Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:1177

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
09-03-2017
Datum publicatie
10-03-2017
Zaaknummer
AWB - 15 _ 7565
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een belangenafweging moet berusten op een deugdelijk onderzoek en een voor derden kenbare motivering. Het bestreden besluit voldoet aan die eisen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1262
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/7565

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[naam] , te [plaats], eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rheden, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 3 november 2015 (hierna: bestreden besluit) heeft verweerder een nader aangeduid weggedeelte aan de openbaarheid onttrokken.

Op 15 december 2015 heeft eiseres beroep tegen het bestreden besluit ingesteld.

Op 4 februari 2016 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 9 februari 2017 heeft eiseres het beroep aangevuld.

Op 15 februari 2017 heeft verweerder een nader verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2017. Namens eiseres zijn

[naam 1] , [naam 2] en [naam 3] verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door ing. E. Beekman en mr. M. Fleuren.

Overwegingen

1.1.

De gemeente Rheden (hierna: gemeente) is van plan om het gebied aan de noordzijde van het treinstation van Dieren te herinrichten, door het realiseren van een parkeergarage voor 350 voertuigen, een faciliteit om passagiers snel af te zetten en op te halen (een zogeheten ‘kiss-and-ride-strook’) en een mogelijkheid voor voetgangers om de zuidzijde van het station te bereiken (hierna: passerelle). Dit plan wordt hierna aangeduid als: het project.

Ten behoeve van het project heeft de raad van de gemeente (hierna: gemeenteraad) het bestemmingsplan ‘Dieren-Midden, locatie Stationsgebied’ (hierna: bestemmingsplan) vastgesteld. Daartegen is door onder meer eiseres beroep ingesteld. In haar uitspraak van

3 december 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4412) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRvS) dit beroep ongegrond verklaard. Op 26 april 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1149) heeft de ABRvS het verzoek om herziening van de uitspraak van 3 december 2014 afgewezen.

1.2.

Verweerder heeft voor de bouw van de parkeergarage een omgevingsvergunning verleend en het hiertegen gerichte bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. In haar uitspraak van 12 juli 2016 (zaaknummer 15/7566) heeft de rechtbank het beroep tegen voornoemde beslissing op bezwaar ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.

Verweerder heeft voor de bouw van de passerelle een omgevingsvergunning verleend en het hiertegen gerichte bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard. In haar uitspraak van

21 november 2016 (zaaknummer 16/6459) heeft de rechtbank het beroep tegen voornoemde beslissing op bezwaar ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak is evenmin hoger beroep ingesteld.

1.3.

De gronden waar het beoogde project zal worden gerealiseerd, sluiten aan op het gebied waarvoor provinciale staten van de provincie Gelderland een inpassingsplan hebben vastgesteld, om de reconstructie van de N348 en N786 mogelijk te maken. Die reconstructie wordt nodig geacht om het verkeer in Dieren beter te laten doorstromen, teneinde aldus de verkeersveiligheid te verhogen en de milieubelasting te verlagen. Tegen het zojuist omschreven inpassingsplan is door onder meer eiseres beroep ingesteld. In haar uitspraak van 14 februari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:577) heeft de ABRvS dit beroep ongegrond verklaard.

1.4.

De beoogde parkeergarage is gesitueerd op een deel van de Noorder Parallelweg, tussen de Harderwijkerweg en de Koningin Julianalaan, dat kadastraal bekend staat als gemeente Dieren, sectie U, nummer 5675 (gedeeltelijk). Dit weggedeelte wordt hierna aangeduid als: de weg.

2.1.

Naar de overtuiging van verweerder verzetten het algemeen belang noch individuele belangen van derden zich tegen de onttrekking van de weg aan de openbaarheid. Verweerder baseert die overtuiging (onder meer) op de onderzoeksrapporten die ten grondslag liggen aan het bestemmingsplan, en op het Verkeerscirculatieplan Dieren en omgeving zoals dit bij besluit van 18 juni 2013 door de gemeenteraad is vastgesteld (hierna: VCP). Verweerder meent dat de zojuist aangehaalde rapporten voldoende gewicht hebben om de onttrekking van de weg aan het openbaar verkeer te kunnen dragen, en voelt zich daarin gesteund door de uitspraak van de ABRvS van 3 december 2014.

