Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:1280

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
07-03-2017
Datum publicatie
09-03-2017
Zaaknummer
05/740273-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 45-jarige man uit Aalten is veroordeeld tot een gevangenisstraf en een werkstraf voor het plegen van ontucht met zijn twee minderjarige dochters.

De rechtbank vindt dit ernstige feiten. De man heeft zijn lustgevoelens boven de belangen van zijn jonge dochters gesteld. Hierdoor heeft de man misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in hem als vader van de slachtoffers mocht worden gesteld.

Door de officier van justitie was een gevangenisstraf van 6 maanden voorwaardelijk geëist en ook een werkstraf van 240 uren. Ook vond de officier van justitie dat de man zich aan verschillende voorwaarden moest houden. De rechtbank zag aanleiding om de eis van de officier van justitie te matigen. Dit komt omdat de man vorig jaar vrijwillig is gestart met een groepsbehandeling voor zedendaders. De man gaat naar alle bijeenkomsten en is gemotiveerd. De rechtbank vindt het belangrijk dat de man deze behandeling positief afrondt. De rechtbank heeft daarom een gevangenisstraf opgelegd van 180 dagen waarvan 179 dagen voorwaardelijk. Ook moet de man een werkstraf verrichten van 200 uren en moet hij zich aan verschillende voorwaarden houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/740273-16

Datum uitspraak : 07 maart 2017

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum 1] 1972 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .

raadsman: mr. D.P. Kant, advocaat te Goor.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

21 februari 2017.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij (op meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 01 september 2003 tot en met 1 mei 2005 te Groenlo en/of te Aalten, in ieder geval in Nederland, ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarige dochter [benadeelde 1] , geboortedatum [geboortedatum 2] 1997, immers heeft verdachte

- die [benadeelde 1] op ontuchtige wijze gezoend;

- naakt (en al dan niet met een erecte penis) tegen die [benadeelde 1] aangelegen en daarbij zogenaamde rijbewegingen gemaakt;

- zich door die [benadeelde 1] aan zijn penis laten betasten;

2.

hij in of omstreeks de periode van 30 december 2007 tot en met 30 december 2008, te Groenlo, in ieder geval in Nederland, ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarige dochter [benadeelde 1] , geboortedatum [geboortedatum 2] 1997, door met zijn hand, over de kleding, over de vagina van die [benadeelde 1] te wrijven;

3.

hij in of omstreeks de periode van 01 september 2015 tot en met 31 oktober 2015 te Aalten, in ieder geval in Nederland, ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarige dochter [benadeelde 2] , geboren op [geboortedatum 3] 1999, door (één van haar) blote borsten van die [benadeelde 2]

te betasten.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Ten aanzien van feit 1

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 1] , p. 24 e.v.;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 21 februari 2017.

Ten aanzien van feit 2

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van verhoor van getuige [benadeelde 2] , p. 29;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 21 februari 2017.

Ten aanzien van feit 3

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 1] , p. 35;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 21 februari 2017.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij (op meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 01 september 2003 tot en met 1 mei 2005 te Groenlo en/of te Aalten, in ieder geval in Nederland, ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarige dochter [benadeelde 1] , geboortedatum [geboortedatum 2] 1997, immers heeft verdachte

- die [benadeelde 1] op ontuchtige wijze gezoend;

- naakt (en al dan niet met een erecte penis) tegen die [benadeelde 1] aangelegen en daarbij zogenaamde rijbewegingen gemaakt;

- zich door die [benadeelde 1] aan zijn penis laten betasten;

2.

hij in of omstreeks de periode van [geboortedatum 2] 2007 tot en met [geboortedatum 2] 2008, te Groenlo, in ieder geval in Nederland, ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarige dochter [benadeelde 1] , geboortedatum [geboortedatum 2] 1997, door met zijn hand, over de kleding, over de vagina van die [benadeelde 1] te wrijven;

3.

hij in of omstreeks de periode van 01 september 2015 tot en met 31 oktober 2015 te Aalten, in ieder geval in Nederland, ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarige dochter [benadeelde 2] , geboren op [geboortedatum 3] 1999, door (één van haar) blote borsten van die [benadeelde 2]

te betasten.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

ontucht plegen met zijn minderjarig kind, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van de feiten 2 en 3 telkens:

ontucht plegen met zijn minderjarig kind.

