Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:1188

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
08-03-2017
Datum publicatie
09-03-2017
Zaaknummer
C/05/305011 / HZ ZA 16-288
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzekeringszaak. Stormschade. Schadevaststelling door experts. Akte van disakkoord. Vordering tot vernietiging van bindend advies afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1241
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zutphen

zaaknummer / rolnummer: C/05/305011 / HZ ZA 16-288

Vonnis van 8 maart 2017

in de zaak van

de stichting

STICHTING HELVETIA UIT DE AS HERREZEN,

gevestigd te Hilversum,

eiseres,

advocaat mr. K. Roderburg te Amsterdam,

tegen

de naamloze vennootschap

ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

handelend onder de naam Interpolis,

gevestigd te Apeldoorn,

gedaagde,

advocaat mr. B.M. Stroetinga te Eindhoven.

Partijen zullen hierna Stichting Helvetia en Achmea genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 14 september 2016

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 1 december 2016.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Stichting Helvetia is een stichting die de belangen behartigt van gedupeerden bij verzekerde schade. Zij verstrekt adviezen en verleent diensten op dit gebied en vordert schadevergoedingen onder meer uit eigen naam.

2.2.

Timmerindustrie Batavia (hierna: Batavia), gevestigd te Oudesluis, is een (inmiddels) gefailleerde vennootschap die haar onderneming maakte van fabricage van en handel in machinale timmerwerken, bouwmaterialen en aannemingsmaterialen. Op 22 januari 2013 is het faillissement van Batavia uitgesproken. De heer [naam voormalig bestuurder] (hierna: [naam voormalig bestuurder]) is de voormalig bestuurder van Batavia.

2.3.

Batavia heeft bij Achmea (onder de handelsnaam Interpolis) een overeenkomst van schadeverzekering gesloten, waarbij onder meer verzekerd zijn de inventaris en goederen aanwezig in het bedrijfspand van Batavia, alsook bedrijfsschade. De schadeverzekering biedt onder meer dekking tegen schade als gevolg van storm.

2.4.

Op 3 januari 2012 heeft een storm gewoed waarbij delen van een zogenoemde Romneyloods zijn terechtgekomen op de houtbewerkingsloods van Batavia, waarin zich diverse machines bevonden. Door de beschadigingen in het dak hebben machines schade geleden.

2.5.

Bij Akte Benoeming van Experts d.d. 6 januari 2012 zijn Batavia en Achmea overeengekomen dat als uitsluitend bewijs van de omvang van de schade een schadevaststelling door E.M. Horssius (hierna: Horssius) van Krantz & Polak Resolve namens Batavia en N.J.P. Weel (Weel) van Achmea Claims Organisatie zal gelden. Voor het geval van gebrek aan overeenstemming over de schadevaststelling tussen voornoemde schade-experts hebben zij als derde expert voor de inventarisschade de heer ing. M.J.A. van de Ven (hierna: Van de Ven) en voor de bedrijfsschade de heer G.H. Koestering RA (hierna: Koestering) aangewezen om (wat in de akte wordt aangeduid als) de grootte van de schade bindend vast te stellen.

2.6.

Omdat Horssius en Weel niet tot overeenstemming zijn gekomen, hebben zij in juli 2012 een Akte van Disakkoord opgemaakt, die mede ondertekend is door Van der Ven op 1 augustus 2012 en een in augustus/september opgemaakte Akte van Disakkoord, die mede ondertekend is door Koestering op 24 september 2012. Van de Ven en Koestering verklaren hun benoeming te aanvaarden en de taxatie bindend te zullen vaststellen. Het disakkoord ziet op de getaxeerde inventaris, te weten houtbewerkingsmachines met de nummers 64 tot en met 86, de motafzuiginstallatie met de nummers 148 en 163, de ongetaxeerde inventaris, alsmede de bedrijfsschade. De beide definitieve rapporten/bindend adviezen van de derde-experts dateren van 12 april 2013.

2.7.

