoofd heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Poging tot zware mishandeling.

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte – mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring komen – ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf onder oplegging van de voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering in het advies van 12 december 2016 (te weten: een meldplicht en een ambulante behandelverplichting).

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 15 november 2016;

- een psychologisch onderzoek van Pro Justitia, gedateerd 24 oktober 2016;

- een advies van Reclassering Nederland, gedateerd 12 december 2016.

Verdachte heeft tijdens een ruzie met haar partner, waarbij zij erg boos was, haar partner met een vleesmes in zijn nek geraakt. De rechtbank wil wel aannemen dat verdachte niet doelbewust met dat mes in de nek van haar partner heeft gestoken. Maar verdachte heeft door haar gedrag onaanvaardbaar grote risico’s genomen.

De verdachte en haar partner mogen van geluk spreken dat het om een relatief simpele verwonding ging. De rechtbank is van oordeel dat het handelen van verdachte dat tot deze verwonding heeft geleid in beginsel niet anders kan worden afgedaan dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. In dit geval zal de rechtbank daar echter van afwijken en daartoe overweegt zij als volgt.

Uit het psychologisch onderzoek volgt dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis in de zin van een chronische PTSS. Een eventuele persoonlijkheidsstoornis wordt vermoed, maar kan nog niet met zekerheid worden vastgesteld. Aanbevolen wordt verdachte het ten laste gelegde – indien bewezen – verminderd toe te rekenen. Het recidiverisico wordt ingeschat als laag tot matig. Dit recidiverisico is te verlagen door verdachte meer adequate coping-vaardigheden aan te leren, door de beschadigde kerncognities door middel van EMDR-behandeling te herstellen en door (voor een deel) de partner van verdachte (aangever) bij de behandeling te betrekken. Verdachte is goed gemotiveerd voor behandeling. Geadviseerd wordt de – reeds gestarte – ambulante behandeling door Kairos verplicht op te leggen als bijzondere voorwaarde bij een (deels) voorwaardelijke straf. Een onvoorwaardelijk strafdeel kan complicerend (en daarmee recidiveverhogend) werken, omdat dit tevens onbedoeld het slachtoffer raakt. Nu reeds passende behandeling (verdachte volgt een behandeling bij Kairos) in gang is gezet, biedt dit de beste kansen voor een positieve ontwikkeling in de toekomst.

Reclassering Nederland heeft op 12 december 2016 een advies opgesteld. Hieruit volgt dat het recidiverisico matig wordt ingeschat. Dit hangt samen met de gesignaleerde psychische en persoonlijkheidsproblematiek van verdachte. Wanneer verdachte het ingezette behandeltraject voltooit, zal het recidiverisico naar verwachting afnemen. De reclassering adviseert toepassing van het volwassenenstrafrecht en oplegging van een (gedeeltelijk) voorwaardelijke werkstraf. Daarbij worden als bijzondere voorwaarden geadviseerd een meldplicht en een ambulante behandelverplichting. De reclassering adviseert daarbij oplegging van een direct uitvoerbaar toezicht.

De rechtbank constateert allereerst dat verdachte zich oprecht berouwvol betoond. Voorts zal de rechtbank aansluiting zoeken bij het advies van Pro Justitia en zal zij verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar beschouwen. Wel acht de rechtbank het van groot belang – ook om herhaling in de toekomst te voorkomen – dat verdachte een behandeltraject blijft volgen.

De rechtbank neemt voorts in het voordeel van verdachte mee dat zij blijkens het haar betreffende uittreksel justitiële documentatie niet eerder veroordeeld is ter zake van het plegen van een strafbaar feit.

Gelet op de adviezen die ten aanzien van verdachte zijn uitgebracht past de rechtbank het volwassenenrecht toe bij de strafoplegging.

Alles overwegende acht de rechtbank een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf als ‘stok achter de deur’ voor de toekomst passend en geboden. Zij zal een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden opleggen met een proeftijd van 2 jaren. De rechtbank verbindt aan die proeftijd ook bijzondere voorwaarden, waaronder de voortzetting door verdachte van het ingezette behandeltraject.

Gezien de psychische en persoonlijkheidsproblematiek van de verdachte en het recidiverisico houdt de rechtbank er ernstig rekening mee dat veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank zal daarom bepalen dat de bijzondere voorwaarden op grond van artikel 14e Wetboek van Strafrecht dadelijk uitvoerbaar zijn.

Het in beslag genomen en nog niet teruggegeven vleesmes zal de rechtbank verbeurd verklaren, nu het een voorwerp betreft met behulp waarvan het bewezen verklaarde is begaan.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 14e, 24, 33, 33a, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van het primair tenlastegelegde;

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;

 bepaalt, dat deze gevangenisstraf, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden voor het einde van de proeftijd die op twee jaren wordt bepaald:

a. de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

1. zich niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit haar medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

3. haar medewerking zal verlenen aan het door de Reclassering Nederland te houden toezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

4. zich uiterlijk binnen 3 dagen na het opleggen van dit vonnis zal melden bij Reclassering Nederland (via telefoonnummer [nummer] ) en gedurende de proeftijd zich zal blijven melden bij deze instelling, zo frequent en zolang de instelling dat noodzakelijk acht;

5. zich zal laten behandelen bij de forensische polikliniek Kairos of soortgelijke ambulante (forensische) zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij zij zich zal houden aan de aanwijzingen die haar in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

 geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht);

 beveelt dat de op grond van artikel 14c gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

 beveelt dat de tijd door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de eventuele tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

 heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Ten aanzien van het beslag:

verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: een vleesmes (g1144493).

Dit vonnis is gewezen door mr. P.C. Quak (voorzitter), mr. R.G.J. Welbergen en mr. C.E.W. van de Sande, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Bril, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 januari 2017,

zijnde mr. Welbergen buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door een verbalisant van de politie Oost Nederland, district Gelderland-Zuid, basisteam Nijmegen-Zuid, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2016257435, gesloten op 26 mei 2016 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaats-vermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 mei 2016, p. 9

3 Proces-verbaal van aangifte, p. 7; proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte, p. 24-25.

4 Proces-verbaal van aangifte, p. 7.

5 Proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte, p. 25.