Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:1343

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
13-03-2017
Datum publicatie
13-03-2017
Zaaknummer
315092
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Geluids- en trillingsoverlast in bedrijfsverzamelgebouw. Beroep op publiekrecht slaagt niet. Strijd met splitsingsreglement. Vorderingen grotendeels toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1279
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/315092 / KG ZA 17-49

Vonnis in kort geding van 13 maart 2017

in de zaak van

1 [eiser sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eisers sub 2] .,

gevestigd te [woonplaats] ,

3. de vereniging

VERENIGING VAN EIGENAREN BEDRIJFSVERZAMELCOMPLEX [naam] ( [adres] ),

gevestigd te [woonplaats] ,

eisers,

advocaat mr. W.F. Veldstra te Rotterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

bijgestaan door mr. L. Salomé te Leusden.

Eisers zullen hierna gezamenlijk [eisers] genoemd worden en afzonderlijk [eiser sub 1] , [eisers sub 2] en de VvE. Gedaagde zal hierna [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 6 februari 2017 met producties

  • -

    de conclusie van antwoord met producties

  • -

    de e-mail van 24 februari 2017 met aanvullende producties van [eisers]

  • -

    de mondelinge behandeling van 27 februari 2017

  • -

    de pleitnota van [eisers]

  • -

    de pleitnota van [gedaagde] .

1.2.

Hierna is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser sub 1] is eigenaar van twee bedrijfsunits in het bedrijfsverzamelgebouw aan de [adres] te [woonplaats] (hierna te noemen het bedrijfsverzamelgebouw). Hij verhuurt de betreffende units, met nummer 8-05 en 8-06, sinds 2013 aan [eisers sub 2] .

2.2.

Het bedrijfsverzamelgebouw is in 2009 opgeleverd en is onderverdeeld in 16 appartementsrechten. Elk van de betreffende bedrijfsunits bestaat uit een ruimte op de begane grond en een ruimte op de bovenverdieping van het gebouw.

2.3.

In de akte van splitsing in appartementsrechten d.d. 9 juli 2008 is een splitsingsreglement vastgesteld. In dit reglement staat onder meer het volgende vermeld:

Artikel 2

1. De eigenaars en de gebruikers moeten zich overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid jegens elkander gedragen. Iedere eigenaar en gebruiker dient voorts de bepalingen van het reglement, het eventuele huishoudelijk reglement, de eventuele regels als bedoeld in artikel 5:128 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek, en overige tussen hen krachtens wet of gewoonte bestaande regels voor zover die op hem betrekking hebben, na te leven.

2. Een eigenaar of gebruiker mag geen onredelijke hinder aan de andere eigenaars en gebruikers toebrengen. Beroepsmatige erotiek is niet toegestaan. Regels ter voorkoming van geluidshinder of andere vormen van hinder kunnen nader bij huishoudelijk reglement worden vastgesteld.

3. Iedere eigenaar en gebruiker is verplicht alle handelingen na te laten waardoor schade kan worden toegebracht aan de belangen van andere eigenaars en gebruikers, hypotheekhouders en andere beperkt gerechtigden of aan de belangen van de vereniging. Hij is verplicht alles te doen wat dienstig kan zijn ter voorkoming van die schade en hij is verplicht voor zover dit redelijk is om maatregelen te dulden die de strekking hebben bedoelde schade te voorkomen, te beperken dan wel op te heffen.

4. Iedere eigenaar en gebruiker dient er voor in te staan dat zijn huisgenoten en zijn personeel de in de vorige leden van dit artikel bedoelde bepalingen en

regels zullen naleven.

Artikel 3

Iedere eigenaar en gebruiker is aansprakelijk voor de door hem aan het gebouw, de grond of de gemeenschappelijke zaken toegebrachte schade en voor onredelijke hinder voor zover deze schade of hinder aan hemzelf, aan zijn huisgenoten of zijn personeel kan worden toegerekend. Hij is verplicht voor zover dit redelijk is maatregelen te nemen of te dulden die de strekking hebben bedoelde schade of hinder te voorkomen of te beperken.”

2.4.