In het verslag van de bespreking van 17 september 2012 (pagina 14/40 van het bindend advies van Van de Ven) tussen onder anderen Van de Ven, [naam voormalig bestuurder] en Horssius is onder meer het volgende opgenomen:

“In de afronding van het gesprek (…) verklaarde de heer [naam voormalig bestuurder] [destijds directeur van Batavia, rechtbank] mij desgewenst voornemens te zijn de bedrijfsvoering voort te zetten. Tot op heden is er, vanwege het gebrek aan overeenstemming met de heer Weel alsmede naar de mening van de heer [naam voormalig bestuurder] benodigde aanvullende voorschotten, geen opdracht verstrekt tot herstel en/of vervanging van machines. Ik gaf de heer Horssius aan dat een zuivere vaststelling van de schade op basis van de thans beschikbare gegevens problematisch zal zijn.

Feitelijke schadevaststelling zou naar mijn mening slechts kunnen plaatsvinden indien er ofwel duidelijkheid zou zijn dat de machines als volledig verloren dienen te worden aangemerkt, dan wel door in te stemmen met reconditioneren van machines en het daarbij behorende herstel door installateurs. (…) Als partijen het erover eens zijn alsnog van het proces van reconditionering en het bijbehorende herstel door leveranciers aan te gaan, zou deels op basis van regie een zuivere schadevaststelling kunnen plaatsvinden. De heer Horssius gaf hierop te kennen in dit stadium een vaststelling van de schade door mij op basis van de beschikbare informatie op prijs te stellen om niet meer tijd te verliezen.”

2.8.

Op 6 januari 2015 heeft de curator van Batavia de vorderingen, die Batavia op grond van de verzekeringsovereenkomst met betrekking tot het schadevoorval op 3 januari 2012 heeft, gecedeerd aan Helvetia.

2.9.

Bij brief van 12 april 2016 heeft de advocaat van Stichting Helvetia aan Achmea geschreven dat hij in verband met de van Batavia overgenomen vordering uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst binnen een termijn van 7 dagen van Achmea wilde vernemen of die bereid was om op minnelijke wijze tot een oplossing te komen, bij gebreke waarvan overgegaan zal worden tot het uitbrengen van de dagvaarding. Bij deze brief is een conceptdagvaarding gevoegd.

2.10.

In reactie hierop heeft Achmea bij brief van 18 april 2016 de advocaat van Stichting Helvetia laten weten dat zij een beroep op verjaring van de vordering doet en medegedeeld dat er geen minnelijke oplossing zal komen.

3 Het geschil

3.1.

Stichting Helvetia vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

I de bindende adviezen van Koestering en Van de Ven d.d. 12 april 2013 zal vernietigen, althans voor recht zal verklaren dat deze voor partijen onverbindend zijn,

II voor recht zal verklaren dat de bedrijfsschade € 900.000,00 en de schade aan de inventaris € 963.935,32 bedraagt, althans in goede justitie te bepalen bedragen,

III Achmea zal veroordelen om de overeenkomst van verzekering na te komen door de bedrijfsschade van € 900.000,00 en de schade aan de inventaris van € 963.935,32, althans in goede justitie te bepalen bedragen – minus de reeds uitgekeerde bedragen – aan Stichting Helvetia te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 april 2013, althans vanaf 4 juli 2016, met veroordeling van Achmea in de kosten van het geding.

3.2.

Achmea concludeert dat de rechtbank, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, de vorderingen zal afwijzen, met veroordeling van Stichting Helvetia in de kosten van het geding, te vermeerderen met de nakosten van € 131,00, te verhogen naar € 208,00 indien het vonnis betekend wordt.

3.3.

Op de stellingen van partijen zal hierna voor zover van belang worden ingegaan.

4 De beoordeling

verjaring

4.1.

Het meest verstrekkende verweer van Achmea is een beroep op verjaring. Volgens Achmea zijn de definitieve rapporten van de derde experts van 12 april 2013 door partijen uiterlijk op 13 april 2013 ontvangen. De verjaringstermijn voor een beroep op vernietiging bedraagt ingevolge artikel 3:52 lid 1 sub d BW drie jaar. Het beroep op vernietiging moet worden gedaan aan het adres van Achmea. Dat is voor het eerst gedaan per datum dagvaarding, te weten 4 juli 2016. Toen was de termijn van drie jaar reeds verstreken.

