Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:115

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
06-01-2017
Datum publicatie
09-01-2017
Zaaknummer
05/840916-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een man uit Nunspeet is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 7 maanden voor het dealen van harddrugs en het opzettelijk aanwezig hebben van harddrugs. Een vrouw uit Nunspeet is veroordeeld tot een taakstraf van 150 uur, waarvan 50 uur voorwaardelijk, voor het opzettelijk aanwezig hebben van harddrugs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/840916-16

Datum uitspraak : 6 januari 2017

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats], wonende te [adres], [woonplaats]

raadsvrouw: mr. A. Foppen, advocaat te Harderwijk.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 december 2016 en 4 januari 2017.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

zij op of omstreeks 15 september 2016 in de gemeente Elburg tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad

- ongeveer 417 XTC pillen, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDA en/of MDMA en/of amfetamine en/of

- ongeveer 6 ballonnetjes GHB, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende GHB,

- ongeveer 500 gram speed, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine,

- ongeveer 35 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, - ongeveer 6 gripzakjes ketamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende ketamine,

zijnde MDA en/of MDMA en/of amfetamine en/of cocaïne en/of ketamine (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan

wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

zij op of omstreeks de periode van 1 juli 2016 tot en met 15 september 2016

in de gemeente Elburg en/of in de gemeente Nunspeet en/of elders Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, gebruikers- en/of dealershoeveelheden GHB en/of MDMA en/of MDA en/of amfetamine en/of cocaïne en/of ketamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende GHB en/of MDMA en/of MDA en/of amfetamine en/of cocaïne en/of ketamine, zijnde GHB en/of MDMA en/of MDA en/of amfetamine en/of cocaïne en/of ketamine (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

1a. De geldigheid van de dagvaarding

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat de dagvaarding nietig moet worden verklaard voor zover de dagvaarding ziet op het aanwezig hebben (feit 1), dan wel het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken of vervoeren (feit 2) van ketamine. Zij heeft daartoe aangevoerd dat ketamine niet staat vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I. De tenlastelegging is daarom wat dat betreft ten onrechte gebaseerd op overtreding van de Opiumwet.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank constateert dat ketamine geen stof is die wordt vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, maar valt onder de Geneesmiddelenwet. Dit levert naar het oordeel van de rechtbank echter niet zonder meer een innerlijke tegenstrijdigheid van de tenlastelegging op en maakt in dit geval niet dat het voor verdachte onduidelijk was waartegen hij zich moet verdedigen. Het voorgaande dient dan ook niet te leiden tot partiële nietigheid van de dagvaarding.

De rechtbank zal op dit punt verder ingaan bij de bespreking van het bewijs.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich samen met medeverdachte [medeverdachte] schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. Verdachte woonde samen met [medeverdachte] in de caravan, waar op 15 september 2016 drugs en druggerelateerde goederen zijn aangetroffen. Dat verdachte psychische klachten had, maakt niet dat zij de verschillende soorten drugs niet heeft gezien. De druggerelateerde goederen, zoals lege gripzakjes en een mixer, duiden op het verhandelen en het bewerken en verwerken van drugs. Daarnaast zijn [getuige 1] en [getuige 2], vlak nadat zij bij de caravan van verdachte en [medeverdachte] zijn gezien, aangetroffen met drugs.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft integrale vrijspraak bepleit.
Zij heeft daartoe ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde bepleit dat niet kan worden bewezen dat verdachte de ten laste gelegde drugs opzettelijk aanwezig had. Verdachte wist niet dat deze hoeveelheden drugs in de caravan lagen. Zij heeft niet als heer en meester kunnen beschikken over de drugs. Zij verbleef in de caravan, maar het overgrote deel van de drugs is aangetroffen in afgesloten plekken zoals in het washok en onder de wasmachine. Verdachte had psychische problemen en bemoeide zich niet met het huishouden. Door een ernstige angst- en paniekstoornis ging alles wat om haar heen gebeurde langs haar heen. Verder volgt uit het dossier niet dat verdachte enige bemoeienis heeft gehad met de aangetroffen drugs. Volgens de raadsvrouw is er geen bewijs op basis waarvan kan worden bewezen dat sprake is van de deelnemingsvorm ‘medeplegen’. De raadsvrouw heeft verder bepleit dat zij in het dossier de linkjes tussen de aangetroffen drugs, de monsters en de testresultaten van het NFI mist. Zij laat dit over aan de beoordeling van de rechtbank.

