Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:1317

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
10-03-2017
Datum publicatie
10-03-2017
Zaaknummer
05/820121-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelde een 28-jarige automobilist uit Duiven voor het veroorzaken van een dodelijk verkeersongeval op de Oostsingel in Duiven. Hij kreeg een gevangenisstraf van 3 jaar en 6 maanden opgelegd. Daarnaast kreeg hij de maximale rijontzegging van 5 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/820121-16

Datum uitspraak : 10 maart 2017

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] , [woonplaats] ,

thans gedetineerd te P.I. Arnhem - HvB Arnhem Zuid te Arnhem

raadsman: mr. J.A. Schadd, advocaat te Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 februari 2017.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 12 november 2016 te Duiven, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, Suzuki Alto), daarmede rijdende over de weg, de Oostsingel, ter hoogte van de kruising met de Broekstraat, zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, terwijl hij onder invloed verkeerde van alcohol, althans na het gebruik van een (niet onaanzienlijke) hoeveelheid alcoholhoudende drank, en/of terwijl aldaar het voor hem van toepassing zijnde verkeerslicht ter hoogte van voormelde kruising rood licht uitstraalde, en/of aldaar heeft gereden met een snelheid van ongeveer 80 km/h en (daarbij) niet, althans in onvoldoende mate, zijn snelheid heeft verminderd en/of aangepast (aan de plaatselijke situatie en/of omstandigheden), en/of (daarbij) niet, althans in onvoldoende mate op het voor hem gelegen weggedeelte van die weg(en) en/of die kruising en/of het overige verkeer heeft gelet en/of is blijven letten, en/of (daarbij) in strijd met artikel 62 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken, dat een gebod of verbod inhoudt, immers niet is gestopt voor het voor zijn rijrichting bestemde driekleurige verkeerslicht dat rood licht uitstraalde, en/of (vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een op die kruising overstekende fietser, en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander ( [slachtoffer] ) werd gedood, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8 tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994, art 175 lid 3 Wegenverkeerswet 1994.

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 12 november 2016 te Duiven, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Oostsingel, ter hoogte van de kruising met de Broekstraat, terwijl hij onder invloed verkeerde van alcohol, althans na het gebruik van

een (niet onaanzienlijke) hoeveelheid alcoholhoudende drank, en/of terwijl aldaar het voor hem van toepassing zijnde verkeerslicht ter hoogte van voormelde kruising rood licht uitstraalde, en/of aldaar heeft gereden met een snelheid van ongeveer 80 km/h en (daarbij) niet,

althans in onvoldoende mate, zijn snelheid heeft verminderd en/of aangepast (aan de plaatselijke situatie en/of omstandigheden), en/of (daarbij) niet, althans in onvoldoende mate op het voor hem gelegen weggedeelte van die weg(en) en/of die kruising en/of het overige verkeer heeft gelet en/of is blijven letten, en/of (daarbij) in strijd met artikel 62 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken, dat een gebod of verbod inhoudt, immers niet is gestopt voor het voor zijn rijrichting bestemde driekleurige verkeerslicht dat rood licht uitstraalde, en/of (vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een op die kruising overstekende fietser, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

2.

hij op of omstreeks 12 november 2016 te Duiven als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 410 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

3.

dat hij, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval, dat had plaatsgevonden in Duiven op/aan de kruising Oostsingel / Broekstraat, op of omstreeks 12 november 2016, de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl daardoor, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een ander ( [slachtoffer] ), aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Ten aanzien van feit 1 primair.

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 12 november 2016 heeft verdachte, als bestuurder van een motorrijtuig, een personenauto van het merk Suzuki Alto, met een snelheid van ongeveer 80 kilometer per uur gereden over de Oostsingel te Duiven. Ter hoogte van de kruising tussen de Oostsingel en de Broekstraat is verdachte met onverminderde snelheid de kruising opgereden en heeft hij niet op het voor hem gelegen weggedeelte van die kruising en het overige verkeer gelet. Verdachte is vervolgens gebotst tegen een op die kruising overstekende fietser. Als gevolg van die botsing is die fietser, [slachtoffer] , overleden. Verdachte was onder invloed van alcohol en uit onderzoek is gebleken dat het ademalcoholgehalte van verdachte 410 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht was.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde.

Het standpunt van de verdediging

Namens verdachte is geen verweer gevoerd. Verdachte zelf geeft aan dat, op het moment dat hij de kruising tussen de Oostsingel en de Broekstraat opreed, het voor hem geldend verkeerslicht groen licht uitstraalde.

