Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:1350

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
18-01-2017
Datum publicatie
13-03-2017
Zaaknummer
299672
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verhoging naburig erf door gedaagden waardoor volgens eisers het regenwater niet meer weg kan lopen via goot op eigendom van derde. Artikel 5:39 BW weliswaar niet rechtstreeks van toepassing, maar deze bepaling bevat geen eigen norm en eisers verwijzen ook naar artikel 6:162 BW, zodat eisers ontvankelijk zijn in hun vordering jegens gedaagden. Bewijsopdracht ten aanzien van het door eisers gestelde schadelijke gevolg van de ophoging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1281
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: 299672 / HA ZA 16-141 / 17

Vonnis van 18 januari 2017

in de zaak van

1 [eiser]

2. [eiser]

beiden wonende te [woonplaats]

eisers

advocaat: mr. B. van Garderen te Almere

tegen

1 [gedaagde sub 1]

2. [gedaagde sub 2]

beiden wonende te [woonplaats]

gedaagden

advocaat: mr. B.J.H.L. Brouwer te Apeldoorn

Partijen zullen hierna - in mannelijk enkelvoud - [eiser] en [gedaagde] worden genoemd.

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 8 juni 2016

- het proces-verbaal van descente en van comparitie van partijen van 24 augustus 2016; omdat de comparitie zich geheel buiten heeft afgespeeld en uitsluitend gericht is geweest op het zoeken naar een minnelijke oplossing van het geschil, heeft de griffier geen aantekeningen gemaakt.

1.2

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1

Partijen zijn buren en eigenaars van aan elkaar grenzende bebouwde percelen. Het perceel van [eiser] ligt ten oosten van dat van [gedaagde] . De percelen liggen zowel aan de noord- als aan de zuidzijde aan de openbare weg. De garage van [eiser] grenst aan de woning en het achtererf van [gedaagde] . Aan de andere zijde grenst de garage aan de woning van [eiser] . De zijmuur van die woning grenst voor een deel ook aan het achtererf van [eiser] . De beide achtererven van de percelen grenzen aan de zuidelijke openbare weg.

2.2

Tot rond 21 april 2015 bestonden beide achtererven uit een aaneengesloten betonnen/cementen verharding en lagen zij op gelijke hoogte. Waar zij grensden aan de openbare weg bevond zich een in de lengterichting van de weg lopende ondiepe betonnen/cementen goot (hierna: de goot). Op of omstreeks 21 april 2015 heeft [gedaagde] zijn achtererf laten ophogen en met klinkers laten bestraten en met een ten opzichte van die bestrating verhoogd betonnen bandje afgescheiden van het achtererf van [eiser] . De goot is door [gedaagde] , voor zover gelegen achter zijn erf, eveneens bestraat - en bestaat daar dus niet meer - en ook daar door middel van het genoemde betonnen bandje afgescheiden van het achtererf van [eiser] .

2.3

Ook tegen de zijkant van de garage van [eiser] heeft [gedaagde] , na het uitbrengen van de dagvaarding, een betonnen bandje aangebracht. Na de comparitie heeft hij de naad tussen dat bandje en de muur van de garage afgekit.

3 Het geschil en de vordering

3.1

[eiser] stelt dat door de door [gedaagde] aangebrachte verhoging van diens achtererf het regenwater op het achtererf van [eiser] niet langer kan worden afgevoerd via de goot (die volgens [eiser] op gemeentegrond ligt), met als gevolg dat er bij regenbuien plassen water op het achtererf van [eiser] ontstaan. Daarnaast wordt er in de dagvaarding melding van gemaakt dat de verhoging van het achtererf van [gedaagde] door het aanbrengen van de bestrating tot gevolg heeft dat het regenwater door de muur van de garage dringt en er water in de garage komt te staan. Aldus wordt [eiser] naar zijn zeggen geconfronteerd met wateroverlast, hetgeen hij op grond van artikel 5:39 BW en artikel 6:162 BW niet hoeft te dulden.