[eisers sub 2] is een onderneming die zich onder meer bezig houdt met het verhandelen en het onderhouden van thermo verwarmings- en koelapparatuur voor laboratoria en industrie. Zij gebruikt unit 8-05 als opslagruimte. De benedenverdieping van unit 8-06 gebruikt zij als werkplaats en de bovenverdieping als kantoorruimte.

2.5.

De VvE behartigt de belangen van de eigenaren van de verschillende bedrijfsunits in het bedrijfsverzamelgebouw.

2.6.

[gedaagde] drijft een onderneming die zich bezig houdt met de productie en de verkoop van dakgootbeschermers. Hij is eigenaar van de bedrijfsunit met nummer 8-10 in het bedrijfsverzamelgebouw.

2.7.

Op grond van het bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein’ van de gemeente [gemeente] , dat dateert van 29 januari 2015, rust op het bedrijfsverzamelgebouw de bestemming industrie.

2.8.

Artikel 28.2 van de ten aanzien van voornoemd bestemmingsplan vastgestelde planregels luidt, voor zover van belang, als volgt:

“28.2 Overgangsrecht gebruik

a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.”

2.9.

[gedaagde] heeft omstreeks eind augustus 2015 een stansmachine aangeschaft die

gebruikt wordt om aluminium platen machinaal te bewerken (hierna te noemen de stansmachine).

2.10.

In oktober 2015 hebben [gemeente] Service & Onderhoud Verwarming B.V. (hierna te noemen [gemeente] ), die sinds 2009 gebruik maakt van bedrijfsunit 8-11 in het bedrijfsverzamelgebouw, en [eisers sub 2] een klacht ingediend bij de Omgevingsdienst Rivierenland over door hen ervaren geluidsoverlast als gevolg van het gebruik van de stansmachine door [gedaagde] .

2.11.

De Omgevingsdienst Rivierenland heeft op 13 oktober 2015 een inspectie uitgevoerd bij [gedaagde] en op 21 december 2015 de ingediende klacht ongegrond verklaard. In de brief die hierover gestuurd is, staat onder meer het volgende vermeld:

Geluidsvoorschriften en Besluit algemene regels milieubeheer

Bijna alle bedrijven in Nederland vallen onder bovengenoemd besluit. Hierin zijn ook geluidsvoorschriften opgenomen. Echter biedt dit besluit geen bescherming naar andere bedrijven op bedrijfsterreinen. De geluidniveaus die hierin beschreven staan zijn gericht naar geluidgevoelige objecten. Dit zijn o.a. woningen van derden, dagopvang van minder validen. Kantoren en bedrijven vallen hier niet onder, dus er kan hier geen toetsing plaatsvinden aan de normen die gesteld zijn in genoemd besluit.

De casus is ook na intern overleg voorgelegd aan het Ministerie van Infrastructuur en Milieu. Ook zij hebben aangegeven dat er geen formele gronden zijn om dit probleem aan te pakken.

(..)”

2.12.

Eind juni 2016 heeft een bestuurslid van de VvE een bezoek gebracht aan [gedaagde] naar aanleiding van de gestelde overlast.

2.13.

[eisers] hebben, naast een verklaring van [eisers sub 2] , een aantal verklaringen overgelegd van eigenaren van verschillende bedrijfsunits in het bedrijfsverzamelgebouw. In deze verklaringen staat onder meer het volgende vermeld:

 “ “Aangezien ik unit 8-14 voornamelijk gebruik als opslag, ben ik slechts sporadisch aanwezig in het pand.

De keren dat ik er was en bij H. [gedaagde] werd gewerkt kon ik duidelijk de geluiden en trillingen waarnemen die de productie machine veroorzaakt.”

 “ “Mijn holding is eigenaar van het pand [adres] -07 te [woonplaats] , welk pand deel uitmaakt van een verzamelcomplex.

(..)

Mijn huidige huurder, welke tot 31-12-2016 huurt, houd geen kantoor in het pand, alleen opslag (..). Deze huurder heeft door zijn activiteiten geen hinder van de trillingen/geluidsoverlast gezien hij er bijna nooit is.

Mijn pand staat momenteel weer te huur. Op de 1e etage is een volledige kantoorruimte ingericht, begane grond is loods voor opslag/fabricagedoeleinden enzovoorts.