Beoordeling door de rechtbank

Discussiepunt is of het voor verdachte geldend verkeerslicht, toen hij met een snelheid van ongeveer 80 kilometer per uur de kruising tussen de Oostsingel en de Broekstraat opreed, groen of rood licht uitstraalde.

De logbestanden van de verkeerslichtinstallatie betreffende de stoplichten op de kruising van de Oostsingel en de Broekstraat zijn in de nacht van 11 op 12 november 2016 tussen 20.00 uur en 06.00 uur niet opgeslagen.3

Nader onderzoek naar de stelling van verdachte dat hij, op het moment dat hij de kruising tussen de Oostsingel en de Broekstraat opreed, groen licht had, was dus noodzakelijk. Zou verdachte namelijk groen licht hebben gehad, dan zou dat betekenen dat het slachtoffer, [slachtoffer] , door rood gereden moet zijn.

De getuige [getuige] reed op 12 november 2016 over de Oostsingel in Duiven en kwam uit tegengestelde richting van verdachte. De getuige zag dat, toen hij nog ongeveer 75 meter voor het stoplicht was, het stoplicht voor hem rood licht uitstraalde. De getuige weet dan dat er kruisend verkeer oversteekt. Toen de getuige nog ongeveer 60 meter voor het voor hem rood licht uitstralende stoplicht was, passeerde hem de tegenligger die hij vanuit de tegengestelde richting zag naderen. Ook merkt de getuige op dat wanneer hij rood licht heeft zijn tegenligger ook rood licht gehad moet hebben aangezien de verkeerslichten voor het verkeer op de Oostsingel altijd groen licht hebben tenzij er verkeer vanuit (onder meer) de Broekstraat oversteekt.4

Vanuit de rijrichting van de auto van de getuige [getuige] , was het verkeerslicht op een afstand van circa 150 meter, 100 meter en 50 meter duidelijk zichtbaar. Ook vanuit de rijrichting van het slachtoffer waren de verkeerslichten goed zichtbaar.5 Ook voor verdachte was het verkeerslicht goed zichtbaar.6

Uit de VRI (Verkeersregelinstallatie)-data blijkt dat de verkeerslichten van richting 2 (getuige [getuige] ) en richting 8 (verdachte) vrijwel altijd dezelfde kleur uitstraalden. Het enige verschil was dat de verkeerslichten voor verdachte maximaal 2,0 seconden eerder groen licht konden hebben uitgestraald dan de verkeerslichten voor de getuige [getuige] . Uit afwezigheid van ander verkeer op het moment van het verkeersongeval, volgt dat het rode verkeerslicht zoals waargenomen door de getuige [getuige] alleen veroorzaakt kon zijn door detectie(s) van de aangereden fietser. De regelapplicatie was voorzien van een zogenoemde “wachtstand groenregeling op aanvraag”. Dit houdt in dat de verkeerslichten op de Oostsingel groen licht houden tot het moment dat verkeer komend uit onder meer de Broekstraat groen licht aanvraagt. Op grond van het vorenstaande is het aannemelijk dat het rood licht voor de getuige [getuige] veroorzaakt werd door de aanvraag voor groen licht door het slachtoffer.7

Zoals hiervoor opgemerkt is er een mogelijkheid dat het verkeerslicht voor verdachte 2,0 seconden eerder groen licht had dan de getuige [getuige] . De getuige [getuige] verklaart dat op het moment dat de hem tegemoetkomende personenauto hem passeerde, hij nog ongeveer 60 meter voor het voor hem uitstralende rode stoplicht was.

Dat de getuige [getuige] op het moment dat de hem tegemoetkomende personenauto hem passeerde de afstand tussen hem en het verkeerslicht dat voor hem rood licht uitstraalde ongeveer 60 meter was, wordt door de onderzoekers aannemelijk geacht.8

Op basis van de door de getuige genoemde afstand was te berekenen met welke snelheid de bestuurder van de Suzuki de stopstreep moet zijn gepasseerd op het moment dat de getuige [getuige] nog (net) rood licht gehad zou kunnen hebben, terwijl het stoplicht voor verdachte (voornoemde 2,0 seconden eerder) op groen ging.

Tijdens het passeren van de stopstreep van verdachte zou de snelheid van de Suzuki dan minimaal 142 kilometer per uur moeten zijn geweest. Een minimale snelheid van 142 kilometer per uur past niet bij de verklaring van verdachte die aangeeft dat hij reed met een snelheid van ongeveer 80 kilometer per uur.