3.2

Op grond hiervan heeft [eiser] gevorderd dat de rechtbank [gedaagde] , bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, op straffe van een dwangsom zal veroordelen, binnen veertien dagen na betekening van het desbetreffende vonnis:

1. de oude doorlopende goot in de oorspronkelijke staat te herstellen;

2. een afgeronde stoeprand te plaatsen langs de garagemuur van [eiser] , zodanig dat het water niet langer door de garagemuur heen komt;

3. € 462,50 te betalen ter zake van buitengerechtelijke kosten;

4. in de kosten van het geding.

3.3

[gedaagde] voert gemotiveerd verweer, waarop hierna zal worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1

[gedaagde] voert in de eerste plaats aan dat [eiser] niet ontvankelijk is in zijn vordering op grond van artikel 5:39 BW. Volgens deze bepaling, voor zoveel hier van belang, mag een eigenaar van een erf niet in een mate of op een wijze die volgens artikel 6:162 BW onrechtmatig is, aan eigenaars van andere erven hinder toebrengen door wijziging te brengen in de loop of hoeveelheid van over zijn erf stromend water. Nu de goot volgens [eiser] op gemeentegrond ligt, is artikel 5:39 BW niet op [gedaagde] van toepassing, aldus [gedaagde] .

4.2

De rechtbank is van oordeel dat artikel 5:39 BW, anders dan zijn voorganger in het Ontwerp Meijers, geen eigen norm bevat waaraan de eigenaar, over wiens erf het water stroomt waarin hij wijziging brengt, zich heeft te houden. Artikel 5:39 BW verwijst voor de geoorloofdheidsnorm immers naar artikel 6:162 BW. [gedaagde] heeft gelijk dat het aan de orde zijnde geval, waarin [eiser] zich op het standpunt stelt dat de goot toebehoort aan de gemeente, niet onder de casusposities valt zoals in artikel 5:39 BW genoemd. In zoverre is artikel 5:39 BW in dit geschil niet rechtstreeks van toepassing.

[eiser] is echter van mening dat [gedaagde] met zijn ophoogwerkzaamheden, ook al ligt de goot op gemeentegrond, onrechtmatig heeft gehandeld. Anders kan al niet tot toepassing van artikel 5:39 BW worden gekomen. De rechtbank acht zich vrij om dit beroep op onrechtmatigheid ook los van de exacte casus van artikel 5:39 BW te beoordelen. [eiser] meent immers dat het handelen van [gedaagde] onrechtmatig is. Of deze onrechtmatigheid tot - verder inhoudsloze - toepassing van artikel 5:39 BW leidt, kan dan in het midden blijven. Artikel 5:39 BW dwingt in zijn huidige vorm ook niet tot een beperking van de mogelijke onrechtmatigheid tot de gevallen die in die bepaling zijn genoemd. [eiser] is daarom ontvankelijk in zijn vordering tot herstel van de oude goot.

4.3

Aan de orde is dus de vraag of het ophogen en het bestraten van het achtererf van [gedaagde] met het oog op het belang van [eiser] om gevrijwaard te blijven van plassen water op zijn achtererf onrechtmatig is. Dat hangt onder meer af van de ernst van de wateroverlast en de daardoor toegebrachte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval. Ook kan daarbij een rol spelen in hoeverre het weghalen van de goot ten behoeve van een effectieve aansluiting op het wegdek geboden was.

4.4

[eiser] heeft in dit verband gesteld dat bij regenval een soort van stuwdam ontstaat en het water richting zijn garage en de buitenmuur van de zijkant van zijn woning loopt. Dat zou, zo begrijpt de rechtbank, op de vierde foto van productie 1 bij de dagvaarding te zien moeten zijn. Wat er op die foto te zien is aan water is echter niet aanstonds duidelijk. In dit verband heeft [eiser] een rapport overgelegd van Aannemersbedrijf Van Veluw waaruit wordt geciteerd:

Rapport naar aanleiding van het straatwerk waar water op blijft staan.

Klachten:

Op de straat van de heer en mevrouw [eiser] blijft regenwater staan.