Wanneer ik een nieuwe huurder of geïnteresseerde vind, welke de geluidshinder en/of trillingen verneemt, zal dit zeker consequenties kunnen hebben voor het vinden en behouden van een nieuwe huurder voor mijn pand, wat dan ook financiële consequenties heeft.

Zelf heb ik de geluiden/trillingen vernomen. Het geluid is zeer monotoon en gedempt met telkens herhalingen. Ik kan mij zeer zeker voorstellen dat wanneer ik hier kantoor zou houden, ik hier zeker overlast van zou hebben. (..)”

 “ “Wij, Service [gemeente] Groep, zijn een bedrijf dat zich bezig houdt met aanleg en onderhoud van verwarming en zijn gevestigd aan de [adres] -11 te [woonplaats] . (..)

Op de begane grond hebben wij de werkplaats en het magazijn en op de 1ste verdieping het kantoor.

Medio augustus/september 2015 heeft de firma [gedaagde] een grote stansmachine geplaatst in zijn werkplaats die zich op de begane grond bevindt. Wanneer deze machine actief aan het stansen is veroorzaakt dit ons veel overlast; hij maakt behoorlijk veel trillingen en een irritant monotoon geluid.

(..)
De trilling is het meest voelbaar in het magazijn. Het tijdens het stansen ontstane geluid daarentegen is zeer monotoon en komt op ons kantoor op de 1ste verdieping zelfs boven het geluid van de radio uit. Hierdoor is geconcentreerd werken dan ook niet mogelijk. Bij aanhoudende geluidsoverlast leidt dit zelfs tot hoofdpijn- en migraineklachten en geïrriteerd raken. (..)”

2.14.

Op 4 april 2016 heeft Hanselman Expertise in opdracht van [eiser sub 1] een trillingsmeting gedaan in een van de bedrijfsunits van [eiser sub 1] . In het rapport dat naar aanleiding van deze meting is opgesteld, staat onder meer het volgende vermeld:

SBR B

Streefwaarden

Met betrekking tot Hinder voor Personen, wordt gebruik gemaakt van de in 2002 door de Stichting Bouwresearch (SBR) gepubliceerde richtlijn deel B. Dit deel gaat over het meten en beoordelen van trillingen met het oog op mogelijke Hinder voor Personen.

(..)

De streefwaarden zijn aangegeven door:

Al = onderste streefwaarde voor de trillingssterkte Vmax

A2 = bovenste streefwaarde voor de trillingssterkte Vmax

A3 = streefwaarde voor de trillingssterkte Vper (gemiddelde)

Er wordt voldaan aan de streefwaarden als:

1. de waarde van de maximale trillingssterkte in een ruimte (Vmax) kleiner is dan de waarde die wordt aangeduid bij A1, OF ALS

2. de waarde van de maximale trillingssterkte in een ruimte (Vmax) kleiner is dan de waarde onder A2, waarbij de trillingssterkte over de beoordelingsperiode (Vper) kleiner is dan de waarde onder A3.

dag, avond en nacht

kantoor en onderwijs

A1 = 0,15

A2 = 0,6

A3 = 0,07

(..)

Meetresultaten

Gedurende de uitgevoerde metingen zijn onderstaande waarde gemeten:

• Gemeten Vmax dagperiode = 0,18

• Gemeten Vper dagperiode = 0,05

• Gemeten Vmax avondperiode = 0,00

• Gemeten Vper avondperiode = 000

• Gemeten Vmax nachtperiode = 0,1

• Gemeten Vper nachtperiode = 0,06

Conclusie

(..)

Stap 1)

De onderste streefwaarde Vmax(imaal) dag (A1= 0,15) is overschreden.

Stap 2)

De bovenste streefwaarde Vmax(imaal) dag (A2 = 0,6) is niet overschreden.

De maximaal gemeten waarde is 30% van de bovenste streefwaarde

De gemiddelde streefwaarde trillingssterkte over dagdeel Vper(iode) dag (A3 = 0,07) is niet overschreden.

De gemiddelde trillingssterkte over de dag is 71,5% van de gemiddelde streefwaarde over dagdeel dag. De gemeten trillingen zijn waargenomen over een periode van ca. 2 uur.