Ter gelegenheid van de comparitie heeft Stichting Helvetia de in rov. 2.9 vermelde brief van 12 april 2016 (productie 47) overgelegd. In reactie hierop heeft Achmea het beroep op verjaring van de vordering tot vernietiging van het bindend advies niet langer gehandhaafd.

4.2.

Tegelijkertijd heeft Achmea haar verjaringsverweer uitgebreid met een beroep op de verjaring van de aanspraak uit hoofde van de onderliggende verzekeringsovereenkomst. Op het moment dat de schade zich voordoet en de tot uitkering gerechtigde bekend is met de opeisbaarheid daarvan, gaat ingevolge artikel 7:942 lid 1 BW de verjaringstermijn lopen. Dat is in 2012. Het debat over de schade stuit de verjaring niet, zodat de brief van 12 april 2016 te laat is, aldus Achmea.

Terecht heeft Stichting Helvetia gewezen op lid 2 van artikel 7:942 BW, waarin is geregeld dat door een schriftelijke mededeling waarbij aanspraak op uitkering wordt gemaakt de verjaring wordt gestuit. Uit de inschakeling van experts bij de akte van benoeming d.d. 6 januari 2012 kan worden afgeleid dat Batavia aanspraak op uitkering heeft gemaakt. Voorts heeft Achmea voorschotten op de uitkering toegekend en heeft Stichting Helvetia onweersproken gesteld dat geen brief bestaat waarin Achmea ondubbelzinnig heeft medegedeeld (verdere) aanspraak af te wijzen. Het beroep op verjaring slaagt daarom niet.

vernietiging van de bindend adviezen

4.3.

Uitgangspunt is dat op grond van de Akte benoeming van Experts en de Aktes van Disakkoord Batavia en Achmea zich jegens elkaar hebben verbonden aan de vaststelling daarvan door experts. Dit kwalificeert als een vaststellingsovereenkomst.

4.4.

Op grond van artikel 7:904 lid 1 BW is de beslissing van de experts vernietigbaar als gebondenheid daaraan in verband met inhoud of wijze van totstandkoming daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Dit criterium vraagt terughoudendheid van de rechter aan wie een bindend advies ter vernietiging wordt voorgelegd. Het gaat er immers niet om dat de rechter zijn oordeel over de zaak in de plaats stelt van het oordeel van de bindend adviseurs; het gaat erom of gebondenheid aan het oordeel van de bindend adviseurs naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dat brengt mee dat voor vernietiging van een bindend advies slechts ruimte is indien de inhoud of de wijze van totstandkoming van het bindend advies ernstige gebreken vertoont. Voor vernietiging is geen ruimte indien de grenzen waarbinnen redelijk denkende mensen van mening kunnen verschillen, niet zijn overschreden. Bij procedurele fouten is mede van belang of, en zo ja in welke mate, door de procedurefout nadeel aan de wederpartij is toegebracht.

De te toetsen beslissing van de experts is neergelegd in de bindend adviezen van 12 april 2013, die door de derde experts ten onrechte zijn aangeduid als arbitrale uitspraak.

4.5.

Stichting Helvetia stelt dat geen redelijk adviseur tot dezelfde beslissingen als Van de Ven en Koestering had kunnen komen, omdat hun rapporten niet op deugdelijk onderzoek zijn gebaseerd en onvoldoende zijn gemotiveerd.

4.5.1.

Wat betreft het rapport van Van de Ven betwist Stichting Helvetia de stelling van Van de Ven dat de inventaris van Batavia hersteld zou kunnen worden door middel van reconditionering. Ter onderbouwing van deze stelling heeft Van de Ven aangevoerd dat meerdere bedrijven en met name Technon een offerte hebben uitgebracht over de mogelijkheid tot reconditionering van de inventaris.

