Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:1516

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
08-03-2017
Datum publicatie
21-03-2017
Zaaknummer
298747
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2019:6934
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vonnis in incident en in de hoofdzaak. Conventie: begroting kostenvergoeding voor de stalling en training van twee paarden. Reconventie: afgifte van de paarden met bijbehorende paspoorten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/298747 / HA ZA 16-106 / 167

Vonnis van 8 maart 2017 in het incident en in de hoofdzaak

in de zaak van

1 [eiser in conventie/verweerder in het incident sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [eiser in conventie in de hoofdzaak/verweerder in het incident sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

eisers in conventie in de hoofdzaak,

verweerders in reconventie in de hoofdzaak,

verweerders in het incident,

advocaat mr. S.A. Wensing te Coevorden,

tegen

[gedaagde in conventie in de hoofdzaak/eiser in het incident] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie in de hoofdzaak,

eiser in reconventie in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

advocaat mr. A. van Weverwijk te Geldermalsen.

Eisers zullen hierna gezamenlijk [eisers in conventie in de hoofdzaak/verweerders in het incident] genoemd worden, dan wel afzonderlijk [eiser in conventie/verweerder in het incident sub 1] en [eiser in conventie in de hoofdzaak/verweerder in het incident sub 2] , en gedaagde zal [gedaagde in conventie in de hoofdzaak/eiser in het incident] genoemd worden.

1 De procedure in de hoofdzaak en in het incident

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 23 november 2016

  • -

    de akte van [eisers in conventie in de hoofdzaak/verweerders in het incident] in de hoofdzaak

  • -

    de incidentele conclusie van [gedaagde in conventie in de hoofdzaak/eiser in het incident] houdende een vordering voorlopige voorzieningen ex artikel 223 Rv

  • -

    de aan [eisers in conventie in de hoofdzaak/verweerders in het incident] op de rol van 25 januari 2017 verleende akte niet dienen in het incident

  • -

    de antwoordakte van [gedaagde in conventie in de hoofdzaak/eiser in het incident] in de hoofdzaak.

1.2.

Ten slotte is gelijktijdig vonnis bepaald in het incident en in de hoofdzaak.

2 De beoordeling in het incident

2.1.

[gedaagde in conventie in de hoofdzaak/eiser in het incident] vordert in het incident, bij wege van provisionele voorziening op de voet van artikel 223 Rv, samengevat, 1) veroordeling van [eisers in conventie in de hoofdzaak/verweerders in het incident] tot afgifte van de paarden [paard A] en [paard B] en de daarbij behorende paspoorten aan [gedaagde in conventie in de hoofdzaak/eiser in het incident] op straffe van verbeurte van een dwangsom, alsmede 2) veroordeling van [eisers in conventie in de hoofdzaak/verweerders in het incident] tot het verstrekken van actuele informatie over de paarden door middel van recent videomateriaal.

2.2.

Nu de rechtbank heden tevens eindvonnis wijst in de hoofdzaak, heeft [gedaagde in conventie in de hoofdzaak/eiser in het incident] geen belang meer bij de door hem gevorderde provisionele voorziening onder 1). Datzelfde geldt voor de provisionele vordering onder 2), nog daargelaten dat gesteld noch gebleken is wat de wettelijke grondslag voor deze vordering is.

2.3.

De slotsom is dat de vordering in het incident zal worden afgewezen. [gedaagde in conventie in de hoofdzaak/eiser in het incident] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het incident worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eisers in conventie in de hoofdzaak/verweerders in het incident] worden begroot op nihil.

3 De verdere beoordeling in de hoofdzaak

3.1.

De rechtbank volhardt bij hetgeen in het tussenvonnis van 23 november 2016 is overwogen en beslist. In rov. 5.8 van dat vonnis is overwogen dat alleen nog de vordering van [eisers in conventie in de hoofdzaak/verweerders in het incident] in conventie onder II. resteert, kort gezegd de betaling van een kostenvergoeding, alsmede de door [gedaagde in conventie in de hoofdzaak/eiser in het incident] in reconventie onder 2. gevorderde afgifte van de twee paarden en de bijbehorende paspoorten. De zaak is vervolgens verwezen naar de rol voor het nemen van een akte door partijen over de hoogte van de door [gedaagde in conventie in de hoofdzaak/eiser in het incident] aan [eisers in conventie in de hoofdzaak/verweerders in het incident] verschuldigde vergoeding.

in conventie

3.2.