Verder dient te worden opgemerkt dat hoe lager de snelheid van de Suzuki was (lager dan 142 kilometer per uur) tijdens het passeren van de stopstreep hoe groter de aannemelijkheid dat verdachte de voor hem bestemde verkeerslichten die rood licht uitstraalden negeerde.9

De rechtbank acht het op grond van het voorgaande niet aannemelijk dat het voor verdachte geldende verkeerslicht, op het moment dat verdachte dit verkeerslicht passeerde, groen licht uitstraalde. Verdachte is dus het kruisingsvlak (met onverminderde snelheid) opgereden terwijl het verkeerslicht voor hem rood licht uitstraalde en dat het verkeerslicht voor het slachtoffer groen licht uitstraalde op het moment dat hij het kruisingsvlak al fietsend opreed. Daarbij neemt de rechtbank tevens mee dat het een feit van algemene bekendheid is dat alcohol een negatief effect heeft op het reactievermogen en waarnemingsvermogen van een chauffeur, zeker wanneer de bestuurder bijna twee keer de toegestane hoeveelheid alcohol heeft gedronken.

Ten aanzien van feit 2.

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- een proces-verbaal rijden onder invloed (pag. 34 e.v.);

- een schriftelijk bescheid, te weten een ademanalyseformulier (pag. 39);

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 24 februari 2017.

Ten aanzien van feit 3.

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- een proces-verbaal verhoor getuige, inhoudende de verklaring van de getuige [getuige] (pag. 045);

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 24 februari 2017.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op of omstreeks 12 november 2016 te Duiven, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, Suzuki Alto), daarmede rijdende over de weg, de Oostsingel, ter hoogte van de kruising met de Broekstraat, zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, terwijl hij onder invloed verkeerde van alcohol, althans na het gebruik van een (niet onaanzienlijke) hoeveelheid alcoholhoudende drank, en/of terwijl aldaar het voor hem van toepassing zijnde verkeerslicht ter hoogte van voormelde kruising rood licht uitstraalde, en/of aldaar heeft gereden met een snelheid van ongeveer 80 km/h en (daarbij) niet, althans in onvoldoende mate, zijn snelheid heeft verminderd en/of aangepast (aan de plaatselijke situatie en/of omstandigheden), en/of (daarbij) niet, althans in onvoldoende mate op het voor hem gelegen weggedeelte van die weg(en) en/of die kruising en/of het overige verkeer heeft gelet en/of is blijven letten, en/of (daarbij) in strijd met artikel 62 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken, dat een gebod of verbod inhoudt, immers niet is gestopt voor het voor zijn rijrichting bestemde driekleurige verkeerslicht dat rood licht uitstraalde, en/of (vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een op die kruising overstekende fietser, en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander ( [slachtoffer] ) werd gedood, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8 tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994, art 175 lid 3 Wegenverkeerswet 1994.

2.

hij op of omstreeks 12 november 2016 te Duiven als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 410 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

3.

dat hij, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval, dat had plaatsgevonden in Duiven op/aan de kruising Oostsingel / Broekstraat, op of omstreeks 12 november 2016, de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl daardoor, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een ander ( [slachtoffer] ), aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 primair:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerwet 1994 terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Ten aanzien van feit 2:

Overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994.

Ten aanzien van feit 3:

Overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar, met als bijzondere voorwaarden: reclasseringstoezicht, een behandelverplichting, een drugs- en alcoholverbod zoals omschreven in het rapport van Reclassering Nederland zolang de reclassering dit noodzakelijk acht alsmede dat verdachte zich houdt aan het opgelegd rijverbod.

Voorts vordert de officier van justitie een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 jaar.

De officier van justitie gaat bij zijn eis uit van de LOVS‑oriëntatiepunten voor straftoemeting en is op grond daarvan van oordeel dat wanneer iemand met grove schuld een dodelijk verkeersongeval onder invloed van alcohol heeft veroorzaakt een gevangenisstraf van 12 maanden op zijn plaats is alsmede een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 jaren. Naast dit dodelijk verkeersongeval heeft verdachte ook nog de plaats van het ongeval verlaten en het slachtoffer in een hulpeloze toestand achtergelaten en is bewezen dat hij onder invloed een motorrijtuig heeft bestuurd. Voorafgaand aan het ongeval heeft verdachte meerdere horecagelegenheden bezocht waarbij hij telkens de auto bestuurde. Ook na het ongeval is verdachte, nadat hij eerst naar zijn woning was gereden, wederom in diezelfde auto, met een volledig kapotte voorruit gaan rijden.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft opgemerkt dat er geen excuus is voor het ongeval, dat verdachte het oordeel van de rechtbank accepteert alsook de straf.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 12 januari 2017;

- een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland d.d. 22 februari 2017.