Bij dergelijke trillingen is bij ca. 2,5 uur de streefwaarde Vper 007 overschreden.”

2.15.

In de SBR Richtlijn B staat onder meer het volgende vermeld:

Trillingen die continu en gedurende lange tijd optreden

Trillingen die continu en gedurende lange tijd optreden diene voor zowel bestaande- als nieuwe situaties beoordeeld te worden conform onderstaande tabel 1 .
(..)

Soort inrichting

Dag-Avond

Nacht

A1

A2

A3

A1

A2

A3

(..)

Onderwijs-Kantoor

0,15

0,60

0,07

0,15

0,60

0,07

(..)

Voor gebouwen die zich op een industrieterrein bevinden (of op een lokatie die als zodanig is bestemd) mogen, na gemotiveerde afweging, hogere streefwaarden worden aangehouden. Als vuistregel kunnen de bovenstaande waarden uit tabel 1 worden vermenigvuldigd met factor 1.8. Dit geldt echter niet voor kritische werkruimten. (..)”

2.16.

Bij brief van 8 november 2016 heeft de raadsman van [eisers] [gedaagde] gesommeerd de overlast als gevolg van het gebruik van de stansmachine te beperken.

3 Het geschil

3.1.

[eisers] vorderen bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [gedaagde] primair te veroordelen tot het binnen 48 uur na betekening van dit vonnis beëindigen, althans het doen beëindigen, van trillings- en geluidshinder door het staken en gestaakt houden van de stanswerkzaamheden, althans het gebruik van de stansmachine zoals thans bij [gedaagde] in gebruik te (doen) staken en subsidiair tot het binnen 48 uur na betekening van dit vonnis treffen van zodanige maatregelen dat de trillings- en geluidshinder ten aanzien van de belendende percelen wordt beëindigd en - tot het moment dat die maatregelen zijn getroffen - het gebruik van de stansmachine te staken en gestaakt te houden, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom. [eisers] vorderen zowel primair als subsidiair veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de kosten van deze procedure, de nakosten daaronder begrepen.

3.2.

[eisers] leggen aan hun vorderingen het navolgende ten grondslag. Het gebruik van de stansmachine door [gedaagde] veroorzaakt voortdurend ernstige overlast voor de andere bedrijven in het bedrijfsverzamelgebouw. De machine maakt een monotoon, hard bonkend geluid en het gebruik van de machine leidt tot trillingen in vloeren en wanden. [eisers sub 2] wordt door deze overlast in haar bedrijfsvoering belemmerd. Vanwege de trillingen kan de verwarmings- en koelapparatuur alleen verpakt in het magazijn staan en er is sprake van uitval van medewerkers. [gedaagde] schendt aldus zijn verplichtingen jegens de VvE en haar leden, in het bijzonder artikel 2 van het splitsingsreglement, en handelt tevens onrechtmatig.

3.3.

[gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De VvE heeft zich ter zitting teruggetrokken als eisende partij, zodat de stelling van [gedaagde] dat de VvE niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vorderingen, geen bespreking meer behoeft.

4.2.

Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van het gevorderde, nu [eisers] aan hun vorderingen ten grondslag hebben gelegd dat sprake is van voortdurende onredelijke en onrechtmatige hinder. Of de gestelde hinder al dan niet reeds geruime tijd voortduurt, staat aan het spoedeisend belang als zodanig niet in de weg.

4.3.

[gedaagde] betwist dat hij met het gebruik van de stansmachine onrechtmatige geluidsoverlast en/of onredelijke hinder veroorzaakt. Hij verwijst in dit kader onder meer naar het hiervoor onder 2.11 genoemde oordeel van de Omgevingsdienst Rivierenland en benadrukt dat op het bedrijfsverzamelgebouw de bestemming industrie en dus niet kantoorruimte rust. Volgens [gedaagde] is Hanselman Expertise ten onrechte uitgegaan van het gebruik van de bedrijfsunits als kantoorruimte en is er, uitgaande van de bestemming industrie, geen sprake van overschrijding van de streefwaarden.

4.4.

Het feit dat de Omgevingsdienst Rivierenland de klacht van [eisers sub 2] en [gemeente] ongegrond heeft verklaard doet in casu niet ter zake, nu die klacht een publiekrechtelijk

karakter had en het thans om een privaatrechtelijk geschil gaat.