Evenmin kan ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde tot een bewezenverklaring worden gekomen. Verdachte ontkent drugs te hebben gedeald of te hebben verwerkt of bewerkt. Daarnaast bevat het dossier geen aanwijzingen voor betrokkenheid van verdachte bij die handelingen. Ook ten aanzien van dit feit bevat het dossier geen bewijs voor de deelnemingsvorm 'medeplegen’.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank gaat allereerst in op de ‘keten’ van het aantreffen van de drugs, de monstername en de testresultaten van het NFI.
Het dossier bevat een proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2], [verbalisant 3], [verbalisant 4] en [verbalisant 5] (p. 61 t/m 63), waarin wordt beschreven welke stoffen en goederen op 15 september 2016 in de caravan zijn aangetroffen. In dat proces-verbaal worden aan de diverse in beslag genomen stoffen en materialen beslagcodes (sealbagnummers) gegeven. In het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen, genummerd PL0600-2016445042-40 (p. 114 t/m 124), wordt beschreven dat de onder voornoemde beslagcodes in beslag genomen stoffen indicatief zijn getest en zijn bemonsterd. Aan elk van deze monsters is een ‘spoor identificatie nummer’ (hierna: SIN) gegeven. In het NFI-rapport van 26 oktober 2016, dat verwijst naar het politie registratienummer PL0600-2016445042-40 dat hoort bij het hiervoor vermelde proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen, komen de in dat proces-verbaal genoemde monsters met bijbehorende SIN terug. Elk monster is door het NFI onderzocht en ten aanzien van elk monster, met bijbehorend SIN, heeft het NFI een conclusie getrokken. De rechtbank is op basis van de hiervoor genoemde op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal in combinatie met het NFI-rapport van oordeel dat duidelijk is hoe de inbeslagneming, de monstername en het onderzoek door het NFI is verricht. Duidelijk is eveneens dat de door het NFI onderzochte monsters onderdeel uitmaken van de in de caravan aangetroffen stoffen.

De rechtbank overweegt verder als volgt.

Ten aanzien van feit 1

Op 15 september 2016 woonde [verdachte] samen met medeverdachte [medeverdachte] in een caravan op camping [naam] in Doornspijk, gemeente Elburg.2 Op die datum hebben verbalisanten die caravan doorzocht en zijn [medeverdachte] en [verdachte] in de caravan aangehouden.3 Bij die doorzoeking troffen verbalisanten onder meer op aanwijzing van [medeverdachte] op meerdere plekken in de caravan verdovende middelen aan.4