De rechtbank overweegt als volgt.

Verdachte is na een avond/nacht “stappen” en na het nuttigen van een niet onaanzienlijke hoeveelheid alcohol als bestuurder van een personenauto gaan rijden. Verdachte was een gewaarschuwd persoon aangezien hem op 29 november 2011 een strafbeschikking is opgelegd vanwege overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994.

Daarbij komt ook dat verdachte na een incident op 17 juli 2011, waarbij hij is aangehouden omdat hij met een auto opzettelijk was ingereden op een verkeersregelaar, is onderworpen aan een onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid (artikel 131 Wegenverkeerswet 1994).

Vanuit het CBR heeft verdachte vanaf 2011 een vermelding “medische indicatie” opgelegd gekregen. Deze maatregel houdt in dat het rijbewijs van verdachte telkens wordt afgegeven voor de duur van 1 jaar en dat hij jaarlijks een verzoek moet indienen om de geldigheidsduur van zijn rijbewijs te verlengen. Het rijbewijs van verdachte wordt slechts dan verlengd nadat een (medisch) onderzoek met goed gevolg heeft plaatsgevonden. Het rijbewijs van verdachte had op 1 oktober 2016 zijn geldigheid verloren aangezien verdachte geen verlenging van zijn rijbewijs had aangevraagd. Ten tijde van het ongeval reed verdachte dus zonder geldig rijbewijs.

Niet alleen is verdachte na het “stappen” gaan rijden maar ook tussendoor heeft hij telkens de auto bestuurd wanneer men van de ene kroeg naar de andere ging. Er zijn dus vele momenten geweest waarop verdachte anders had kunnen en moeten beslissen voordat hij op het laatst besloot zelf naar huis te rijden.

Het veroorzaken van een ongeval waarbij een ander wordt gedood is een zeer ernstig feit. Weliswaar heeft verdachte geen opzet gehad op de dood van het slachtoffer en heeft verdachte de zeer ernstige, onherstelbare, gevolgen van het ongeval niet gewild, maar het is verdachte die met een niet onaanzienlijke hoeveelheid alcohol zelf besluit om te gaan rijden terwijl het een feit van algemene bekendheid is dat bij hoeveelheden alcohol als door verdachte genuttigd, bijna twee keer de toegestane hoeveelheid, het reactievermogen en oordeelsvermogen aanzienlijk verminderen. Zo blijft verdachte volhouden dat het voor hem geldend verkeerslicht groen licht uitstraalde terwijl uit de feiten zoals hiervoor in de bewijsmiddelen omschreven naar voren komt dat verdachte met onverminderde snelheid door rood is gereden met als gevolg dat hij het slachtoffer [slachtoffer] , ten tijde van het ongeval 20 jaar oud, vol heeft aangereden ten gevolge van welke aanrijding [slachtoffer] nog diezelfde dag is overleden. Daarbij komt ook nog dat verdachte met onverminderde snelheid is doorgereden en het slachtoffer in hulpeloze toestand heeft achtergelaten.

Voor de nabestaanden is het ontvangen van het bericht dat hun zoon en broer betrokken is bij zo’n ernstig ongeval bijzonder schokkend, zeker wanneer hun zoon / broer enkele uren na het ongeval aan zijn verwondingen komt te overlijden. Schrijnend is bovendien dat het slachtoffer is overleden op de dag dat zijn zus jarig was. De verjaardag van deze zus zal, niet alleen door haar maar door alle familieleden, blijvend geassocieerd worden met het overlijden van het slachtoffer en de wijze waarop hij is overleden.

Niet alleen is verdachte na het ongeval, waarbij hij niet of nauwelijks zicht had door de zwaar beschadigde voorruit, doorgereden en naar zijn woning gereden, maar is hij bovendien, nog steeds in beschonken toestand, ook daarna nog naar een vriend in Arnhem gereden om zijn auto weg te brengen. Hieruit blijkt dat verdachte schijnbaar meer aandacht had voor zijn personenauto dan voor het lot van het slachtoffer. Ter zitting stelt verdachte weliswaar dat hij naar zijn vriend ging om raad maar dat strookt niet met wat verdachte direct na zijn aanhouding opmerkt, namelijk dat hij niets weet van een ongeval waar hij bij betrokken zou zijn geweest.