5 De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en voorts tot het verrichten van 240 uren werkstraf, te vervangen door 120 dagen hechtenis. Aan het voorwaardelijk strafkader dienen de bijzondere voorwaarden opgelegd te worden zoals deze geadviseerd zijn door de reclassering.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht een geheel voorwaardelijke werkstraf op te leggen. Verdachte is onder behandeling en moet daar veel tijd aan besteden. Verdachte heeft geen bezwaar tegen de bijzondere voorwaarden zoals deze geadviseerd zijn door de reclassering.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 2 november 2016;

- een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 2 januari 2017.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich meerdere malen schuldig gemaakt aan het plegen van ontucht met zijn minderjarige dochters. Dat zijn ernstige feiten, waarmee verdachte zijn eigen lustgevoelens boven de belangen van zijn jonge dochters heeft gesteld. Verdachte heeft door zijn handelen misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in hem als vader van de slachtoffers mocht worden gesteld. Zijn handelwijze vormt een ernstige aantasting van de geestelijke en lichamelijke integriteit van de slachtoffers en kan, naar de ervaring leert, voor hen ernstige psychische gevolgen hebben.

De rechtbank houdt ook rekening met het omtrent verdachte opgesteld reclasseringsrapport. Hieruit blijkt dat verdachte in de zomer van 2016 op vrijwillige basis gestart is met een groepsbehandeling voor zedendaders en dat hij zich gemotiveerd toont om deze behandeling te vervolgen. Verdachte komt trouw naar de groepsbijeenkomsten, maar lijkt het moeilijk te vinden om over zijn handelen te praten. Hij lijkt zich niet te kunnen verplaatsen in de beleving van de slachtoffers. Volgens de reclassering is nader psychologisch onderzoek naar de achterliggende problematiek van verdachte noodzakelijk.

De rechtbank ziet, alles afwegende, aanleiding de door de officier van justitie gevorderde straf te matigen. De rechtbank acht het ter voorkoming van recidive van groot belang dat verdachte zijn behandeling positief afrondt. Dit betreft een intensieve behandeling die veel tijd kost. Daarnaast heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard van de bewezenverklaarde feiten.

De rechtbank zal een werkstraf voor de duur van 200 uren opleggen. Ook zal zij een gevangenisstraf opleggen voor de uur van 180 dagen, waarvan 179 dagen voorwaardelijk. De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met het bepaalde in artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht. De proeftijd zal worden bepaald op drie jaren. Een ‘stok achter de deur’ is naar het oordeel van de rechtbank immers op zijn plaats om zoveel mogelijk te waarborgen dat verdachte niet nogmaals een strafbaar feit zal plegen. Aan het voorwaardelijk strafdeel worden de bijzondere voorwaarden gesteld, zoals door de reclassering in het rapport van 2 januari 2017 zijn geadviseerd.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22b, 22c, 22d, 57 en 249 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

 een gevangenisstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) dagen;

 bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, te weten 179 (honderdnegenenzeventig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde(n) voor het einde van de proeftijd die op drie jaren wordt bepaald:

de algemene voorwaarden:

  • -

    dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

  • -

    dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

de bijzondere voorwaarden:

  • -

    dat de veroordeelde zich binnen vijf dagen volgend op het onherroepelijk worden van het vonnis zal melden bij Reclassering Nederland en zich vervolgens gedurende het reclasseringstoezicht zal blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. De veroordeelde zal zich hierbij houden aan de opdrachten en aanwijzingen die hem door of namens de reclassering zullen worden gegeven;

  • -

    dat de veroordeelde zich onder behandeling zal stellen bij een instelling voor ambulante forensische psychiatrie, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling en/of de behandelaar(s) zullen worden gegeven, ook als dit inhoudt het meewerken aan (groepsgerichte) zedenbehandeling;

  • -

    dat de veroordeelde zal meewerken aan een diagnostisch (psychologisch) onderzoek;

 geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht);

 een werkstraf gedurende 200 (tweehonderd) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 100 (honderd) dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Tegelaar (voorzitter), mr. M.F. Gielissen en mr. D.S.M. Bak, rechters, in tegenwoordigheid van D. Waizy, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 07 maart 2017.

mr. M.F. Gielissen en mr. D.S.M. Bak zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Oost Nederland, dienst regionale recherche, afdeling thematische opsporing, team zeden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2016030002, gesloten op 10 juli 2016 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.