2.2.

Verweerder heeft het bestreden besluit voorbereid met behulp van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Hij heeft het voornemen met de daarop betrekking hebbende stukken ter inzage gelegd. Tijdens de termijn waarin die documenten ter inzage hebben gelegen, is door eiseres een zienswijze over het voornemen naar voren gebracht. Verweerder heeft op die zienswijze gereageerd.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder:

- de weg, zoals nader aangeduid op een bij dit besluit gevoegde tekening met de code 6454, aan de openbaarheid onttrokken (hierna: onderdeel I);

- bepaald dat dit besluit in werking treedt zodra de bewoning van het pand Noorder Parallel-weg 25 is gestaakt (hierna: onderdeel II).

3.1.

Eiseres is bang dat (de effectuering van) het bestreden besluit zal leiden tot meer verkeer op, en extra parkeerdruk in, de straten die behoren tot de Oranjebuurt. Volgens haar zal het woongenot van de bewoners van die buurt daardoor onevenredig worden aangetast. Om die reden streeft eiseres naar de vernietiging van het bestreden besluit.

3.2.

Eiseres staat op het standpunt dat onderdeel I van het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en niet kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering. Ter onderbouwing van dit standpunt betoogt eiseres in hoofdzaak dat de rapporten waarnaar verweerder verwijst, geen blijk geven van onderzoek naar de effecten van het bestreden besluit voor de omgeving van het traject.

3.3.

Eiseres betoogt verder dat onderdeel II van het bestreden besluit in strijd komt met het rechtszekerheidsbeginsel. Daartoe voert zij aan dat de inwerkingtreding van het bestreden besluit afhankelijk is van een toekomstige onzekere gebeurtenis. Naar de mening van eiseres vindt de wetgever dit ongeoorloofd.

4.1.

Krachtens artikel 9, eerste lid, van de Wegenwet kan een openbare weg – die niet wordt onderhouden door het Rijk, een provincie of een waterschap – aan het openbaar verkeer worden onttrokken door de raad van de gemeente waarin de betreffende weg is gelegen.

4.2.

Bij besluit van 30 juni 2015 heeft de gemeenteraad de bevoegdheid tot het onttrekken van de weg aan de openbaarheid gedelegeerd aan verweerder.

5.1.

De rechtbank is van oordeel dat de tegen onderdeel I van het bestreden besluit aangevoerde gronden niet slagen. Daartoe overweegt zij het volgende.

5.2.

De Wegenwet noemt geen voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om een weg in de zin van deze wet aan het openbaar verkeer te onttrekken. Artikel 9, eerste lid, van de Wegenwet geeft aan het bevoegd gezag dus een ruime mate van beleidsvrijheid. Daarom mag de bestuursrechter het gebruik van deze bevoegdheid slechts terughoudend toetsen.

De ABRvS heeft hieruit – in haar uitspraken van onder meer 2 maart 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BP6326) en 30 mei 2007 (ECLI:NL:RVS:2007:BA6012) – afgeleid dat de toetsing van een besluit als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wegenwet moet geschieden aan de hand van de maatstaf of sprake is geweest van strijd met wettelijke voorschriften dan wel van zodanige onevenwichtigheid bij de afweging van de betrokken belangen, dat niet in redelijkheid tot onttrekking kon worden overgegaan.

5.3.

Het vorenstaande laat onverlet dat elke belangenafweging moet berusten op een deugdelijk onderzoek naar de relevante feiten en de af te wegen belangen, en dat het resultaat daarvan op een voor derden kenbare wijze behoort te worden gepresenteerd. In zoverre verwijst de rechtbank naar de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb.

5.4.

De rechtbank acht aannemelijk dat de weg voor een groot deel wordt gebruikt door personen die het treinstation willen bereiken, hetzij om zelf per trein verder te reizen (en dus om in de nabijheid van het treinstation te parkeren), hetzij om treinpassagiers af te zetten of op te halen. Naar het oordeel van de rechtbank geven de beschikbare gedingstukken geen aanleiding voor de gerechtvaardigde veronderstelling dat de weg een belangrijke functie heeft voor doorgaand verkeer dat niet aan het treinstation kan worden toegerekend.