4.5.

Op grond van het van toepassing zijnde splitsingsreglement mag een eigenaar of gebruiker van een bedrijfsunit geen onredelijke hinder aan de eigenaren of gebruikers van de andere bedrijfsunits toebrengen en is hij verplicht maatregelen te nemen of te dulden die de strekking hebben dergelijke hinder te voorkomen of te beperken.

4.6.

Vast staat dat meerdere eigenaren of gebruikers van een bedrijfsunit in het bedrijfsverzamelgebouw, waaronder [eisers sub 2] , deze feitelijk deels gebruiken als kantoorruimte. Vast staat ook dat dit reeds langere tijd vóór augustus 2015, dus voor het moment dat [gedaagde] de stansmachine in gebruik nam, het geval was. Bij het beoordelen van de vraag of in casu sprake is van onredelijke hinder in de zin van het splitsingsreglement moet derhalve als uitgangspunt worden genomen dat het bedrijfsverzamelgebouw mede als kantoorruimte dient en dus niet het feit dat op het gebouw de publiekrechtelijke bestemming industrie rust. Overigens hebben [eisers] voldoende aannemelijk gemaakt dat het op grond van de thans geldende publiekrechtelijke regels wel degelijk is toegestaan de bedrijfsunits (deels) als kantoorruimte te gebruiken.

4.7.

Uit de hiervoor onder 2.13 genoemde verklaringen en het verhandelde ter zitting is voldoende aannemelijk geworden dat het gebruik van de stansmachine van [gedaagde] geluids- en trillingsoverlast veroorzaakt. Eveneens is voldoende aannemelijk geworden dat een normale bedrijfsuitoefening in de kantoorruimtes van de bedrijfsunits als gevolg van deze hinder ernstig wordt bemoeilijkt, nu [gedaagde] onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken dat het kantoorpersoneel van [eisers sub 2] - maar ook [gemeente] - zich aan de telefoon niet meer verstaanbaar kan maken en zich onvoldoende op het werk kan concentreren. Aldus is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter sprake van onredelijk hinder als bedoeld in artikel 2 van het splitsingsreglement.

4.8.

[gedaagde] dient op grond van het splitsingsreglement maatregelen te treffen om deze hinder te voorkomen. Daarbij dienen de voor kantoorruimte geldende geluidsnormen als uitgangspunt te worden genomen. Het gaat echter te ver [gedaagde] te veroordelen om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis het gebruik van de stansmachine te (doen) staken, nu hij voor zijn inkomen volledig afhankelijk is van deze machine, deze machine dus niet langere tijd kan stilzetten en hij enige tijd nodig heeft om hetzij de machine te isoleren, hetzij te verhuizen. De primaire vordering van [eisers] zal dus worden afgewezen.

4.9.

De voorzieningenrechter acht het redelijk dat [gedaagde] drie maanden de tijd krijgt om maatregelen te treffen om de onredelijke hinder die het gevolg is van het gebruik van de stansmachine te beëindigen. [gedaagde] kan die periode eveneens benutten om zijn plannen om zijn bedrijf elders voort te zetten, verder te verwezenlijken. De subsidiaire vordering van [eisers] zal dan ook in die zin worden toegewezen. Gelet op het grote belang dat [gedaagde] heeft bij het gebruik van de stansmachine, zal de vordering tot het tussentijds staken van het gebruik van die machine worden afgewezen.

4.10.

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eisers] worden begroot op:

- dagvaarding € 98,88

- griffierecht 618,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.532,88

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om binnen drie maanden na betekening van dit vonnis zodanige maatregelen te treffen dat de onredelijke trillings- en geluidshinder als gevolg van het gebruik van de stansmachine ten opzichte van de belendende percelen wordt beëindigd,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eisers] een dwangsom te betalen van € 1.000,00 voor iedere dag dat hij niet aan de in 5.1 uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 50.000,00 is bereikt,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] tot op heden begroot op € 1.532,88, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de negende dag na heden tot de dag van volledige betaling,

5.4.

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat hij niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.W. Huijgen en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2017.

Coll. MD