[eisers in conventie in de hoofdzaak/verweerders in het incident] stelt zich primair op het standpunt dat [gedaagde in conventie in de hoofdzaak/eiser in het incident] de volledige kosten moet vergoeden die [eisers in conventie in de hoofdzaak/verweerders in het incident] ten behoeve van [paard A] en [paard B] heeft gemaakt. [eisers in conventie in de hoofdzaak/verweerders in het incident] begroot die kosten op € 753,58 per paard per maand voor stalling, kracht- en ruwvoer, stalbedekking en uurloon mesten, verzorging en training, hetgeen neerkomt op een bedrag van in totaal € 37.679,00 voor beide paarden tot 1 oktober 2015. Verder maakt [eisers in conventie in de hoofdzaak/verweerders in het incident] aanspraak op vergoeding van dierenarts- en hoefsmidkosten, startpassen, contributie, startgelden, reiskosten en kosten voor de aanschaf van harnachement. [eisers in conventie in de hoofdzaak/verweerders in het incident] komt in totaal uit op een bedrag van € 42.249,33, te vermeerderen met de kosten voor de twee paarden ná 1 oktober 2015.

3.3.

De rechtbank heeft in rov. 5.8 van het vonnis van 23 november 2016 reeds beslist dat [eisers in conventie in de hoofdzaak/verweerders in het incident] alleen aanspraak kan maken op een vergoeding over de periode eind 2013 tot 1 oktober 2015. Vanaf laatstgenoemde datum staan de paarden tegen de wil van [gedaagde in conventie in de hoofdzaak/eiser in het incident] bij [eisers in conventie in de hoofdzaak/verweerders in het incident] gestald, terwijl aan [eisers in conventie in de hoofdzaak/verweerders in het incident] geen retentierecht toekomt. [eisers in conventie in de hoofdzaak/verweerders in het incident] kan reeds om die reden geen aanspraak maken op enige vergoeding van kosten vanaf 1 oktober 2015. De rechtbank heeft in rov. 5.8 van voormeld vonnis verder overwogen dat bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding rekening dient te worden gehouden met de oorspronkelijke bedoeling van de door partijen beoogde ‘samenwerking’, waarbij partijen zijn uitgegaan van een vorm van verrekening (zoals bijvoorbeeld een aandeel in de (verkoop)waarde van de paarden, al dan niet door middel van de verkrijging van mede-eigendom van de paarden) en niet van tarieven die commerciële pension- en/of trainingsstallen hanteren. Reeds om die reden gaat de rechtbank voorbij aan de door [eisers in conventie in de hoofdzaak/verweerders in het incident] primair gehanteerde berekeningswijze voor de vaststelling van de hoogte van de door [gedaagde in conventie in de hoofdzaak/eiser in het incident] verschuldigde vergoeding.

3.4.

[eisers in conventie in de hoofdzaak/verweerders in het incident] beroept zich, subsidiair, uitgaande van een totaalbedrag aan kosten van € 42.249,33, op verrekening van de waarde van de paarden [paard A] en [paard B] (50% = € 12.000,00), te vermeerderen met een bedrag wegens ongerechtvaardigde verrijking van [gedaagde in conventie in de hoofdzaak/eiser in het incident] (50% = € 15.124,66), zodat [gedaagde in conventie in de hoofdzaak/eiser in het incident] nog een bedrag van € 27.124,66 aan [eisers in conventie in de hoofdzaak/verweerders in het incident] dient te voldoen.

3.5.

[eisers in conventie in de hoofdzaak/verweerders in het incident] heeft voor de waarde van de paarden aansluiting gezocht bij de bedragen die [gedaagde in conventie in de hoofdzaak/eiser in het incident] op grond van de taxatie van [taxateur] als waarde heeft genoemd (zie rov. 4.2 van het vonnis van 23 november 2016), te weten voor [paard A] een waarde van € 11.500,00 en voor [paard B] een waarde van € 12.500,00. [eisers in conventie in de hoofdzaak/verweerders in het incident] gaat daarmee echter voorbij aan de stelling van [gedaagde in conventie in de hoofdzaak/eiser in het incident] en de taxatie van [taxateur] dat dat de waarde van de beide paarden zou zijn geweest indien de paarden een wedstrijdniveau van Z1-dressuur met winstpunten zouden hebben bereikt. Vaststaat dat dat niveau met geen van beide paarden is bereikt. Om die reden kan dus ook niet van bovenstaande waardes worden uitgegaan.

3.6.