Stichting Helvetia is van oordeel dat pas een uitspraak over de mogelijkheid van reconditionering van de machines had kunnen worden gedaan als een offerte is gebaseerd op deugdelijk onderzoek. Daarvan is geen sprake geweest volgens Stichting Helvetia. Technon heeft slechts één dag op locatie de machines geïnspecteerd en heeft op basis daarvan geconcludeerd dat een complete in- en uitwendige reiniging, met inspectie, technische opwaardering en inbedrijfname van het machinepark uitvoerbaar is. Volgens De Groot en Leitz, leveranciers van machines zoals die waar het hier om gaat, kan inspectie niet op locatie worden uitgevoerd, omdat hierbij gebruik gemaakt moet worden van geijkte meet- en controleapparatuur die niet verplaatsbaar is, aldus Stichting Helvetia. Voorts is het nog maar de vraag of SKH B.V. voor de machines na herstel opnieuw een KOMO-certificaat zal verstrekken, terwijl volgens SCM Group Nederland B.V. (hierna: SCM) voor enkele machines mogelijk verlies aan programma’s is opgetreden, waardoor ze als verloren beschouwd moeten worden, omdat de programma’s niet meer beschikbaar zijn. Gelet op de gemotiveerde betwisting van de mogelijkheid tot reconditionering had Van de Ven moeten motiveren waarom desondanks volgens hem wel reconditionering mogelijk was. Van de Ven heeft niets gedaan met de opmerkingen van Batavia, aldus Stichting Helvetia.

4.5.2.

Voor het rapport Koestering geldt volgens Stichting Helvetia dat Koestering in lijn met het rapport Van de Ven is uitgegaan van de mogelijkheid van reconditionering van de machines. Omdat deze werkzaamheden binnen een termijn van vier weken kunnen worden uitgevoerd, gaat Koestering uit van een periode van bedrijfsstagnatie tot medio juni 2012. Volgens Stichting Helvetia is Koestering ten onrechte uitgegaan van een reparabele inventaris met als gevolg dat een te korte termijn voor bedrijfsschade is genomen. Omdat de hersteltermijn van belang is voor het vaststellen van het omzet- en belangverlies van Batavia, voor de vraag of kosten van uitbesteding economisch rationeel zijn geweest en voor het bepalen of overstanden van het rekening-courantkrediet van Batavia worden veroorzaakt door het gedeeltelijk uitblijven van bevoorschotting op de schade door Achmea, is het rapport van Koestering wat deze punten betreft gebaseerd op een ondeugdelijk onderzoek en onvoldoende gemotiveerd. Voorts zijn ook de kosten voor het opnieuw aanvragen van het KOMO-certificaat ten onrechte niet in aanmerking genomen, aldus Stichting Helvetia.

4.6.

Achmea voert aan dat gelet op de toetsingsmaatstaf het oordeel van Van de Ven dat de inventaris door reconditionering kan worden hersteld, toereikend is gemotiveerd. Van de Ven heeft in zijn rapport de wijze van totstandkoming van zijn rapport uitvoerig en gedetailleerd beschreven, als mede ook de daarvoor gebruikte informatie. Achmea verwijst hiervoor onder meer naar het besprekingsverslag van 17 september 2012. Van de Ven heeft toen zelf een visuele inspectie uitgevoerd, die schriftelijk is vastgelegd, en hij heeft ook met Batavia en Horssius gesproken. Tevens is telefonisch informatie ingewonnen bij Arepa en Technon, die beide de machines op locatie hebben geïnspecteerd. Voorts heeft Van de Ven de stellingen van Batavia/Stichting Helvetia over reconditionering van de machines en gereedschappen op de locatie van de leveranciers gemotiveerd beoordeeld. Er is derhalve geen sprake geweest van onvolledig of ondeugdelijk onderzoek.

Voor het rapport Koestering geldt dat Stichting Helvetia niet duidelijk heeft gemaakt welk zelfstandig onderzoek van Koestering verlangd mocht worden. Koestering heeft geen technische achtergrond en de technische onderzoeksopdracht is specifiek aan Van de Ven gegeven, zodat Koestering in staat werd gesteld op basis hiervan de bedrijfsschade te berekenen. Wat betreft de kosten van hercertificering heeft Koestering op goede gronden gemotiveerd dat met deze stelpost geen rekening hoefde te worden gehouden, aldus Achmea.

4.7.