De officier van justitie eist een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk en baseert deze straf mede op de LOVS‑oriëntatiepunten voor straftoemeting. De rechtbank gebruikt bij dit soort delicten diezelfde oriëntatiepunten als een begin van denken over de op te leggen straf. Deze oriëntatiepunten geven aan dat wanneer sprake is van zeer hoge mate van schuld, er een dodelijk slachtoffer is en het alcoholgehalte lager is dan 570 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, het uitganspunt voor de op te leggen straf een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar onvoorwaardelijk en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 jaar is. Naar het oordeel van de rechtbank is bij het verkeersgedrag van verdachte, dat naast rijden onder invloed, bestaat uit het zonder geldig rijbewijs met ongeveer 80 kilometer per uur door rood licht een kruising oprijden, sprake van zeer hoge mate van schuld.

De rechtbank is van oordeel dat de door de officier van justitie geëiste straf, welke straf gebaseerd is op ernstige schuld in plaats van zeer hoge mate van schuld, gelet op het voorgaande, geen recht doet aan de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan. De rechtbank is van oordeel dat een aanzienlijk hogere gevangenisstraf passend en geboden is. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verdachte zo lang mogelijk de bevoegdheid moet worden ontzegt een motorrijtuig te besturen. Was in 2011 sprake van het kennelijk opzettelijk inrijden op een verkeersregelaar, nu heeft verdachte een ander door zijn rijgedrag het leven ontnomen. De recidiveregeling kan, gelet op de documentatie van verdachte, niet worden toegepast. Zou die regeling wel van toepassing zijn dan zou de rechtbank een nog hogere ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen hebben overwogen. Thans kan de rechtbank niet anders dan volstaan met de in dit geval maximaal mogelijk op te leggen bijkomende straf.

De rechtbank ziet geen aanleiding thans een deel van de op te leggen gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen om de door de reclassering geformuleerde bijzondere voorwaarden op te leggen. Indien verdachte in aanmerking komt voor voorwaardelijke invrijheidstelling kan alsdan beoordeeld worden of en zo ja welke bijzondere voorwaarden aan de voorwaardelijke invrijheidstelling gekoppeld kunnen worden.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht alsmede de artikelen 6, 7, 8, 175, 176, 178 en 179 van de Wetenverkeerswet 1994.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren en 6 (zes) maanden;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 ontzegt verdachte bovendien de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.M.L. Tomassen (voorzitter), mr. N.C. van Lookeren Campagne en mr. M.P. Bos, rechters, in tegenwoordigheid van R. van Dijk, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 maart 2017.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door een verbalisant van de politie eenheid Oost Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600‑2016556031, gesloten op 09 januari 2017, en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Een proces-verbaal rijden onder invloed (pag. 34 e.v.); een schriftelijk bescheid, te weten een ademanalyseformulier (pag. 39); een proces-verbaal schouw stoffelijk overschot (pag. 260 e.v.); een schriftelijk bescheid, te weten een akte van overlijden betreffende [slachtoffer] (pag. 031 e.v.); een proces-verbaal onderzoek plaats delict (pag. 266 e.v.); de verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 24 februari 2017;

3 Proces-verbaal onderzoek plaats delict, werking van verkeersregelinstallaties (pag. 343 e.v.);

4 Processen-verbaal van verhoor getuige, inhoudende de verklaring van de getuige [getuige] (pag. 045, pag. 047 e.v. en pag. 51 e.v.);

5 Een proces-verbaal onderzoek plaats delict werking van verkeersregelinstallaties (pag. 357 t/m 359);

6 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 24 februari 2017.

7 Een aanvullend proces-verbaal analyse van een verkeersdelict op basis van gegevens van een verkeersregelinstallatie (pag. 4 en 5 van 35);

8 Een aanvullend proces-verbaal analyse van een verkeersdelict op basis van gegevens van een verkeersregelinstallatie (pag. 6 van 35, eerste alinea);

9 Een aanvullend proces-verbaal analyse van een verkeersdelict op basis van gegevens van een verkeersregelinstallatie (pag. 6 van 35, tweede alinea);