Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:1515

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
20-03-2017
Datum publicatie
21-03-2017
Zaaknummer
315612
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Erfdienstbaarheid, kwalitatieve verplichtingen. Vordering tot terugplaatsen van haag en grasmatten op recreatiepark toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/315612 / KG ZA 17-76

Vonnis in kort geding van 20 maart 2017

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] .,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. J.P.A. Greuters te Arnhem,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] .,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagde,

vertegenwoordigd door [betrokkene] .

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met productie 1 tot en met 9

  • -

    de nagezonden producties 10 tot en met 12

  • -

    de nagezonden producties 13 tot en met 16

  • -

    de vooraf toegezonden pleitnota van [gedaagde]

  • -

    de mondelinge behandeling van 6 maart 2017

  • -

    de pleitnota van [eiseres]

  • -

    het ter zitting overgelegde uittreksel van het Kadaster.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

In [woonplaats] is gelegen het recreatiepark [recreatiepark] . Dit park telt in totaal 46 recreatiebungalows en diverse voorzieningen zoals een jachthaven en ligplaatsen voor boten. [eiseres] is eigenaar van twee percelen water, een perceel ten behoeve van recreatie (de jachthaven) en een perceel grasland gelegen aan de [adres] 2 in [woonplaats] en daarnaast van drie semi-drijvende recreatiebungalows met aanlegsteiger en verdere aanhorigheden gelegen aan de [adres] 2-10, 2-11 en 2-12.

2.2.

De heer [betrokkene] heeft op 10 december 2012 de recreatiewoning gelegen aan de [adres] 2-4 in [woonplaats] verkocht aan [gedaagde] . In de koopakte staat onder meer vermeld:

ERFDIENSTBAARHEDEN EN BIJZONDERE VERPLICHTINGEN

Koper heeft in de koopovereenkomst uitdrukkelijk aanvaard alle erfdienstbaarheden, bijzondere lasten en beperkingen, afzonderlijke zakelijke rechten, kettingbedingen en kwalitatieve verplichtingen, die blijken en/of voortvloeien uit de laatste en voorgaande akte(n) van levering en eventuele andere akten die betrekking hebben op het gekochte. In de koopovereenkomst heeft koper verklaard kennis te hebben genomen van de hiervoor vermelde stukken.

Ten aanzien van erfdienstbaarheden, kwalitatieve verplichtingen, kettingbedingen en/of andere bijzondere verplichtingen met betrekking tot het gekochte wordt verwezen naar de hiervoor onder D vermelde akte van koop.

In die akte is onder meer woordelijk vermeld:

“De comparanten, handelend als gemeld, verklaarden te vestigen de navolgende erfdienstbaarheden/kwalitatieve verplichtingen, over en weer, ten nutte en ten laste van het hierbij verkochte en ten nutte en ten laste van de percelen, kadastraal bekend Gemeente [vestigingsplaats] sectie P nummers 360 en 342 en 347 voor zover dit nog niet bij eerdere akte is geschied:

(…)

b. de erfdienstbaarheid/kwalitatieve verplichting, inhoudende de verplichting om de bij de oplevering van het verkochte aangelegde tuin en beplanting op de erfafscheiding (die bestaat uit planten en heesters) in stand te laten, te onderhouden en waar nodig te vervangen; de bedoelde erfafscheiding mag niet hoger zijn/worden dan een meter vijftig centimeter;

(…)

Perceel 360 is volgens een uittreksel van het Kadaster gesplitst in onder meer de percelen

P 423, P 416 en P 417. Perceel P 423 is het perceel dat [gedaagde] op

10 december 2012 heeft aangekocht. De percelen P 416 en P 417 zijn eigendom van [eiseres] . [eiseres] is ook eigenaar van perceel P 342.

2.3.

De centrale voorzieningen op het recreatiepark worden door [eiseres] , handelend onder de naam Beheersmaatschappij [Naam] , geëxploiteerd en beheerd.

2.4.

In het najaar van 2016 heeft de bestuurder van [gedaagde] de haag op de perceelgrens aan de straatzijde van haar perceel verwijderd. Ook heeft de bestuurder de grasmatten buiten de perceelgrens verwijderd en vervangen door sierbestrating.

2.5.

Tussen [eiseres] en [gedaagde] is over dit handelen uitvoerig gecorrespondeerd, waarbij [eiseres] kenbaar heeft gemaakt dat de haag en grasmatten moesten worden teruggeplaatst. [gedaagde] is naar aanleiding daarvan tot op heden niet tot terugplaatsing van de haag en grasmatten overgegaan.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I [gedaagde] te veroordelen tot herstel van de haag aan de voorzijde van haar perceel, in die zin dat uiterlijk 1 april 2017 de haag op de oorspronkelijke locatie wordt teruggeplaatst over de lengte van 8.10 meter, met gebruik van de oorspronkelijke plantsoort Laurierkers (Prunus Laurocerasus Caucasica) met een minimale hoogte van 1.25 meter en een maximale hoogte van 1.5 meter, en met toepassing van de oorspronkelijke materialen wordt aangeplant, en deze haag in stand te laten en te (doen) onderhouden op een maximum hoogte van 1.5 meter en voorts de sierbestrating buiten de perceelgrens te vervangen door grasmatten;

II Verheijen te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag die, na betekening van dit vonnis, verstrijkt zonder dat aan het in het vonnis geformuleerde gebod is voldaan;

III [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover, tot de dag van algehele voldoening.