De rechtbank zal allereerst ingaan op het bindend advies van Van de Ven dat met name ziet op de inventarisschade. Voorafgaand aan de inschakeling van Van de Ven heeft zich het volgende voorgedaan. Volgens leverancier De Groot was een deel van de houtbewerkingsmachines economisch herstelbaar, een ander deel niet. Volgens De Groot zouden de machines naar haar werkplaats in Rosmalen moeten worden overgebracht om per machine een goede inspectie uit te voeren. Ter comparitie is duidelijk geworden dat het hier machines betreft die - gelet op de afmetingen - op een dieplader vervoerd hadden moeten worden. Voorts is SCM door [naam voormalig bestuurder], destijds directeur/bestuurder van Batavia, gevraagd om naast De Groot een second opinion over de houtbewerkingsmachines uit te brengen. De monteur van SMC heeft een inspectie uitgevoerd, waarvan een rapport is uitgebracht. Hieruit blijkt dat bij 7 van de 23 machines problemen kunnen worden verwacht. [naam voormalig bestuurder] heeft Attent opdracht gegeven om de machines uitwendig te reinigen en te reconditioneren. Diverse inwendige delen van machines konden niet worden gereinigd in verband met het ontbreken van voldoende ondersteuning van leveranciers. De Groot heeft gedurende vier dagen werkzaamheden uitgevoerd, maar dit is niet voldoende gebleken om tot volledig herstel te komen. De Groot blijft zich op het standpunt stellen dat de machines overgebracht moeten worden naar de werkplaats in Rosmalen. Weel, de expert namens Achmea, blijft van mening dat dit op locatie moet kunnen gebeuren. Om de impasse te doorbreken stelt Weel voor om Technon in samenwerking met Stork Primoteq de afrondende herstelwerkzaamheden te laten uitvoeren. Dit voorstel wordt niet aanvaard door Batavia en Horssius, de expert aan de zijde van Batavia, wegens gebrek aan vertrouwen in Technon/Primoteq. Het blijvend verschil van inzicht op dit punt heeft ertoe geleid dat een akte van disakkoord is opgesteld.

4.8.

Wat betreft de schadevaststelling door Van de Ven als derde expert wordt vooropgesteld dat deze een enigszins hypothetisch gehalte heeft, omdat Horssius heeft gekozen voor een schadevaststelling op basis van de destijds beschikbare gegevens (zie rov. 2.7), en niet voor reconditionering en het herstel van de houtbewerkingsmachines op regiebasis, waardoor deels een zuivere schadevaststelling mogelijk was geweest. Het gelijk van partijen omtrent de (on)mogelijkheid van herstel op locatie laat zich daarom niet eenvoudig vaststellen, omdat geen feitelijk herstel is uitgevoerd en de machines inmiddels, zo is gebleken, wegens verkoop niet meer beschikbaar zijn. Aan de hand van de uitgebrachte offertes zal bepaald moeten worden welke werkzaamheden worden uitgevoerd en of daarmee kon worden bereikt dat het productieproces bij Batavia weer op gang had kunnen worden gebracht. Als bijlage 3 bij het bindend advies is een rapport van Technon d.d. 18 juli 2012 met een offerte van Stork Primoteq d.d. 12 juli 2012 opgenomen. In het bindend advies heeft Van de Ven onder 2.6.2 op basis van een telefonische toelichting door Technon een beschrijving gegeven van de onderscheiden werkzaamheden inclusief het aandeel van Stork Primoteq hierin.

4.9.

Van de Ven heeft (in 2.7.1) een opsomming gegeven van de meest relevante standpunten over en weer waaruit naar voren zou moeten komen dat reconditioneren al dan niet met een redelijk te verwachten succes mogelijk zou zijn geweest of in opdracht gegeven had kunnen worden. Deze opsomming luidt als volgt:

“1. Zowel Recontec als Arepa, alle twee in (technische) reconditionering gespecialiseerde bedrijven, ziet heil in reconditionering en brengt hiervoor een offerte uit. Verzekerde geeft Arepa per e-mail d.d. 26 april 2012 ook opdracht doch deze wordt niet geëffectueerd, louter vanwege het feit dat verzekerde niet met een akte van cessie wenst te werken. Juist door te werken met een akte van cessie lag het financiële risico bij de verzekeraar hetgeen deze beslissing van verzekerde voor mij onbegrijpelijk maakt. Opmerkelijk is te noemen dat verzekerde vervolgens wel op basis van akte van

cessie opdracht voor deze werkzaamheden verstrekt aan Attent.