In de caravan werd het volgende aangetroffen en in beslaggenomen:5

In een kastje boven de koelkast lag een gripzakje met vermoedelijk amfetamine (beslagcode: 17808592) en verder vermoedelijk cocaïne (beslagcode: 17808595) en pillen (beslagcode: 17808591). Ook zijn een gele substantie (beslagcode: 17808593) en een enveloppe (opmerking rechtbank: met wit poeder) (beslagcode: 17808594) aangetroffen. In het halletje voor de caravan in een grote plastic bak onder de wasmachine lag een gripzak met 417 pillen (beslagcode: 17807352) en, onder een weegschaal, lag een gripzak met vermoedelijk amfetamine (beslagcode: 21830946). Ook zat in de bak een plastic tas. In die tas werden 2 gripzakken met vermoedelijk amfetamine aangetroffen (beslagcode: 17808602). Naast de wasmachine stond een opgesneden jerrycan. In de jerrycan zat een mixer met vermoedelijk resten amfetamine (beslagcode: 21830947). Op de wasmachine stond een plastic rekje met meerdere bakjes. In een bakje zonder opdruk zaten 2 pillen (beslagcode: 17808598). In een bakje met opschrift ‘maagbeschermers’ zaten 3 gripzakjes met kristallen (beslagcode: 17808600) en in een bakje met opschrift ‘G-ballonnen’ zaten 6 ballonnen met een vloeibare substantie (beslagcode: 17808601). Verder werden in de koelkast in een doorzichtige plastic bak een aantal brokken aangetroffen (beslagcode: 21830949) en in de woonkamer een kleine weegschaal met een enveloppe met een witte substantie (beslagcode: 21830948).

De bovenstaande stoffen zijn bemonsterd, voorzien van een SIN en ingezonden naar het NFI. Het NFI heeft de monsters onderzocht en heeft op basis daarvan de volgende conclusies getrokken:

- Beslagcode 17808598 betreft 1 donkergroene pil met indruk Coca Cola, 1 lichtgroene vierkante pil, en stukjes van een blauwe en een grijze pil. Het geheel is bemonsterd (SIN AAJG7512). Het NFI heeft de groene pil met Coca Cola indruk onderzocht en heeft geconcludeerd dat het monster MDMA bevat (opmerking rechtbank: MDMA is de werkzame stof in XTC).6

- Beslagcode 17807352 betreft gripzak met gele rechthoekige pillen met indruk Rolls Royce en logo Rolls Royce. Er is een monster van 20 pillen genomen (SIN AAJX2308NL). Het NFI heeft dit monster onderzocht en heeft geconcludeerd dat het monster MDMA bevat.7

- Beslagcode 17808591 betreft een gripzakje met 2 roze pillen in de vorm van een handgranaat (SIN AAJX2309NL), 2 groene schelpvormige pillen (SIN AAJX2310NL), 2 groen/blauwe minion vormige pillen (SIN AAJG7517NL). Het NFI heeft de monsters onderzocht en heeft geconcludeerd dat alle monsters MDMA bevatten.8

- Beslagcode 17808600 bevat 3 gripzakjes met bruine kristallen. Het geheel is bemonsterd (SIN AAJX2311NL). Het NFI heeft het monster onderzocht en heeft geconcludeerd dat het monster MDMA bevat.9

- Beslagcode 17808601 bevat 2 rode ballonnen met vloeistof, 1 groene ballon met vloeistof en 3 blauwe ballonnen met vloeistof. Alle drie kleuren zijn door verbalisanten indicatief getest. De monsters werden in aparte flesjes verpakt (SIN AAJG7502). Het NFI heeft twee van de drie flesjes getest en heeft geconcludeerd dat de monsters GHB bevatten.10

- Beslagcode 17808602 bevat een gripzak met een witte natte substantie met een bruto gewicht van 130,93 gram. Er is een monster van netto 5,61 gram genomen (SIN AAJX2312NL). Het NFI heeft dit monster getest en heeft geconcludeerd dat het monster amfetamine bevat (opmerking rechtbank: amfetamine is de werkzame stof in speed).11

- Beslagcode 21830946 bevat een gripzak met witte natte substantie met een brutogewicht 205,26 gram. Hiervan is een monster van 2,41 gram genomen (SIN AAJX2313NL). De beslagcode bevat ook 1 gripzak crèmekleurig poeder met een nettogewicht 9,45 gram. Het geheel is bemonsterd (SIN AAJX2314NL). Het NFI heeft de monsters getest en heeft geconcludeerd dat beide monsters amfetamine bevatten.12