3.2.

[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering.

3.3.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover voor de beoordeling van dit geschil van belang, worden ingegaan.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

De spoedeisendheid van de vordering vloeit voldoende uit de stellingen van [eiseres] voort. In geval de vordering zou worden toegewezen, zou [gedaagde] vanwege het plantseizoen en daarmee samenhangende jaargetijde immers zo spoedig mogelijk tot herbeplanting dienen over te gaan. De vordering van [eiseres] zal daarom hierna inhoudelijk worden beoordeeld.

4.2.

[eiseres] vordert kort gezegd terugplaatsing van de haag en de grasmatten op en naast de perceelgrens van de woning van [gedaagde] . [eiseres] legt aan deze vordering ten grondslag dat [gedaagde] als eigenaar van het perceel P 423 op basis van de in de koopakte onder b. vermelde erfdienstbaarheid verplicht is om de bij de oplevering van de recreatiewoning aangelegde tuin en beplanting op de erfafscheiding in stand te laten. [eiseres] stelt dat, nu [gedaagde] in strijd met deze verplichting de haag en grasmatten heeft verwijderd en niet vrijwillig tot herstel daarvan wil overgaan, zij daartoe dient te worden veroordeeld. [gedaagde] betwist op haar beurt de door [eiseres] gestelde erfdienstbaarheid en daaruit voortvloeiende verplichting op zichzelf niet, maar voert aan dat zij vanwege achterstallig onderhoud aan de overige beplanting op het recreatieterrein nog maar zeer moeizaam van haar parkeerplaats gebruik kan maken. [gedaagde] voert aan dat, om te voorkomen dat de huurders van haar recreatiewoning haar tuin telkens kapot rijden bij het inparkeren en wegrijden, zij de haag en grasmatten heeft verwijderd en een ruimere parkeergelegenheid heeft aangelegd. [gedaagde] voert aan dat ook de andere woningen op het park meerdere parkeerplaatsen hebben, waaronder de woningen die in eigendom aan [eiseres] toebehoren, zodat zij niet inziet waarom dat haar niet zou zijn toegestaan en de vordering aldus dient te worden afgewezen.

4.3.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Tussen partijen staat vast dat op het perceel dat in eigendom aan [gedaagde] toebehoort meerdere zakelijke rechten rusten. Een van deze rechten betreft een erfdienstbaarheid waaruit voor [gedaagde] de verplichting voortvloeit om de op het moment van aankoop van haar perceel in 2012 aanwezige tuin en beplanting in stand te laten. Vaststaat dat namens [gedaagde] de haag op de erfgrens aan de straatzijde van het perceel alsook een aantal grasmatten naast dat perceel in het najaar van 2016 zijn verwijderd. Aannemelijk is dan ook dat [gedaagde] de op haar rustende verplichting op het in stand laten van deze elementen niet nakomt. Hoewel [gedaagde] stelt dat [eiseres] ook een aantal op haar rustende verplichtingen niet nakomt en zij daar last van heeft, verandert dat niets aan haar eigen verplichting tot het in stand laten van haar tuin. Indien [gedaagde] werkelijk van mening is dat [eiseres] haar verplichtingen niet nakomt, kan zij [eiseres] zelf in een juridische procedure betrekken en nakoming daarvan vorderen. Nu een dergelijke vordering in de onderhavige procedure echter niet is ingesteld, kan uitsluitend op de gevorderde nakoming van de op [gedaagde] rustende verplichting worden beslist. Nu in dat kader aannemelijk is dat [gedaagde] de haag en grasmatten in strijd met haar verplichting heeft verwijderd, zal zij worden veroordeeld om deze elementen terug te plaatsen op de wijze zoals door [eiseres] is gevorderd. Ter zitting is toegelicht dat de haag mag worden teruggeplaatst op een plek naar keuze op de perceelgrens, zodat ook op die manier zal worden beslist.

4.4.

De gevorderde dwangsom zal op de voet van artikel 611a Rv worden toegewezen als na te melden.

4.5.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op:

  • -

    explootkosten € 85,21

  • -

    griffierecht € 618,00

  • -

    salaris advocaat € 816,00

Totaal € 1.519,21

De over de proceskosten gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen als na te melden.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde] tot herstel van de haag op de perceelgrens aan de voorzijde van haar perceel, in die zin dat uiterlijk 1 april 2017 de haag over de lengte van 8,10 meter wordt teruggeplaatst op een door [gedaagde] te kiezen gedeelte, met gebruik van de oorspronkelijke plantsoort Laurierkers (Prunus Laurocerasus Caucasica) met een minimale hoogte van 1.25 meter en een maximale hoogte van 1.5 meter, en met toepassing van de oorspronkelijke materialen, en deze haag in stand te laten en te (doen) onderhouden op een maximale hoogte van 1.5 meter en voorts de sierbestrating buiten de perceelgrens te vervangen door grasmatten,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van een dwangsom van € 500,00 per dag dat zij, na betekening van dit vonnis, niet aan de veroordeling onder 5.1. heeft voldaan, tot een maximum van € 15.000,00,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.519,21, waarin begrepen € 816,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van algehele voldoening,

5.4.

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.W. Huijgen en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier E.H.J. Krijnen op 20 maart 2017.