5.5.

Vervolgens constateert de rechtbank dat de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde rapporten ingaan op de verkeerskundige gevolgen van het project – waarvan de onttrekking van de weg een relevant onderdeel vormt – voor de directe omgeving van het stationsgebied, waaronder de Oranjebuurt.

In dit kader wijst de rechtbank allereerst op rechtsoverweging 19.2 van de uitspraak van de ABRvS van 3 december 2014:

“Appellant sub 4, [naam] en appellant sub 7 hebben niet aannemelijk gemaakt dat het plan waarmee extra parkeercapaciteit voor treinreizigers aan de rand van de Oranjebuurt wordt mogelijk gemaakt, leidt tot een onaanvaardbare parkeer-druk in de Oranjebuurt. Nu niet is weersproken dat bij het winkelcentrum Calluna voldoende gelegenheid is om gratis te parkeren en niet aannemelijk is gemaakt dat elders in Dieren-Zuid onvoldoende gelegenheid is om gratis te parkeren, heeft de raad in redelijkheid ervan kunnen uitgaan dat de P+R voorziening voornamelijk zal worden gebruikt door treinreizigers. In geval toch een onaanvaardbare parkeerdruk in de Oranjebuurt zou ontstaan, kunnen alsnog maatregelen worden getroffen om deze naar een aanvaardbaar niveau terug te brengen. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen aanleiding bestaat om thans reeds te waarborgen dat de P+R voorziening uitsluitend door treinreizigers wordt gebruikt.”

Ter zitting is namens eiseres gesuggereerd dat bij het winkelcentrum Calluna onvoldoende gelegenheid bestaat om gratis te parkeren. Die suggestie is echter niet onderbouwd met concrete en objectiveerbare gegevens. Gelet hierop ziet de rechtbank geen reden voor het oordeel dat verweerder de zojuist aangehaalde rechtsoverweging niet mede aan het bestreden besluit ten grondslag mocht leggen. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de ABRvS haar oordeel inzake de parkeerdruk in de Oranjebuurt in de uitspraak van 26 april 2016 nogmaals tegen het licht heeft gehouden, aan de hand van gegevens die door eiseres in stelling zijn gebracht.

Verder wijst de rechtbank op bladzijde 18 van het VCP:

“Als er geen wijzigingen in de verkeerscirculatie optreedt dan is berekend dat de parkeervoorziening ongeveer 140 voertuigen in een gemiddeld spitsuur [genereert]. Dit verkeer wordt via een nieuwe ontsluitingsweg afgewikkeld op de Harderwijker-weg zoals in afbeelding 4.3 te zien is. In de huidige situatie hebben de Noorder Parallelweg en het plein aan de Burg. de Bruinsraat een functie voor het Kiss & Ride verkeer. In de toekomstige situatie kan het Kiss & Ride verkeer aan de noordwest-zijde gebruik maken van de nieuwe parkeervoorziening en kan het verkeer het stationsgebied bereiken vanaf de Wilhelminaweg. Aan de zuidzijde wordt de Kiss & Ride mogelijkheid, net zoals in de huidige situatie, gecombineerd gebruikt met het busstation.”

Het VCP is opgesteld door E. Happel (Happel Mobiliteit en Ruimte), een verkeerskundige die beschikt over veel ervaring met grote infrastructurele projecten. Eiseres heeft niet geklaagd – en de gedingstukken geven geen aanleiding tot twijfel – over een gebrek aan onafhankelijkheid en onpartijdigheid van Happel. Daarom kwalificeert de rechtbank het VCP niet alleen als een raadsbesluit, maar ook als een deskundigenadvies waaraan verweerder bij het nemen van het bestreden besluit veel gewicht mocht hechten.

5.6.