Door ons vastgestelde oorzaak:

De heer en mevrouw [eiser] hadden samen met de buren een gezamenlijke afvoergoot aan het einde van hun oprit, die naar de buren afgewaterd werd. Nu hebben de buren een nieuwe st[r]aat gelegd en de afvoergoot afgesloten waardoor het regenwater van de heer en mevrouw [eiser] ook niet meer weg kan lopen. Dit veroorzaakt wateroverlast op de oprit tegen de muur van de woning.

4.5

[gedaagde] heeft er in verband met de volgens hem vóór de uitvoering van de werkzaamheden in 2015 al bestaande kwaliteit van de buitenmuur aan de zijkant van de woning van [eiser] , onder verwijzing naar de tweede foto van zijn productie 3, op gewezen dat het voegwerk van die muur zeer slecht is en groene aanslag vertoont. Die foto, waarvan de rechtbank veronderstelt dat deze van recente datum is, laat echter ook zien dat er zich op de betonnen/cementen vloer bij die muur een ring van mos heeft gevormd, hetgeen duidt op de aanwezigheid van waterplassen.

4.6

De rechtbank is van oordeel dat [eiser] zijn stellingen omtrent het niet kunnen weglopen van het water, de oorzaak daarvan en de gevolgen voor de zijmuur van zijn woning voldoende heeft onderbouwd. [gedaagde] betwist de juistheid van die stellingen echter op alle genoemde punten, zodat [eiser] , overeenkomstig zijn bewijsaanbod, tot het bewijs daarvan zal worden toegelaten. Behalve of in plaats van bewijs door getuigen kan daarbij in een geval als het onderhavige gedacht worden aan kleurenfoto’s met datering.

4.7

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden. Bij latere conclusie zal [eiser] zich eventueel nog kunnen uitlaten omtrent het tweede onderdeel van het petitum. De rechtbank gaat er vooralsnog van uit dat hieromtrent geen oordeel meer nodig is, nu het euvel kennelijk is verholpen door het afgekitte betonnen bandje.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1

draagt Van ‘t Hoenderdal op te bewijzen dat ten gevolge van de door [gedaagde] aangebrachte verhoging en bestrating van diens achtererf er bij regenbuien plassen water op het achtererf van [eiser] ontstaan, zodanig dat het water richting zijn garage en de buitenmuur van de zijkant van zijn woning loopt en wateroverlast op zijn achtererf en tegen die muur veroorzaakt;

5.2

bepaalt dat, voor zover Van ‘t Hoenderdal dit bewijs door middel van getuigen wil leveren, het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. R.J.J. van Acht in het Paleis van Justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd;

5.3

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 1 februari 2017 voor het opgeven door Van ‘t Hoenderdal van de getuigen en van hun respectieve verhinderdagen, alsmede de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op de woensdagen in de maanden april tot en met juni 2017, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald;

5.4

verwijst voor het geval Van ‘t Hoenderdal op die roldatum heeft medegedeeld geen getuigenbewijs te willen leveren of geen getuigen of verhinderdata heeft opgegeven, de zaak naar de achtste rolzitting na de dag waarop dit vonnis is uitgesproken voor vonnis of - maar alleen indien Van ‘t Hoenderdal daarom op die roldatum heeft verzocht - naar de zesde rolzitting na de dag waarop dit vonnis is uitgesproken voor het nemen van een conclusie na niet gehouden getuigenverhoor aan de zijde van Van ‘t Hoenderdal, waarbij deze desgewenst ook het bewijs schriftelijk kan leveren;

5.5

bepaalt voorts dat de partijen bij de getuigenverhoren aanwezig zullen zijn en, indien daartoe naar het oordeel van de rechter aanleiding bestaat, tijdens en/of na de getuigenverhoren voor de rechter zullen verschijnen om aan deze inlichtingen over de zaak te geven en deze te laten onderzoeken of de partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden;

5.6

bepaalt dat de partijen alle schriftelijke (bewijs)stukken die zij nog in het geding willen brengen uiterlijk twee weken voor het getuigenverhoor in fotokopie aan de andere partij en aan de kantonrechter toegezonden moeten hebben;

5.7

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.J. van Acht en in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2017.