- Beslagcode 17808595 bevat een gripzak met wit poeder met daarin kunststof stukjes. Het nettogewicht inclusief kunststof stukjes was 18,51 gram. Er is een monster van 1,12 gram genomen (SIN AAJX2315NL). Het NFI heeft dit monster onderzocht en heeft geconcludeerd dat het monster cocaïne bevat.13

- Beslagcode 17808592 bevat een gripzakje met een witte natte substantie met een brutogewicht 4,28 gram. Het geheel is bemonsterd (SIN AAJG7507NL). Het NFI heeft dit monster onderzocht en heeft geconcludeerd dat het monster amfetamine bevat.14

- Beslagcode 17808593 bevat een gripzakje met 0,47 gram geelkleurig poeder. Het geheel is bemonsterd (SIN AAJG7509). Het NFI heeft dit monster onderzocht en heeft geconcludeerd dat het monster amfetamine bevat.15

- Beslagcode 17808594 bevat 2 wikkels met opschrift ‘Like’ met in de wikkels wit poeder, met een nettogewicht 0,27 gram. Het geheel is bemonsterd (AAJG7508NL). Het NFI heeft dit monster onderzocht en heeft geconcludeerd dat het monster amfetamine bevat.16

- Beslagcode 21830948 bevat 1 wikkel met wit poeder met een nettogewicht van 0,09 gram. Het geheel is bemonsterd (AAJG7516NL). Het NFI heeft dit monster getest en heeft geconcludeerd dat het monster cocaïne bevat.17

- Beslagcode 21830947 bevat een deel van een jerrycan met daarin een mixer, een soeplepel, een eetlepel, 2 gardes, allen voorzien van wit poeder. Verder werd ook in de jerrycan wit poeder aangetroffen. Er is een monster van 1,19 gram genomen (AAJX2317NL). Dit monster is door het NFI getest. Het NFI heeft geconcludeerd dat het monster amfetamine bevat.18

- Beslagcode 21830949 bevat een witte box met daarin onder meer wit nat poeder/wit natte brokken, met een gewicht van 119,66 gram. Er is een monster van 5,24 gram genomen (AAJX2318NL). Dit monster is getest door het NFI. Geconcludeerd is dat het monster amfetamine bevat.19

Aangevoerd is dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde leed aan een angststoornis en paniekaanvallen. Volgens verdachte maakte dat, dat zij vooral met zichzelf bezig was en dat alles langs haar heen ging. Zij stelt dat zij zich daarom niet bewust was van de aanwezigheid van een grote hoeveelheid drugs in de caravan. De rechtbank overweegt als volgt.


Verdachte heeft bij de politie verklaard dat zij wel wist dat er drugs in de caravan lagen, maar dat zij niet wist dat het om een zo grote hoeveelheid ging.20 Ter terechtzitting heeft zij verklaard dat zij alle onder feit 1 ten laste gelegde soorten drugs wel eens zelf heeft gebruikt.21

Op basis van het dossier en gelet op de verklaring van verdachte, kan niet zonder twijfel worden vastgesteld dat verdachte wetenschap had over de exacte hoeveelheid drugs die in de caravan zijn aangetroffen. De rechtbank acht echter niet aannemelijk geworden dat verdachte door haar psychische problemen in het geheel niet doorhad wat om haar heen gebeurde. Zij wijst in dat verband ook op de door verdachte afgelegde verklaring dat zij wel wist dat er drugs in de caravan lagen. Op diverse plekken in de caravan, waarin verdachte woonde, lagen relatief grote hoeveelheden drugs en verdachte was met deze drugssoorten bekend. Het voorgaande maakt dat naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte op 15 september 2016 een hoeveelheid XTC pillen (bevattende MDMA), GHB, speed (bevattende amfetamine) en cocaïne aanwezig heeft gehad.

Verdachte woonde samen met [medeverdachte] in de caravan en, zoals eerder overwogen, wees [medeverdachte] bij de doorzoeking een deel van de verdovende middelen in de caravan aan. Dat maakt dat de rechtbank bewezen acht dat ook [medeverdachte] opzettelijk drugs aanwezig heeft gehad. Verdachte heeft het feit daarmee samen met een ander gepleegd.