Op basis van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet was gehouden tot het laten verrichten van aanvullend onderzoek naar de gevolgen van de onttrekking van de weg aan het openbaar verkeer. Dit oordeel wijzigt niet door de kritiek van eiseres op de kwaliteit van het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende onderzoek. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de kritiek van eiseres niet wordt ondersteund door een rapport van een persoon of instantie die zich qua zowel deskundigheid als onafhankelijkheid en onpartijdigheid kan meten met de opstellers van de in rechtsover-weging 5.5 bedoelde onderzoeksrapporten.

5.7.

Aldus komt de rechtbank tot de conclusie dat het bestreden besluit voldoende zorgvuldig is voorbereid en kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering.

5.8.

In het verlengde hiervan oordeelt de rechtbank dat het bestreden besluit niet in strijd komt met enig wettelijk voorschrift, en evenmin met evenredigheidsbeginsel zoals verwoord in rechtsoverweging 5.2 van deze uitspraak.

5.9.

Eiseres heeft nog geklaagd dat verweerder ten onrechte heeft verzuimd om verschillende varianten voor parkeervoorzieningen rondom het treinstation te bekijken.

Die klacht kan niet leiden tot vernietiging van deel I van het bestreden besluit. Daartoe overweegt de rechtbank allereerst dat het door eiseres voorgestane alternatievenonderzoek niet raakt aan een belang dat mag worden betrokken bij de beslissing om een weg wel of niet aan het openbaar verkeer te onttrekken. Verder wijst de rechtbank op rechtsoverweging 20.2 van de uitspraak van de ABRvS van 3 december 2014, waar de klacht over het ontbreken van onderzoek naar alternatieven is verworpen.

6.1.

De rechtbank is van oordeel dat de tegen onderdeel II van het bestreden besluit aangevoerde grond slaagt. Daartoe overweegt zij het volgende.

6.2.

Er bestaat geen wettelijk voorschrift dat een beslissing over de uitgestelde inwerkingtreding van een besluit aan beperkingen bindt. Het rechtszekerheidsbeginsel eist echter dat derden precies weten per welke datum een besluit geldt. Dit wordt benadrukt in het document uit 1933 waarnaar eiseres verwijst.

6.3.

Naar het oordeel van de rechtbank geeft onderdeel II van het bestreden besluit niet de duidelijkheid waarop derden – waaronder de personen wier belangen door eiseres worden behartigd – aanspraak maken. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was immers onzeker of de bewoning van het pand Noorder Parallelweg 25 ooit zou worden gestaakt, en al helemaal per wanneer dit zou gebeuren.

6.4.

Aldus komt de rechtbank tot de conclusie dat deel II van het bestreden besluit een gebrek kent. De rechtbank ziet onvoldoende reden om dit gebrek te passeren. Hierbij neemt zij in aanmerking dat verweerder niet om toepassing van artikel 6:22 van de Awb heeft verzocht.

7.1.

De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en deel II van het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

7.2.

Omdat ter zitting is gebleken dat de bedoelde woning inmiddels door de gemeente is verworven en dat de bewoning daarvan is gestaakt, ziet de rechtbank aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, door te bepalen dat het bestreden besluit in werking treedt met ingang van de dag na de dag waarop deze uitspraak op de wettelijk voorgeschreven wijze – over-eenkomstig artikel 8:80 van de Awb, bezien in samenhang met artikel 3:42 van deze wet – is bekendgemaakt. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder een rechtens te respecteren belang heeft bij de mogelijkheid om het bestreden besluit zo snel mogelijk te effectueren.

7.3.

Nu de rechtbank het beroep gegrond zal verklaren, dient het betaalde griffierecht aan eiseres te worden vergoed. Eiseres heeft niet gevraagd om vergoeding van gemaakte kosten, en van het bestaan van dergelijke kosten is niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt deel II van het bestreden besluit;

- bepaalt dat het bestreden besluit in werking treedt met ingang van de dag na de dag waarop deze uitspraak op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van onderdeel II van het bestreden besluit;

- gelast verweerder om het betaalde griffierecht aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Koenraad, voorzitter, mr. G.W.B. Heijmans en mr. H.J.M. Besselink, rechters, in tegenwoordigheid van R. van Diest, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.