Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:1145

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
07-03-2017
Datum publicatie
31-03-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 5040
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Toekenning vervoersvoorziening voor collectief vervoer op grond van de Wmo 2015; maatwerkvoorziening als bedoeld in artikel 2.3.5, derde lid van de Wmo.

De rechtbank overweegt dat, anders dan onder artikel 19 van de Wmo 2007, de Wmo geen bepaling meer kent op basis waarvan een tegemoetkoming in de kosten kan worden verstrekt. De wens van eiseres om voor een vervoerskostenvergoeding in aanmerking te komen moet naar het oordeel van de rechtbank dan ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van een persoonsgebonden budget (pgb) bedoeld in artikel 2.3.6 van de Wmo. Het beleid van verweerder waarin voor zover hier van belang, een maatwerkvoorziening kan worden verstrekt in de vorm van collectief vervoer en een individuele voorziening komt erop neer dat in die gevallen waarin verweerder collectief vervoer indiceert, geen pgb wordt verstrekt. Naar het oordeel van de rechtbank miskent verweerder hiermee de keuzevrijheid zoals deze voortvloeit uit artikel 2.3.6, eerste lid van de Wmo. Verweerders beleid is in zoverre geen juiste wetstoepassing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2017/184
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: 16/5040

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. J. van Kleef),

en

[verweerder] te [woonplaats], verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 17 maart 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd om eiseres een vervoersvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) toe te kennen.

Bij besluit van 18 juli 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 17 januari 2017 heeft verweerder eiseres een vervoersvoorziening toegekend in de vorm van een vervoerspas voor collectief vervoer.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2017. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Tevens is de echtgenoot van eiseres verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.F. Widdershoven.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiseres ontving sedert 1 februari 2010 een vervoerskostenvergoeding op grond van de Wmo vanwege haar mobiliteitsbeperking. Bij besluit van 6 oktober 2015 heeft verweerder deze voorziening beëindigd. Het hiertegen gemaakte bezwaar heeft verweerder niet-ontvankelijk verklaard. Op 16 maart 2016 heeft eiseres een nieuwe aanvraag gedaan.

2. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat op grond van artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo geen maatwerkvoorziening behoeft te worden getroffen. In het bestreden besluit heeft verweerder toegelicht dat bij de beoordeling van vervoersvoorzieningen op grond van de Wmo krachtens het beleid wordt uitgegaan van een model met vier lagen (vierstapsmodel), waarbij de eerste laag als uitgangspunt geldt. De eerste laag betreft een oplossing binnen het eigen netwerk van eiser, de tweede laag gebruikmaking van het openbaar vervoer, de derde laag gebruikmaking van de regiotaxi en de vierde laag betreft een individuele voorziening.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres met hulp van (de auto van) haar echtgenoot zelf kan voorzien in haar vervoersbehoefte, zodat de eerste laag van toepassing is en eiseres voldoende zelfredzaam is.

3. De rechtbank stelt vast dat verweerder bij besluit van 17 januari 2017 de afwijzing niet meer heeft gehandhaafd en eiseres alsnog een vervoersvoorziening heeft toegekend in de vorm van een vervoerspas voor collectief vervoer. De rechtbank is van oordeel dat het besluit van 17 januari 2017 dient te worden aangemerkt als een gewijzigd besluit op bezwaar. Hierbij is van belang dat eiseres ter zitting heeft verklaard dat aan de toekenning geen nieuwe aanvraag ten grondslag heeft gelegen.

De rechtbank overweegt voorts dat verweerder met het besluit van 17 januari 2017 niet geheel is tegemoet gekomen aan het beroep van eiseres. Zij wenst immers een vervoerskostenvergoeding. Ingevolge artikel 6:19 van de Awb is het beroep dan ook mede gericht tegen het nieuwe besluit op bezwaar. Nu gesteld noch gebleken is dat eiseres nog procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het besluit van 18 juli 2016, dient het beroep tegen dat besluit niet-ontvankelijk te worden verklaard.

4. Met betrekking tot de vervoerspas voor collectief vervoer heeft verweerder ter zitting verklaard dat de aan eiseres toegekende voorziening, in zijn beleid aangemerkt als de derde laag van het vierstapsmodel, op grond van de Wmo moet worden aangemerkt als een maatwerkvoorziening bedoeld in artikel 2.3.5, derde lid van de Wmo. De rechtbank ziet geen reden om daar anders over te oordelen.

5. De rechtbank overweegt dat, anders dan onder artikel 19 van de Wmo 2007, de Wmo geen bepaling meer kent op basis waarvan een tegemoetkoming in de kosten kan worden verstrekt. De wens van eiseres om voor een vervoerskostenvergoeding in aanmerking te komen moet naar het oordeel van de rechtbank dan ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van een persoonsgebonden budget (pgb) bedoeld in artikel 2.3.6 van de Wmo. Ingevolge het eerste lid van deze bepaling, verstrekt het college indien de cliënt dat wenst, hem een persoonsgebonden budget dat de cliënt in staat stelt de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken. Het beleid van verweerder waarin voor zover hier van belang, een maatwerkvoorziening kan worden verstrekt in de vorm van collectief vervoer en een individuele voorziening komt erop neer dat in die gevallen waarin verweerder collectief vervoer indiceert, geen pgb wordt verstrekt. Naar het oordeel van de rechtbank miskent verweerder hiermee de keuzevrijheid zoals deze voortvloeit uit artikel 2.3.6, eerste lid van de Wmo. Verweerders beleid is in zoverre geen juiste wetstoepassing.

6. Uit het bovenoverwogene vloeit voort dat verweerder het verzoek van eiseres om een vervoerskostenvergoeding (lees: pgb) ten onrechte heeft geweigerd.

7. Het beroep is daarom gegrond en het besluit op bezwaar van 17 januari 2017 komt voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank kan niet zelf in de zaak voorzien nu verweerder zich eerst moet uitlaten over de vraag of eiseres voldoet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een persoonsgebonden budget. Daarbij zal verweerder moeten beoordelen of voldaan is aan het bepaalde in artikel 2.3.6, tweede lid, van de Wmo, waarin staat dat een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, indien:

a. de cliënt naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat is te achten tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, in staat is te achten de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren;

b. de cliënt zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de maatwerkvoorziening als persoonsgebonden budget wenst geleverd te krijgen;

c. naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt.

Tevens zal verweerder moeten bezien of (een of meerdere van) de weigeringsgronden bedoeld in het vijfde lid van artikel 2.3.6 van de Wmo zich voordoen. Op grond van het vijfde lid kan verweerder een persoonsgebonden budget weigeren:

a. voor zover de kosten van het betrekken van de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen van derden hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening of;

b. indien het college eerder toepassing heeft gegeven aan artikel 2.3.10, eerste lid, onderdeel a, d en e.

In artikel 2.3.10, eerste lid, onderdeel a, d en e, is bepaald dat verweerder een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 kan herzien dan wel intrekken, indien het college vaststelt dat:

a. de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid,

(…)

(…)

d. de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget verbonden voorwaarden,

e. de cliënt de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget niet of voor een ander doel gebruikt.

8. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten ten bedrage van € 990 aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken. Tevens dient verweerder het betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 18 juli 2016 niet-ontvankelijk;

verklaart het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 17 januari 2017 gegrond;

vernietigt dat besluit en bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 990;

bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 46 aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Klein Egelink, voorzitter, mr. E.C.E. Marechal en mr. C.W.C.A. Bruggeman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.W.M. Litjens, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

Griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.