In de caravan zijn in een bakje op de wasmachine 5 gripzakjes met ketamine aangetroffen. Ketamine staat niet vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, maar valt onder de Geneesmiddelenwet. Verdachte zal ten aanzien daarvan van het onder 1 ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 2

Het dossier bevat aanwijzingen dat medeverdachte [medeverdachte] drugs heeft gedeald, en in dat kader drugs heeft verwerkt en bewerkt. Zoals hiervoor vermeld, woonde verdachte samen met [medeverdachte] in de caravan en was zij ook aanwezig op 15 september 2016. Verdere aanwijzingen voor betrokkenheid bij het onder 2 ten laste gelegde, zoals bijvoorbeeld observaties van verbalisanten, getuigenverklaringen over de betrokkenheid van verdachte of verklaringen van verdachte of [medeverdachte] over eventueel onderling gemaakte afspraken, ontbreken in het dossier. De rechtbank is daarom van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat tussen verdachte en [medeverdachte] sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking. Verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 2 aan haar ten laste gelegde.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

zij op of omstreeks 15 september 2016 in de gemeente Elburg tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad

- ongeveer 417 XTC pillen, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDA en/of MDMA en/of amfetamine en/of

- ongeveer 6 ballonnetjes GHB, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende GHB, en

- ongeveer 500 gram speed, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine,

- ongeveer 35 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, - ongeveer 6 gripzakjes ketamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende ketamine,

zijnde MDA en/of MDMA en/of amfetamine en/of cocaïne en/of ketamine (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur, subsidiair 120 dagen hechtenis. De tijd die verdachte in verzekering gesteld is geweest, moet op die straf in mindering worden gebracht. De officier van justitie heeft bij het bepalen van de eis in het voordeel van verdachte rekening gehouden met het feit dat verdachte nog niet eerder veroordeeld is voor strafbare feiten. Daarnaast was haar rol kleiner als die van medeverdachte [medeverdachte]. Verdachte wist dat het om drugs ging en heeft daarvan mee geprofiteerd. Sprake is van buitengewoon ernstige feiten, die op zichzelf een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf rechtvaardigen. De officier van justitie volstaat echter met een taakstraf, nu verdachte een first offender is en zij, volgens de ter terechtzitting overgelegde stukken, te kampen heeft met psychische problemen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte is een first offender en heeft haar leven op orde. Zij heeft werk en volgt een opleiding. Verdachte lijdt aan angststoornis en paniekaanvallen en moet hiervoor regelmatig naar een psychiater van GGZ. Gelet hierop en gelet op de rol van verdachte, acht de raadsvrouw een vrijheidsbenemende straf niet passend en verzoekt zij de rechtbank om verdachte een gedeeltelijk voorwaardelijke taakstraf op te leggen.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 25 november 2016.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het volgende.

Verdachte heeft op 15 september 2016 samen met een ander opzettelijk een hoeveelheid harddrugs aanwezig gehad. Hoewel dat ten aanzien van verdachte niet bewezen is verklaard, waren deze drugs bestemd voor de handel. Het is algemeen bekend dat harddrugs, eenmaal onder het bereik van gebruikers, een ernstige bedreiging vormen voor de volksgezondheid. Harddrugs werken over het algemeen zeer verslavend. Het is daarnaast een feit van algemene bekendheid dat een aanmerkelijk deel van de criminaliteit direct of indirect haar oorsprong vindt in het gebruik van drugs.

Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening met haar persoonlijke omstandigheden, zoals die uit het dossier blijken en ter terechtzitting zijn toegelicht. Verdachte kampt met psychische problemen, waarvoor zij recentelijk is verwezen naar een psychiater. Zij is niet eerder veroordeeld voor strafbare feiten, heeft werk en volgt een studie. In het voordeel van verdachte weegt de rechtbank tevens mee dat zij een aanmerkelijk kleinere rol had in het geheel dan haar partner, medeverdachte [medeverdachte].