2. De expert voor verzekeraar brengt, om alsnog tot een afronding van het herstel te komen, Technon/Stork Primoteq in. Zij brengt een allesomvattende offerte voor het herstel uit. Slechts een vermeend gebrek aan vertrouwen in deze partijen weerhoudt verzekerde kennelijk ervan om ook hiermee verder te gaan.

3. Ook reconditioneringsbedrijf Attent, dat van verzekerde uiteindelijk opdracht krijgt om de reconditionering uit te voeren, geeft met acceptatie van de opdracht blijk vertrouwen te hebben in het herstel van het machinepark. Het ontbreken van de technische ondersteuning van leveranciers maakt dat dit uiteindelijk niet succesvol is. Verzekerde geeft De Groot slechts opdracht om vier dagen in mei en juni 2012 ondersteuning te leveren. Op voorhand was duidelijk dat meer ondersteuning dan deze vier dagen noodzakelijk was om tot een succesvolle afronding te komen. Om alle delen van de machines bij de reconditionering te kunnen bereiken was het immers noodzakelijk kappen, assen en dergelijke te demonteren.

4. De stelling van De Groot dat de machines niet op locatie kunnen worden behandeld maar hiervoor beter kunnen worden verplaatst naar de werkplaats van De Groot. Een duidelijke motivatie voor dit standpunt, anders dan dat dit gelet op het hoge aantal te verwachten monteursuren zinvoller zou zijn en niet alle onderdelen van de getroffen machines meer leverbaar zijn, ontbreekt in de mij verstrekte stukken. Ook is niet aangetoond dat er niet meer te leveren onderdelen vervangen moeten worden.

5. De firma SKH voert voor verzekerde een aantal aandachtspunten aan die echter alle zijn gebaseerd op de status van het machinepark voor uitvoering van herstelwerkzaamheden. Hieruit blijkt echter niet dat herstel niet succesvol zal zijn.

6. De SCM Group geeft aan dat voor een aantal machines problemen te verwachten zijn. Ook dit zijn vaststellingen voordat herstel is uitgevoerd. Vanwege de keuze van verzekerde niet over te gaan tot uitvoering van herstel is niet vast komen te staan dat deze problemen zich daadwerkelijk zouden voordoen.

7. Bij mijn inspectie op 17 september2012 stel ik vast dat her en der nog corrosie aanwezig is. Duidelijk is echter dat dit vooral te maken heeft met het feit dat Attent niet alle delen heeft kunnen bereiken. Gezien de succesvolle behandeling van de delen die Attent zonder ondersteuning wél heeft kunnen bereiken, mag worden verondersteld dat ook de niet direct bereikbare delen van de machines met de benodigde ondersteuning van leveranciers met eenzelfde succes behandeld hadden kunnen worden.

8. De algemene ervaring is overigens dat (bewerkings)machines die niet volledig onder water hebben gestaan maar oppervlakkig nat zijn geworden, mits goed bered, prima te reconditioneren zijn.”

Daarna heeft Van de Ven overwogen:

“Alles afwegende zie ik geen redenen om niet uit te gaan van de mogelijkheden tot reconditionering en verder herstel. Om die reden moet ik mij baseren op de voor de reconditionering en het herstel uitgebrachte offertes en facturen, zoals ik tijdens mijn bezoek aan verzekerde ook kenbaar heb gemaakt. Bijkomende kosten voor eventueel na de reconditionering en niet in offertes inbegrepen aanvullende benodigde herstelwerkzaamheden kunnen, vanwege de keuze van verzekerde om (vooralsnog) niet over te gaan tot herstel, slechts geschat worden. De onmogelijkheid te komen tot een succesvol herstel is mijns inziens niet (voldoende) door verzekerde aangetoond. Geen van de door verzekerde aangevoerde deskundigen komt hiervoor met steekhoudende argumenten. Overwegend wordt door hen gewezen op de door de wateroverlast veroorzaakte, maar naar mijn mening goed te verhelpen, gebreken.”