De rechtbank ziet aanleiding om aansluiting te zoeken bij de actuele waarde van de paarden, zoals die is vastgesteld in het taxatierapport van [taxateur] . [eisers in conventie in de hoofdzaak/verweerders in het incident] heeft weliswaar aangevoerd dat dat een eenzijdig rapport is, maar hij heeft de vastgestelde waardes niet gemotiveerd weersproken. [eisers in conventie in de hoofdzaak/verweerders in het incident] heeft evenmin zelf een taxatie in het geding gebracht en/of andere aanknopingspunten voorgesteld aan de hand waarvan de actuele waarde van de beide paarden kan worden vastgesteld. De rechtbank gaat daarom aan het verweer van [eisers in conventie in de hoofdzaak/verweerders in het incident] als onvoldoende gemotiveerd voorbij. Voor nadere bewijslevering in de vorm van een deskundigenbericht is in dat geval geen plaats meer. In het rapport van [taxateur] wordt de actuele waarde van [paard B] per september 2016 getaxeerd op € 4.000,00 en de waarde van [paard A] op € 3.000,00. De rechtbank gaat van deze waardes uit en is van oordeel dat [gedaagde in conventie in de hoofdzaak/eiser in het incident] de helft daarvan (€ 2.000,00 voor [paard B] en € 1.500,00 voor [paard A] ), dus in totaal € 3.500,00, als vergoeding aan [eisers in conventie in de hoofdzaak/verweerders in het incident] verschuldigd is. Voor de stelling van [gedaagde in conventie in de hoofdzaak/eiser in het incident] dat de waarde van [paard A] nog lager is, ontbreekt elk aanknopingspunt, zodat aan die stelling voorbij wordt gegaan.

3.7.

De rechtbank volgt [eisers in conventie in de hoofdzaak/verweerders in het incident] verder niet in zijn stelling dat de kosten € 42.249,33 bedragen en dat [gedaagde in conventie in de hoofdzaak/eiser in het incident] , na aftrek van de helft van de waarde van de paarden, gehouden is de helft van de resterende kosten aan hem te voldoen ten titel van ongerechtvaardigde verrijking aan de zijde van [gedaagde in conventie in de hoofdzaak/eiser in het incident] . Zonder deugdelijke toelichting, die ontbreekt, kunnen de door [eisers in conventie in de hoofdzaak/verweerders in het incident] terzake ingenomen stellingen die grondslag in ieder geval niet dragen, zodat daaraan voorbij wordt gegaan, nog daargelaten hetgeen de rechtbank hiervoor in rov. 3.3 al heeft overwogen met betrekking tot het door [eisers in conventie in de hoofdzaak/verweerders in het incident] berekende bedrag aan kosten.

3.8.

[eisers in conventie in de hoofdzaak/verweerders in het incident] maakt verder aanspraak op vergoeding van dierenarts- en hoefsmidkosten, alsmede de kosten voor startpassen, contributie, startgelden, reiskosten en de kosten voor de aanschaf van harnachement. [gedaagde in conventie in de hoofdzaak/eiser in het incident] voert aan dat [eiser in conventie/verweerder in het incident sub 1] zelf hoefsmid is, zodat de kosten voor het bekappen van [paard A] hooguit € 200,00 hebben kunnen bedragen en de kosten voor het beslag van [paard B] hooguit € 500,00. [gedaagde in conventie in de hoofdzaak/eiser in het incident] betwist verder de kosten voor de startpassen en de noodzaak voor de aanschaf van harnachement.

3.9.

De rechtbank overweegt daarover als volgt. De door [eisers in conventie in de hoofdzaak/verweerders in het incident] opgevoerde kosten voor de deelname aan wedstrijden in 2014 (productie 5) ad € 694,23 zijn niet betwist en daarom toewijsbaar. Dat geldt niet voor de kosten voor de startpassen, omdat nergens uit blijkt dat het om startpassen voor [paard A] en [paard B] gaat en [gedaagde in conventie in de hoofdzaak/eiser in het incident] al eerder onbetwist heeft gesteld dat [paard A] nooit op wedstrijden is uitgebracht en [paard B] alleen in het jaar 2014. Tegen de gevorderde lidmaatschap- en contributiekosten is geen verweer gevoerd.