De rechtbank komt tot een lagere straf dan door de officier van justitie is geëist, nu de rechtbank verdachte vrijspreek van feit 2. Alles in aanmerking genomen vindt de rechtbank een taakstraf van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis, passend en geboden. Verdachte heeft het bewezen verklaarde feit samen met haar partner gepleegd. Zij hebben nog steeds een relatie. De rechtbank zal daarom een deel van de taakstraf, groot 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis, voorwaardelijk opleggen om te voorkomen dat dat verdachte opnieuw – al dan niet samen met [medeverdachte] – een strafbaar feit begaat. De proeftijd wordt bepaald op twee jaren. De tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht, zal op het onvoorwaardelijke deel in mindering worden gebracht.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 47 en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 13 van de Opiumwet.

9 De beslissing

De rechtbank:

 Spreekt verdachte vrij van het onder 2 ten laste gelegde feit.

 verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een taakstraf gedurende 150 (honderdvijftig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 75 (vijfenzeventig) dagen;

 bepaalt, dat gedeelte van de taakstraf groot 50 (vijftig) uren, subsidiair 25 (vijfentwintig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde voor het einde van de proeftijd die op twee jaren wordt bepaald;

 de voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit.

 beveelt dat voor de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.B.J. Driessen (voorzitter), mr. M.F. Gielissen en mr. Y.M.J.I. Baauw, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Kolkman, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 januari 2017.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant M. [verbalisant 3] van de politie Oost Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2016445042, gesloten op 2 november 2016 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte], p. 83 en het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], p. 100 en het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 3] en Alberts, p. 31 en 33.

3 Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 3], [verbalisant 2], [verbalisant 1], [verbalisant 5] en Bruchum, p. 38.

4 Het proces-verbaal van [verbalisant 1], [verbalisant 2], [verbalisant 3], [verbalisant 4] en [verbalisant 5], p. 61.

5 Het proces-verbaal van [verbalisant 1], [verbalisant 2], [verbalisant 3], [verbalisant 4] en [verbalisant 5], p. 61, 62 en 63.

6 Het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen, p. 114 en het NFI rapport d.d. 26 oktober 2016 (separaat ingezonden).

7 Het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen, p. 115 en het NFI rapport d.d. 26 oktober 2016 (separaat ingezonden).

8 Het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen, p. 115 en het NFI rapport d.d. 26 oktober 2016 (separaat ingezonden).

9 Het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen, p. 116 en het NFI rapport d.d. 26 oktober 2016 (separaat ingezonden).

10 Het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen, p. 116 en het NFI rapport d.d. 26 oktober 2016 (separaat ingezonden).

11 Het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen, p. 117 en het NFI rapport d.d. 26 oktober 2016 (separaat ingezonden).

12 Het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen, p. 117 en het NFI rapport d.d. 26 oktober 2016 (separaat ingezonden).

13 Het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen, p. 117 en het NFI rapport d.d. 26 oktober 2016 (separaat ingezonden).

14 Het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen, p. 118 en het NFI rapport d.d. 26 oktober 2016 (separaat ingezonden).

15 Het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen, p. 118 en het NFI rapport d.d. 26 oktober 2016 (separaat ingezonden).

16 Het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen, p. 119 en het NFI rapport d.d. 26 oktober 2016 (separaat ingezonden).

17 Het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen, p. 119 en het NFI rapport d.d. 26 oktober 2016 (separaat ingezonden).

18 Het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen, p. 120 en het NFI rapport d.d. 26 oktober 2016 (separaat ingezonden).

19 Het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen, p. 120 en het NFI rapport d.d. 26 oktober 2016 (separaat ingezonden).

20 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte], p. 110.

21 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 19 december 2016.