4.10.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft Van de Ven tot voornoemd oordeel kunnen komen. Dat zou anders zijn geweest als het reconditioneren en herstellen van de houtbewerkingsmachines een zodanig specifieke technische deskundigheid zouden vergen dat bedrijven als Technon en Stork Primoteq die zich als deskundig op dit gebied afficheren, daarover niet beschikken. Dat laatste is niet gesteld door Stichting Helvetia. Het in algemene zin betwisten van de deskundigheid is onvoldoende. De stelling van Stichting Helvetia dat voorafgaand aan het uitbrengen van de offerte door Technon onderzoek had moeten worden verricht door bijvoorbeeld TNO, ziet eraan voorbij dat op dat moment het reconditionerings- en herstelproces onder grote tijdsdruk stond. Technon heeft voorafgaand aan het uitbrengen van de offerte Batavia bezocht en de betreffende machines geïnspecteerd en hiervan een rapport opgesteld. Van de Ven heeft Technon een toelichting hierop gevraagd. Met dit onderzoek kon in de gegeven omstandigheden worden volstaan.

Dat Van de Ven uitgaat van veronderstellingen waar het betreft het mogelijke resultaat van de werkzaamheden van Technon en Stork Primoteq, wordt verklaard door de omstandigheid dat feitelijk niet is gereconditioneerd en hersteld. Nu dat in overleg met Horssius, de deskundige aan de zijde van Batavia, is gegaan, kan dat niet aan Van de Ven worden tegengeworpen. Er is daarom geen sprake van voldoende zwaarwegende gebreken aan het bindend advies van Van de Ven die vernietiging ervan zouden rechtvaardigen. Dit onderdeel van de vordering zal daarom worden afgewezen.

4.11.

Wat betreft het bindend advies van Koestering wordt het volgende overwogen. Zoals Stichting Helvetia terecht opmerkt, steunt het bindend advies van Koestering in belangrijke mate op het bindend advies van Van de Ven, met name waar het betreft de hersteltermijn van de inventaris van Batavia. De stelling dat het bindend advies van Koestering onvoldoende gemotiveerd is, omdat het is gebaseerd op het ondeugdelijke onderzoek van Van de Ven, wordt gelet op hetgeen hiervoor is geoordeeld, verworpen. Dat Koestering zelfstandig onderzoek naar de hersteltermijn had moeten doen, zoals Stichting Helvetia heeft aangevoerd, is niet verdedigbaar, omdat Van de Ven nu juist voor het technische onderzoek is ingeschakeld. Als registeraccountant mist Koestering hiervoor bovendien de benodigde expertise. Nu dit verweer van Stichting Helvetia wordt verworpen, kan het aanhouden van een theoretische bedrijfsstagnatieperiode van 24 weken niet worden aangemerkt als een gebrek dat vernietiging van het bindend advies van Koestering rechtvaardigt. Dit betekent dat op de punten van omzet- en belangverlies, kosten van uitbesteding en rentekosten het bindend advies in stand blijft. Wat betreft de door Batavia opgevoerde stelpost voor KOMO-certificering heeft Koestering op bladzijde 20/21 van zijn rapport geoordeeld dat voor deze kosten uitgaande van een hersteltermijn van 24 weken vanaf 1 mei 2012, geen aantoonbare relatie aanwezig is met de bedrijfsschade. Het vervallen van de certificering door tijdsverloop zou in september 2012, dus na afloop van de hersteltermijn, zijn. Koestering heeft in redelijkheid tot dit oordeel kunnen komen, aangezien Stichting Helvetia haar stelling dat de KOMO-certificering is ingetrokken als gevolg van de schadeveroorzakende gebeurtenis op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Ook hier is geen sprake van een ernstig gebrek, dat vernietiging van het bindend advies rechtvaardigt. De gevorderde vernietiging van het bindend advies van Koestering zal daarom worden afgewezen.

4.12.

Stichting Helvetia zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Achmea worden begroot op:

- griffierecht 3.903,00

- salaris advocaat 904,00 (2 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 4.807,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt Stichting Helvetia in de proceskosten, aan de zijde van Achmea tot op heden begroot op € 4.807,00

5.3.

veroordeelt Stichting Helvetia in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Stichting Helvetia niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.M. Strens-Meulemeester, mr. S.A.M. Vrendenbarg-Elsbeek en mr. M.J. van Lee en in het openbaar uitgesproken op 8 maart 2017.

St/Vr/Le