Uit productie 4 blijkt dat in 2015 het lidmaatschap van [eiser in conventie in de hoofdzaak/verweerder in het incident sub 2] voor de KNHS € 50,25 bedraagt en de contributie voor de vereniging PPSV [vereniging] € 65,00 per half jaar, dus € 130,00 per jaar. Uitgaande van de periode eind 2013 – 1 oktober 2015, worden deze kosten begroot op (afgerond) € 300,00. De kosten voor de aanschaf van harnachement worden afgewezen, nu ten aanzien van de noodzaak van die kosten niets is gesteld of gebleken en bovendien onderliggende stukken ontbreken. Van de als productie 3 door [eisers in conventie in de hoofdzaak/verweerders in het incident] overgelegde afschriften van facturen van paardengebitsverzorger [gebitsverzorger] is het merendeel dubbel. Bij gebreke van stukken waaruit iets anders blijkt, gaat de rechtbank uit van één gebitscontrole per paard per jaar en acht de rechtbank in totaal een bedrag van € 250,00 redelijk. Aangezien [eiser in conventie/verweerder in het incident sub 1] zelf hoefsmid is en er geen stukken zijn overgelegd waaruit blijkt hoe vaak de paarden zijn bekapt dan wel beslagen, worden de hoefsmidkosten ex aequo et bono begroot op € 1.000,00 voor beide paarden. Ten slotte zal de rechtbank rekening houden met een bedrag aan dierenartskosten in verband met noodzakelijke entingen etcetera, welk bedrag ex aequo et bono wordt begroot op € 1.000,00 voor beide paarden. Alles bij elkaar opgeteld komt de rechtbank dan uit op een totaalbedrag van (afgerond) € 3.244,00, waarvan de helft, € 1.622,00, voor rekening van [gedaagde in conventie in de hoofdzaak/eiser in het incident] komt.

3.10.

De slotsom van het voorgaande is dat in conventie een bedrag van (€ 3.500,00 + € 1.622,00 =) € 5.122,00 zal worden toegewezen.

3.11.

De vordering van [eisers in conventie in de hoofdzaak/verweerders in het incident] tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen. [eisers in conventie in de hoofdzaak/verweerders in het incident] heeft niet (voldoende onderbouwd) gesteld dat hij deze kosten daadwerkelijk heeft gemaakt en dat die kosten betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier.

in reconventie

3.12.

[eisers in conventie in de hoofdzaak/verweerders in het incident] zal in reconventie worden veroordeeld tot medewerking aan de levering/afgifte van de paarden [paard A] en [paard B] aan [gedaagde in conventie in de hoofdzaak/eiser in het incident] met de bijbehorende paspoorten, op straffe van verbeurte van een dwangsom, met dien verstande dat die dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd, een en ander zoals hierna in de beslissing te vermelden.

in conventie en in reconventie

3.13.

Aangezien partijen over en weer op sommige punten in het ongelijk worden gesteld, zullen de kosten van dit geding zowel in conventie als in reconventie tussen hen worden gecompenseerd.

4 De beslissing

De rechtbank

in het incident

4.1.

wijst de vordering af,

4.2.

veroordeelt [gedaagde in conventie in de hoofdzaak/eiser in het incident] in de kosten van het incident, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eisers in conventie in de hoofdzaak/verweerders in het incident] begroot op nihil,

in de hoofdzaak

in conventie

4.3.

veroordeelt [gedaagde in conventie in de hoofdzaak/eiser in het incident] om, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan [eisers in conventie in de hoofdzaak/verweerders in het incident] te betalen een bedrag van € 5.122,00 (vijfduizendhonderdtweeëntwintig euro),

4.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

4.5.

compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

4.6.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

4.7.

veroordeelt [eiser in conventie/verweerder in het incident sub 1] en [eiser in conventie in de hoofdzaak/verweerder in het incident sub 2] om binnen drie (3) dagen na betekening van dit vonnis mee te werken aan de levering/afgifte van de paarden [paard A] en [paard B] met de bijbehorende paspoorten aan [gedaagde in conventie in de hoofdzaak/eiser in het incident] ,

4.8.

veroordeelt [eiser in conventie/verweerder in het incident sub 1] en [eiser in conventie in de hoofdzaak/verweerder in het incident sub 2] , indien zij in gebreke blijven aan de hiervoor onder 4.7 gegeven veroordeling te voldoen, tot betaling aan [gedaagde in conventie in de hoofdzaak/eiser in het incident] van een dwangsom van € 250,00 per dag, tot een maximum van € 20.000,00,

4.9.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

4.10.

compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

4.11.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. K. van Vlimmeren-van Ommen en in het openbaar uitgesproken op 8 maart 2017.